We hebben 190 gasten online

Noord en Zuid-Amerika

Deel 5 De Nieuwe Wereld in het Westen

Gepost in V.S.

Op weg naar de Revolutie

De uitschakeling van Frankrijk

De Indianen in Noord-Amerika waren voor de En­gelsen al een probleem, maar ook de rivaliteit met Frankrijk baarde de kolonisten zorgen. De Engelse ko­loniën, die van noord naar zuid over een afstand van 2.000 kilometer langgerekt langs de kust lagen, waren immers in het noorden en het westen volledig ingeslo­ten door uitgestrekte Franse gebiedsdelen en in het zui­den door de Spaanse bezittingen. Toen Engeland in 1713 New Foundland en New Scotland verwierf ten na­dele van Frankrijk, werd de rivaliteit tussen beide ko­loniale mogendheden al bijzonder scherp. Voortduren­de grensconflicten groeiden uit tot een koloniale oorlog.

589px-new-france1750

De aanleiding was het feit dat de Fransen het gebied van de Ohio-rivier bezet hadden om hun kolonies Ca­nada en Louisiana met elkaar te verbinden. Deze actie zou de omsingeling van de dertien Engelse koloniën vol­tooid hebben. In 1756 waren Engeland en Frankrijk in een open Europese oorlog gewikkeld en die kreeg een vervolg in de koloniën. Beide partijen probeerden de Indianen aan hun kant te krijgen. De meeste India­nen kozen de zijde van Frankrijk. De Franse kolonisten waren vooral geïnteresseerd in de pelshandel en heb­ben nooit geprobeerd de Indianen uit hun thuislanden te verdrijven of hen te dwingen hun levenswijze op te geven. Daarenboven waren de Fransen experten in oor­logvoeren in de wouden. De eerste twee jaren van de oorlog leden de Engelsen voortdurend nederlagen.

1754-1763french and_indian_war

De inzet was ongemeen groot: het achterland van de dertien koloniën, en dus de heerschappij over het Noord Amerikaanse continent. De oorlog duurde tot 1763. Dat deze Zevenjarige Oorlog ook in Amerika door de Engelsen gewonnen werd, is niet zozeer te dan­ken aan hun militaire kwaliteiten, maar wel aan een ver­regaande Franse nonchalance. Toen het Franse opper­bevel in Canada een oproep tot de Franse regering deed om versterkingen te sturen, weigerde Lodewijk XV dit verzoek in te willigen. De tekst van deze boodschap is een uitstekende illustratie van het gebrek aan belangstel­ling en het fatalisme, waarmee de Franse koning de ge­beurtenissen in Noord-Amerika beoordeelde:

"Het spijt me U te moeten meedelen dat U niet moet hopen op het ontvangen van troepen ter versterking... De inspanningen die men zich hier zou getroosten om aan uw vraag te voldoen, zouden de regering in Lon­den er maar toe aanzetten, nog aanzienlijker verster­kingen te sturen om hun overwicht te behouden."

Deze houding van de Franse vorst lag wel in de lijn van het traditionele beleid dat de Franse monarchie in de 17de en 18de eeuw volgde. De Bourbons hebben steeds een buitenlandse politiek gevoerd waarin Euro­pa absolute prioriteit genoot en de koloniën als bij­komstig werden beschouwd. Hun hoofddoel was Frankrijk noordoostelijk een natuurlijke grens (de Rijn) te bezorgen. Dit doel werd nooit verwezenlijkt. In 1763 verwierf Groot-Brittannië met de Vrede van Parijs Ca­nada en een groot deel van Louisiana ten nadele van Frankrijk.

northamerica1762-83

Het deel gelegen tussen het Alleghany-gebergte en de Mississippi werd Brits; het deel tussen de Mississipi en het Rotsgebergte met inbegrip van `la Nouvelle-Orléans' stond Frankrijk af aan Spanje.

De groei van een revolutionair klimaat

Met de koloniale oorlog tussen Engeland en Frank­rijk werd een conflict tussen twee Europese mogend­heden buiten Europa uitgevochten. Voor de geschie­denis van Noord-Amerika was dit conflict in verschil­lende opzichten van betekenis. Bij het uitbreken van de oorlog in juni 1754 stelde Benjamin Franklin te Albany - op een bijeenkomst van vertegenwoordigers van New York, Pennsylvania, Ma­ryland en de koloniën van New England - de oprich­ting voor van een confederatie met gemeenschappelij­ke regeringsorganen en leger. Dit eenmakingsproject van Franklin, dat als het Albany Plan of Union bekend werd, voorzag ook de gezamenlijke kolonisatie van het westen. Hoewel de koloniën op dat ogenblik nog geen heil zagen in een samengaan, was dit voorstel toch al een teken aan de wand. Anderzijds was het indienen van dit voorstel psychologisch goed bekeken, omdat de Engelse regering door tactloze maatregelen bij her­haling de verontwaardiging van de koloniën had op­gewekt.

