We hebben 229 gasten online

Deel 2 De Nieuwe Wereld in het Westen

Gepost in V.S.

Engelands `Nieuwe Wereld'

De motieven voor kolonisatie

Vorst en regering lieten zich in de eerste plaats door politieke motieven leiden. Ongetwijfeld was de hoop nog groot dat deze kolonisatie zou leiden tot de ont­dekking van goud en zilver, en dit zou de macht van Engeland ten goede komen. Een even belangrijk mo­tief was het streven om de invloed van Spanje op het Amerikaanse continent te ondergraven. Voor tal van `gentlemen' uit de `upperclass' was de kolonisatie daar­enboven een middel om hun zucht naar avontuur, eer en roem te bevredigen.

De vele naamlozen die het avontuur van de emigra­tie naar de `Nieuwe Wereld' waagden, voelden zich hiertoe als het ware gedwongen door heel andere mo­tieven. De 17de eeuw was immers een tijd van crisis, die de levenslust, het gevoel en de wil van de mensen echt aantastte. In West-Europa beleefden de mensen een bijzonder langgerekte depressie. In de landbouw­maatschappij van toen daalden de graanprijzen, was er weinig ontginningsactiviteit in een periode van aan­groeiende bevolking, waren er nauwelijks vernieuwin­gen in de landbouwtechniek te noteren. Het belang van de veeteelt nam toe: veel bouwland werd omgezet in grasland voor schapenteelt. Deze verandering heeft zich in Engeland in een snel tempo voltrokken. Gabriel Plat­tes (gestorven in 1644) roemde de streek van Leicesternog als het beste graanland van Europa. Omstreeks 1724 beschreef Daniël Defoe Leicestershire als een ge­bied, waar uitsluitend aan veeteelt werd gedaan! Het land werd ontvolkt, omdat veeteelt veel rendabeler was voor de grootgrondbezitters, zodat er voor de pachters geen werk meer was. Emigratie naar Amerika was vaak de laatste kans om aan een ellendig leven te ontsnap­pen. Gegoeden zagen in deze emigratie naar Amerika een veiligheidsklep waarmee het land van onruststokers bevrijd werd.

De 16de en 17de eeuw waren ook een tijd van verre­gaande godsdienstige onverdraagzaamheid. De Angli­caanse High Church stelde zich onverzoenlijk op ten opzichte van alle dissenters, d.w.z. zij die in hun ge­loofsbeleving afweken van de meerderheid. Separa­tisten, radicalen, puriteinen, Quakers en andere 'dis­senters' zagen niet zelden in emigratie naar Amerika de oplossing van hun problemen.

Tenslotte mag niet vergeten worden dat de textielin­dustrie in Engeland een enorme expansie kende, die ook de buitenlandse handel sterk stimuleerde.

Fortuinen werden gevormd. De ondernemers-groot­handelaars zagen uit naar interessante investeringsmo­gelijkheden en hoopten hun kapitalen te doen rende­ren in de koloniale ondernemingen. Omdat zij hadden geleerd om sluw en voorzichtig te zijn, waren zij niet bereid een groot risico te lopen door als enkelingen ex­pedities te financieren. Zij gaven er dan ook de voor­keur aan joint-stock companies op te richten, d.w.z. maatschappijen op aandelen. Zo konden zij winst en verlies delen in verhouding tot de aandelen die zij be­zaten, en slaagden zij erin het risico te beperken. Meestal probeerden zij van de vorst een `koninklijk charter' te krijgen, dat hun het recht verleende een ge­bied in Noord-Amerika tot ontwikkeling te brengen.

De Engelse koloniën

De Engelse koloniën in Noord-Amerika vertoonden een grote verscheidenheid. Compagniekoloniën zoals Massachusetts kwamen tot stand op initiatief van `joint-stock companies' (de voorlopers van onze naam­loze vennootschappen). Daarnaast waren er Kroonko­loniën en eigenaarskoloniën.

Ten onrechte wordt beweerd dat de koloniale maat­schappij in Amerika geen Ancien Régime heeft gekend: de instellingen die er werden ingevoerd, waren immers analoog aan die van Europa. De politieke evolutie was er tot het midden van de 18de eeuw te vergelijken met de Europese ontwikkeling. De verschillen met Europa waren ook al miniem, omdat alleen de blanke bevol­king invloed uitoefende op de politieke en sociaal-economische evolutie. Tot diep in de 19de eeuw namen de kleurlingen immers alleen maar passief deel aan de­ze ontwikkeling.

De bevolking van de Engelse koloniën heeft even­wel erg vroeg een deelname in het bestuur verworven. Al in 1619 werd in Virginia een koloniaal parlement gevormd. Een verklaring hiervoor ligt in het feit dat ook in de politieke ontwikkeling in Europa zelf, Enge­land de andere landen duidelijk voor was. Het was dus niet zo verwonderlijk dat in de Engelse koloniën over­al zelfbestuur bestond en dat het bestuur door het moe­derland er steeds onrechtstreeks was.

