We hebben 406 gasten online

Inleiding De Nieuwe Wereld in het Westen.

Gepost in V.S.

Inleiding

 

Niemand weet wanneer de eerste bewoners zich in Amerika vestigden. Schattingen lopen uiteen van 10.000 tot 70.000 jaar geleden. Wat wel zeker is, is dat ze uit Azië kwamen, in een periode waarin de twee continenten door een 1600 km brede landengte met elkaar verbonden waren. Daardoor is het niet uitgesloten dat de eerste Ame­rikanen niet via de Beringstraat vanuit Siberië naar Alaska overstaken - wat vaak wordt gesuggereerd — maar op een veel zuidelijker gelegen punt. Ze volgden ongetwijfeld voedselbronnen - vogels, vee en in ieder geval vis in rivieren en meren.

In de 10.000 jaar na hun aankomst verspreidden de nieuwe bewoners zich verbazingwekkend snel over het gebied dat nu Canada en de Verenigde Sta­ten vormt - via de westkust en vervolgens over de Centrol Plains naar de oostkust en het zuiden. Rond deze tijd waren ze allemaal jager-verzamelaars. Ze leefden van noten, bessen, wortels, fruit, vis en de dieren die ze konden vangen. Ze hadden geen paar­den, maar wel honden. Kleinere dieren doodden ze met pijl en boog en met speren. Grotere prooidieren - met name bizons- werden vaak in speciaal gegra­ven kuilen gevangen of over de rotsen heen gejaagd.

indianenstammen noord amerika 2

De manier om de tijd in te delen was uiteraard geheel anders dan in Europa, hoewel de Creek in het zuidoosten van de Verenigde Staten het jaar grofweg in 12 maanden indeelden en een zomer en een winter onderscheidden. Het jaar begon met de graanoogst in de maand Grote warmte (augus­tus), gevolgd door Kleine kastanje, Grote kastanje, Vorst, Grote Winter (december), Kleine winter, Wind, Kleine lente, Grote lente, Moerbei, Zwarte bes en Kleine warmte (juli).

Rond het jaar 1000 was vrijwel het gehele continent bewoond. Er kwamen zeker zo veel verschillende culturen voor als in Europa, die grofweg zijn in te delen op basis van drie of vier verschillende manieren van leven.

De Kiowa, Comanche, Cheyenne en Crow in de zuidelijke, noordelijke en centrale vlakten leefden vrijwel geheel van de jacht. De grote bizonkuddes voorzagen hen van materiaal voor hun woningen en kleding, van eten en zelfs energie: gedroogde bizonmest werd gebruikt als brandstof voor vuur. Andere stammen - de Sioux, Shawnee en Delawa­re - leefden deels van de jacht, deels van land­bouw. Langs de kust woonden stammen die afhan­kelijk waren van de vangst van zalm en kabeljauwen schaal- en schelpdieren; soms vingen ze een walvis. De stammen in het zuiden, het westen en het stroomgebied van de Mississippi voorzagen in hun onderhoud door landbouw, hoewel ze soms ook knaagdieren vingen en verorberden.

Rond 1300 bestond de bevolking uit zo'n 10 miljoen mensen. De oorspronkelijke Amerikaan­se bevolking heeft weliswaar nooit te maken gehad met ziekten en plagen die Europa teisterden (althans, tot de komst van de Europeanen), maar waarschijnlijk is hun aantal nooit boven die 10 mil­joen uitgekomen. Elke stam had namelijk een groot gebied nodig om te kunnen overleven. Rond 1500 leefden vrijwel alle Amerikanen van de landbouw. De vroege landbouwmethoden waren simpel. Stammen die in de bossen leefden in wat nu het noordelijk deel van de VS vormt hanteerden de kap­ en brandmethode om land vrij te maken: in de herfst sneden zij een stuk van de schors van de bomen af, waardoor de bomen in de daaropvolgen­de lente dood waren. Ongeveer een jaar later ver­brandden ze het dode hout, zodat het land geleide­lijk aan geschikt werd gemaakt voor landbouw. De belangrijkste gewassen waren bonen en aardappels

- een menu dat werd aangevuld met wilde noten en bessen, en zo nu en dan met een wild zwijn, een hert of een trekduif. Dit dier werd later uitgeroeid door de Europeanen, maar tot die tijd vlogen er in New England honderdduizenden rond.

Stammen in het zuiden verbouwden hoofdza­kelijk mais en pompoenen, twee gewassen die oorspronkelijk uit Mexico kwamen. De Natchez uit het stroomgebied van de Mississippi verbouwden al maïs kort na 800 n. Chr. en waren 2000 jaar eer­der samen met de Hohokam, de Anasazi en de Mogollon uit Mexico naar deze streken geëmi­greerd.