Na de overwinning op Frankrijk werd de Engelse re­gering met verschillende problemen geconfronteerd. Londen plande een strak koloniaal beleid op een ogen­blik dat de koloniën een grotere vrijheid eisten dan ze tot dan toe genoten. Het Britse imperialisme botste met het zelfbewustzijn van de kolonisten, die prat gingen op hun plaatselijke autonomie en op de democratische beginselen zoals die geconcretiseerd waren in de kolo­niale parlementen.

Dit strakke koloniale beleid werd in de eerste plaats door een voordien ongekende militaire aanwezigheid ondersteund: een Brits bezettingsleger van ongeveer 10.000 man bleef om een eventuele opstand van de Franse Canadezen te onderdrukken. De Amerikaanse kolonisten hadden deze militaire aanwezigheid eerst zelf gewenst, maar vrij vlug ervoeren zij ze als een last. De Britse gouverneurs beschikten nu immers over een geregeld leger en dit gaf hun een grotere macht ten op­zichte van de koloniale parlementen.

bounderies quebec act 1774

De verontwaardiging werd nog groter, toen bleek dat Londen ernaar streefde de expansie van de koloniën in westelijke richting te verhinderen. In 1774 vaardigde de Londense regering de Quebec Act uit, waardoor de provincie Quebec werd uitgebreid met het gebied ten noorden van de Ohio en tussen het Alleghany-gebergte en de Mississipi. Londen verbood de Amerikaanse pioniers uit de dertien koloniën zich in het Ohio-district te gaan vestigen. Londen had immers nog maar pas een Indianenopstand - onder leiding van Pontiac, het op­perhoofd van de Ottawa - onderdrukt. De vestiging van de pioniers in dit gebied kon de wrijvingen met de In­dianen alleen maar doen toenemen. Daarenboven be­tekende de bescherming van deze pioniers een finan­ciële last, die de Engelse regering niet langer kon dra­gen. Daarenboven kon de Engelse regering de kolonisten beter controleren, als ze zich niet te zeer ver­spreidden. Tenslotte wenste de Kroon de opbrengsten van de pelshandel en van de grondspeculatie in het Westen in eigen handen te houden. De Quebec Act werd door de kolonisten als een vernedering gevoeld. Nadat hun expansie door de Franse aanwezigheid ver­hinderd was, zagen zij die nu door de Engelse aanwe­zigheid belemmerd.

De oorlogsinspanningen en het onderhoud van het bezettingsleger hadden de Engelse schatkist tot grote uitgaven gedwongen. Omdat de kolonisten daarvan - althans volgens Londen - de voornaamste begunstig­den waren, kwam de regering al vlug op het idee de kosten te recupereren door een strengere fiscale poli­tiek in de koloniën te voeren. Zolang dit beleid zich be­perkte tot een verhoging van bestaande belastingen, ver­wekten deze maatregelen nog geen opstand.

parliament20stamp20act2

De oppo­sitie brak evenwel voorgoed los toen in 1765 het zegelrecht - een volkomen nieuwe taks, die op handels­documenten en kranten betaald moest worden - werd ingevoerd. Door deze Stamp Act ontstond een gemeen­schappelijke boycot, die de vaak rivaliserende kolonies samenbracht.

In 1765 hielden negen koloniale parlementen in New York een congres dat zich niet alleen tegen de Stamp Act keerde, maar tegen het principe van eenzijdig op­gelegde belastingen zelf. Het centrum van de weerstand lag in Boston.

De Engelse regering haalde bakzeil en trok de Stamp Act in. Het volgende jaar werden evenwel de Towns­hend-tollen gestemd: het waren nieuwe taksen op de import van onder andere thee, lood, papier en glas. De­ze maatregelen pasten volmaakt in het nieuwe beleid van Londen. Had Engeland vroeger al strikt de hand gehouden aan het naleven van de Navigation Acts, dan zorgde de Engelse regering nu voor een strikte uitvoe­ring van haar mercantilistische politiek. Ook de Townshend-tollen moesten geld in het laatje brengen.

