We hebben 77 gasten online

Noord en Zuid-Amerika

Deel 10 De Nieuwe Wereld in het Westen

Gepost in V.S.

De periode van heropbouw 1865-1877

Ook na de Burgeroorlog bleef het probleem van de rassenkwestie; het zou het sociale en politieke leven in de Unie blijven vergiftigen in de periode van Re­construction of `Heropbouw' (1865-1877). In het be­gin van de periode werd de Unie geconfronteerd met twee grote problemen: hoe zouden de rebellerende lidstaten van het Zuiden weer in de Unie opgenomen worden? Op welke wijze zou het Zuiden weer opge­bouwd worden?

Het Zuiden was economisch geruïneerd. Tot 1861 steunde de Engelse katoennijverheid voor zijn grondstoffenvoorziening enkel op het Zuiden. Als ge­volg van de Burgeroorlog verloor de 'cotton belt' dit monopolie. Daarenboven werd in december 1865 de af­schaffing van de slavernij als 13de amendement aan­vaard. Hoe moest men de economische wederopbouw van het Zuiden verwezenlijken zonder de gratis arbeids­kracht van de slaven? En hoe moesten de vier miljoen geëmancipeerde zwarten opgevangen worden in deze maatschappij. Vele bevrijde zwarten waren naar het Noorden gemigreerd en de oorlog had veel blanke men­senlevens gekost, zodat het bevolkingsverlies sterk op de economie woog. Het zou bijna een eeuw duren, vooraleer het Zuiden weer politieke macht in Washing­ton zou uitoefenen.

Abraham Lincoln vaardigde al in 1863 een Amnesty Proclamation uit: de Unie moest worden wat ze voor de secessie geweest was. De wederopbouw moest vlug en vlot gebeuren op de volgende grondslag: Zuidelijke staten mochten zelf een regeling uitwerken voor hun re-integratie in de Unie; erg weinig blanken uit het Zuiden zouden het kiesrecht verliezen, terwijl geleidelijk meer bevrijde zwarten moesten kunnen stemmen. Andere burgerrechten moesten hun onmiddellijk toegekend worden. Dit programma zou door de president geleid worden.

Andrew Johnson, Lincolns opvolger, zette de gema­tigde en verzoeningsgezinde politiek van zijn voorgan­ger voort. Hij was bereid de vorming van normale re­geringen in de Zuidelijke staten te aanvaarden. Maar toen duidelijk werd dat de vroegere leiders van de Con­federatie zo weer aan de macht kwamen en al dadelijk wilden beletten dat de zwarten deelnamen aan het po­litieke leven, was de verontwaardiging in het Noorden ongemeen groot.

In de Republikeinse Partij stonden Radicalen en Conservatieven tegenover elkaar. Na de dood van Lin­coln beheersten de Radicalen de partij en, omdat die nu eenmaal de macht uitoefende, de hele Unie. De Ra­dicale Republikeinen wilden de 'Reconstruction' ge­bruiken als een instrument om voor jaren de staatslei­ding in handen te houden. Zij waren er zeker van dat een Zuidelijke staat maar weer volwaardig tot de Unie kon toetreden als die... onder Republikeinse controle stond. Daarom moesten vroegere Confederale leiders van het politieke toneel verdwijnen, en dat kon door het stemrecht aan de Zuidelijke Democraten te ontne­men en zwarten en arme blanken te laten kiezen. Voorts moest de wederopbouw niet onder controle staan van de president maar van het Congres, waar de Republikeinse Partij de meerderheid had. Radicalen als Thad­deus Stevens (Pennsylvania), Charles Sumner (Massa­chusetts) en Edwin Stanton beschouwden de Zuidelij­ke staten als `veroverde provincies', die door hun re­bellie hun rechten verbeurd hadden. Dit contrasteerde scherp met de opvatting van verzoeningsgezinde Repu­blikeinen als Lincoln en Johnson, die ervan uitgingen dat de Zuidelijke lidstaten de Unie nooit echt verlaten hadden.

In 1864 steunden de Radicalen de Wade-Davis Bill: vijftig procent van de bevolking van een Zuidelijke staat moest een eed van trouw afleggen vooraleer er een bur­gerlijke regering geïnstalleerd kon worden; de grond­wet van de staat moest aangepast worden, opdat de Confederale schulden zouden worden afgewezen, de slavernij afgeschaft zou worden en vroegere Confede­rale vooraanstaanden niet meer konden stemmen. Lin­coln stelde onmiddellijk zijn veto tegen dit wetsvoorstel. In zijn Proclamation of Amnesty (1865) kantte presi­dent Johnson zich wel tegen de slavernij, maar hij re­gelde tegelijk de nietigverklaring van de Confederale schulden én van de Secessieordonnanties! Dit was voor de Radicalen onaanvaardbaar: zij rekenden op de stem­men van de zwarten om de macht van hun partij te ver­sterken. Andrew Johnson daarentegen wilde de kleine farmers, de handelaars en de ambachtslui van het Zui­den aanspreken en de macht van de grote planters bre­ken. Deze twee standpunten waren onverzoenbaar.

Het Congres reageerde: in 1866 aanvaardde het het 14de amendement, dat gelijke politieke rechten voor de zwarten waarborgde, maar gewezen leiders van de Confederatie verbood nog openbare ambten te bekle­den. Het 15de amendement (1869) bepaalde dat het stemrecht niet meer door het Congres of de lidstaten kon worden beperkt op grond van ras of huidskleur.

Toen de Zuidelijke lidstaten het 14de amendemen­t weigerden goed te keuren, vaardigde het Congres op 2 maart 1867 de Reconstruction Act uit. Door deze wet vestigde het een regelrechte militaire dictatuur over het rebellerende Zuiden. Twintigduizend federale soldaten bezetten de Zuidelijke lidstaten, die werden ingedeeld in militaire districten.

Grondwetgevende vergaderingen werden verkozen door de politiek weinig ontwikkelde zwarten en door blan­ken die de Unie trouw gebleven waren en daarom in het Zuiden als collaborateurs beschouwd werden. (De bevolking noemde ze Scalawags, schooiers). De Grond­wetgevende Vergaderingen werden gedomineerd door avonturiers uit het Noorden (Carpetbaggers; letterlijk: dragers van reistassen), die hier vlug carrière konden maken. Zij hitsten de zwarten op, verkwistten de over­heidsgelden en vormden 'collaboratieregeringen', die tussen 1868 en 1870 het 14de amendement bekrach­tigden.

In deze sfeer van verbittering, haat, corruptie en machtsmisbruik werd in 1866 in Pulaski (Tennessee) de geheime organisatie Ku Klux Klan opgericht: elk middel (vooral lynchjustitie) was voor haar goed om de blanken weer `baas in eigen huis' te maken.

Het conflict tussen president Andrew Johnson en het Congres was intussen zo scherp geworden dat tegen het staatshoofd een inbeschuldigingsprocedure werd ingesteld. In de Senaat was maar een stem tekort om president af te zetten. Thad Stevens sprak over Johnson als `the dead dog in the White House'! De Republikeinse Partij stelde bij de presidentsverkiezingen van 1868 een betrouwbaarder kandidaat voor: Ulysses S. Grant was in de Burgeroorlog generaal geweest. Hij was erg populair. Toch was zijn overwinning niet overweldigend. In beide kamers van het Congres hadden de Radicale Republikeinen de meerderheid.

Het presidentschap van Ulysses S. Grant - twee ambtstermijnen van vier jaar - was een ramp voor de Unie. Grant had geen enkele politieke ervaring, miste persoonlijkheid en was dus volledig ongeschikt om een staat te leiden die net op dat ogenblik behoefte had aan een groot staatsman. Grant volgde blindelings het ad­vies van de Radicale Republikeinen. Die wilden het Zuiden omvormen tot een Republikeins bolwerk en het bedrijfsleven de onvoorwaardelijke steun van de fede­rale overheid verzekeren. Aangezien de Radicale Re­publikeinen zowel de uitvoerende macht (president en regering) als de wetgevende macht (de beide kamers van het Congres) beheersten, was dit kinderspel. Miljoenen dollars werden gebruikt om via lobby's, giften en smeergeld wetten die gunstig waren voor de industrie en de zakenwereld, door het Congres te sluizen. Door omkoperij kregen speculanten miljoenen hectare pu­blieke domeinen in handen. Met smeergeld kon je vrijstelling van belasting of `fiscale amnestie' krijgen. Een liberale Republikein riep uit: "De Republikeinse Partij is de meest corrupte en verloederde partij die ooit heeft bestaan!"

