We hebben 164 gasten online

Noord en Zuid-Amerika

Deel 6 De Nieuwe Wereld in het Westen

Gepost in V.S.

De staatkundige en politieke ontwikkeling

De tweede fase van de Amerikaanse revolutie: de ´kritische jaren' (1776-1791)

Hoe revolutionair was de Amerikaanse revolutie ?

De bevoorrechte klasse heeft de onafhankelijkheids­oorlog nooit als een strijd voor een democratische sa­menleving gezien. De rijke planters en kooplieden rea­geerden enkel tegen de beperkingen van de Engelse mer­cantilistische politiek. De `kleine man' - landbouwers, ambachtslui en bedienden - kwam wel op voor méér rechten, maar zijn eerste reactie was om verschillende redenen lang niet zo hevig als die van zijn Franse lot­genoot: de armoede van de vele Amerikanen was niet te vergelijken met de ellende van de boeren zonder land of de fabrieksarbeiders (twee bevolkingslagen die Ame­rika niet kende) in Frankrijk. De Amerikaan wist dat zijn land zo groot was dat iedereen een lap grond ver­werven kon. De Amerikaan zag dat zelfs arme mensen vlug rijk konden worden, als ze maar hard wilden wer­ken ... Deze overtuiging temperde het revolutionaire klimaat. De zwarte slaven in het Zuiden hadden wel redenen om gewelddadig tegen hun eigenaars te reage­ren, maar de Amerikaanse Vrijheidsoorlog liet hen onberoerd,

Hannah Arendt zegt hierover: "Wat in Amerika af­wezig was, waren veeleer ellende en gebrek dan armoede, want de tegenstelling `tussen de rijken en de armen, de werkzamen en de leeglopers, de geletterden en de onwetenden' was in Amerika volop aanwezig en hield de geest van de stichters van de republiek sterk bezig. Aangezien evenwel de werkers in Amerika wel arm wa­ren, maar niet in ellendige omstandigheden leefden - reizigers uit Engeland en Europa stelden allemaal met verbazing vast: `Twaalfhonderd mijl lang zag ik niets dat tot liefdadigheid opwekte' (Andrew Burnaby) - wer­den zij niet door gebrek voortgedreven en hebben zij de revolutie niet als redmiddel gebruikt.

Het probleem dat de revolutionairen stelden was niet sociaal, maar politiek; het betrof niet de maatschap­pelijke orde, maar de regeringsvorm. De Amerikaan­se Revolutie bleef zich richten op het grondvesten van de vrijheid en het vestigen van blijvende instellingen. Wie in deze richting werkte, kon zich niets veroorlo­ven dat in strijd met de burgerlijke wet geweest zou zijn. Het is alsof de Amerikaanse Revolutie is gemaakt in een soort ivoren toren, waar het vreselijke schouwspel van menselijke ellende en de kwellende stem van ab­jecte armoede nooit binnendrongen... Aangezien er om hen heen geen lijden was dat hun hartstocht kon op­wekken, geen overweldigende dringende noden die hen zouden hebben verleid toe te geven aan nood, en geen medelijden dat hen afleidde van de rede, bleven de man­nen van de Amerikaanse Revolutie van het begin tot het einde mannen van de daad, van de Onafhankelijk­heidsverklaring tot het opstellen van de Grondwet. Hun gezond realisme werd nooit op de proef gesteld door medelijden."

1775-1783 the war of independence

Dat de onafhankelijkheidsstrijd voor de gewone sol­daat ook een sociale dimensie had, blijkt onder ande­re uit een brief die generaal Knox aan zijn opperbevel­hebber stuurde: "Voor de eenvoudige soldaten is het duidelijk dat het grondgebied van de V.S. door al­len behoed is voor confiscatie van Groot-Brittannië. De gronden moeten dan ook het gemeenschappelijk eigen­dom van allen zijn. Al wie zich verzet, is een vijand van de rechtvaardigheid en zou van de aarde wegge­vaagd moeten worden." Deze eis werd niet beant­woord, al werd het grondbezit in zekere zin 'gedemo­cratiseerd': de landgoederen van de in ballingschap ver­trokken Loyalisten en van de Kroon werden door de regering van de lidstaten in beslag genomen, verdeeld, en aan kleine eigenaars verkocht of aan vrijheidsstrij­ders geschonken.