De kolonisten reageerden scherp. In Boston werden douanebeambten mishandeld en Engelse soldaten vuurden in de oproerige menigte (5 maart 1770). Tij­dens deze berucht gebleven Boston Massacre vielen drie doden. De zaak van de onafhankelijkheid had haar eerste martelaren.

parliament20tea20act 1773

Londen moest opnieuw toegeven, maar handhaaf­de symbolisch - om volledig gezichtsverlies te voorko­men - de tol op thee. Dit gaf de kolonies de kans om de strijd voort te zetten; de maatregel werd beschouwd als een restant van de Engelse willekeur. De actie werkte als een hefboom voor het mobiliseren van de publieke opinie in alle koloniën ten voordele van de politieke een­making. De slogan no taxation without representation vestigde de aandacht op het feit dat het parlement van het moederland geen vertegenwoordigers van de Amerikaanse bevolking zaten, maar dat het Engelse parlement zich toch het recht aanmatigde, de kolonia­le bevolking fiscale lasten op te leggen.

De gemoederen waren verhit: de kolonisten door­kruisten de mercantilistische politiek van Londen. De bevolking werd ertoe aangezet nog uitsluitend Ameri­kaanse produkten te kopen en de Engelse te boycot­ten. Via smokkelhandel werden de Navigation Acts om­zeild. Op 16 december 1773 vond de bekende Boston Tea Party plaats. In de haven van Boston waren drie schepen van de Britse Oost-Indische Compagnie aange­komen met een vracht thee, voor een waarde van 150.000 pond. In de nacht van 16 december wierpen vijftig als Indianen vermomde inwoners van Boston de theelading overboord. De repressie volgde onmiddel­lijk: de koloniale haven van Boston werd gesloten; in Massachusetts werden de koloniale ambtenaren afge­zet en vervangen door Britse rijksambtenaren. De ver­tegenwoordigers van de dertien koloniën kwamen bij­een in een Eerste Continentaal Congres in Philadel­phia, verklaarden er zich solidair met Massachusetts, en besloten de boycot van de Engelse producten nog uit te breiden.

1774 2

Vanaf dit ogenblik werd de opstand voorbereid. Dit betekende niet dat de hele bevolking in de kolonies voor een vrijheidsstrijd was. Vooral de armere klassen wa­ren tegenstanders van Engeland, maar ook de 'plan­ters' uit Virginia en het Zuiden, die de strikte econo­mische controle van de Engelsen meer dan beu waren, kozen ondubbelzinnig partij voor Amerika. Aan de an­dere kant koos de bevolking van uitgestrekte gebieden in New Jersey, Delaware, Maryland, Oostelijk Penn­sylvania en de grensgebieden van Georgia en de Caro­lina's , om economische of plaatselijke politieke rede­nen, de kant van Groot-Brittannië.

In New York waren de Loyalisten of verdedigers van het moederland bijzonder talrijk; in Virginia waren er allicht het minst. Pennsylvania stond bekend als 'en­nemy's country'! De eminente jurist en latere president John Adams schatte dat van de drie miljoen inwoners van de koloniën er toch ten minste één miljoen Loya­listen waren. Velen geloofden dat het loyalistische standpunt het in een volksraadpleging gehaald zou heb­ben. Velen stonden tussen beide standpunten in en wa­ren niet meteen tot opstand bereid. Zelfs leiders met een onafhankelijke geest, zoals John Adams en Ben­jamin Franklin, hebben tot op het laatst middelen ge­zocht om revolutionair geweld te voorkomen.

In januari 1775 schreef Adams nog: "We maken deel uit van de Britse Dominions: dat wil zeggen dat we res­sorteren onder de Koning van Groot-Brittannië. Het is in ons belang en het is onze plicht ons te onderwer­pen aan het gezag van het Parlement, ook voor wat de handelsregeling betreft, zolang we onze interne zaken maar zelf mogen bepalen".

Zelfs in de uiteindelijke Declaration of Causes of Ta­king up Arms opgesteld door Thomas Jefferson en on­dertekend door John Hancock (6 juli 1775 !) werd ver­klaard:

"Wij hebben geen legers gevormd met het ambitieuze plan om de afscheiding van Groot-Brittannië te bevechten en onafhankelijke staten op te richten... Met een nederig vertrouwen in de zegeningen van de Opperste en Onpartijdige Rechter en Heer van het universum, kunnen wij Zijne Goddelijke Goedheid enkel maar sme­ken om onze tegenstanders aan te zetten tot ver­zoening.'.