De Reconstructie-jaren droegen dus niet bepaald bij tot de wederopbouw van het Zuiden of tot het herstel van de Unie. Het Zuiden reageerde op vele wijzen te­gen de willekeur van de federale overheid: politici uit het Zuiden reorganiseerden langzaam maar zeker de Democratische Partij. De carpetbaggers en de scala­wags werden uitgeschakeld en men probeerde de zwar­ten op alle mogelijke manieren te verhinderen van hun stemrecht gebruik te maken. Uiteindelijk hadden de carpetbaggers en scalawags nog enkel macht in drie lidstaten: in Louisiana, Florida en South Carolina, en dan nog dank zij de steun van het federale 'bezet­tingsleger'.

Tegen het beleid van de Radicale Republikeinen rea­geerde de Ku Klux Klan. De leden waren gekleed in spookpakken. De Klan hitste de arme blanken en demiddenklassers op tegen de zwarten door in te spelen op racistische vooroordelen. Door hun steun aan de Klan dreven de conservatieve leiders, die behoorden tot de welgestelde bovenlaag, een politieke wig tussen de zwarte en de blanke.

In 1872 werd de Amnesty Act goedgekeurd door het Congres: nog maar enkele blanke leiders in het Zui­den hadden nu geen politieke rechten meer. Voor de presidentsverkiezingen van 1876 hadden de Republikei­nen de gouverneur van Ohio, Rutherford B. Hayes, als kandidaat aangeduid. Hij moest het opnemen tegen de populaire Democratische gouverneur van New York, Samuel Tilden. De verkiezingsuitslag was zo onduide­lijk, dat er een diepe politieke crisis ontstond. In ruil voor de aanstelling van Hayes waren de Republikeinen tot toegevingen bereid (Compromis van 1877) : de Fe­derale troepen werden uit het Zuiden teruggetrokken; de laatste 'carpetbagregeringen' traden af; de belan­genbehartiging van de zwarten verschoof naar de ach­tergrond. De Zuidelijke Democraten van hun kant wa­ren bereid de kandidatuur van Sam Tilden op te offe­ren én het Zuiden open te stellen voor de economische invloed van het Noorden: die prijs betaalden ze graag in ruil voor de gegarandeerde en volledige politieke con­trole over het Zuiden!

Het resultaat van het compromis van 1877 was een `Ste­vig Zuiden' onder conservatieve Democratische leiding, en het herstel van de blanke suprematie als het over­heersende principe in de maatschappij van het Zuiden...

Tenslotte moet erop gewezen worden dat de verant­woordelijkheid voor het mislukken van de 'Reconstruc­tion' niet de schuld van het Noorden in zijn geheel is geweest. Zeker waren veel Radicalen machtswelluste­lingen en fortuinzoekers, maar heel wat carpetbaggers waren ook onbaatzuchtig naar het Zuiden gekomen om er scholen te helpen oprichten of om zwarten te steu­nen. Ook heeft het Zuiden niet zo zwaar geboet als soms voorgesteld is. Leidende figuren van de Confe­deratie werden al tien jaar na Appomattox in het Con­gres, de regering en het federale leger opgenomen.

1864-1912 the opening of the west

Een maatschappij in verandering 1877-1914 De economische revolutie

Een ´mirakeltijd'

De tweede helft van de 19de eeuw was voor de V.S. een `mirakeltijd'. Het land heeft in betrekkelijk korte tijd een geweldige territoriale en sociaal-economische groei gekend. In 1865 telden de V.S. 36 lidstaten, in 1912 48! Het land beleefde zijn industriële revolu­tie, maar ook een merkwaardige expansie van de land­bouw en een toenemende verstedelijking. In 1865 tel­den de V.S. 33 miljoen inwoners; in 1914 was de be­volking gestegen tot 100 miljoen!

VS

lidstaten

1865

36

1912

48

VS

inwoners

1865

33 miljoen

1914

100 miljoen

De V.S., voorheen een landbouwland dat vele af­gewerkte produkten invoerde, werden een geïndustri­aliseerd land dat landbouw- en industrieprodukten ging exporteren over de hele wereld.

Door de Burgeroorlog werd het Noorden snel geïn­dustrialiseerd en moest het Zuiden voor de economi­sche overmacht zwichten. Het Zuiden herstelde zich in de jaren 1880. In plaats van katoen naar het Noorden te verschepen, ontwikkelden de inwoners van het Zui­den een eigen textielindustrie. In Alabama en Tennes­see werden steenkool- en ijzerertslagen ontgonnen. Een nieuwe houtindustrie ontwikkelde er zich vrij vlug.

Het produktievermogen van de Amerikaanse in­dustrie groeide fenomenaal. Een protectionistische tol­politiek beschermde de jonge industrie tegen de bui­tenlandse concurrentie. Uit Europa stroomden arbeids­krachten én kapitalen naar Amerika. Gemotiveerde zakenlui zonder scrupules zwaaiden de scepter. De reus­achtige economische ontwikkeling werd afgeremd door de crisisperiodes van 1873 tot 1878, van 1884 tot 1887 en van 1893 tot 1898.

De industriële produktie vervijfvoudigde tussen 1860 en 1890. De staalproduktie groeide in die jaren zelfs aan in een verhouding van 1 tot 125. Door de spoor­wegenaanleg, de machinebouw en de constructie van locomotieven was er een grote behoefte aan staal. Ook de mijnbouw (steenkool, ijzererts, zilver en goud) kende na 1860 een spectaculaire groei. Petroleumwinning startte in Pennsylvania, later boorde men nieuwe voor­raden aan ten zuiden van de Appalachen, in Califor­nia en Texas.

Op 10 mei 1869 werd de eerste transcontinentale spoorweg voltooid. In 1884 waren er vier transconti­nentale lijnen. Nadien ging de aandacht vooral naar de aanleg van regionale en lokale lijnen. In 1860 had­den de V.S.A. 48.000 km spoor, 40 jaar later 384.000 km!

Het vertrouwen in de onbegrensde mogelijkheden van de Amerikaanse industrie wordt geïllustreerd door het geïnvesteerde kapitaal dat tussen 1860 en 1900 ver­negentienvoudigde. De waarde van de industriële pro­duktie vertwaalfvoudigde in diezelfde periode.

Dit was the Gilded Age (het `Gouden Tijdperk') en de tijd van de Big Business: zaken-doen werd een ideaal. De `captains of industry' (Carnegie, Rockefeller, Gug­genheim, Vanderbilt...) waren schatrijk en genoten veel prestige. Enkelen onder hen hadden zich opgewerkt van krantenjongen of schoenpoetser tot industriemagnaat. Het geloof in de `personal achievement', in de `self­made man', in de onbegrensde mogelijkheden van het individu was dan ook groot. Het groeide tot een my­the, die de Amerikaanse bevolking soms blind en doof maakte voor de negatieve gevolgen van deze ontwik­keling.

Concentratie

Aan het einde van de 19de eeuw werd het Ameri­kaanse bedrijfsleven ook anders georganiseerd. Bedrij­ven groeiden uit tot reusachtige complexen; verschil­lende ondernemingen werden samengevoegd in ven­nootschappen met een bijzonder ingewikkelde structuur. Op die wijze wilde men massaconsumptie mogelijk maken: dit was toch het middel bij uitstek om een groot afzetgebied te creëren. Door massaproduk­tie zou de prijs van de produkten dalen en kon méér verkocht, dus ook meer geproduceerd worden. Voort­durende technische vernieuwing van het machinewerk was noodzakelijk; de wetenschappelijke organisatie van het werk in de fabrieken (lopende band, ploegen-systeem) werd ontwikkeld. Zo werden grote kapitaal­investeringen noodzakelijk.

Deze groeiende behoefte aan kapitaal werkte de in­dustriële concentratie in de hand. Tussen 1850 en 1910 steeg het aantal loontrekkers in de V.S.A. met 700%, de waarde van de produktie met 1900% en het geïn­vesteerde kapitaal met 3900%! Als juridische onder­bouw voor deze moderne grootbedrijven kwamen dan de naamloze vennootschappen (corporations) tot stand. In 1904 groepeerden de corporaties 23,6 % van het aan­tal ondernemingen. Zij hadden 76 % van het aantal loontrekkers in dienst en waren verantwoordelijk voor 73,7 % van de totale waarde van de Amerikaanse in­dustriële produktie! In 1919 waren deze percentages al gestegen tot respectievelijk 31,5, 86 en 87,7%.

Deze fenomenale ontwikkeling was ongetwijfeld te danken aan het optreden van enkele grote kapitalisten, harde `businessmen', die risico's durfden nemen. Ook het spaarwezen van de middenstand heeft een niet on­belangrijke rol gespeeld. Al vlug zagen ondernemers in dat ze door samenwerking, samenvoeging of opslor­ping van bedrijven een kunstmatig monopolie in een bepaalde industrietak konden vestigen. Zo kon men concurrenten uitschakelen, de produktiekosten druk­ken, de prijzen onder controle en de winsten op peil houden.