Daarenboven speelden ook geografische factoren een rol: de grenzeloze uitgestrektheid, zowel van de Atlan­tische Oceaan als van het grondgebied van de koloniën in Amerika zelf, was een enorme uitdaging voor de En­gelse regering: hoe zou men het bestuur van de kolo­niale gebieden vanuit Londen organiseren?

Tussen het moederland en haar kolonies lag de Atlan­tische Oceaan. Engeland had wel een onbetwistbare heerschappij ter zee uitgebouwd, maar de nauwelijks te schatten afstanden bleven een realiteit en een onmo­gelijk weg te cijferen hinderpaal voor een vlotte uitvoe­ring van bestuurlijke maatregelen die in Londen uitge­vaardigd werden. Van moderne communicatiemidde­len was immers nog geen sprake. Ook in de kolonies in Amerika zelf hadden de koloniale ambtenaren af te rekenen met enorme afstanden.

Zo werd zelfbestuur bevorderd.

Ook de demografische situatie heeft de trend naar zelfbestuur een impuls gegeven. De Engelse kolonies waren in vergelijking met de Franse wel flink bewoond, maar hadden toch nog maar een geringe bevolking, zo­dat de`gewone man' ook meer inspraak kreeg.

Zowel de politieke ontwikkeling in het moederland als de aardrijkskundige en demografische omstandigheden hebben de ontwikkeling van zelfbestuur dus gestimu­leerd. De noordelijke koloniën van New England, die vooral compagniekoloniën waren, waren het vroegst en het meest gedemocratiseerd. In de zuidelijke (meestal eigenaars-) koloniën was dit bestuur in handen van aristocratische grootgrondbezitters; daar was de bevol­king veel minder autonoom. Deze koloniën zijn later evenwel bijna allemaal Kroonkoloniën geworden.

De kolonies van New England

De Pilgrim Fathers in Plymouth

1606-1620 english land grants

In 1608 ontvluchtte een gemeenschap van Pilgrims Engeland om te ontsnappen aan godsdienstige vervol­ging. Zij zocht haar toevlucht in Holland. Deze Pil­grims hadden zich afgescheiden van de Anglicaanse Kerk. De Pilgrims hebben zich in Holland nooit echt thuis gevoeld. In 1619 kregen zij uiteindelijk de toestemming van de London Company of Virginia en van de koning om naar Amerika te emigreren. Daar­enboven bood een groep Londense groothandelaars - ondernemers aan de nodige fondsen ter beschikking te stellen om een nieuwe nederzetting te stichten. De Pil­grims zouden hun `werkkracht' leveren. In september 1620 vertrokken 35 Pilgrims en 66 andere kolonisten vanuit de haven van Plymouth met het schip de `May­flower' naar Virginia. Zij waren de eerste Engelse sett­lers die terwille van hun godsdienst naar Amerika trokken.

De `Mayflower' bereikte Virginia nooit! Op 9 no­vember kregen de reizigers land in zicht in de Cape Cod Bay, ten noorden van het territorium van de London Company. De Pilgrims besloten een document op te stellen dat een basis zou vormen voor de regering van dit gebied. Dit document is bekend gebleven als de Mayflower Compact. De ondertekenaars erkenden in de eerste plaats het gezag van de Engelse koning Ja­mes. Het lag niet in hun bedoeling een nieuwe staat te stichten. Zij beloofden vervolgens "onderdanigheid en gehoorzaamheid" aan de wetten die "zij zouden goed­keuren voor het algemeen welzijn van de kolonie" en aan de bewindvoerders die zij zelf zouden kiezen.

Zij introduceerden dus een democratisch model; niet omdat zij echte democraten waren, maar wel omdat de praktijk in een harde onherbergzame nieuwe wereld hen ertoe verplichtte. Zij waren immers gedwongen met elkaar afspraken te maken over de verdediging van hun gebied, ieders taken enz.

De Pilgrims besloten een nederzetting te vestigen op een plaats die zij Plymouth heetten. Zij waren volko­men van elkaar afhankelijk, maar dit was hun sterk­te: zij beseften dat zij een gemeenschappelijk doel had­den, en dat eenheid een noodzaak was. Bovenal ver­trouwden zij op de Goddelijke Voorzienigheid.