In lidstaten zoals Virginia werd van de revolutie ge­bruik gemaakt om het uitsluitend erfrecht van de eerst­geborene af te schaffen. Door deze feodale rechtsge­woonte bleven grote landgoederen onverdeeld en de pri­vileges van de aristocratische families onaangetast. De andere Zuidelijke staten hebben dit voorbeeld gevolgd.

Tussen 1776 en 1780 stelde elke lidstaat een grond­wet op die zeker democratisch genoemd mocht wor­den. De principes van de Revolutie en van de Onafhankelijkheidsverklaring werden zo in de staten inge­voerd. De regeringsvorm moest steunen op een geschreven document, zo vond men. Daarin zou wor­den opgesomd hoe er bestuurd werd, en wie onder dat bestuur leefde, moest de beginselen eerst goedkeuren. Op die wijze zouden misbruiken, zoals in de Engelse tijd, onmogelijk worden. Bij de grondwet hoorde ook een Verklaring van de Rechten van de Mens: de bescherming van het leven, het eigendom, rechtsgelijk­heid en rechtszekerheid (garantie tegen willekeurige arrestatie), bewegingsvrijheid, vrijheid van levensbe­schouwing en meningsuiting... moesten onvervreemd­bare rechten worden. Voor het eerst in de geschiedenis werden regeringen op zo ruime schaal gebonden aan geschreven grondwetten en mensenrechten: de Ameri­kaanse Revolutie leverde een wezenlijke bijdrage tot het armen van een politieke traditie, waarvan het belang nauwelijks kan worden overschat.

Het stemrecht was geen onvervreemdbaar recht: het is beperkt door property qualifications (cijnskies­recht). In het algemeen heeft de Amerikaanse revolutie ­toch meer gelijkheid gebracht. De leidende klasse had haar machtsmonopolie verloren. Voortaan konden mannen van bescheiden afkomst door hun verdiensten opklimmen tot de hoogste posities. In staten als Massac­husetts, New York, Virginia en South Carolina, was de kiescijns voor de gewone man vaak hoog; democratisc­h was vooral Pennsylvania, (gevolgd door New Hampshire, Delaware, North Carolina en Georgia.).

Naar een grondwet voor de Unie

De Verenigde Staten vormden een vrij losse staten­bond, d.w.z. een confederatie van dertien staten, die tegen een gemeenschappelijke vijand gestreden hadden. Een centraal gezag (zoals Groot-Brittannië had willen inbouwen) wensten de staten niet. In 1777 werd met veel moeite een soort grondwet opgesteld: de Artike­len van de Confederatie. Het duurde tot 1781 voor de verschillende lidstaten deze `Artikelen' geratificeerd hadden! Deze grondwet voorzag niet in een overkoe­pelende regering. Er was maar één bondsorgaan - een Congres, waar elk van de 13 staten evenveel te vertel­len had; voor belangrijke besluiten waren 9 (van de 13) stemmen vereist, grondwetswijzigingen moesten una­niem aangenomen worden.

Men zag al vlug in dat de `Artikelen' van 1781 on­toereikend waren. Een ernstig probleem was de enor­me openbare schuld (42 miljoen dollar!). Internatio­nale problemen - zoals de afbakening van de grenzen, de reglementering van navigatie en handel - werden niet opgelost.

Kortom, er was geen échte `Amerikaanse' grondwet of `Amerikaanse' regering. In 1786 stuurden de lidstaten afgevaardigden naar een Conventie in Annapolis. Door hun particularistische instelling werd dit initiatief een fiasco. Op aandringen van Alexander Hamilton (New York) was de vergadering bereid de dertien staten uit te nodigen voor een Grondwetgevende Conventie in mei 1787 in Philadelphia. In plaats van een statenbond zou men proberen een bondsstaat op te richten, een staat dus waar het centrale of federale gezag primeert op het gezag van de lidstaten.

Het opstellen van een federale grondwet was een ui­terst delicate opdracht. Verschillende tegenstellingen en talloze hinderpalen moesten overwonnen worden.

Er was een duidelijke tegenstelling tussen de pioniers­bevolking van de 'frontier' in het Westen en de aristo­cratische eigenaars die zich langs de kust van de At­lantische Oceaan gevestigd hadden. Daarnaast onder­scheidden de Noordelijke en Zuidelijke koloniën zich van elkaar: in het Noorden was het bestuur democra­tisch (in het bestuur zaten burgers en boeren), terwijl het in het Zuiden van in het begin aristocratisch was (enkel grootgrondbezitters).

