We hebben 223 gasten online

Deel 6 a Van Britse kolonie tot de Verenigde Staten

Gepost in V.S.

we the people

Het racisme: De behandeling van de zwarten

drs J.W.Swaen Historicus 24 november 2005 www.blikopdewereld.nl

Bij de redactie van de Onafhankelijkheidsverklaring oordeelde Thomas Jefferson dat het probleem van de slavernij hierin aan bod moest komen. De eerste paragraaf van de onafhankelijkheidsverklaring bevestigde dat "alle mensen als gelijken geboren worden" en dat zij genieten' 'van onvervreemdbare rechten, waaronder... de vrijheid". Volledig in overeenstemming met zijn eigen overtuiging, nam Jefferson er ook volgende paragraaf in op: "De Koning van Engeland heeft een wrede oorlog gevoerd tegen de menselijke natuur zelf. Hij trad de meest heilige rechten op leven en vrijheid van de mensen van een ver verwijderd volk dat hem nooit kwaad had berokkend met de voeten. Hij nam deze mensen gevangen en verknechtte hen in een ander halfrond, als hij ze al niet op een ellendige manier liet sterven op de schepen die hen vervoerden. Deze piratenoorlog, die zelfs ongelovige volkeren als een schandvlek zouden beschouwen, wordt door de christelijke koning van Groot-Brittannië gevoerd."

Jefferson schoof de verantwoordelijkheid voor de slavernij dus in de schoenen van de Engelsen. Hij veroordeelde wel de slavenhandelaars, die de zwarten in Afrika kochten en over de Atlantische Oceaan vervoerden, maar sprak niet over wié de slaven in Amerika op de plantages uitbuitte.

Daarenboven werd de paragraaf over de vrijheid van de slaven uit de verklaring geschrapt, omdat sommige staten anders niet tot de Unie wilden toetreden. Ook George Washington was in principe tegen slavernij, maar hij koos voor een 'realistische' benadering die de eenheid van de Unie niet in gevaar bracht. Wanneer de Quakers samen met andere abolitionisten (voorstanders van de afschaffing van de slavernij) de vlucht van de slaven naar het Noorden organiseren, veroordeelt George Washington die acties dan ook sterk.

Geplaatst voor de keuze tussen vrijheid en eigendom spreekt George Washington zich duidelijk uit voor de rechten van de bezitters. Dit kwam tot uiting, toen hij John Jay naar Londen stuurde om er het verdrag te onderhandelen dat tenslotte in 1794 werd ondertekend. George Washington gaf Jay de instructies mee, van de Engelsen een schadeloosstelling te eisen voor de zowat 3.000 slaven die op het moment van de Onafhankelijkheid naar Canada gevlucht waren. Lord Grenville gaf John Jay een lesje in rechtlijnig denken: Londen hield vol dat de slaven die bij de Engelsen bescherming gezocht hadden, hierdoor vrije mensen geworden waren. Daardoor hadden de planters al hun eigendomsrechten op deze mensen verloren. John Jay moest zich hierbij neerleggen.

Ook in de redactie van de grondwet van de V.S. werd de moeilijkheid van de slavernij omzeild. In de definitieve tekst van de grondwet worden de termen 'slaaf' en 'slavernij' zelfs niet eens gebruikt. Veel heibel werd gemaakt over de vraag of de slaven zouden worden meegeteld om het aantal afgevaardigden te bepalen dat elke lidstaat naar het 'House of Representatives' mocht sturen. Het Three-Fifths Compromise bepaalde tenslotte dat drie vijfde van de slaven voor de vaststelling van de bevolking van een lidstaat meegerekend werd. In een ander compromis werd vastgelegd dat het importverbod van slaven pas in 1808 zou ingaan. Een andere grondwetsbepaling verplichtte de lidstaten gevluchte slaven terug te sturen.