In de onbekende wildernis was dit ook wel nodig. Ziek­te teisterde de uitgeputte groep Pilgrims. De overleven­den waren zeker van honger gestorven als ze niet had­den kunnen rekenen op de hulp van een Indiaan, een zekere Squanto. Hij leerde hun hoe ze maïs moesten planten en wees waar ze konden vissen. De Pilgrims werkten bijzonder hard, zaaiden en konden zich in de herfst verheugen over een geslaagde oogst. In novem­ber 1621 kwamen de settlers bijeen om God hiervoor te danken: dit was de start van de bekende Amerikaan­se traditie van Thanksgiving Day. Toch bleef Plymouth een erg kleine kolonie, waar het leven hard was.

De puriteinen van Massachusetts Bay

Al in 1607 stuurde een andere `joint-stock compa­ny', de Plymouth Company, een groep mensen naar het huidige Maine, maar zonder succes. In 1614 zond de compagnie er dan John Smith op uit om de streek te verkennen.

Hij was de eerste die het gebied New England noem­de. In 1620 schonk de Plymouth Company - nu de Council of New England genoemd - verschillende landstreken weg in de noordelijke regio's, o.m. in het huidige Maine en New Hampshire.

De belangrijkste schenking verleende de Council evenwel aan een groep godsdienstige hervormers. De­ze mensen stonden bijzonder kritisch tegenover de An­glicaanse Kerk. Zij waren geen separatisten zoals de Pilgrims, maar hoopten nog steeds dat ze deze kerk van binnenuit konden hervormen en uitzuiveren: zij wer­den daarom bekend als puriteinen. Zij ondervonden evenwel grote weerstand en werden zelfs vervolgd. Daarom dachten ze eraan naar Amerika te emigreren. Vooraleer gebruik te maken van de vergunning van de Council of New England, kregen de puriteinen van de koning een nieuw charter en stichtten ze de Massachu­setts Bay Company.. Dank zij dit charter zou hun ko­lonie feitelijk genieten van zelfbestuur. De onderneming werd zorgvuldig gepland. De eerste groep emigranten was vrij omvangrijk - ongeveer duizend mensen - en bijzonder goed uitgerust.

 

settlements 1639 southern new england

In 1630 bereikte hun konvooi van elf schepen Mas­sachusetts. De gouverneur van Massachusetts Bay, John Winthrop, vond het niet goed dat het charter al­le politieke macht in handen legde van de aandeelhou­ders van de compagnie. Deze heren wisten immers niets af van de talrijke praktische problemen in een wilder­nis. Naar zijn overtuiging moesten de gewone kolo­nisten een aandeel in het bestuur verwerven. Hij besloot dan nog een honderdtal andere settlers tot burgers te maken, zodat ook zij konden kiezen voor de gouver­neur en voor de wetgevende vergadering (General Court) van de kolonie. Sommigen onder hen waren niet eens lid van de Puriteinse Kerk. Hierin kwam nadien wel verandering: na deze uitbreiding van het aantal stemgerechtigden werden nog enkel leden van de kerk­gemeenschap tot het burgerschap toegelaten. De kerk vormde voortaan het kader voor de politieke organi­satie, die dus terecht theocratisch kan worden genoemd.

Een jaar na hun aankomst hadden de puriteinen al verscheidene gemeenschappen gesticht rond hun hoofd­stad Boston. In een tijdspanne van tien jaar vestigden er zich vijftien- tot twintigduizend mensen. Vrij vlug namen bepaalde gemeenschappen het initiatief om zich elders te gaan vestigen. Zo stichtte Thomas Hooker met zijn gemeenschap de stad Hartford in de vallei van de Connecticut-rivier.

Andere`rivier-steden' ontstonden in deze vallei: zij vormden een gemeenschappelijke re­gering en stelden een geschreven grondwet op, de Fun­damental Orders. Erg verschillend van het systeem van Massachusetts Bay was het niet: alleen konden man­nelijke ingezetenen ook vrije burgers worden, als zij geen lid van de kerkgemeenschap waren. De puriteinen droomden van een hechte geloofsge­meenschap en waren niet bereid afwijkende meningen te dulden.

Terwille van banale meningsverschillen had Thomas Hooker Massachusetts Bay verlaten en was hij naar de Connecticut-vallei uitgeweken. Een andere predikant, Roger Williams, had heel wat vragen over het puriteinse geloof. Hij oordeelde ook dat de regering geen enkele zeggingskracht over geloofszaken kon hebben. Daar­enboven verdedigde hij de stelling dat de kolonisten geen rechten konden doen gelden op het land van Mas­sachusetts zolang zij (of de koning) dit niet hadden ge­kocht van de Indianen. In 1635 deed de`General Court' Williams in de ban. Met enkele vluchtelingen stichtte hij de stad Providence aan Narragansett Bay. In 1644 kreeg hij een charter voor de kolonie van Rhode Island en Providence Plantations.