Dan was er de tegenstelling tussen de staten onderling. Vooral de kleine lidstaten waren tegen een sterk cen­traal gezag, dat voornamelijk door de invloed van de grote staten zou worden bepaald.

Ook de vraag, hoe democratisch het politieke leven moest verlopen, werd op verschillende wijzen beant­woord. Thomas Jefferson verdedigde de stelling dat `vrijheid' alleen mogelijk is, als de overheid niet téveel macht bezit en de regeringsmacht niét door een smalle maatschappelijke bovenlaag uitgeoefend wordt. Zijn medestanders verenigden zich in de Republikeins-Democratische Partij.

George Washington en vooral Alexander Hamilton daarentegen waren uitgesproken voorstanders van een sterke regering en eisten veel regeringsmacht op voor `the informeel few' (de weinigen, die geïnformeerd wa­ren) ! Zij waren de leiders van de Partij van de Federa­listen. Eén van hun medestanders - Edmund Randolph uit Virginia - vond dat "regeringsmacht uitgeoefend door het volk" alle takken van de samenleving onder­drukt. Geen grondwet heeft een toereikend tegenge­wicht voor de democratie geregeld. Alexander Hamilton verweet Jefferson een mobocratie te willen vesti­gen, dat is een regeringsvorm waarin de massa ('the mob') het voor het zeggen zou hebben.

Een andere Federalist, Kanselier Kent uit New York, wenste een Senaat op te richten als "vertegenwoordi­ger van het eigendom, van de grondbelangen, die hen beschermt tegen de grillen van de onsamenhangende massa armen, immigranten, dagloners, arbeiders en van die nauwelijks te omschrijven klassen in de maatschap­pij die een staat en een stad als de onze aantrekt. Het algemeen stemrecht ondergraaft de fundamenten van het privébezit en vertrouwt de controle van de gegoe­den toe aan de arme en de losbandige".

Op de Grondwetgevende Conventie van Philadelphia waren enkel de vertegenwoordigers van de rijke min­derheid aanwezig: grootgrondbezitters, juristen, plantage-eigenaars, succesrijke zakenlui, grote reders en bankiers. Dat was best te begrijpen: zij waren im­mers uitgestuurd door de parlementen van de lidsta­ten, die zelf waren samengesteld op basis van het cijns­kiesrecht. In Massachusetts en New Hampshire moest een kandidaat voor de Grondwetgevende Conventie een inkomen hebben van 100 pond. In North Carolina kon men senator worden, wanneer men 120 hectare grond had. In New Jersey en Maryland was een grondbezit voor een waarde van 1.000 pond, in South Carolina zelfs van 2.000 pond vereist. De heren vergaderden trouwens met gesloten deuren, opdat ze hun belangen ongestoord konden behartigen.

Een van de afgevaardigden van Virginia, de latere president James Madison, had een praktische rege­ringsstructuur uitgewerkt en zijn Virginia Plan vorm­de de basis voor de Amerikaanse grondwet. Het werd na heftige debatten goedgekeurd: de nationale regering zou republikeins zijn. Ze zou de bevoegdheid hebben om de burgers van de lidstaten haar wil op te leggen. De federale regering mocht de rechten van de lidstaten en de burgers evenwel niet met de voeten treden.

De nieuwe grondwet werd schoorvoetend door de lidstaten aanvaard. Algemene instemming en rechtsgel­digheid kreeg ze pas in 1789. Sommigen zagen geen heil in een sterk centraal gezag. Vijf lidstaten wilden de grondwet maar goedkeuren, als de Rechten van de Mens erin opgenomen werden. Tien amendementen met de individuele rechten van de burger vulden de grondwet dan in 1791 aan: godsdienstvrijheid, vrijheid van meningsuiting, persvrijheid, vrijheid van vergade­ring en petitierecht, het recht op een behoorlijk pro­ces... werden erin vastgelegd.

Hoe zag de staatsstructuur van de Verenigde Staten van Amerika er nu eigenlijk uit?