Deze verzoenende taal sloot niet uit dat de Loyalisten gesard en vervolgd werden: hun huizen werden geplunderd; de Engelsgezinden werden met teer ingewreven en dan met pluimen overdekt. De vrijheidsoorlog die losbarstte was dus ook een burgeroorlog, want ongeveer 50.000 Amerikaanse Loyalisten werden officier en sol­daat in het Britse leger. Vele verschrikkingen warei juist het gevolg van de strijd tussen Loyalisten en Pa­triotten (zoals de opstandige Amerikanen zich noem­den) uit dezelfde familie of dezelfde buurt.

De Amerikaanse revolutie

De Amerikaanse vrijheidsoorlog

Het eerste treffen in de Vrijheidsoorlog vond plaats nabij Lexington. Een Britse legereenheid onder leiding van generaal Gage was op weg naar Concord (in de buurt van Boston) om een paar patriotten te gaan aan­houden; ze werd door de opstandelingen opgehouden. In de schietpartij vielen acht doden bij de Amerikanen. Op de terugweg werd dezelfde legereenheid opnieuw betrokken in een vuurgevecht met de opstandelingen: 247 Britse soldaten sneuvelden.

De oorlog verliep niet spectaculair, maar kende toch enkele legendarische episodes. Het Continentaal Con­gres, dat de patriotten vertegenwoordigde, richtte een leger op. Het stond vanaf 15 juni 1775 onder het op­perbevel van George Washington.

routes of washington and rochambeau in 1781

Washington ondervond al vlug de nadelen van het gebrek aan militaire traditie bij de kolonisten. Alle bur­gers in de dertien koloniën waren wel gewapend; zij moesten zich, immers tegen vele gevaren, niet in het minst tegen de dreiging van de Indianen, kunnen be­schermen. Maar door de gebrekkige communicatie­mogelijkheden, de enorme uitgestrektheid van het land en de wijze van oorlogvoeren van de Indianen, kon de oorlog zelden of nooit georganiseerd worden als een centraal geleide operatie, zoals dat in Europa het ge­val was. De strijd verliep integendeel als een aaneen­schakeling van erg gespreide gevechten tussen kleine groepen of enkelingen.

Elke stad en elke streek had een eigen militie: de bur­gers moesten zichzelf bewapenen; als ze daarvoor geen geld hadden, gaf het stadsbestuur hun wapens, die ze later moesten terugbetalen. Zelfbewapening was dui­delijk een burgerplicht in de kolonies. In deze milities was het dragen van een uniform onbekend. De relaties tussen de officieren en de manschappen waren erg in­formeel. De milities konden bijzonder snel gemobili­seerd worden maar continuïteit ontbrak: zodra zij hun opdracht uitgevoerd hadden, werden de milities om­bonden.

Settlers waren onmiddellijk bereid om een palissade„ een garnizoensgebouw of een fort te bouwen... op voorwaarde dat het voor de verdediging van hun stad of streek was. De milities waren opgericht om boerderijen, woningen en steden te verdedigen tegen de aanvallen of plundertochten van de Indianen. Militaire ver­dediging was naar de opvatting van de Amerikanen dan ook een erg eenvoudige onderneming, waarbij ze zich direct betrokken voelden. De kolonisten hadden evenwel maar weinig zin om dienst te nemen in een geregeld leger, oorlog te voeren op een slagveld, zich aan een bevelhebber te onderwerpen of hun huid te wagen voor de verdediging van een verafgelegen fort, hoe stra­tegisch dit voor hun eigen veiligheid ook lag.

Aan deze realiteit moest Washington zich aanpassen, toen hij de 'onmilitaire' Amerikanen in een ge­maakt Continentaal Leger samenbracht. Washington begreep al vlug dat de oorlog in verschillende fasen ge­voerd moest worden; eerst in New England, dan in de kolonies van het Midden en tenslotte in het Zuiden. Zo kon hij de verspreide milities veel doeltreffender inzet­ten. Hij had dan ook het voordeel met een kleiner, be­weeglijker leger te kunnen opereren.

Hoe komt het nu dat een slecht gedisciplineerd, po­ver uitgerust en verdeeld optredend leger erin slaagde, de goed georganiseerde troepen van een grote militai­re macht te verslaan?