In de jaren '70 werd de pool de eerste vorm van con­centratie (vooral in de sector van de spoorwegen). Pools waren vrije associaties van 'corporations' (of N.V.'s), die de gerealiseerde winst onder elkaar verdeelden.

Vrij vlug ging de voorkeur evenwel naar een nieuwe vorm van concentratie, de trust. De trust is een per­manente concentratie van verschillende ondernemingen die hun autonomie afstaan. De aandelen worden af­gestaan aan een `board of trustees' (trustees = vertrou­wensmensen). Ondernemingen waren alleen dan bereid hun onafhankelijkheid op te geven, als zij geen weerstand meer konden bieden aan de concentratie. De trust zelf dwong ondernemingen door harde concur­rentie tot toetreding: de trust verkocht tegen erg lage prijzen, bedong bijzonder gunstige tarieven bij de spoorwegmaatschappijen, en schrok zelfs niet terug voor geweldpleging.

Vanaf 1897 verschenen dan de holdings, meestal be­heerst door bankiers, die eigenaar waren van minstens 51 % van de aandelen van de ondernemingen die er deel van uitmaakten. Een holding is een geperfectioneerde trustvorm. Een nieuwe vennootschap controleert door financieel overwicht verschillende ondergeschikte ven­nootschappen. Vaak koopt een holding het overgrote deel van de aandelen van nijverheden van eenzelfde soort op. De holdings illustreerden de triomf van het bank-kapitalisme op het nijverheidskapitalisme!

De concentratie gebeurde dus niet alleen voor het in­dustriële kapitaal, maar ook voor het bankkapitaal. Het bankkapitaal werd steeds meer vervlochten met dat van de grote mijn-, machine-, elektro-technische en chemi­sche industrie en met de sector van de spoorwegen.

industry by 1920

Hoewel de overheid de zakenwereld steunde, wilde zij dit concentratieproces afremmen. In 1913 verdien­den 2% van de Amerikanen 60 % van het volksvermo­gen, 341 ondernemingen hadden samen een kapitaal van 22 miljard dollar. De trusts monopoliseerden de produktie en bepaalden hun prijzen willekeurig. Het vrije verkeer van kapitaal en arbeid en de onbelemmer­de concurrentie - fundamenten van het economische li­beralisme - werden zo onmogelijk. De Staat wilde hier­tegen optreden, maar holde voortdurend achter de fei­ten aan. In 1887 verbood de Interstate Commerce Act de vorming van pools, maar toen werden al veel trusts gevormd. In 1890 werd dan de Sherman Antitrust Act goedgekeurd, die wel in een krachtige taal geschreven was, maar in de praktijk weinig doeltreffend bleek. Om de verbodsbepalingen van de Sherman Antitrust Act te omzeilen kwamen de holdings tot stand. Door de Clayton Antitrust Act (1914) mochten beheerders van een 'corporation' geen andere n.v.'s in dezelfde sector meer beheren. Wie de anti-trustwetgeving overtrad, zouvoortaan persoonlijk verantwoordelijk gesteld en ver­volgd worden.

Trustleiders hebben de staatsmacht gebruikt als mo­tor voor hun belangen, zowel bij het veroveren van nieuwe markten in het buitenland, als bij het onder­drukken van arbeiderseisen in het binnenland. De ka­pitalistische staat en het monopoliekapitaal moesten wel naar elkaar toegroeien. Een natuurlijk bondgenoot­schap groeide tussen de 'political boss' en de `business-man'. De politieke `boss' had behoefte aan fondsen en `sponsors' om zijn partijmachine te `oliën'. De 'busi­nessman' had nood aan renderende adviezen van poli­tici en was bereid ervoor te betalen. De `bosses' mani­puleerden en kanaliseerden de politieke krachten zo­dat de `juiste' wetgeving tot stand kwam. De `businessmen' steunden beide politieke partijen finan­cieel, al voelden zij zich beter gesteund door de Repu­blikeinen. Door dit bondgenootschap dreigde het 'al­gemeen belang' verloren te gaan. Toch mogen `big business' en `politiek' niet compleet als tweelingbroer­tjes beschouwd worden. In tegenstelling met Europa, waar het bestaand kiesrecht meestal beperkt was tot de rijken, was de V.S.A. een democratie met algemeen en­kelvoudig stemrecht. Dat verklaart ook gedeeltelijk waarom anti-trustwetten aangenomen werden in een pe­riode die `big business' zo gunstig gezind was

The Last Frontier

De westwaartse expansie doorheen het Noordame­rikaanse continent werd in niet geringe mate gestimu­leerd door de massale immigratie. Van 1841 tot 1870 vestigden zich 6.600.000 immigranten in de V.S., tus­sen 1871 en 1921 24.674.000!

VS

Toename Aantal immigranten

1841-1870

6.600.000

1871-1921

24.674.000

De HomesteadAct van 1862 bepaalde dat wie het wil­de gratis 80 ha land kreeg, op voorwaarde dat hij er zich vestigde en de grond binnen 5 jaar in cultuur bracht. Tussen 1868 en 1923 werden 85 miljoen hecta­re aan pioniers geschonken. De overige 240 miljoen hec­tare werden door de federale regering verkocht aan maatschappijen of gratis aan spoorwegondernemingen gegeven.

Onvoorstelbaar belangrijk voor de ontsluiting van de gebieden ten westen van de Mississippi was de spoor­weg. De bouw van een transcontinentale spoorweg, die de Atlantische kust met de Stille Oceaan moest verbin­den, begon in 1863. De Union Pacific Company ver­trok vanuit Omaha (Nebraska) westwaarts, de Central Pacific Railroad Company vanuit Sacramento, (nabij San Francisco) naar het oosten. De Union Pacific Rail­road Company deed beroep op duizenden Ierse arbeids­krachten, en de Central Pacific nam vooral Chinese koelies in dienst. Prof. Nye merkt hierbij op dat "de oosterse helft van het traject op whisky gebouwd werd en de westelijke helft op thee"! Op 10 mei 1869 kwam de verbinding tussen beide trajecten tot stand in Utah: de transcontinentale spoorweg was er!

Andere transcontinentale lijnen volgden: in 1885 waren er vier, de South Pacific (1883), de Central Pacific, de North Pacific (1883) en de Canadian Pacific Railroad (1885) ! Deze spoorweglijnen hebben de ontwikkeling van deze gebieden tot territoria en later tot staten on­gemeen bevorderd. Nevada werd in 1864 in de Unie op­genomen. Dan kwamen Nebraska (1867), Colorado (1876) en North en South Dakota (1889 en 1890), Wy­oming, Montana, Idaho en Washington, Utah, Okla­homa en New Mexico, de laatste drie omstreeks 1900. In 1865 telden de V.S.A. 36 lidstaten, in 1912 48.

public lands and railway grants 1796-1890

Ondanks de spectaculaire industrialisatie bleef de landbouw in de V.S. een uiterst belangrijke sector van het economische leven, waar nog een erg groot aan­tal arbeidskrachten tewerkgesteld was. De ontwikke­ling van de landbouw na 1850 werd bevorderd door de kolonisatie van het binnenland.

Bij deze westwaartse trek vormden de trappers, de wild­en pelsdierjagers, de voorhoede. Een tweede migratie­golf bestond voornamelijk uit veehouders, die in de ein­deloze vlakten ruimte hadden voor hun indrukwekkend grote kudden. Dit was de tijd van de ranchers en cow­boys, die maar twee decennia duurde, maar in de geest van de mensen het beeld grifte van een `romantisch Westen', waar cowboys bij een kampvuur hun een­zaamheid vertolkten in weemoedige ballades; van het `wetteloze Westen', waar schietgrage cowboys de wet maakten en streden tegen boeven en Indianen. Deze cowboys verdwenen voor de landbouwers (farmers) die grote oppervlakten grond - dikwijls weiland - bebouw­den. Met de steun van de federale regering doorbra­ken de akkerbouwers het landmonopolie van de veete­lers; geschikte graslanden moesten aan de akkerbou­wers gegeven worden.

De Amerikaanse landbouw werd bepaald door de ver­schillende klimaatzones, de afzetmarkten en de vrucht­baarheid van de bodem. Zo ontwikkelden zich de Wheat Belt, voornamelijk het gebied van de zomertar­we, met de beide Dakota's en grote delen van Monta­na, een gebied dat in het noorden aansluit bij de Ca­nadese tarwestaten; de Corn Belt, de maïszone, een van de meest intensief bebouwde streken (Texas, Arizona, New Mexico); de Cotton Belt, de streek van de katoen­plantages in het Zuiden; de Fruit Belt aan de subtropi­sche kust van het zuiden van South Carolina tot Texas. Voorts de Atlantische tuinbouw met de grote steden als afzetmarkten, het gebied van `hooi en zuivel' (vee­teelt en zuivelprodukten) in het noorden en noord­oosten om de Grote Meren en zo tot de Atlantische Oceaan en tenslotte de extensieve veeteelt in het droge Westen.