De wetgevende macht werd toevertrouwd aan een Congress (Congres) met een House of Representatives (Huis van Afgevaardigden) en een Senate (Senaat). Deze structuur stemt met de structuur van een bondsstaat overeen: het Huis van Af­gevaardigden werd voor twee jaar rechtstreeks en in ver­houding tot het aantal inwoners van elke lidstaat ver­kozen. Elke lidstaat bepaalde vrij de voorwaarden, waaraan haar burgers moesten voldoen om te kunnen stemmen. De Senaat werd de vergadering van de lidsta­ten. Het parlement van elke lidstaat vaardigde twee se­natoren af, zonder rekening te houden met uitgestrekt­heid of bevolkingsaantal. Een senator werd voor zes jaar verkozen, maar de Senaat werd om de twee jaar voor een derde vernieuwd.

Het systeem van gelijke vertegenwoordiging in de Se­naat (2 leden per staat) was een toegeving aan de klei­ne staten. In het Huis van Afgevaardigden was de bevolkingsomvang bepalend. Deze structuur werd het mo­del in andere federale staten: de Sovjet-Unie, de Bondsrepubliek Duitsland, India...

Staatshoofd en regeringsleider is de president, die een mandaat voor vier jaar heeft en de enige Amerikaan is die door de hele bevolking wordt verkozen. Tot de uitvoerende macht horen ook de vice-president en de ministers. Op 30 april 1789 legde George Washington de eed af als eerste president van de V.S. Zijn vice-president was John Adams uit Massachusetts. De mi­nisters waren en zijn slechts verantwoording verschul­digd aan de president, niet aan het Congres.

De rechterlijke macht is in handen van het Hoogge­rechtshof. De Supreme Court bestaat uit negen onaf­hankelijke, voor het leven door de president benoem­de rechters, die juridisch toezicht uitoefenen op het na­leven van de grondwet en op de wetgeving van het Congres. Het Hooggerechtshof treedt ook op als scheidsrechter in conflicten tussen de Unie en de lidstaten.

Het liberalisme van de Amerikaanse Bondsstaat

De staatsstructuur van de V.S. rust op twee pij­lers: de scheiding van de staatsmachten, en een systeem van wederzijdse controle ('checks and balances'). Door de machtenscheiding wordt de staatsmacht ver­zwakt, zodat de burger een grotere rechtszekerheid heeft. Dat de individuele rechten van de burger be­schermd werden, was nieuw: in het Ancien Régime wa­ren de rechten van een persoon immers afhankelijk van zijn positie in de samenleving.

Ook het systeem van checks and balances moest machtswillekeur voorkomen. De wederzijdse controle speelt op een dubbel vlak: tussen de lidstaten en de Bond enerzijds en tussen de drie staatsmachten van de Unie anderzijds. Zo wordt de president politiek gecon­troleerd door het Congres en constitutioneel door het Hooggerechtshof. De president kan besluiten van het Congres opschorten. Het Hooggerechtshof ziet erop toe dat de wetgeving van het Congres niet in strijd is met de grondwet. Het Congres kan beslissingen van het Hooggerechtshof teniet doen door nieuwe amendemen­ten in de grondwet aan te nemen.

De V.S. zijn ook een 'volksstaat': ze steunen op het principe van de volkssoevereiniteit. Het volk (de bur­ger) dicteert in de grondwet de grenzen waarbinnen de staatsoverheid haar macht kan uitoefenen. In de Ame­rikaanse rechtsstaat kan elke burger zich vrij ont­plooien. Hij leeft in een rechtsstaat en kan dus in een sfeer van vrijheid maximale ontplooiing nastreven.

De Verenigde Staten zijn een presidentiële republiek: een sterke uitvoerende macht met een president aan het hoofd verzoende de royalistisch-gezinden met de repu­bliek. (Zo waren Alexander Hamilton en George Washington zeker geen tegenstanders van de monarchie).

1783 north america

Naar de verwezenlijking van het democratische project?

De Virginia-Presidenten

DE FEDERALISTEN

De gewone man was niet op de Constitutional Con­vention aanwezig. Door het cijnskiesrecht kon hij niet aan het politieke leven deelnemen. "Wie het land be­zit, moet het ook besturen", zei John Jay bij de ge­boorte van de republiek en dat was ook de mening van de nieuwe minister van financiën Alexander Hamilton. Hij stelde alles in het werk om`correcties' op de grond­wet aan te brengen. De constitutie kende naar zijn me­ning teveel macht aan het volk toe. Door bepaalde eco­nomische maatregelen wilde hij aan de grondwet morrelen.