Ook de 'Bill of Rights' (de eerste Tien Amendementen op de grondwet, goedgekeurd in 1789) heeft aan de toestand van de slaven niets veranderd. Deze tekst somde de natuurlijke (onvervreemdbare) en de wettelijke rechten van de burgers van de V.S.A. op, maar omdat de slaven nu eenmaal geen burgers waren, gold de Bill niet voor hen.

Een belangrijke ontwikkeling in de geschiedenis van de slavernij in de V.S. begon in 1798 met de goedkeuring door het Congres van de Alien en de Sedition Act. De Sedition Act lokte zeer heftige weerstand uit. Jefferson bestempelde de wet als ongrondwettelijk. Hij stelde resoluties op, die door het Parlement van de nieuwe lidstaat Kentucky werden goedgekeurd (Kentucky Resolutions) James Madison deed hetzelfde in Virginia (Virginia Resolutions). Thomas Jefferson beschouwde de grondwet als een contract, waardoor bepaalde machten van de lidstaten naar de federale regering gingen. Als het Congres nu een wet aannam waartoe het volgens de grondwet geen macht had, kon elke lidstaat die wet nietig verklaren, vond Jefferson. De wet was dan niet langer van kracht in die lidstaat. Men zal begrijpen dat deze doctrine de eenheid in gevaar bracht. Indien om het even welke staat een wet van het Congres kon weigeren, was het met de Unie gedaan. De parlementen van Kentucky en Virginia hebben dit wel ingezien: zij hebben dit deel van de 'Resolutions' dan ook gewijzigd door te bepalen dat het Congres gevraagd zou worden om de 'afgekeurde' wet in te trekken.

Deze Nullification Doctrine plaatste weer eens het probleem van de 'States Rights' (de rechten van de afzonderlijke staten) op de voorgrond: hoe zelfstandig waren de lidstaten van de Unie? De Nullification Doctrine zou door slavenhoudende lidstaten nog vaker ingeroepen worden om, tegen de beslissingen van de federale regering en het Congres in, het behoud van de slavernij te rechtvaardigen.

Omstreeks 1800 beschouwde men de slavernij in het Noorden en het Zuiden als een tijdelijk en betreurenswaardig systeem: de Northwest Ordinance van 1787 schreef voor dat een territorium maar als nieuwe lidstaat tot de Unie werd toegelaten op voorwaarde dat de slavernij op het hele grondgebied ervan verboden was. Daar volgde nauwelijks enige reactie op. Ook het verbod op de slavenhandel (1808) werd algemeen aanvaard.

Maar vanaf 1815 werd slavernij het voorwerp van verhitte discussies. Toen verspreidde zich immers de katoenteelt. (Onder andere door de cotton gin: een machine waarmee men vijftig maal sneller dan met de hand katoen plukte). Ook het in cultuur brengen van de rijke gronden van de 'Black Belt' in het Zuidwesten speelde een rol. Daarenboven was de vraag naar ruwe katoen toegenomen: in Engeland werd de industriële revolutie in het kader van de katoenindustrie op gang gebracht en ook in de noordelijke lidstaten van New England waren vanaf 1815 textielfabrieken opgericht. De katoenplanters nu hadden veel goedkope en ongeschoolde arbeidskrachten nodig. Slaven waren terug onmisbaar geworden. Maar niet alleen de katoenteelt had nood aan goedkope arbeids- krachten; dit was ook zo voor de suikerrietplantages in Louisiana en Mississippi en voor de tabakscultuur in Kentucky en in Tennessee.

Bij de eerste volkstelling in 1790 telde de bevolking van de V.S. 3.172.000 blanken en ruim 757.000 zwarten. In 1800 waren er ongeveer 1 miljoen en in 1808 al 1.750.000 zwarten in de Verenigde Staten. In 1860 was de blanke bevolking aangegroeid tot 26,9 miljoen, de zwarte bevolking tot ruim 4,4 miljoen. In 1840 werd de totale eigendomswaarde van alle slaven in het Zuiden geschat op 1.350 miljoen dollar en op 4.000 miljoen dollar in 1860.