De landbouwproduktie steeg voortdurend: de tarwe-produktie van 173 naar 635 miljoen schepels; de maïs­oogst van 838 miljoen naar 2.886.000.000 schepels en de katoenopbrengst van 3.841.000 balen naar 11.609.000 balen (van 1860 tot 1910). In een halve eeuw verdrievoudigde het aantal landbouwbedrijven (van 2 naar 6 miljoen) en het landbouwareaal werd meer dan twee keer zo groot (van 160 naar 350 miljoen hectare) ! Deze agrarische `revolutie' was mogelijk door de me­chanisering van het landbouwbedrijf: de maaimachi­ne, de automatische balenpers en de dorsmachine wa­ren schitterende voorbeelden van de Amerikaanse in­ventiviteit waarmee het tekort aan geschoolde arbeidskrachten opgevangen werd. Aan de nieuwe landbouw­hogescholen konden wetenschappelijke landbouwme­thoden toegepast worden. Afzet vonden de farmers ook in het buitenland. In het midden van de jaren zeventig werd Europa overspoeld met Amerikaanse produkten. Dank zij de stoomscheepvaart en de vrije invoer van graan kon de bevolking voortaan uit de V.S. bevoor­raad worden, zodat voedselschaarste in Europa einde­lijk tot het verleden behoorde.

farming in 1920

De Amerikaanse landbouw kende ook crisisperioden, door de uitputting van de bodem in grote gebieden en de te snelle mechanisering, die kleine bedrijven in moei­lijkheden bracht. Ook moesten de boeren hun toe­rustingsgoederen heel duur op de markt kopen, om­dat die door invoerrechten beschermd werden. Zij ver­enigden zich in boerenbonden, Farmers Alliances, die hun eisen ook politiek verdedigden. In 1892 werd de Populistische Partij opgericht, die de landbouwbelan­gen behartigde.

De maatschappelijke omwenteling

De verstedelijking

De V.S. kenden in de 19de eeuw een ware steden-explosie. Vooral de verkeers- en transportmogelijkhe­den en de industrialisatie waren verantwoordelijk voor de verstedelijking. Door de mechanisering van de land­bouw trokken vele boeren naar de stad. De verschui­ving van de landbouw naar het westen bracht de boe­ren in de oostelijke lidstaten in zware moeilijkheden. Ook zij hoopten in de steden een nieuw bestaan te kun­nen opbouwen. Vele Amerikaanse steden groeiden langsheen de pas aangelegde spoorwegen (in Europa gebeurde de aanleg van spoorwegen integendeel in func­tie van bestaande steden). Deze nieuwe steden groeiden vaak uit de kampementen van de spoorwegbou­wers. Dagelijks trokken de spoorwegarbeiders vanuit hun kampement naar de werkplaats. Wanneer de werk­plaats té ver van het kampement lag, werd een nieuwe ingericht. De oude kampementen bleven en groeiden uit tot kleine of grotere steden.In 1830 woonde minder dan 7% van de bevolking in gemeenten met 8.000 of meer inwoners. Dit percen­tage steeg tot 16 % in 1860 en tot 30 % in 1890. In 1850 hadden maar zes steden meer dan 100.000 inwoners, in 1890 al 38 en in 1900 vijftig! In 1910 was de bevol­king van Chicago, het westelijk knooppunt van de spoorwegen, twintigmaal groter dan in 1860. Een stad als Pittsburg telde in 1800 2.000 inwoners, in 1850 68.000 en in 1910 534.000. Minneapolis, Ohama, Cle­veland, Detroit, St.Louis, Toledo en andere gebieden aan de Grote Meren waren ten tijde van de Burgeroor­log eerst gehuchten of heel kleine steden: tussen 1860 en 1910 groeide hun bevolking snel aan. Eén derde van de 30 miljoen Amerikanen woonde in 1865 in een stad. Veertig jaar later woonde bijna de helft van de 80 miljoen Amerikanen niet meer op het platteland.

De vakverenigingen

In 1865 waren er in de V.S. ongeveer drie miljoen fabrieksarbeiders, waarvan er nauwelijks 250.000 lid van een vakvereniging waren. Deze leden werden vaak door rechtbanken veroordeeld als conspirators (samen­zweerders). De patroons daarentegen mochten zich vrij verenigen. Deze patroonsverenigingen wisselden 'zwar­te lijsten' uit van arbeiders die lid waren van vakvere­nigingen; een arbeider die erop vermeld stond, zou geen werk vinden als hij zijn job in een bedrijf verloor. In de 'Gilded Age' koos men dus voor een Hamilton­iaanse (kapitalistische) maatschappij-orde. De econo­mische voorspoed was te danken aan de `captains of industry', en de arbeidersrol werd niet vermeld. Dat de Amerikaanse economie tussen 1875 en 1895 een de­pressie beleefde, kon de euforie niet verstoren. Elke georganiseerde arbeidersactie werd afgekeurd. De werkgevers voelden zich in hun vijandige houdinggesteund door de Republikeinse Partij, die een beleid voerde dat volledig naar de zin was van de `big busi­ness'. Door oververzadiging op de arbeidsmarkt was de positie van de arbeiders erg zwak: ongeschoolde im­migranten en bevrijde zwarten aanvaardden elke job, en werkten lang en in alle omstandigheden voor een erg laag loon. Deze ongeschoolden voelden er daarenbo­ven niet voor lid van een vakvereniging te worden, om­dat ze het nut ervan niet begrepen. Ze waren steeds bereid yellow dog-contracten te onder­tekenen, dat waren verbintenissen waardoor de arbei­ders ermee instemden geen vakbondslid te worden. De verbeten afkeer, om niet te zeggen de pure haat van de patroons t.o.v. elke vorm van arbeidersacties of - verenigingen valt erg op. Dat arbeiders zich verenig­den om hun belangen te verdedigen, werd beschouwd als erg on-Amerikaans, als een daad die wees op lui­heid en gebrek aan initiatief, en als een inbreuk op het privé-bezit. Volgens de Amerikaanse redenering is ie­dere eigenaar volstrekt baas in zijn bedrijf; een werk­nemer is het eens met de werkomstandigheden of stapt op. De grote kapitalisten worden in die stelling volle­dig gesteund door de miljoenen boeren en zelf­standigen. De Amerikaanse maatschappijen gaan erg ver in de uit­werking van dit beginsel; in de mijnnijverheid richt men bij voorkeur Company Towns op: deze steden zijn van de eerste plank tot de laatste spijker eigendom van de vennootschap. Sheriffs, tot zelfs de vakbond toe, zijn in dienst van de maatschappij; op die wijze kan men uiteraard gemakkelijk druk uitoefenen op de werk­nemers.Alleen door de wetgeving konden wantoestanden weggewerkt worden. De bevoegdheid daartoe behoor­de in deze tijd evenwel nog uitdrukkelijk tot de rege­ringen en de parlementen van de lidstaten. Een vak­vereniging moest in elke staat voor dezelfde eisen strij­den tegen een machtige coalitie van de wetgevende, juridische en industriële macht. De Sherman Antitrust Act (1890) werd door de rechtbanken gebruikt om de vakbonden te breken. Pas in 1914 bepaalde de Clayton Antitrust Act (1914) dat `de arbeid geen grond of een handelsartikel' was en dat `de arbeidersverenigingen' niet onder de anti-trustwetgeving vielen.

In 1866 probeerden de lokale vakverenigingen hun krachten te bundelen in de National Labor Union. In 1869 werd ze vervangen door de Knights of Labour, een organisatie voor het hele land die in 1880 700.000 leden had. De Knights of Labor droomden van een so­cialistische republiek. Maar de Amerikaanse arbeiders wilden onmiddellijke sociale hervormingen en geen ide­ologische plannen. Zij verenigden zich liever per groep in nationale federaties (in 1884 300.000 leden). Na ve­le moeilijkheden vormden deze federaties in 1886 een nationale organisatie, de American Federation of La­bor. Haar leider Samuel Gompers voerde evenwel een conservatieve politiek, die de ongeschoolde arbeiders doelbewust negeerde. Gompers ijverde voor de hoog­geschoolde arbeiders, die maatschappelijk aanzien en materiële welstand wilden verwerven, maar niet bekom­merd waren om de ontvoogding van de hele arbeiders­klasse. Gompers probeerde radicale organisaties in te tomen. Tussen 1865 en 1881 werd in de industrie 500 keer gestaakt. Van 1881 tot 1885 braken al 3.800 stakingen uit, waarbij 7,5 miljoen arbeiders betrokken waren. Van 1881 tot 1900 werd het land getroffen door 24.000 stakingen! Men moest die stakingen situeren tegen de achter­grond van de inkomensverdeling. In 1890 ging 10,6 % van het nationaal inkomen naar 1,6 % van de Ameri­kaanse gezinnen en in 1910 was het aandeel van deze groep al gestegen tot 19 %! De 65 % minst gefortu­neerde Amerikanen kregen in 1910 maar 38,6 % van het nationaal inkomen.

