We hebben 213 gasten online

Deel 1 De Nieuwe Wereld in het Westen

Gepost in V.S.

1 De oude wereld van de Amerindianen

1492-1550 caribisch gebied

 

Toen Columbus in 1492 op de kusten van Guanaha­ni, Cuba en Haiti landde en in 1498 het vasteland ont­dekte, was hij ervan overtuigd een Nieuwe Wereld te hebben ontsloten. In de overtuiging dat hij in Indië was aanbeland, noemde hij de inlanders Indianen.

In feite bewoonden deze Amerindianen een Oude Wereld. Hoewel zij doorheen de eeuwen verschillende culturen en talen ontwikkeld hebben, wijst hun fysio­nomie duidelijk op een gemeenschappelijke afkomst. Deze mannen en vrouwen met hun donkere ogen, sluik zwart haar, uitstekende jukbeenderen en bruingebrons­de huid behoorden allen tot het Mongoolse ras.

Hoogstwaarschijnlijk bereikten zij vanuit Azië over de Bering-straat en de Aleoeten-eilanden het Amerikaan­se vasteland. De historici vermoeden dat dit omstreeks 11.000 voor onze tijdrekening gebeurd is. De overtocht van de 80 km-brede Straat zou mogelijk geweest zijn, omdat de aarde toen een ijstijd kende.

In Noord-Amerika hebben deze Amerindianen zich langzaam en in kleine groepen zuid- en oostwaarts ver­spreid: vanuit hun thuisland in Azië tot in Vuurland legden zij ongeveer 24.000 km af en ruim 9.600 km tot het huidige New England. Deze onvoorstelbare migratie heeft waarschijnlijk ongeveer 4.000 jaar geduurd.

In de periode van de Europese invasie leefden twaalf miljoen Indianen in Noord-Amerika. Deze roodhuiden waren semi-nomaden: zij leefden vooral van jacht en visvangst, maar in bepaalde streken deden zij toch ook aan landbouw.

Zij brachten een neolithische beschaving mee (het `Neo­lithicum' is de laatste periode van de steentijd, vóór de opkomst van het gebruik van metalen).

"In de voorbije veertig jaar hebben antropologen zeer ernstig onderzoek verricht naar het leven van de Noord­amerikaanse Indianen. Zij hebben een onthutsende ver­scheidenheid in culturen en samenlevingsvormen ont­dekt. Er waren Indiaanse samenlevingen die permanen­te nederzettingen bewoonden en andere die nomaden waren. Sommige waren volledig democratisch, andere hadden heel strikte klassensystemen die op bezit geba­seerd waren. Sommige werden geregeerd door goden, die op draagstoelen werden rondgedragen. Sommige hadden rechtssystemen. Voor sommige was marteling de enige vorm van bestraffing. Sommige leefden in grotten, andere in teepees van bizonhuiden, nog ande­re in hutten. Er waren stammen die geregeerd werden door krijgers of door vrouwen, door vereerde ouder­lingen of door raden, of door geheime broederschappen waarvan de riten en het lidmaatschap onbekend bleven voor de rest van de stam... Er waren stammen die de bizon vereerden of een moedergodheid of de maïs waarvan zij leefden. Er waren stammen die geen weet hadden van oorlogvoeren, maar andere waren onder­mijnd door honderden jaren in conflict te leven. Kor­tom, er bestond een grote verscheidenheid van Indiaan­se naties, die meer dan vijfhonderd talen spraken." (naar Alistair Cooke in `Alistair Cooke's America', Londen, 1973, blzn. 24-25)

 De eerste Europese immigranten zijn vrijwel uitslui­tend in contact gekomen met nomadenstammen. Rui­terstammen als de Apache, de Comanche en de Kiowa zijn opgerukt vanuit het noordwesten en hebben seden­taire stammen als de Sioux uit Dakota opgejaagd en uit hun dorpen verdreven. Bij de vorming van de eerste Amerikaanse koloniën waren er dan ook bijna geen se­dentaire stammen meer. Niet alleen stammentwisten, ook een grote kindersterfte en epidemieën verklaren de geringe omvang van de Indiaanse bevolking.