Met de Akkerwet werden de gronden die de regering verworven had, te koop aangeboden in loten van 256 hectare tegen 2,5 dollar per hectare. Maar wie was in staat 640 dollar voor een lot te betalen? De armen en de gewezen soldaten moesten daartoe leningen aangaan tegen een hoge intrest. Als ze niet konden terugbeta­len, moesten ze hun gronden aan de woekeraars af­staan. De welgestelde Amerikanen daarentegen waren in staat verschillende loten te kopen, ze in kleine per­celen te verdelen en die dan te verkopen tegen een prijs die veel hoger was dan de aankoopprijs.

90% van de Amerikanen bewerkte het land: deze mensen hadden ook in de Vrijheidsoorlog gevochten maar nu nu ervoeren ze dat de republiek hun lot niet verbe­terd had, wel dat van de rijken. Niet iedereen had het goed in het vrije Amerika. De Amerikaanse droom was maar werkelijkheid geworden in de gebieden die pas voor kolonisatie opengesteld werden. Dit verklaart voor een deel de constante migratiegolf naar het Westen. De democratische droom was als het ware gekoppeld aan de 'frontier' die steeds weer verlegd werd.

In 1790 ondernam Hamilton niets, toen de kleine man door speculanten opgelicht werd: de regering besliste certificaten (waarmee ze onder andere oud-strijders betaald had) terug te kopen tegen de uitgiftewaarde. Deze certificaten waren sterk in waarde ge­daald: speculanten kochten ze voor 10 tot 20 cents voor één dollar van de kleine lui, die niet wisten dat de staat de certificaten tegen hun oorspronkelijke waarde zou terugkopen. Hamilton vond, dat hij ook in deze om­standigheden aan de speculanten de uitgifteprijs moest betalen. Door deze maatregel werd de kleine man twee keer bestolen: hij had zijn certificaten uit onwetend­heid te goedkoop verkocht en zou nu ook meer belastin­gen moeten betalen, opdat de staat al deze certificaten volledig kon uitbetalen!

Hamilton legde ook de fundamenten van een in­dustrieel kapitalisme. In 1790 werd zijn Report on Ma­nufactures gepubliceerd. In dit rapport wijst Hamilton erop dat in de katoennijverheid in Engeland 4 van de 7 arbeiders vrouwen en kinderen zijn. Dank zij de in­dustrialisatie worden vrouwen en kinderen nuttig, dacht Hamilton. Het contrast met Jefferson is frappant. Tij­dens zijn bezoek aan Londen en Parijs toonde Thomas Jefferson zich ontsteld over de vrouwen- en kinderar­beid in de fabrieken. Het doel van Hamilton was dui­delijk: de industrialisatie moest aangemoedigd worden door de vrouwen- en kinderarbeid mogelijk te maken. Daarbij moesten de kapitaalkrachtigen zich geen zor­gen maken over de werkomstandigheden of de lonen. Door beschermende toltarieven gaf Hamilton de geld­magnaten een binnenlands afzetmonopolie: een snelle kapitaalsaccumulatie, nodig voor nieuwe investeringen, werd zo ten nadele van de consument mogelijk. Arbei­ders werden in de bedrijven enkel tewerkgesteld als zij geen lid van een beroepsvereniging werden. Door al de­ze maatregelen heeft Alexander Hamilton het 'kapita­listisch project' gestimuleerd. Het `democratisch pro­ject' was in zijn ogen volkomen bijkomstig, ja zelfs ge­vaarlijk.

Zo heeft het beleid van de eerste twee presidenten grote groepen van de blanke bevolking van de regering vervreemd. Onder de kleine boeren, de winkeliers en ambachtslieden stonden dan nog de slaven, die in vol­ledige onvrijheid leefden. `Die Dunkeln, die sah man nicht' (B. Brecht) ! De socioloog Pierre Van den Berghe heeft de Verenigde Staten van Amerika daar­om gekarakteriseerd als een `Herrenvolk-Democratie'.