social discontent 1876-1932

De overheid stuurde het leger en de politie op de sta­kers af. In 1877 reageerden de arbeiders met de Great Riots tegen loonsverlagingen: in Baltimore vielen 10 doden en 18 gekwetsten, in New York 20 doden en 29 gekwetsten. Op 1 mei 1886 legden 350.000 arbeiders in 11.500 bedrijven het werk neer. Het conflict in de fabriek Mc Cormick Harvester in Chicago leidde tot de bloedige incidenten van Haymarket: tijdens een massameeting ontplofte een bom, die verschillende aan­wezigen doodde. Naar aanleiding van Haymarket werd 1 mei in de hele wereld tot Feest (dag) van de Arbeid. De repressie bleef duren: tussen 1901 en 1904 doodden politie en privé-milities 198 arbeiders en verwondden zij er 1966; 6.114 arbeiders werden in de gevangenis gestopt.Het hoeft dus nauwelijks te verbazen dat de leiders van vakverenigingen zoals Gompers ernaar streefden met de werkgevers te onderhandelen over het sluiten van arbeidsovereenkomsten. Vóór 1900 was het veel­eer aan dit soort akkoorden dan aan de sociale wetge­ving te danken dat de levensstandaard van de arbeiders verbeterd werd. In kringen van de overheid bleef de arg­waan tegenover de arbeiders immers erg groot. Bij con­flicten koos de federale rechter systematisch de zijde van de werkgever. Deze mentaliteit verklaart o.a. de Sherman Antitrust Act, die in de eerste plaats tegen de vakbonden gebruikt werd, zogezegd omdat die de ar­beidskracht monopoliseerde. Pas de Clayton Antitrust Act (1914) zou deze scheve situatie rechttrekken.

De immigratie

iommigration 1820-1920

Na 1750 groeide de bevolking zo snel aan, dat men van een bevolkingsexplosie (een demografische revo­lutie) kan spreken: een betere voeding, kleding en huis­vesting, meer hygiëne en medische kennis hadden voor­al invloed op het terugdringen van het sterftecijfer. Tus­sen 1800 en 1924 verlieten meer dan 60 miljoen Europeanen hun `overbevolkte' continent. De meeste emigranten kwamen naar Noord-Amerika in wat de grootste volksverhuizing uit de geschiedenis is geweest. De goede transportmogelijkheden maakten deze migra­tie nu mogelijk. Zo kwamen in Amerika heel wat avon­turiers aan, maar vooral ook arme loonarbeiders die honger leden in de Europese industriesteden.

Hoewel de V.S. al vanaf de zestiende eeuw door im­migranten bevolkt werden, werd de migratie pas in de 19de eeuw kwantitatief belangrijk.

Het aantal immigranten werd voor de periode tussen 1780 en 1820 op 250.000 geschat, maar liep tot 1949 op tot 39.076.295 (circa 36 miljoen tot 1920) ! De aan­groei van het immigrantenaantal blijkt uit volgende cij­fers: tussen 1841 en 1870 nam de Amerikaanse maat­schappij 6.600.000 immigranten op. Dit betekende een jaarlijks gemiddelde van 92.000 tussen 1860 en 1865, van 370.000 tussen 1866 en 1870. Tussen 1871 en 1921 kwamen 24.674.000 immigranten aan. Piekjaren wa­ren in deze periode 1905 met 1.126.000 en 1907 met 1.287.000 immigranten!

De Verenigde Staten waren in de ogen van velen het `Beloofde Land', het land met onbegrensde mogelijk­heden. Deze beeldvorming werd in de hand gewerkt door de propaganda van de V.S.A. om Europeanen naar de nieuwe wereld te halen. De westwaartse expan­sie - zeker met de Goldrush naar California in de jaren 1848-1849 - lokte heel wat Amerikanen weg van de At­lantische Oostkust. Het bedrijfsleven had dan ook be­hoefte aan verse arbeidskrachten.

De Europeanen van de eerste twee immigratiegolven waren actieve, werklustige mensen, die zich vlot in de Amerikaanse samenleving integreerden. Met de eerste golf - ook wel de Oude Immigratie genoemd - van 1820 tot 1860 spoelden vooral Engelsen en Ieren, maar ook Duitsers en Scandinaviërs aan. Tussen 1840 en 1860 wa­ren het er ongeveer 4,3 miljoen. De tweede golf situ­eerde zich tussen 1860 en 1880; 5 miljoen immigran­ten, nog steeds voor het grootste deel Engelsen, Ieren en Duitsers (69 %) kwamen toen aan.

european emigration 1820-1920

Tusseen 1880 en 1921 had de Nieuwe Immigratie plaats, die veel sneller verliep. Zowat 15 miljoen im­migranten, vooral Slavo-Latijnen uit Oosteuropese en Middellandse zee-landen kwamen aan. Deze ongelet­terden gingen tot het stadsproletariaat behoren, woon­den in een aantal wijken samen, spraken hun taal en behielden hun gewoonten. Zo groeiden in New York buurten als het `Ghetto' en `Little Italy'. In Chicago ontstond zelfs een echt Oekraïens stadje!

Deze immigranten werden slecht behandeld en uit­gebuit, maar zij waren in hun moederland dikwijls veel erger gewoon. Ze deden het zwaarste werk tegen lage lonen. De slums werden geregeld geteisterd door besmettelijke ziekten als cholera, pokken en tyfus. De politieke `bosses', die in deze nieuwkomers nieuwe kie­zers zagen, zorgden voor werk en deelden voedsel uit. Zij gaven rechtsbijstand aan jongeren die werden op­gepakt en organiseerden uitstapjes, dit allemaal in ruil voor hun stem.

De overheid begreep, zeker vanaf de economische cri­sisperiode van 1875 tot 1895 dat immigratie op deze schaal onmogelijk kon blijven voortgaan. Door de Emergency Quota Act van 1921 besloot het Congres de massale immigratie in te dijken: het aantal immi­granten van iedere nationaliteit werd vastgepind op 3'o van het aantal dat zich in 1910 in de States bevond. De Johnson Act van 1924 bracht dit quotum terug tot 2 % en nam als referentiejaar 1891 in plaats van 1910. Daarenboven werden strenge eisen gesteld inzake de li­chamelijke en geestelijke gezondheid en de politieke overtuiging van de kandidaten. Ook moest een V.S.­bewoner zich borg stellen. In 1929 beperkte de over­heid het aantal immigranten zelfs tot maximum 150.000 per jaar.

De kleurlingen

DE INDIANEN.

indian reservations 1788-1894

 De meeste Amerikanen waren ervan overtuigd, dat het hele continent hun volgens recht toekwam, omdat zij er zich het eerst hadden gevestigd. De rechten van de Indianen, die toch de oorspronkelijke bewoners wa­ren, werden volledig over het hoofd gezien.

In de periode van de 'Gilded Age' werd het ongeloof­lijk uitgestrekte gebied van de Great Plains (het westen van Texas in noordelijke richting tot de Dakota's en Canada) `gekoloniseerd'. De Amerikanen aan de Oost­kust geloofden lange tijd dat daar de Great American Desert, de grote Amerikaanse woestijn lag. Ten onrech­te, want daar leefden al eeuwenlang de Plains Indians, de Indianen van de vlakten. Zij vormden er 31 stam­menIn Texas en oostelijk New Mexico woonden de Apache en Comanche. De Pawnee-Indianen leefden in westelijk Nebraska en de Sioux in de Dakota's. De Cheyenne- en de Arapaho-Indianen leefden in de cen­trale vlakten. De Indiaanse economie steunde volledig op de buffel: een kudde van 15 miljoen buffels voor­zag de 31 stammen van voedsel, beschutting, kleding en brandstof. Deze Indianen jaagden ook op wilde paarden, die dan getemd werden. De Plains Indians wa­ren buitengewoon bedreven ruiters. In oorlogstijd vormden zij uiterst beweeglijke ruitersbenden, die erg moeilijk te overwinnen waren.

 Vóór 1850 waren de Plains Indians zelden in con­flict gekomen met blanken. De bouw van transconti­nentale spoorwegen, de `Gold Rush' en de uitvaardi­ging van de Homestead Act bevorderden de migratie naar het Westen. Deze pioniers zagen met lede ogen dat de nomadenstammen zoveel mogelijk bouw- en wei­land gebruikten. De Indianenstammen zagen door de komst van de blanken land, bossen en wild verdwij­nen. Al vlug ontstonden dan ook wrijvingen die uit­groeiden tot echte oorlogen. Op elkaar volgende ver­dragen beroofden de Roodhuiden geleidelijk van hun land en verdreven hen naar oninteressante streken.