2 De nieuwe wereld voor de blanken

De voorwaarden tot kolonisatie

Als we de expansie van de Europeanen in de buiten-Europese wereld willen begrijpen, moeten we een dui­delijk inzicht hebben in de grote ontwikkelingen die zich in Europa zelf in de late middeleeuwen hebben afgespeeld.

Vooreerst zijn er een aantal uitvindingen tot stand gekomen die een diepgaande invloed hebben uitgeoe­fend op tal van gebieden van het maatschappelijke le­ven. Sommige - zoals het buskruit en de magneet­naald - waren ontleend aan de Chinezen en de Arabie­ren. De Europeanen beschikten over de creativiteit en het technisch inzicht om ze te perfectioneren of er de bruikbaarheid van te verruimen. Zo hebben de Euro­peanen het buskruit dadelijk gebruikt voor het vervaar­digen van `vuurwapens', Omdat de Europeanen on­overtroffen metaalbewerkers waren, hebben zij op dit stuk een uitzonderlijke deskundigheid ontwikkeld. Zij beschikten voortaan over wapens waarmee zij een groot overwicht hadden op alle volkeren die zij ontmoetten. De verovering van uitgestrekte koloniale rijken is niet denkbaar zonder dit wapentechnologisch overwicht.

Met de magneetnaald hebben de Italianen vrij vlug een betrouwbaar kompas geconstrueerd. Dank zij het kompas waren zij ook in staat portulaankaarten te ont­werpen die de kustlijnen goed aangeven. Snelle, ranke karvelen werden gebouwd en voorzien van het voor­dien onbekende roer. Tegelijkertijd ontwikkelden de Europeanen ook scheepvaarttechnieken: de zeelui leerden de zeilen laveren en reven. Dankzij deze uitvinding was kustvaart achterhaald: volle oceaanvaart was nu mogelijk. Het tijdvak van de grote ontdekkings­reizen kon beginnen.

Het papier is een uitvinding die Europa via de Ara­bieren aan China heeft ontleend. Omstreeks 1440 vond Johann Gutenberg van Mainz dan nog de boekdruk­kunst uit. De combinatie van het papier en de boek­drukkunst verlaagde de kostprijs van de boeken enorm. Boeken - en dus kennis - werden nu verspreid in de bre­de lagen van de Europese bevolking. Hier ligt de basis van de grote wetenschappelijke en technische voor­sprong die de Europeanen hebben genomen op de niet-Europese volkeren.

Zonder gevaar voor overdrijving kan worden be­weerd dat hierin de oorsprong lag voor een ongerem­de expansie van Europa in de wereld. De evolutie in ons Europese continent onderging een opmerkelijke versnelling. Wel dient te worden opgemerkt dat de diep gaande invloed waarvan sprake pas in de 16de eeuw duidelijk merkbaar werd.

Het doel van de kolonisatie

De expansie van Europa in de wereld is niet los te zien van de groeiende Koninklijke macht vanaf de late middeleeuwen. De koningen slaagden erin de omscha­keling van de beperkte plaatselijke naar de internatio­nale geldeconomie in eigen voordeel te gebruiken. Zij hebben enorm geprofiteerd van de periode van econo­mische bloei en welvaart die Europa gekend heeft tus­sen ongeveer 1100 en 1300.

Geld stelde hen in staat er een permanent huurlingenleger op na te houden, dat zij daarenboven konden uit­rusten met vuurwapens. Zo waren de koningen in staat de territoriale eenmaking van hun koninkrijken te ver­wezenlijken. Tegelijkertijd hebben de Europese vorsten ernaar gestreefd hun eenheidsstaten vanuit een hoofd­stad te besturen, hierbij geholpen door een centrale ad­ministratie van bekwame ambtenaren.

De Europese vorsten hadden een enorme behoefte aan geld om hun machtspositie te handhaven of ver­der uit te bouwen. Hun hoofdbekommernis was dus: over voldoende geldmiddelen te beschikken. Hoe heb­ben ze geprobeerd dit te verwezenlijken?

In de eerste plaats door koloniën te veroveren en in een eerste sta­dium zoveel mogelijk te plunderen, vooral gouden en zilveren voorwerpen en specerijen.