Bij het einde van zijn tweede ambtstermijn als pre­sident, sprak George Washington zijn beroemde af­scheidsrede, Farewell Address, uit (sept. 1796). Daar­in sprak hij ook zijn afkeer voor partijvorming en ver­deeldheid uit. Maar zo'n partijverdeeldheid moest wel ontstaan omdat de belangen van de `happy few' behar­tigd werden, in plaats van de belangen van het hele volk.

In de zomer van 1798 werden dan nog de Alien Act en de Sedition Act door het Congres goedgekeurd. De Alien Act bepaalde onder meer dat een vreemdeling voortaan veertien in plaats van vijf jaar moest wach­ten, voor hij burger van de V.S. kon worden. De pre­sident kreeg nu ook de macht om vreemdelingen van wie hij oordeelde dat zij "een bedreiging vormden voor de vrede en de veiligheid van de V.S." uit het land te zetten.

De Sedition Act kwam er in de praktijk op neer dat de democratische oppositie geen kritiek op het beleid van de regering mocht uiten. Oppositie voeren of de faam van de president en de vicepresident ontluiste­ren werd een misdaad. Deze Sedition Act was een in­breuk op de vrijheid van meningsuiting én op de pers­vrijheid, die in de Onafhankelijkheidsverklaring en in de `Bill of Rights' gewaarborgd werden.

Voor mensen als Hamilton en Washington beperkte de­mocratie zich tot de verkiezingen. De overwinnende partij moest dan kunnen regeren zonder door de op­positie verontrust te worden.

DE DEMOCRATISCH-REPUBLIKEINEN

Jefferson en Madison hebben erg scherp tegen die willekeur gereageerd. Zowel Kentucky als in als in Virginia werden onder hun impuls wetten aangenomen waarin op plechtige wijze werd verklaard dat, aangezien de fe­derale regering haar macht ontleende aan de instem­ming van de lidstaten, deze lidstaten de federale rege­ring mochten controleren en bepaalde wetten mochten nietig verklaren. De tegenstelling tussen de lidstaten en het centraal gezag van de Unie werd weer duidelijk. Toen de Democraten de meerderheid vormden, heb­ben ze beide wetten ingetrokken.

In 1801 kwamen de Democraten aan het bewind. De Federalistische partij was in verval. De verkiezing van Thomas Jefferson tot het presidentschap (nov. 1800) was een eerste keerpunt in de geschiedenis van de Ver­enigde Staten van Amerika. Jefferson was de eerste pre­sident die gekozen werd door één partij, door de mas­sa en de bevolking en tegen de 'powerful few'. In zijn Inaugurale Rede herinnerde de nieuwe president er trouwens aan dat `regeren door de meerderheid' het eerste beginsel van de democratie is. Maar ook de rech­ten van de minderheden moeten geëerbiedigd worden, vond Jefferson! Hij hield een pleidooi voor het com­promis. "Niet elk meningsverschil is een geschil over principes", zo zei hij. "Wij zijn allen Republikeinen. Wij zijn allen Federalisten"! Met deze wel erg door­dachte verwijzing naar de twee politieke partijen her­innerde Jefferson de burgers eraan dat iedereen geloof­de in een federaal systeem, dat de macht verdeelde over een centrale regering en de regeringen van de lidstaten. Met een stem vol emotie loofde Jefferson de Ameri­kaanse democratische idealen. De nieuwe president ver­wierp elke vorm van dwang, stond afkerig tegen de blin­de macht van de staat en geloofde sterk in de opvoe­ding van het individu. Hij nam zich duidelijk voor de natie naar de echte politieke vrijheid te voeren.

Deze democratisering werd door de opvolgers van Jefferson, James Madison en James Monroe, doorge­trokken. De Verenigde Staten beleefden een periode die door latere historici het Tijdperk van de goede bedoe­lingen is genoemd. Grote politieke conflicten zijn in de­ze jaren inderdaad niet voorgekomen. Toch is deze voorstelling wat misleidend; in werkelijkheid gistte reeds het conflict tussen de Noordelijke en de Zuide­lijke lidstaten.

De democratie van Andrew Jackson

Na de regeringen van de`presidenten van Virginia' kreeg het Amerikaanse politieke leven vanaf 1829 een heel ander karakter. De nieuwe president Andrew Jack­son was hiervoor grotendeels verantwoordelijk. Jack­son was als het ware de verpersoonlijking van de geest die de pioniers bezielde: hij zat vol energie en doorzet­tingsvermogen. Hij had ook veel begrip voor de no­den van de kleine man. Hij kwam uit het Westen, was zelf een frontierman en had geboerd vooraleer hij ge­neraal werd.