 

indian land lost 1850-1890

In 1877 verklaarde president Hayes: "Vele, wellicht zelfs de meeste Indianenoorlogen werden veroorzaakt door niet nagekomen beloften en onrechtvaardig op­treden van onze kant".

Van in het begin trad de federale overheid weinig eer­lijk op. In 1851 werden de belangrijkste Plains­stammen uitgenodigd in Fort Laramie (Wyoming) en overtuigd met hun stammen binnen afgebakende ge­bieden te blijven. Zo hoopte men de Indianen te ver­delen, om hen nadien afzonderlijk in reservaten te drij­ven. Tegen 1859 drongen naar schatting 100.000 pio­niers - 'Fifty-Niners' genoemd - door in het gebied van de Cheyenne- en Arapaho-Indianen, die heftig weerstand boden tegen deze invasie. In november 1864 had de Sand Creek Massacre plaats. Generaal Chiving­ton overviel met zijn soldaten een vreedzaam Cheyenne­kamp. Hoewel de Indianen zich onmiddellijk overga­ven, werden zij uitgemoord. Indiaanse mannen, vrou­wen en kinderen verloren het leven in dit bloedbad. De acties tegen de Indianen verliepen wreed en geweldda­dig, waardoor de tegenstander wraakacties ondernam. Tussen 1869 en 1875 werden niet minder dan 200 veldslagen tussen Indianen en legereenheden uitgevoch­ten. Hiermee zijn de namen verbonden van Indiaanse stamhoofden als de Sioux Red Cloud en Sitting Bull, Hinmaton-Yalaktit ('Chief Joseph') van de Nez Per­cé, de Apaches Victorio en Nana en de Chiricahuas Ge­ronimo, Chatto en Natchez. Het federale leger werd aangevoerd door Sheridan, Crook, Sherman, Miles en Carson.

Enkele veldslagen groeiden uit tot een echte legen­de: zo de veldslag bij Little Big Horn tussen de Sioux onder leiding van Sitting Bull en nauwelijks 240 cava­leristen, die eindigde met de dood van de meeste blan­ken. In december 1890 moordde het Amerikaanse le­ger 150 Indiaanse vrouwen en kinderen uit bij Woun­ded Knee.

1890 29 december wounded knee battle

Wounded Knee was het bekendste, maar zeker niet het enige voorbeeld van de blanke wreedheid. In 1869 schreef de bevelhebber van California: "Ik heb de troe­pen aangemoedigd om de Apache met alle mogelijke middelen uit te roeien, en jacht op hen te maken als op dieren"! Over het bloedbad nabij Tucson (april 1871) zei de legerdokter van Ford Lowell: "Geneesmid­delen voor de gewonden had ik bijna niet nodig, want het `werk' was heel grondig uitgevoerd. Het kamp was uitgebrand en de dode lichamen van 21 vrouwen en kin­deren lagen verspreid over de grond. Twee squaws wa­ren duidelijk eerst verkracht en dan doodgeschoten. Bij­na alle doden waren verminkt. Een kindje van nauwe­lijks tien maanden had twee schotwonden en een van de beentjes was bijna afgehakt ...".

Niet alleen de vele militaire acties bedreigden de In­dianen. Duizenden buffels werden afgeslacht, om als voedsel te dienen voor de arbeiders die de transconti­nentale spoorwegen aanlegden. In nauwelijks achttien maanden schoot een zekere William Cody voor het ar­beidskamp van de Kansas Pacific Railroad 4.000 buf­fels neer: deze `heldendaad' bezorgde hem de bijnaam van Buffalo Bill en gaf hem een ereplaats in het `pantheon' van het `Wilde Westen'. Na de aanleg van de spoorweg werd 'buffelschieten' een populaire sport voor toeristen en jagers uit de oostelijke staten: reizigers schoten vanuit raampjes van de trein op de buffels. In 1871 ontdekte men dat men buffelhuiden tot bijzonder bruikbaar leer kon verwerken. Jaarlijks werden 2 miljoen buffels geschoten. Omstreeks 1885 waren de kudden in het Westen zo goed als verdwe­nen; vijftien jaar later waren er minder dan 50 buffels in de hele Verenigde Staten!

Sommige Amerikanen keurden het brutale optreden tegen de Indianen af: zo Helen Hunt Jackson in haar boek A Century of Dishonor (1881). Later publiceer­de zij Ramona, een roman waarmee zij de invloed van Harriet Beecher Stowe probeerde te evenaren.

Het Congres nam in 1887 de Dawes Act aan: die ver­deelde de gronden van de reservaten in familieperce­len. Elke familie kreeg 64 ha. Om de begunstigden te beschermen tegen speculanten, werd hun verboden de grond tijdens de volgende 25 jaar te verkopen. Pas dan verwierven zij het volledige eigendomsrecht en konden zij burgers van de V.S.A. worden! De Dawes Act, hoe goed ook bedoeld, bewees toch dat de blanke Ameri­kanen weinig respect hadden voor de traditionele le­venswijze van de Indianen. De roodhuiden verloren 4,5 miljoen hectare grond aan de blanken op één genera­tie. Er bleven nauwelijks 200.000 à 300.000 Indianen over, die aan een nog steeds niet geheel geslaagde Ame­rikanisering begonnen.

DE ZWARTEN

De afschaffing van de slavernij (1863) had het pro­bleem van de zwarten niet opgelost. Ook het 14de en 15de amendement dat de politieke gelijkheid bepaal­de, veranderde weinig in de praktijk. 

In de Zuidelijke staten werd de verkiezingsprocedu­re voor ongeletterden ondoorzichtig gemaakt. De stem­lokalen lagen ver van de zwarte wijken of werden zon­der waarschuwing op het laatste ogenblik verplaatst. Na 1890 verbonden de Zuidelijke staten het stemrecht aan de eis de grondwet van de lidstaat `te kunnen le­zen en begrijpen'. Toch konden blanke analfabeten vrij hun stem uitbrengen.

Eveneens vanaf 1890 kende het hele Zuiden de poll tax, dat is een belasting van verscheidene dollars voor ie­dereen die wilde stemmen. Omdat er geen stemplicht was, gingen de armsten, en dat waren meestal zwarten, niet meer stemmen. Nauwelijks vijftien jaar na het einde van de Burgeroor­log werden overal Jim Crow-wetten goedgekeurd. Jim Crow was een nep-zwarte minstrel die de naïviteit en de raciale ondergeschiktheid van de zwarte symboli­seerde 

Het Hooggerechtshof vond dat deze praktijken niet on­grondwettelijk waren! Op maatschappelijk gebied werd de segregatie doorgevoerd: er waren wagens, restau­rants, schouwburgen en scholen voor zwarten. In som­mige lidstaten verbood de wet gemengde huwelijken. De subsidiëring van scholen voor zwarten was ook la­ger dan die van scholen voor blanken.

Toch kon de sociale promotie van de zwarten niet volledig verhinderd worden. In 1880 was 70 % van henanalfabeet, maar omstreeks 1900 daalde dit cijfer tot 44 %. Zwarte leiders riepen op tot actie voor emanci­patie. In Alabama richtte Booker T. Washington de eerste universiteit voor zwarten op. Hij hoopte te be­wijzen dat zwarten niet minder bekwaam waren dan blanken, zoals vaak gedacht werd.

Vooral de Ku Klux Klan verdedigde de superioriteit van het blanke ras en met haar acties wilde ze de 'Ame­rikaanse', `protestantse' en `blanke' waarden bescher­men! Intimidatie en tuchtiging, maar ook lynchpartij­en waren de methodes waarmee ze hun wil oplegden. Tussen 1890 en 1920 werden 2.523 zwarten gelyncht, d.w.z. terechtgesteld, meestal met de strop en zonder vorm van proces.

In 1880 woonden in de V.S. 6,5 miljoen zwarten. Velen hadden zich in het Noorden gevestigd; twintig procent van de zwarten verliet het Zuiden, dat een eco­nomische crisis beleefde, en zocht werk in de staalnij­verheid van Pittsburg of Chicago, later ook in de Ford-fabrieken. De steden waren evenwel allesbehalve het `beloofde land' voor de zwarten: zij leefden in hun wij­ken en werden door de blanken geschuwd. In het Zui­den maakt de zwarte het `paternalistische racisme' mee: de blanke is er (nog steeds) de `natuurlijke' meester van de zwarte. De Amerikaan van het Noorden toonde (en toont) een `aversief racisme': hij wendt het hoofd van de problemen van de zwarte af.

HET GELE RAS.