In zijn beroemde aanklacht tegen het Spaanse koloni­ale beleid in de Amerikaanse koloniën schreef de do­minicaan de las Casas: "Ze hebben geen andere god dan goud gekend". Dit was niet louter een verwijt aan het adres van de veroveraars (Conquistadores), maar ook van de Spaanse en Portugese vorsten en regerin­gen. Om de exploitatie van de koloniën zo goed moge­lijk te organiseren en de economische relaties met de koloniën zo goed mogelijk te controleren, werd een in­gewikkelde koloniale administratie uitgebouwd.

Op langere termijn is dit beleid uitgelopen op een fiasco. De vlotte toevoer van enorme hoeveelheden ede­le metalen was immers maar mogelijk, als de Iberische staten erin slaagden de hegemonie over de oceanen in handen te houden. Dit vergde een militaire inspanning die hun krachten te boven ging. Daarenboven zat de concurrentie niet stil: aanvankelijk werd de hegemo­nie van de Iberische staten ondergraven door een in­tense smokkelhandel en door een succesvolle kaapvaart. Uiteindelijk stortte hun zeemacht in elkaar onder de mokerslagen van Hollanders en Engelsen. Het einde van hun zeemacht betekende meteen ook het einde van de vooraanstaande rol van Spanje en Portugal als ko­loniale wereldmachten. Bedenken we ook dat beide lan­den zich zozeer hadden verkeken op de rijkdommen uit de koloniën, dat zij het hadden verwaarloosd het economische leven in eigen land op peil te houden.

De koningen van de concurrerende Europese staten hebben hun les geleerd uit dit fiasco van Spanje en Por­tugal. De directe winning van edel metaal als methode om aan hun bestendige behoefte aan geld te voldoen, verloor in hun ogen zijn aantrekkingskracht. Ze ver­wachtten voortaan wonderen van een andere metho­de: het tot stand brengen van een gunstige handelsbalans, of het mercantilisme.

Elke regering hoopte de nodige gelden in het land te krijgen en te houden door meer te verkopen dan te ko­pen, dus door meer uit te voeren dan in te voeren. Om dit doel te bereiken pasten zij een vernuftige tolpoli­tiek toe. De grondstoffen waarover een land beschik­te, moesten ter beschikking blijven van de eigen nijverheid: door hoge tollen of uitvoerverboden pro­beerde men de export ervan te beperken of onmoge­lijk te maken. De import van vreemde grondstoffen kon vrij, zonder tolheffing, gebeuren.

Indien de eigen nijverheid buitenlandse afzetmarkten wou veroveren, mochten haar produkten niet te duur zijn. De eigen nijverheidsproducten konden dus vrij van tol worden uitgevoerd. De nationale afzetmarkt werd voor de eigen industrie voorbehouden door hoge tollen te heffen op de invoer van afgewerkte producten van de Europese concurrerende landen.

Voor de mercantilisten was de machtspositie van de ei­gen staat hoofdzaak. Die machtspositie was afhanke­lijk van de beschikbare geldhoeveelheid. Geld verdiende men dank zij een bloeiende economie. De bloei van het economische leven was dan weer afhankelijk van de buitenlandse handel, het overwicht dus van de export op de import. Op die manier werd de scherpe machtsstrijd die tussen de Europese staten bestond ook in de economie voelbaar.

Deze Europese ontwikkeling is van erg grote bete­kenis geweest voor de wereld-buiten-Europa. Het ligt immers voor de hand dat de Europese vorsten, die zich omringden door mercantilistische raadgevers en mi­nisters, erg geïnteresseerd waren in koloniale expansie. Volgens de opvattingen van de mercantilisten had het economische leven van een land immers een grote be­hoefte aan goedkope grondstoffen én aan ruime afzet­gebieden voor de afgewerkte producten van de eigen nijverheid. Hoe kon men beide behoeften beter voldoen dan door de verovering van koloniën?