Jackson geloofde in gelijke kansen voor allen. Met deze opvatting vormde Jackson een wezenlijk nieuw ty­pe van democratie in de V.S., dat sterk verschilde van het soort democratie dat Thomas Jefferson op het oog had. Voor Jefferson waren overheidspersonen de dienaren van het volk. De bevolking had het recht haar leiders te kiezen, maar ze moest haar keuze laten val­len op buitengewone persoonlijkheden.

Jackson was ervan overtuigd dat om het even welke`common man' leider kon zijn. Het gezond verstand van de gewone man volstond ruimschoots om elk open­baar ambt aan te kunnen.

Dit geloof in de gewone mensen heeft vanzelfspre­kend geleid tot een aantal democratische hervormin­gen. De property qualifications voor het verwerven van stemrecht of het bekleden van een ambt werden afge­schaft. Zowat overal in de States werd tijdens de rege­ring van Jackson het algemeen stemrecht voor man­nen ingevoerd. Ook onder Jackson vond het systeem van de partijconventies ingang. Die werden bijeenge­roepen om de partijkandidaten voor de presidentiële verkiezingen aan te duiden.

Het effect van dit nieuwe geloof in het gezond ver­stand van de `common man' was evenwel niet louter positief. De massa liet zich niet zelden door de dema­gogie en de propaganda van de politici beïnvloeden. Jackson zelf was een bijzonder kleurrijke persoonlijk­heid. Zijn kiezers stemden meer voor zijn persoon dan voor zijn ideeën. Sinds zijn optreden in het Amerikaan­se politieke leven is de persoonlijkheid van de politi­cus van enorm belang gebleven: een zekere oppervlak­kigheid was er ontegensprekelijk het resultaat van. Ook de klantenbinding door politieke partijen was een uit­was van deze democratisering; Andrew Jackson voer­de het spoil system in: de winnende partij koos zelf haar ambtenaren. Daardoor kreeg de verkiezingsstrijd voor­taan een bijzonder hardnekkig karakter. Vaak werd met ongeoorloofde middelen gestreden, en de corrup­tie van ambtenaren werd een vrij algemene plaag.

Jacksons visie op het economische leven kwam won­derwel tegemoet aan de behoeften van een natie die in volle expansie was. Zijn beleid was erop gericht de crea­tiviteit van de individuele ondernemer aan te moedi­gen en in het algemeen een open en vrij klimaat tescheppen voor het economisch leven. Jackson en zijn medestanders waren er vast van overtuigd dat een al te grote overheidsbemoeienis de individuele onderne­mingsgeest verstikte. Het vrije spel van de ondernemers die elkaar beconcurreerden, zou de hele samenleving ten goede komen, zo dachten deze aanhangers van het economisch liberalisme van de Engelsman Adam Smith. Zij waren dus fervente aanhangers van het `laissez-faire'-beginsel.

Jackson en zijn aanhangers konden in de jaren veertig moeilijk voorzien dat dit klimaat van ongeremde vrij­heid, dat zij toen ideaal achtten, de poort opende voor een enorme concentratie van economische macht zo­dat de ondernemingsgeest en de creativiteit van de in­dividuele ondernemer geen kansen meer zouden krij­gen. Dit ongeremde liberalisme zou met andere woor­den uiteindelijk hetzelfde effect hebben als een politiek van grote staatsinterventie in de economie. De doctri­ne van Jackson leidde na de Burgeroorlog tot de vor­ming van een economische oligarchie die veel machti­ger was dan een Hamilton zich ook maar had kunnen voorstellen. Het ongeremde economisch liberalisme leidde dus niet tot welvaart voor allen, maar tot een scherpe sociaaleconomische ongelijkheid.