 

De Anasazi waren wellicht de meest geavanceerde stam. Ze vestigden zich in de buurt van de Tour Corners', het gebied waar de huidige staten Arizona, Utah, Colorado en New Mexico samenkomen. Ze waren de voorouders van de Pueblo-stammen, die we het beste kennen van hun meer verdiepingen tellende huizen, waarin verscheidene families konden wonen.

Naast de introductie van maïs was bij alle stammen handel de belangrijkste oorzaak van ver­anderingen. Handelaars uit Mexico bezochten regelmatig de meer noordelijk levende stammen. Ze verkochten decoratieve en luxeartikelen: kope­ren klokken en sieraden, edelstenen, decoratieve schelpen en felgekleurde ara's. In het zuidwesten kwamen ze tot aan Colorado. Onderweg deden ze onder meer de Anasazi-steden in de Chaco Can­yon en Aztec (géén Aztekenstad), Salmon, de Can­yon de Chelly en de Mesa Verde aan.

Maar maïs veranderde het leven van de oor­spronkelijke Amerikanen radicaal. In de 11 en 12e eeuw was maïs via de oevers van de Mississippi in Arkansas en Oklahoma terechtgekomen. Verder werd het verbouwd in Tennessee, South Carolina en Florida. Maïs was de Ohio River overgestoken en verspreidde zich noordwaarts, zo ver het kli­maat dat toeliet. Zelfs de Huron in zuidelijk Ohio werden maïsverbouwers.

Rond deze tijd was er minimaal één grote stad in Amerika: Cahokia, niet ver van het huidige St. Louis. Het is niet bekend hoe groot de stad precies was, maar voorzichtige schattingen houden het op zo'n 20.000 inwoners die binnen een palissade woonden - een inwoneraantal dat overeenkomt met het Londen van die tijd. Er werd volop handel gedreven, de stad produceerde voldoende voedsel, er was kennis van astronomie en irrigatie en er werden tal van producten vervaardigd, van potten en pannen tot sieraden.

Net zoals niemand met zekerheid kan zeggen wanneer de eerste Aziaten in Amerika aankwamen, zo kan ook niemand met zekerheid zeggen wan­neer Europeanen in Amerika voor het eerst voet aan wal zetten. Waarschijnlijk zijn Vikingen uit Noorwegen, Zweden of Denemarken (of uit alle drie die gebieden) aan het begin van de 11e eeuw op de oostkust geland. Hier zagen ze 'zelf inge­zaaide tarwevelden en wilde druiven, waar uitste­kende wijn van gemaakt kan worden'. Het land werd Vinland genoemd. Wellicht ging het om Nova Scotia, hoewel het zeer lang geleden is dat er zo noordelijk wijndruiven verbouwd konden worden.

In ieder geval gingen op 12 oktober 1492 de Santo Maria (100 ton en 25 meter lang), de Nina en de Pincta voor het eiland San Salvador voor anker. De commandant van de expeditie was Christoffel Columbus, die de komende weken besteedde aan het verkennen van Haïti en Cuba. Hij vond kruiden, katoen, bijzondere vogelsoorten en mensen met een 'koperkleurige huid In werkelijkheid zocht hij naar goud. Hij kreeg te horen dat het er in overvloed was- landinwaarts, in westelijke richting, maar ook verder weg, in het noorden. Het lot van de vroege Noord-Amerikaanse beschaving was bezegeld.

De Hopewell leefden in de vallei van de Illinois en Ohio rivier. Ze verbouwden maìs, pompoenen, boenen en tabak. Ze weefden textiel met draden van zachte schors en versierden hun kleding met zoetwaterparels en ornamenten uit koper en mica. Ze handelden en reisden - in westelijke richting naar de Rockey Mountains, in zuidelijke richting naar de golf van Mexico - op zoek naar het gewaardeerde obsidiaan, dat gespleten kon worden om er vlijmscherpe werktuigen en wapens mee te maken.

De Hopewell wierpen ook heuvels op. Deze heuvels lijken erg op de 'mottes, simpele, conisch gevormde aarden heuvels die in de 11e en 12e eeuw in Europa werden opgeworpen om er kastelen op te bouwen. De indiaanse heuvels waren zo'n 10 meter hoog en werden gebruikt als grafkamer. Later maakten dew Hopewell steeds grotere heuvels, soms in de vorm van een vogel en dan weer in d evorm van een ander dier. Die werden zeer waarschijnlijk voor religieuze doeleinden gebruikt en dienden in die gevallen als plek van samenkomst.

Er leefden echter nog meer heuvelbouwers in Noord-Amerika. Op de plek van de oude stad Cahokia, niet ver van het huidige St. Louis, liggen de overblijfselen van 19 platte heuvels; ze hebben de vorm van een platform en zijn groter dan de andere. De grootste was Monks Mound. Tegen­woordig, na enkele honderden jaren van erosie, is Monks Mound nog 30 m hoog en bestrijkt ze een oppervlakte van zo'n 2 voetbalvelden. In zuidelijk Ohio ligt de 350 m lange Great Serpent Mound, in de vorm van een slang die een ei verorbert.