Chinezen en Japanners werden aangetrokken door de welvaart in California. Ze werkten er als arbeiders, han­delaars of landbouwers. In 1870 woonden er al 56.000 Chinezen. Geregeld kwam het tot wrijvingen met de blanke bevolking. De Chinezen vormden een bedrei­ging voor de werkgelegenheid van de blanken, omdat ze tegen lagere lonen werkten. In 1882 verbood een wet de immigratie van Chinezen.

De Japanners immigreerden wat later. De regering in Washington reageerde voorzichtiger. Japan was im­mers een belangrijke mogendheid aan het worden en Washington wou de relaties met het land niet in gevaar brengen. Onderhandelingen met de Japanse regering hadden succes: vanaf 1907 weigerde Tokio nog paspoorten uit te reiken aan nieuwe emigranten die naar de V.S.A. wilden. In 1910 bestond nog 10 % van de bevolking van California uit Japanners, maar het aantal zou nadien geleidelijk afnemen.

Een nieuwe levenswijze

In de 'Gilded Age' heeft de American Way of Life een grondige verandering ondergaan. Door de in­dustriële omwenteling, zelf het gevolg van een gewel­dige technische vooruitgang, werd massaproduktie mo­gelijk. De prijzen van de produkten daalden, zodat de levensstandaard van steeds meer mensen steeg.

De samenleving verstedelijkte steeds meer, vooral in de oostelijke lidstaten, waar plattelandsvlucht de pro­blemen vergrootte. De fabrieksarbeiders en hun gezin­nen hokten samen in groezelige `slums' en konden zich maar het allernoodzakelijkste kopen.

Door de immigratie nam de overbevolking toe. Er was niet genoeg werk, en de arbeiders moesten met heel lage lonen genoegen nemen. Vele immigranten, voor­al uit Zuid-Europa, integreerden zich ook niet in de Amerikaanse samenleving, wat weer moeilijkheden en misdadigheid schiep.De technische vooruitgang was ook verantwoorde­lijk voor een echte verkeersrevolutie: eerst met de spoorwegen en de stoomscheepvaart. Met de uitvinding van de verbrandingsmotor begon een nieuw tijdperk. Vanaf 1909 was General Motors opgericht. De Vere­nigde Staten werden a nation on wheels. Toen de elek­triciteit was uitgevonden, verschenen in de steden de trolley-bussen, later de elektrische trams. In 1903 ex­perimenteerden de gebroeders Wright in de duinen van Kitty Hawk met hun eerste vliegmachine. Het goede­rentransport en het handelsverkeer ontwikkelden zich erg snel. De mobiliteit van de mensen werd groter. Amerika werd kleiner, ook door de uitvinding van nieuwe communicatietechnieken. Omstreeks 1900 ver­bonden telegraafsystemen het hele grondgebied van de V.S.A. De Bel! Telephone Company controleerde de telefoon, een ontzettend handig apparaat waarmee je de enorme Amerikaanse afstanden kon overbruggen. Dank zij de uitvinding van de elektrische gloeilamp door Thomas Edison kon het stadsleven ook 's nachts ongestoord voortgaan. De praktische Amerikaanse geest leverde in die jaren de ene nieuwigheid na de an­dere af.Business' werd efficiënter door de introductie van al­lerlei kantoormachines, waaronder de typmachine. Thuisarbeid werd gestimuleerd door de uitvinding van de naaimachine. In de massapers lazen de mensen over de vele veran­deringen in de samenleving. De Yellow journalism gaf de gebeurtenissen nog een sensationeel verfje: misdaad, seks en melodrama werden de ingrediënten van deze kranten en tijdschriften. Hearst en Pulitzer, kranten­magnaten in New York, hadden elk hun persimperi­um uitgebouwd. William Randolph Hearst was de uit­gever van de populaire 'Journal', Joseph Pulitzer van de veelverkochte 'World'. De concurrentie tussen beiden was bits. Het doel, de grootste oplage, heiligde de middelen. Andere bladen, een minderheid in de pers, stelden sociale wantoestan­den aan de kaak. Deze journalisten harkten (rake up) vuiligheid (muck) op: daarom noemde president The­odore Roosevelt hen muckrakers.

Niet steeds moest de pers verslaggeven over wan­toestanden: in deze tijd werden ziekenhuizen, armen­en weeshuizen en centra voor sociaal dienstbetoon ge­bouwd. Erg veel aandacht ging naar het onderwijs: in 1865 waren er 5 miljoen schoolgaande kinderen, in 1870 al 7 miljoen en in 1900 15 miljoen! Het analfabetisme werd teruggedrongen van 17 tot 11 %! De overheid richtte scholen en universiteiten op. Ook de kerken had­den een maatschappelijke functie. Bij het kerkgebouw lagen sportruimtes, concert- en vergaderzalen, scholen voor muziek, zang en ... verpleegkunde. Op cultureel vlak moet de oprichting van symfonie­orkesten, van de Metropolitan Opera, van musea en bibliotheken vernoemd worden. Rijke zakenlui traden als mecenas op. Ook het toneel kende een reusachtige expansie. Na 1900 drong de film in het culturele leven door. Deze omwenteling in het maatschappelijke leven en in de levenswijze stelde problemen: de snelle veran­deringen werden onoverzichtelijk. Een zekere vorm van overheidscontrole en regulering was noodzakelijk. Dit was de grote uitdaging voor de federale overheid en de regeringen van de lidstaten: de vrijheid van de rechtsstaat mocht niet de `vrijheid van de jungle' worden.

De nationale politiek

Het Republikeinse tijdperk

Politiek werd de periode van 1861 tot 1913 beheerst door de Republikeinen. Aanvankelijk profiteerden de Republikeinen van de weerslag van de Burgeroorlog. Bijna alle Zuidelijken waren immers Democraten. De overwinning van het Noorden werd beschouwd als een Republikeinse triomf. De Republikeinen schoven de schuld voor de Burgeroorlog in de schoenen van de Zuidelijke Democraten, en die tactiek legde hun geen windeieren.

Toch hebben de Republikeinen het Noorden lang niet in dezelfde mate kunnen monopoliseren als de Demo­craten het Zuiden. De lidstaten van New England en die ten westen van de Mississippi, Pennsylvania, Wis­consin en Michigan waren Republikeinse bolwerken. De verkiezingsuitslagen in New York, New Jersey, Con­necticut, Ohio, Indiana en Illinois waren evenwel niet zo voorspelbaar. De partij die de meerderheid in deze staten had, won de presidentsverkiezing. Om die reden kwamen de kandidaten voor het presidentschap en het vice-presidentschap meestal uit dié lidstaten. Geen en­kele politicus uit het Zuiden werd door één van beide grote partijen als kandidaat gekozen. Dit illustreert tref­fend de weerslag van de Burgeroorlog op het politieke leven.

Hoewel in deze periode heel wat maatschappelijke problemen opdoken, bleven Democraten en Republi­keinen vaag in hun programma's. Ze vermeden duide­lijke standpunten in te nemen om geen stemmen te ver­liezen. De kiezers zagen weinig échte verschillen tussen beide partijen. Een waarnemer vergeleek ze met "twee fles­sen van dezelfde vorm en kleur, met een verschillend etiket, maar... allebei leeg". De twee partijen waren aan elkaar gewaagd: elke verkiezing was een nek-aan­nek-race.

In 1880 behaalde Garfield 7.000 stemmen meer dan Hancock, dit op een totaal van 9,2 miljoen stemmen. In de verkiezingsstrijd dook telkens een `derde par­tij' op, die wel op de échte problemen inspeelde. De opkomst van een 'derde partij' was mogelijk omdat de grote partijen de problemen uit de weg gingen.

In de verkiezingen van 1880 en 1884 was er de Green-back Party (Greenbacks = papieren geld, uitgegeven tij­dens de Burgeroorlog), vanaf 1892 de Populist Party, die de landbouwbelangen verdedigde, maar ook de fa­brieksarbeiders poogde aan te trekken. Roosevelt sticht­te in 1912 de Progressive Party op basis van het New Nationalism-programma, dat de uitbouw van `the wel­fare state' nastreefde. President Chester Arthur - die de vermoorde presi­dent Garfield in 1881 opvolgde - begon een actie tegen het beruchte `Spoil System'.

Voor de partijen was elk middel goed om de verkie­zingen te winnen: de overwinnaar mocht het hele amb­tenarenapparaat immers met partijleden bevolken. Dat dit systeem corruptie in de hand werkte, was onvermij­delijk. President Arthur liet in 1883 een wet aannemen die het `Spoil System' afschafte voor bepaalde federale amb­ten en een examensysteem voor ambtenaren invoerde. Het `Spoil System' bleef wel bestaan, in 1883 voor 89 %, in 1914 nog voor 40 % van de staatsambten.