Old Hickory (de bijnaam van Andrew Jackson) nam een eigen houding aan ten opzichte van het federalisme. Het democratische standpunt luidde: "Onze Federale Unie zal en moet behouden blijven!" Het gezag van de Federale Unie moest beveiligd worden tegen de aan­matigingen van de lidstaten. Tegelijk zag men in, dat een te grote machtsconcentratie in Washington nade­len had. Jackson wees niet het staatsgezag, maar de controle van dit gezag door een kleine belangengroep af. Doel en norm van het federale staatsgezag was, naar zijn gevoelen, de burger. De overheid moest ten dienste staan van de burger, maar alleen als die daarom vroeg. Hieruit blijkt weer Jacksons geloof en vertrouwen in de mogelijkheden van de `common man': zijn tegen­standers noemden zijn presidentschap smalend the Reign of King Mob.

De expansie onder de Virginia-presidenten

we the people

Pas in 1781 was de tekst van de `Artikelen van de Confederatie' (1777), de eerste poging om de dertien lidstaten een soort grondwet te geven, door de lidsta­ten bekrachtigd. Dat de ratificatie zolang heeft aan­gesleept, had rechtstreeks te maken met een ernstig ge­schil over de toekomstige expansiemogelijkheden van de lidstaten. Een kleine lidstaat als Maryland bijvoor­beeld, lag volledig ingesloten tussen de Atlantische Oceaan, Virginia, Pennsylvania en Delaware. Maryland had dus geen enkel uitzicht op expansie naar het westen. Virginia en andere lidstaten daarentegen konden nog grote stukken territorium tot aan de Misissippi in be­zit nemen. Maryland verzette zich: het zou de grond­wet enkel ratificeren, als het Congres de nieuwe terrein­winst van andere lidstaten tot het gemeenschappelijk eigendom van de Confederatie zou maken. Virginia gaf tenslotte toe: alle gebieden tussen de Ohio en de Grote Meren werden definitief toegewezen aan de Confede­ratie. Hoe zou de verkoop van nieuwe gronden aan het publiek georganiseerd worden? Hoe zouden deze ge­bieden bestuurd worden? Voor deze problemen vond men een goede oplossing in de `Land Ordinance´van 1785 en de ´Nortwest Ordinance' van 1787.

w20land20cessions20 1782-1802

De Northwest Ordinance van 1787 regelde de wijze waarop het gebied tussen de Ohio, de Mississippi en de Grote Meren bestuurd werd: de Ordinance verdeelde het Noordwesten in territories. Elk territorium werd bestuurd door een gouverneur en drie rechters die door het Congres aangesteld werden. Wanneer vijfduizend stemgerechtigden zich in het territorium gevestigd hadden, mochten zij een plaatselijke wetgevende vergadering verkiezen om de lokale problemen aan te pakken én een afgevaardigde (zonder stemrecht) voor het Congres. Als de bevolking van het territorium 60.000 inwoners had, was de voorwaarde vervuld om een grondwet op te stellen (a state constitution). Nadat het Congres de tekst van deze constitutie had goedgekeurd, werd het territorium als volwaardige lidstaat in de Unie opgenomen. Twee voorwaarden werden gesteld: de lidstaat moest kiezen voor een republikeinse staatsvorm (de bevolking kiest haar regeerders) en de slavernij moest op het hele grondgebied van de lidstaat verboden zijn. Deze beslissing is te verklaren door twee factoren: het liberale idealisme van de revolutionaire periode en de economische omstandigheden in het Noorden, die slavernij niet rendabel maakten. Op dat moment was de snelle expansie van de katoenplantages nog niet op gang gekomen. In de lidstaten van het Zuiden bestond toen nog heel wat twijfel over de waarde en de rendabiliteit - op lange - termijn van de slavernij. De afgevaardigden van het Zuiden verzetten zich dan ook niet tegen de slavernij clausule van de Ordinance van 1787. Op basis van de Northwest Ordinance kwamen al vlug de lidstaten Ohio, Indiana, Illinois, Michigan en Wisconsin tot stand. Geleidelijk groeiden de oorspronkelijke dertien staten uit tot de huidige vijftig. Er is in de geschiedenis geen voorbeeld te vinden van een de­mocratische kolonisatie waarbij moederland en kolonie binnen de kortste tijd op gelijke voet staan. Ondanks de wettelijke regeling veroorzaakte de expansie heel wat conflicten: zo kwam de slavernij toch in sommige nieuwe territoria voor.Op basis van de Northwest Ordinance kwamen al vlug de lidstaten Ohio, Indiana, Illinois, Michigan en Wisconsin tot stand.

Zie voor deel 7: Deel 7 De Nieuwe Wereld in het Westen