De heuvels markeren een belangrijk moment n de ontwikkeling van de Noord -Amerikaanse cultuur. Ze kunnen namelijk niet zijn gemaakt zonder op grote schaal gecoördineerd werk. Ze weerleggen de theorie - voor het eerst in 1612 geopperd door een Franse jezuïetenpater - dat de oorspronkelijke Noord-Amerikanen 'door het landschap dwaalden en geen vaste verblijfplaats hadden.

castle

Op 21 juli 2004 bracht ik een bezoek aan Montezuma Castle in de buurt van Mesa. Een historisch monument deze rotswoningen van de Sinaqua indianen. De benaming Montuzuma is historisch onjuist maar men dacht dat deze rotswoningen teruggingen tot de Azteken.

Hoe ver deze beschavingen zich ontwikkeld hadden zullen we waarschijnlijk nooit te weten komen. Rond het jaar 1300 - toen Europa de zogeheten kleine ijstijd meemaakte - werd Ame­rika door rampen geteisterd. De Anasazi verlieten de Chaco Canyon en hun zandstenen huizen. Hele gemeenschappen uit het stroomgebied van de Mississippi vluchtten in zuidelijke richting om bescherming te zoeken in Cahokia. Stammen in het zuidwesten en noordoosten waren in onder­linge oorlogen verwikkeld. Er zijn diverse redenen aangevoerd voor deze plotselinge onrust: droogte, overstromingen, en de invasie van stammen uit Alaska en Canada. Wat de reden ook geweest moge zijn, de periode van de heuvelbouwers was vanaf dat moment voorbij.

 

Oorlog was niet de belangrijkste zorg van de oorspronkelijke Amerikanen. Ze hielden zich ook druk met handel bezig; zelfs jagers zagen han­del als een belangrijk onderdeel van hun leven. Kleine groepen troffen elkaar in de zomer op afge­sproken tijdstippen en hielden daar het equivalent van de Europese jaarmarkten: ze wisselden ge­schenken uit, vierden gezamenlijk feest, hielden huwelijksplechtigheden en praatten heel wat af. Bij Dalles langs de Columbia River, 95 km ten oos­ten van het huidige Portland, Oregon, was een per­manente markt. Het hoofdvoedsel van de mensen die hier woonden bestond uit zalm uit de rivier, die verhandeld werd tegen schaal- en schelpdieren, balein, obsidiaan gereedschappen, veren, huiden, manden en planten. Toen de Athabasken (later in Hollywood gepresenteerd als de vileine Apaches) rond 1400 vanuit het noordwesten naar het zui­den trokken, werden ze ingetoomd door de vrede­lievende Pueblo's, van wie ze tuinbouw, weefkunst en het hoeden van vee overnamen.

 

Meestal heerste er vrede in Noord-Amerika. Zo nu en dan waren er tussen de verschillende stammen wel eens schermutselingen, maar over het algemeen onderhielden de landbouwers en jager-verzamelaars goede betrekkingen. In het noordoosten, waar de stammen dichter op elkaar leefden dan elders op het continent, onderhielden de landbouwende Huron goede betrekkingen met de Algonquin, die jagers -verzamelaars waren. Ze dreven onderling handel en ruilden maïs, netten en tabak tegen huiden, gedroogde vis en vlees. In extreem koude winters bood de ene stam wel eens onderdak aan een andere. De Plains-indianen zochen vaak hun toevlucht bij de Pueblo's in het zuidwesten.

De indianen gingen liefdevol met elkaar om. In tegenstelling tot de Azteken in Mexico, die hun kinderen straften door met scherpe voorwerpen in huid (en zelfs hun tong) te krassen, behandelden de Noord-Amerikanen hun kinderen met tederheid. De kinderen kenden een grote vrijheid in spel en werden vriendelijk toegesproken, ook als ze zich misdragen hadden. Als vriendelijke woor­den geen effect sorteerden, goten ouders een kan koud water over de boosdoeners uit.

Aan het eind van de 14e eeuw echter sloten sommige stammen zich aaneen om op die manier hun macht op het strijdveld te versterken. Gedu­rende de 150 jaar hierna nam het aantal oorlogen toe. Er ontstond een sfeer van vijandigheid, met name in het noordoosten - een situatie die voor de latere Europese expedities een ideaal klimaat voor een verdeel en heerstactiek schiep.

Door de komst van de Europeanen werden levenswijzen die reeds duizenden jaren bestaan hadden, vernietigd. Aanvankelijk beperkte de Europese aanwezigheid zich tot Mexico en de Caribische eilanden. In 1494 werden de eerste indianenslaven naar Sevilla in Spanje getranspor­teerd. De pokken bereikte het vasteland in 1520 vanuit Cuba. Een jaar later landde Ponce de Léon in Florida.

Zie verder deel 1 Deel 1 De Nieuwe Wereld in het Westen