Omdat een slaaf steeds 'waardevoller' werd, hadden de planters er belang bij hem beter te behandelen. Rijke planters zorgden voor behoorlijke voeding, kleding en huisvesting. Tegelijk schonken minder planters hun slaven de vrijheid. De slavenhouders konden evenwel aanvoeren dat de levensomstandigheden van de slaven op de plantages soms beter waren dan die van de arme immigranten en de slecht betaalde fabrieksarbeiders in de steden van het Noorden.

Bij de opname van elke nieuwe lidstaat laaiden de discussies hoog op: was dit nu a free state of a slave state'? ln 1787, naar aanleiding van de Northwest Ordinance had niemand zich gestoord aan de bepaling dat een nieuwe lidstaat enkel werd toegelaten tot de Unie op voorwaarde dat de slavernij er verboden was. Maar die tijd was nu voorbij. Voor de blanken in het Zuiden was de slavernij het fundament van hun economisch leven: de welvaart en de levensstandaard van de Zuidelijke staten was onlosmakelijk verbonden met de slavenarbeid. In het Noorden en ook in de federale hoofdstad dacht men daar heel anders over. Sinds de volkstelling van 1790 hadden de federale instanties erop toegezien, dat er machtsevenwicht bleef bestaan tussen de 'vrije' en de 'slavenhoudende' staten. Nu was de bevolking van het Noordwesten en van het Noordoosten met een miljoen inwoners meer aangegroeid dan de bevolking in het Zuiden. Dit vonden de blanken in het Zuiden een erg nadelige ontwikkeling: de samenstelling van het Huis van Afgevaardigden werd immers bepaald naar evenredigheid van de bevolking en... de slavenbevolking telde maar voor drie vijfde. Het behoud van de politieke macht van het Zuiden in het Congres stond dus op het spel. De toetreding van elke lidstaat werd een probleem: zou ze 'a free state' of 'a slave state' zijn?

Van de oorspronkelijke dertien lidstaten werden er zeven 'free states' en zes 'slave states' , maar van 1791 tot 1819 kwamen er maar vier 'vrije' staten tegen vijf 'slavenhoudende' staten bij. Toen dan in 1819 Missouri in de Unie opgenomen wilde worden, kwam het probleem in zijn volle omvang aan de oppervlakte. De 'Ordonnantie' van 1787 verbood de slavernij wel in het Noordwesten maar zei niets over het enorme grondgebied dat door de Louisiana Purchase (1803) was aangekocht. Hier ging het in wezen om de vraag of het Noorden óf het Zuiden voortaan de politieke controle over de Federatie zou verwerven: als de lidstaten van de Louisiana Purchase één voor één tot de Unie zouden toetreden als 'slavenhoudende staten' zou de machtsbalans ongetwijfeld doorslaan in het voordeel van het Zuiden; in het andere geval kreeg het Noorden 'het voor het zeggen. Missouri was de 'test-case'.

De blanke bevolking van Missouri was voor slavernij. Henry Clay van Kentucky werkte een compromis uit, waarbij Missouri als 'slavenhoudende' staat lid van de Unie kon worden, maar Maine - de volgende kandidaat in de rij - als 'vrije' staat zou worden opgenomen. Het Missouri Compromis verdeelde de rest van de Louisiana Purchase in een 'vrij' en een 'slavenhoudend' territorium. De scheidingslijn werd de parallel op 36°30' breedteligging. Ten zuiden van deze grenslijn zou het grondgebied worden opengesteld voor slavernij; ten noorden ervan was de slavernij verboden. Het probleem werd op die wijze toegedekt, maar zeker niet opgelost. Thomas Jefferson liet er zich bitter over uit: "Zij hebben het land in twee gedeeld, een 'slavenhoudend' deel en een 'vrij' deel, en zij hebben alles afgewezen waarvoor wij tijdens de Revolutie gevochten hebben... Voor het ogenblik is de storm inderdaad tot bedaren gebracht. Dit is evenwel maar een uitstel, zeker geen definitieve beslissing."