De kolonisatie werd dan ook voortgezet en de riva­liteiten tussen de Europese staten leidden ook in de we­reld buiten Europa tot bloedige conflicten, waarvan vooral de inlanders het slachtoffer werden. Die hele confrontatiesfeer op het economische vlak komt bij­zonder goed tot uiting in het koloniale pact dat in de 17de en 18de eeuw algemeen op de koloniën werd toe­gepast. Dit pact bepaalde dat de koloniën hun grondstoffen niet zelf mochten verwerken, maar ze aan het moederland moesten leveren. De kolonies moesten de afgewerkte producten daarentegen in het moeder­land aankopen of door tussenkomst van het moeder­land invoeren. De belangen van het moederland hadden dus voorrang op de behoeften van de koloniale samen­levingen en de economische relaties met de kolonies wa­ren het monopolie van het moederland.

Omdat het mercantilisme leerde dat men zoveel mogelijk zelf in handen moest houden om zo weinig mogelijk geld te moeten uitgeven voor producten of diensten van buitenlanders, hebben Europese vorsten er naar gestreefd de zeehandel en het zeetransport in de mate van het mogelijke te laten verlopen op schepen onder eigen vlag. Mercantilisme betekende dus niet alleen koloniale expansie, maar ook maritieme expansie. De meest bekende maatregel in dit verband was ongetwijfeld de Act of Navigation die in 1651 in Groot-Brittannië door Oliver Cromwell uitgevaardigd werd.

Cromwell

Olivier Cromwell

Deze Act bepaalde:

"dat geen goederen of koopwaar uit Azië, Afrika en Amerika zullen worden ingevoerd in deze Republiek van Engeland tenzij op schepen die toebehoren aan het volk van deze Republiek... dat goederen of koopwaar uit Europa ingevoerd mogen worden op schepen die toebehoren aan het volk van deze Republiek of op sche­pen die toebehoren aan het volk van de landen, waar die goederen vandaan komen."

Deze Act stimuleerde scheepsbouw op grote schaal. Het is niet overdreven te beweren dat Cromwells Navigati­on Act aan de basis lag van Engelands onbetwistbare suprematie over de vijf oceanen in de 18de eeuw! De Act werd meteen het fundament voor een koloniaal im­perium dat de hele aarde omspande.

Het hoeft dus geenszins te verwonderen dat de ont­dekkingsreizen met nog meer ijver werden georgani­seerd en dat de kolonisatie van pas ontdekte gebieden onverminderd werd voortgezet.

Aan het einde van de l6de en het begin van de 17de eeuw was ongeveer 49 % van de aarde en 32 % van de landoppervlakte gekend. Tweehonderd jaar later - omstreeks 1800 - kenden de Europeanen ongeveer 83 % van de aarde en 60 % van de landoppervlakte.

Europese rivaliteiten in Noord-Amerika

Amerka ca 1500 voor de europese expantie

Amerika ca 1500 voor de Europese expansie

Noord-Amerika was tot omstreeks 1750 het koloni­satiejachtveld van voornamelijk drie Europese mogend­heden: Spanje, Engeland en Frankrijk.

Europese nederzettingen 1526-1642

In 1521 bereikten de Spanjaarden South Carolina en al in 1525 drongen zij door tot Nieuw-Schotland en Vir­ginia, waaruit zij zich evenwel vrij vlug hebben terug­getrokken. Zo maakten zij de weg vrij voor de Franse, Engelse en Hollandse kolonisatie van de gebieden ten noorden van Mexico. In 1750 zwaaide Spanje nog wel de scepter over Oost- en West-Florida, maar haar aan­zien als koloniale mogendheid was toen toch al flink aan het tanen.

De Franse invloed in Noord-Amerika was heel wat belangrijker. Al in de jaren 1534-1536 had Cartier tij­dens twee reizen de kusten van New Foundland en New Brunswick verkend en was hij de St. Lawrence opge­varen tot op de plaats waar later Montreal (1642) zou worden gesticht. De echte Franse kolonisatie begon evenwel eerst met de stichting van Quebec in 1608.

De verkenning en de kolonisatie van het Mississippi-gebied is het werk geweest van Cavalier de la Salle, die het onmetelijke Louisiana voor Frankrijk in bezit nam. La Nouvelle-Orléans - New Orleans - de zuidelijkste punt van de Franse expansie, werd in 1718 gesticht. Ter verdediging van hun gebieden hebben de Fransen een heel fortensysteem uitgebouwd, dat niet alleen tegen de Indianen, maar vooral ook tegen de Engelsen be­doeld was. La Nouvelle-France werd opgedeeld in heer­lijkheden, die door gouverneurs werden bestuurd.