Natuurlijk heeft de moed van de Amerikanen hier een rol gespeeld. De Britse bevelhebbers werden geconfron­teerd met voor hen totaal onbekend terrein. Ook de on­bekwaamheid van de meeste Engelse officieren heeft ongetwijfeld een rol gespeeld: in het Engelse leger wer­den de officiersrangen immers gekocht. De manschap­pen kwamen dan nog uit het Duitse Hessen en verston­den soms de Engelse bevelen niet. In de dagelijkse strijd om het bestaan in een vijandige omgeving waren de Amerikaanse kolonisten daarenboven uitstekende scherpschutters geworden: geconfronteerd met wilde dieren of met Indianen, hadden ze geleerd dat elk schot raak moest zijn. Ook in de oorlog tegen de Engelsen gebruikten de Amerikanen hun munitie zeer doeltref­fend. Het Engelse leger daarentegen opereerde in slag­orde: bij het vuren werd steeds een gemeenschappelijk salvo gelost, waarbij niet doelgericht, maar onbepaald in een brede waaier geschoten werd.

Dat de Engelse opinie over de oorlog erg verdeeld was, heeft ingewerkt op het moreel van de troepen. Een belangrijk deel van de Engelse politieke wereld vond dat de Amerikanen gelijk hadden en zagen in een Brit­se nederlaag een mogelijkheid om op het thuisfront ook democratische hervormingen door te voeren.

Tenslotte speelden Frankrijk en Spanje nog een belang­rijke rol. Zij waren er als de kippen bij om de Ameri­kanen te steunen met geld en later zelfs met troepen. Het was de Franse vloot die elke uitbraakpoging van het ingesloten Britse leger verhinderde en zo de Britse nederlaag bezegelde.

De Onafhankelijkheidsverklaring

Het Continentaal Congres had aan een Commissie van Vijf - onder wie Benjamin Franklin, John Adams en Thomas Jefferson - de opdracht gegeven een onaf­hankelijkheidsverklaring op te stellen. Thomas Jeffer­son stelde een ontwerpverklaring op: daarbij legde hij de klemtoon op het belang dat de `gewone' man bij de revolutie had. De massa moest immers om de idealen van de opstand geschaard worden. Een erg belangrijke rol speelde in dit verband Tom Paine met de publica­tie van zijn pamflet Common Sense. Hiermee slaagde hij erin de bevolking met begrippen als democratie en volkssoevereiniteit vertrouwd te maken. Zo was al heel wat pionierswerk verricht. De Onafhankelijkheidsverklaring, die op 4 juli 1776 werd afgekondigd, bestond uit drie delen: een Decla­ration of Rights, een klacht van het Amerikaanse volk over het optreden van de Engelse Kroon, en tenslotte de eigenlijke Onafhankelijkheidsverklaring: de verenig­de koloniën bevestigen nadrukkelijk dat zij vrije, on­afhankelijke staten zijn. De Declaration of Rights erkende expliciet dat "alle mensen als gelijken geschapen zijn, dat hun Schepper hun bepaalde onvervreemdbare rechten gegeven heeft; daarbij horen het recht op Leven. Vrijheid en het stre­ven naar Geluk. Regeringen, die hun macht ontlenen aan de bestuurden, moeten deze rechten waarborgen. Doen zij dit niet, dan mag het volk hun vorm verande­ren, ze afschaffen of een nieuwe regering instellen." De soevereiniteit berust niet langer bij een boven ie­dereen verheven staatshoofd. De leden van een staat zijn niet langer onderdanen, maar burgers: zij worden niet langer bevoogd, maar delegeren een deel van hun macht aan een regering; dit is de uitdrukking van de theorie van de volkssoevereiniteit van John Locke. Vol­gens de auteurs van de Onafhankelijkheidsverklaring had de Engelse koning geen rekening gehouden met de wensen van de kolonisten, die zich dan ook niet meer aan zijn gezag onderworpen voelden.