 

compromise

De democratie van Jackson

De abolitionisten

Al bij het begin van de 19de eeuw was de beweging voor de afschaffing van de slavernij (abolition) op gang gekomen. De Anti-Slavery Movement werd ten tijde van het presidentschap van Andrew Jackson een onderdeel van een veelomvattende stroming die tot doel had een aantal hervormingen door te voeren. Van 1830 tot 1850 beleefden de V.S. een Age of Reform, een tijd van hervormingen: er was het feminisme, de strijd om de organisatie van openbaar onderwijs voor iedereen en van economische hervormingen. De zwarte leiders waren erg gematigd: zij preekten geen opstand, maar de geleidelijke verbetering van het lot van de slaven met wettelijke middelen.

Frederick Douglass, allicht de meest invloedrijke figuur onder hen, schreef in zijn krant 'The North Star' : "u slingert uw banbliksems over de gekroonde tirannen van Rusland en Oostenrijk, en u bent trots op uw democratische grondwetten, maar u verzoent er u mee de instrumenten en de handlangers te zijn van de tirannen van Virginia en van Carolina."

De reactie tegen de slavernij bleef in het algemeen erg gematigd; ook in het Noorden bewandelde men de weg van de geleidelijkheid. De afschaffing van de slavernij moest geleidelijk gebeuren en gepaard gaan met een schadeloosstelling voor de eigenaars van de slaven! Een minderheid dacht radicaler: onder hen Wil/iam Lloyd Garrison (1805-1879) die schreef:

"Wij eisen de onmiddellijke en onvoorwaardelijke emancipatie. Wij aanvaarden niet dat schadeloosstelling uitbetaald wordt. Het zou betekenen dat we bereid zijn een dief te betalen opdat hij het gestolen goed zou teruggeven."

William Lloyd Garrison, als spreekbuis van de minderheid abolitionisten, wees erop dat de opeenvolgende compromissen die sinds de Onafhankelijkheidsverklaring zijn uitgewerkt, steeds aan de kern van de zaak zijn voorbijgegaan. In 1842 was zijn irritatie zo groot dat hij de grondwet bestempelde als een 'esclavagistisch document' , een 'pact met de dood' en een 'bondgenootschap met de hel'!

Garrison heeft zo de kritiek op de slavernij omgebogen en opgetild tot een kritiek op de grondwet, die de slavernij niet expliciet veroordeeld had. Daardoor was de poort opengezet voor de bestendiging van de slavernij in de praktijk.

Maar op die wijze, aldus Garrison, werd de voornaamste wens van de Founding Fathers van de Unie op de helling gezet, namelijk: de vestiging van een samenleving die zou worden gesteund op het recht. Werden zeden en gewoonten beheerst door het recht of werden de wetten louter en alleen op basis van de sociale praktijk opgesteld? Kortom: de slavernij stelde de vraag naar het voortbestaan van de Unie en - als die al zou blijven bestaan - de vraag naar de mate van democratie van deze Unie.

Tegenstanders van slavernij steunden op morele, religieuze en economische argumenten. Sommige groepen verwierpen de slavernij, omdat ze ondemocratisch was en niet bij de Amerikaanse instellingen en traditie paste. Slavernij was ook economisch ongezond: de arme blanke kon nooit concurreren tegen producten die door onbetaalde slavenarbeid gemaakt waren.