De Fransen hebben hun kolonies toch vooral als iets bijkomstige beschouwd. Het bereiken in Europa van de Rijn als noordoostelijke natuurlijke grens vonden zij zoveel belangrijker dan de organisatie, de militaire uitrusting en vooral de bevolking van hun koloniën. De emigratie naar de koloniën werd dus verwaarloosd.

Van bevolkingskolonisatie was geen sprake. Circa 1750 hadden maar 80.000 Fransen zich in Noord-Amerika gevestigd, terwijl de Engelsen in een veel kleiner gebied een bevolking van ongeveer 1 miljoen inwoners hadden.

In de Engelse koloniën, gelegen tussen het Allegha­ny gebergte en de Atlantische Oceaan en langgerekt langsheen de kust, groeide de bevolking bestendig aan. De oorsprong van deze kolonisatie is terug te voeren tot een initiatief van sir Walter Raleigh, een gunsteling van de Engelse koningin Elisabeth, die in 1587 een eerste expeditie uitzond om een Engelse kolonie op de Amerikaanse Oostkust te gaan vestigen: toen ontstond een nederzetting op het eiland Roanoke, ter hoogte van het huidige North Carolina. Negenennegentig mannen en zeventien vrouwen waren meegereisd. Het gebied dat de Engelse Kroon wilde koloniseren werd naar de on­gehuwd gebleven koningin Elisabeth genoemd. In 1607 zetten drie kleine schepen er een honderdtal Engelse ko­lonisten aan wal in Chesapeake Bay. Zij stichtten er Jamestown, genoemd ter ere van James 1, die Elisa­beth was opgevolgd op de Engelse troon.

Het onverzoenlijke anglicanisme van deze Engelse ko­ning zette een kleine groep van 102 personen ertoe aan te emigreren. Eerst zochten deze mensen hun toevlucht in Holland. Op 6 september 1620 verlieten zij met het schip de Mayflower de haven van Southampton. Op 21 november landden zij ten noorden van Virginia, ter hoogte van Kaap Cod, Massachusetts. Deze Pilgrim Fa­thers vormden een bevolkingskern die van jaar tot jaar aangroeide. Rooms-katholieken stichtten in 1632 Ma­ryland.

1606-1620 english land grants

In 1620 hadden de Engelsen dus maar twee kleine ne­derzettingen in Amerika, nl. Jamestown en Plymouth, dat door de Pilgrim Fathers gesticht werd. Toch maak­ten zij aanspraak op het hele gebied van Newfound­land tot Florida, maar ze waren oorspronkelijk te zwak om hun pretenties kracht bij te zetten. Europese emi­granten van tal van andere nationaliteiten doken op aan de Noordamerikaanse kust: Hollanders stichtten in 1623 Nieuw-Amsterdam, het huidige New York, als centrum van Nieuw-Nederland.

nieuw nederland_and_nya zweden ca 1650

 

De Zweedse Westin­dische Compagnie stichtte Nieuw-Zweden aan de Delaware-rivier. In 1655 veroverden de Hollanders Fort Christina: Nieuw-Zweden hield meteen op te bestaan. Ook de Duitsers lieten zich niet onbetuigd.

1621-1682 english land grants

De Engelsen hebben hun Europese rivalen in Noord-Amerika evenwel één voor één kunnen uitschakelen. Nieuw-Nederland - een gebied dat New York, New Jer­sey en Delaware omvatte en sinds 1616 Nederlands was - werd door het Verdrag van Westminster van 1667 En­gels. South Carolina en Rupertsland werden in 1670 door de Engelsen bezet. In 1682 stichtte William Penn Philadelphia en de Quakerkolonie Pennsylvania. Toen restte nog enkel Frankrijk als een niet te onderschat­ten rivaal op het Noordamerikaanse continent... !

Zie voor Deel 2 Deel 2 De Nieuwe Wereld in het Westen