Naar internationale erkenning

Volledige internationale erkenning van hun onafhan­kelijkheid konden de Verenigde Staten van Amerika maar verwachten, nadat Groot-Brittannië als 'moeder­land' het voorbeeld voor andere landen gegeven had. Voorbereidende onderhandelingen werden in het jaar 1782 in Parijs gevoerd. De eis van Benjamin Franklin dat Groot-Brittannië ook Canada aan de Verenigde Sta­ten van Amerika zou afstaan, werd niet gehandhaafd. De Amerikaanse onderhandelaars hebben geen reke­ning gehouden met de instructie van het Congres, dat zij uitsluitend na uitvoerig overleg met de Franse rege­ring een overeenkomst met de Engelsen zouden slui­ten. John Adams, Benjamin Franklin, Henry Laurens en John Jay vreesden een Franse revanche op Groot-Brittannië, en dit wantrouwen werd door de Engelse regering positief gewaardeerd. Met het Verdrag van Versailles erkende Groot-Brittannië de onafhankelijk­heid van de Verenigde Staten van Amerika; de gren­zen van de nieuwe staat werden erin vastgelegd. Cana­da bleef Brits, maar het door Groot-Brittannië vero­verde deel van Louisiana werd Amerikaans.

De betekenis van de onafhankelijkheid van de V.S.

De onafhankelijkheid van de Verenigde Staten van Amerika was het eerste voorbeeld van een succesvolle dekolonisatie en beïnvloedde de emancipatie van Latijns-Amerika in het eerste kwart van de 19de eeuw. De Verenigde Staten van Amerika berustten als eerste staat op de beginselen van de volkssoevereiniteit en op de principes van de rechtszekerheid en de rechtsgelijk­heid van de burgers. Maar werd de droom van volks­soevereiniteit, rechtszekerheid, rechtsgelijkheid, indi­viduele vrijheid en democratisch bestuur ook gereali­seerd, of toch op zijn minst ernstig nagestreefd? Al onmiddellijk na de onafhankelijkheid zou blijken dat tussen droom en daad heel wat menselijke beperkin­gen stonden...

De Loyalisten, die het moederland steeds verdedigd hadden, werden het slachtoffer van een niets ontzien­de repressie. Het Verdrag van Versailles bepaalde noch­tans ondubbelzinnig dat de parlementen van de lidsta­ten (de vroegere kolonies) van de nieuwe Unie moesten waken over het volledige rechtsherstel van de Loyalisten en dat ze hun bezit moesten terugkrijgen. De parlemen­ten van de meeste lidstaten keurden evenwel toch Acts of Banishment goed: de uitgeweken en gevluchte Loya­listen mochten de volgende dertig jaar niet naar de Verenigde Staten van Amerika terugkeren. Vele Loya­listen gingen in Engeland wonen; enkele duizenden emigreerden naar West-Indië. De meesten wek: naar Canada, Nova Scotia en New Brunsaick; in 1783 kwamen er 50.000 aan!

royal20proclamation201763

In de Onafhankelijkheidsverklaring had Jefferson zelf een slavenhouder, een passus laten opnemen waarin hij slavernij afkeurde en de verantwoordelijkheid onrechte volledig bij de Engelsen legde. Op aandringen van de lidstaten Georgia en South Carolina werd deze zinsnede uit de Onafhankelijkheidsverklaring geschrapt.

Ook de vrouwen werden gediscrimineerd. In de Amerikaanse samenleving hadden zij nochtans een buitengewoon belangrijke rol gespeeld. In de moeilijk pioniersjaren hadden deze vrouwen hun werkkracht voldoende bewezen. Niet weinigen hadden, na de dood van hun man, zelfstandig de farm `gerund'. Ook in de Vrijheidsheids oorlog tegen Engeland hadden zij zich niet onbetuigd gelaten: zij zorgden voor de bevoorrading van de manschappen; soms vochten zij zelfs mee. De Onafhankelijkheidsverklaring (later ook de grondwet) was voor de Amerikaanse vrouwen dan ook een grote ontgoocheling: zij werden burgers van de tweede rang kregen geen stemrecht, konden geen openbare ambten bekleden of deel uitmaken van een jury in een rechtszaak! Gehuwde vrouwen hadden geen enkele controle over hun bezit. In de wetgeving werden zij op dezelfde voet behandeld als de kinderen. Zij waren volledig onderworpen aan de voogdij van hun echtgenoot. Vrouwen hadden ook nauwelijks uitzicht op een goede opvoeding, voortgezet onderwijs of een beroep. De bewustwording bij vele vrouwen zou in hoge mate gestimuleerd worden door de strijd tegen de slavernij. Dan zouden vele vrouwen inzien dat ook zij een `geketende' groep waren.

Voor deel 6 zie Deel 6 De Nieuwe Wereld in het Westen