Een groot deel van het succes van de latere president Lincoln en zijn Republikeinse partij wordt verklaard door de angst van de kleine boeren voor de grote planters uit het Zuiden. Zij vreesden dat het invoeren van slavernij in de Noordelijke staten de ondergang van hun boerderijen zou betekenen. Voor de rest had de Noorderling evenveel minachting voor de zwarte als de Zuiderling. Tenslotte wezen anderen erop dat de slavernij gewoon onwettelijk was. De Onafhankelijkheidsverklaring had de slavernij immers veroordeeld door de onvervreemdbare rechten van de mens af te kondigen. De grondwet zelf had de slavenhandel veroordeeld want haar opstellers hadden het niet nodig gevonden wat vroeger afgeschaft was, opnieuw te behandelen.

abolition of slaverny 1777-1858

Kaart de abolition of Slaverny 1777-1858 De abolitionisten gingen niet akkoord over de wijze waarop de slaven bevrijd moesten worden: sommigen eisten de onmiddellijke bevrijding van de zwarten; anderen wilden een geleidelijke oplossing. Nog anderen bepleitten de onmiddellijke emancipatie die dan geleidelijk zou gerealiseerd worden. Een groep mensen kon zich verzoenen met een geleidelijke emancipatie, maar eiste dat er meteen mee begonnen werd. Radicale abolitionisten vonden dat de bestaande grondwet door een andere vervangen moest worden, of dat de lidstaten zich anders maar moesten afscheiden. De 'kolonisatoren' hoopten de slavernij te kunnen uitroeien door de zwarten terug naar Afrika over te brengen: met dat doel stichtten zij in 1822 de Afrikaanse kolonie Liberia. De :beweging van de 'free soil' tenslotte had niet zozeer de 'afschaffing van de slavernij op het oog, maar wel de indamming ervan binnen de Zuidelijke staten. Nieuwe ~ partijen, de Liberty Party en de Free Soi! Party, ijverden voor de slavenemancipatie.

De voorstanders

De verdedigers van de slavernij vormden een veel hechter front dan de abolitionisten. Waar hun opvatting niet meteen succes had, beknotten zij de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting, indoctrineerden zij het onderwijs en moedigden zij opruiende acties van het gepeupel aan. Jefferson werd voorgesteld als een onbetrouwbare hervormer en Washington als een goedmenende, maar politiek naïeve man. Daarenboven werd 'bewezen' dat de slavernij haar wortels had in de natuurwet: "De universele wet van de natuur is geweld. Het is door deze wet dat de dieren ondergeschikt zijn aan de mens, en het is dezelfde wet die de relaties tussen de mensen beheerst" , zo schreef Thomas Cooper. En de alom gerespecteerde senator John C. Calhoun voegde eraan toe: "Een vrije samenleving is op lange termijn onleefbaar. Slavernij is de meest veilige en meest stabiele basis voor vrije instellingen in de wereld." Daarbij werd de 'gedemoraliseerde, opstandige' want 'vrije' maatschappij van het Noorden vergeleken met de 'harmonie, eenheid en stabiliteit' van de slavenhoudende staten. In het Zuiden vond je geen verhongerde armen, geen loonslaven, geen gemeenschappen gebaseerd op vrije liefde zoals in het 'decadente' Noorden. De superioriteit van de maatschappij van het Zuiden, die op slavernij steunde, was dus wel zonneklaar... Dat de zwarten de 'bescherming' van hun meesters niet op prijs stelden, bewees dat zij niet intelligent waren. Daarenboven was de slavernij noodzakelijk voor de economie van de Zuidelijke staten, en zelfs voor de wereldeconomie.

In 'Cotton is King' (1860) redeneerde David Christy: de katoenteelt steunt op slavenarbeid; de wereldeconomie steunt op katoen; dus steunt de wereldeconomie op slavenarbeid.John C. Calhoun geloofde niet in natuurlijke, onvervreemdbare rechten op vrijheid en gelijkheid. De mensen genieten enkel die rechten, die de maatschappij hun verleent. Calhoun verwees ook naar de 'Nullification Doctrine' . De grondwet steunde op de instemming van de lidstaten: die instemming kon ook ingetrokken worden, als de federale regering het gezag van de lidstaten met de voeten trad of de belangen van hun burgers schade toebracht. Het probleem van de slavernij werd dus weer gekoppeld aan de vraag naar de soevereiniteit van de lidstaten.

Zie verder deel 6 B Deel 6 b Van Britse kolonie tot de Verenigde Staten