Door de verhalen over corruptie, de economische cri­sis en de werkloosheid ontevreden gestemd, verlang­den de burgers naar een partijwisseling aan de top van het land. In 1884 werd dan ook de onkreukbare Gro­ver Cleveland, een Democraat, tot president verkozen. Hij zou in 1892 herkozen worden. Na de Republikein­se presidenten - zonder uitzondering 'respectable me­diocrities' - was de figuur van Cleveland een verade­ming. Hij wilde de doeltreffendheid van de administra­tie opvoeren, maar werd hierin tegengewerkt door de Republikeinse meerderheid in de Senaat. Toen Cleveland de toltarieven wou verlagen, kreeg hij heel wat tegenwind, niet alleen van industriëlen en za­kenlui (Republikeinen), maar ook van zijn eigen De­mocratische Partij. In het begin van de industriële re­volutie waren de toltarieven noodzakelijk om de jon­ge Amerikaanse industrie te beschermen tegen de concurrentie van de Europese nijverheidsprodukten.

Nu de V.S. evenwel uitgegroeid waren tot de sterkste industriestaat in de wereld, waren toltarieven overbo­dig, behalve voor de `corporations'. De toltarieven hiel­den de prijzen op de binnenlandse markt daarenboven kunstmatig hoog, tot ongenoegen van de Amerikaan­se consumenten en vooral van de Amerikaanse `farmers',

Met Benjamin Harrison wonnen de Republikeinen de presidentsverkiezingen van 1888. Harrison breidde onmiddellijk de praktijk van het 'Spoil System' uit en de corruptie en vriendjespolitiek verschenen weer op het toneel. In 1890 werden de toltarieven weer verhoogd van gemiddeld 38 tot 49,5 % (het McKinley tarief).Cleveland werd in 1892 wel herkozen, maar ondanks al zijn goede bedoelingen verliep dit tweede mandaat maar in mineur.

In 1893 werden de V.S. getroffen door een nieuwe economische crisis. In het hele land ontstond paniek. In enkele maanden werden niet minder dan 8.000 fail­lissementen uitgesproken. In de grootsteden braken sta­kingen uit. Voor de farmers was de ramp het grootst. De boeren van het Westen kregen voor hun graan gemiddeld 73 cents in 1890 en nog maar 43 cents in 1893. De prijs­daling van katoen van 11 cents tot 8 cents knaagde aan het inkomen van de boeren in het Zuiden. In dit klimaat werden de Farmers Alliances en de Peo­ple's Party of Populist Party opgericht.

1892 vs presidential election

De verkiezingscampagne van de Republikeinse kan­didaat William McKinley (1896) werd georganiseerd door Mark Hanna, een industrieel uit Ohio. Het kies­fonds werd gespijsd met royale bijdragen van gefortu­neerde enkelingen én van de grote `corporations'. 250 sprekers voerden tegelijk in 27 lidstaten campagne. 250 miljoen pamfletten met het programma werden ver­spreid. Propagandacomités bewerkten elk een maat­schappelijke groep: zwarten, of Duitse immigranten, of boeren... . Ook de massakranten werden ingescha­keld. De verkiezingscampagne van McKinley leidde het moderne industriële tijdperk in.

1896 vs presidential election

In 1900 kreeg McKin­ley het vertrouwen voor een tweede ambtstermijn. Op 6 september werd hij vermoord en door zijn vice-president Theodore Roosevelt opgevolgd.

Een tijd van progressieve hervormingen

De eeuwwende was niet alleen in Europa, maar ook in de Verenigde Staten een tijd van nieuwe hoop. Na de lange depressie van de jaren '90 was er weer wel­vaart. De gemakkelijke overwinning in de oorlog te­gen Spanje maakte de Amerikanen trots. De V.S.A. hadden nu zelfs grondgebied aan de andere zijde van de Stille Oceaan! De maatschappelijke wantoestanden moesten nu maar eens aangepakt worden. Het privile­ge van de kapitalisten en hun overwegende invloed op de overheid konden doorbroken worden.

De overheid moest in de eerste plaats de zwakken be­schermen, zo geloofde men nu. De gewone man was verstandig en bekommerd om het algemene belang. Als men hem goed informeerde, zou hij zeker meewerken aan cie nnndzakeliike hervormineen. Om deze verbeteringen te kunnen uitvoeren moest het politieke systeem democratischer worden. Enkel eerlijke en bekwame ambtenaren mochten nog aangesteld worden. Kortom, het advies van Thomas Jefferson (het volk in­formeren) en de visie van Alexander Hamilton (een sterk centraal overheidsgezag) werden door deze `pro­gressieven' verzoend. Het progressisme vond zowel bij de Democraten als bij de Republikeinen aanhangers. Progressisme was geen socialisme: men wilde het ka­pitalisme niet bestrijden, maar bijstellen. De idealen van individuele vrijheid en gelijkheid wer­den weer opgepoetst en aan de nieuwe economische si­tuatie aangepast.

Het progressisme had eerst invloed in de steden, dan in de lidstaten en pas dan in de federale politiek. Theo­dore Roosevelt kwam uit New York, Woodrow Wil­son was gouverneur van New Jersey. De meest opval­lende persoonlijkheid was Robert M. La Follette, die in 1900 tot gouverneur van Wisconsin werd verkozen. Zijn programma werd bekend onder de naam the Wis­consin Idea. Door zijn invloed keurde het Wisconsin­parlement de primaries (voorverkiezingen) goed. Nu zou het volk - niet de partij - de kandidaten voor een verkiezing kunnen aanduiden.

Het parlement ging ook in op het voorstel om het geld dat kandidaten aan hun campagne besteedden te be­perken, en de invloed van de lobby's (belangengroe­pen) op het parlement af te remmen. Lobby's zijn groe­pen van invloedrijke mensen die hun macht aanwen­den om parlementen (hetzij in een lidstaat, hetzij op federaal niveau) ertoe te bewegen wetten aan te nemen die gunstig zijn voor specifieke en beperkte belangen­groepen.

De `Wisconsin Idea' inspireerde ook politici in andere lidstaten tot hervormingen als het petitierecht, de re­ferenda, het vrouwenstemrecht, het verbod van kinder­arbeid, de verkorting van de arbeidsdag voor vrouwen. Op nationaal vlak zou Franklin Delano Roosevelt va­naf 1933 heel wat uit het programma van La Follette overnemen in zijn `New Deal'-beleid!

De progressistische invloed bereikte een hoogtepunt onder president Theodore Roosevelt met de beperking en controle op de kinderarbeid, de aansprakelijkheid van werkgevers bij arbeidsongevallen, het heffen van successierechten, het invoeren van inkomsten-, vermogens- en vennootschapsbelasting. De anti-trustwetten en de transporttarieven van de spoorwegen werden strenger gecontroleerd en corruptie in de staats­administratie werd bestreden.

memo hfst 3 afb 6

Teddy Roosevelt ontpopte zich als de veelzijdigste pre­sident sind Thomas Jefferson en was enorm populair. Zijn herverkiezing in 1904 was een ware triomf. On­der zijn impuls was de toestand zo geëvolueerd dat al­le senatoren in 1912 op grondslag van het algemene stemrecht verkozen werden (17de amendement). In deze jaren werden meer sociale wetten goedgekeurd dan in de hele geschiedenis ervoor. Op het vlak van de mini­mumlonen, pensioenen en werkloosheidsvergoeding bleef de wetgeving beperkt.

In 1904 waren er 318 trusts, waarvan de meeste na 1898 waren gevormd. De controle over de zakenwereld en over het kapitaal werd geconcentreerd in enkele handen. Teddy Roosevelt heeft deze trustvorming niet kun­nen beperken.

Na een eerder ontgoochelende regering van de Re­publikein William Howard Taft profiteerden de Demo­craten van een conflict in de Republikeinse Partij. On­tevreden over het beleid van zijn opvolger, stichtte Theodore Roosevelt de Progressive Party en voerde een eigen campagne voor het presidentschap. De Republi­keinen én de Progressisten werden door de Democra­tische kandidaat overwonnen.

memo hfst 3 afb 6

Woodrow Wilson, professor in de geschiedenis en voor­zitter van de Universiteit van Princeton, werd president. Hij pakte uit met een programma dat hij the New Freedom noemde. Dat geleek sterk op wat Roosevelt ver­dedigde, maar Woodrow Wilson wilde de federale re­gering een minder strak regulerende rol toekennen. Het Congres zou wetten aannemen waarin nauwkeurig werd bepaald aan welke voorwaarden eerlijke concurrentie moest voldoen. Burgers of 'corporations' die deze wet­ten overtraden, moesten wel streng worden gestraft. Wilson was geen tegenstander van de `big business', maar wel van monopolievorming. Wilson voerde de progressieve belasting in. Hij werd de kampioen van de kleine en middelgrote ondernemingen. De hervor­mingsgezinde beweging bereikte haar triomf onder de regering van deze Democratische president.