1621-1682 english land grants

Nauwelijks verlost van Roger Williams werden de puriteinen al onmiddellijk geconfronteerd met kritiek van Anne Hutchinson die in 1634 in Massachusetts was aangekomen. Zij organiseerde vergaderingen over gods­dienstige problemen en verspreidde de mening dat een formele godsdienst, kerkelijkheid en gebed veel min­der belangrijk waren dan het leiden van een heilig le­ven. Ook zonder vormelijkheden kon men best naar de hemel gaan! In 1638 moest Anne Hutchinson voor de rechtbank verschijnen. Ook zij werd verbannen. Met enkele volgelingen kocht zij een eiland van de Narra­gansett Indianen en stichtte er Portsmouth (Rhode Island). In Europa leidden zulke conflicten steeds tot religieuze vervolgingen en zelfs tot moord en doodslag. In Amerika nam men gewoon pak en zak en probeer­de het elders.

De `way of life' in New England

De Pilgrim Fathers zagen in Amerika the land of op­portunity: hun wil om een nieuwe samenleving op te bouwen botste evenwel op grote moeilijkheden.

New England was weinig geschikt voor landbouw. De kustvlakte was er immers ingesloten door een rots­achtige heuvelrij, die niet alleen de scheepvaart en de exploratie naar het westen toe hinderde, maar ook een gemakkelijke winning van grote stukken landbouwland belemmerde. Daarom moesten de New Englanders zich toeleggen op handel en industrie. De rivieren mochten dan minder geschikt zijn voor scheepvaart, ze waren dit wel voor de raderen van de watermolens van de fa­brieken. De kust van New England leende zich ook bij­zonder goed tot de aanleg van havens. Handel. scheepsbouw en scheepvaart, het kon nauwelijks an­ders dan dat de New Englanders stadsbewoners werden.

Deze puriteinen waren Engeland ontvlucht om aan godsdienstige vervolging én armoede te ontsnappen. De jaren van de eerste grote migratie waren immers jaren van scherpe depressie geweest. Dank zij hun inzet, doorzettingsvermogen en zelfdiscipline werden hun ondernemingen een succes.

Zo kwam in New England een zelfbewuste en geërde handelsaristocratie tot stand. Het verwerven van rijkdom werd hier niet gezien als het resultaat van gehaaïdheid en meedogenloosheid, maar integendeel van grote inzet én van uitverkorenheid door God.

Van­uit hun geloof beschouwden zij het als een plicht Gods Schepping grondig te leren kennen. Zij wilden intellec­tueel greep krijgen op hun wereld: vandaar hun groot vetrouwen in studie, intelligentie, vorming en opvoeding

Iedereen moest leren lezen om de bijbelse waar­eid te leren kennen. Al in 1647 werd in Massachusetts een wet uitgevaardigd die de oprichting van openbaar onderwijs voorzag. Elke `town' van 50 of meer gezinnen moest een lagere school inrichten, waarin de kinderen voorbereid werden op het volgen van wat wij 'middelbaar onderwijs' zouden noemen. Hoewel het onderwijs enkel voor jongens was, kwam het erg vaak voor dat vrouwen bij zich aan huis lesgaven aan meis­jes en kleinere kinderen.

In deze dames schools leerden de kinderen niet alleen lezen en schrijven, maar ook handvaardigheden (brei­en, naaien, borduren...). Dank zij deze initiatieven was de alfabetiseringsgraad vrij hoog, zeker in de steden. Aan de`frontier' was dit uiteraard wel anders... In an­dere kolonies in New England was de situatie verge­lijkbaar met die in Massachusetts. In de`koloniën van-het-Midden' lag het initiatief dikwijls bij religieu­ze gemeenschappen. In de kolonies van het Zuiden zorgden de planters voor privé-onderricht voor hun kin­deren. De kinderen van de lagere sociale bevolkingsla­gen genoten er weinig of geen onderricht.

New England was sterk op de zee en op scheepvaart ingesteld. Al in 1631 werd in Massachusetts een zee­waardig schip, 'The Blessing of the Bay', te water ge­laten. Scheepsbouw werd één van de belangrijkste nijverheden van New England.

De welvaart steunde er ook steeds meer op de driehoekshandel, die de Atlan­tische Oceaan overspande. Deze handel - enerzijds tus­sen Europa, Afrika en Amerika; anderzijds tussen Amerika, Afrika en de`West Indies' - was de concrete illustratie van het feit dat koloniale expansie en mari­tieme expansie hand in hand gingen. Vooral rum en sla­ven werden er verhandeld. Al in de 17de eeuw is Boston dan ook uitgegroeid tot de belangrijkste zeehaven van de Amerikaanse Oostkust. De stad werd de hoofdstad van Engeland in Amerika.

Hoe hard het bestaan in koloniaal Amerika ook ge­weest is, voor deze generaties die zich de levensomstan­digheden in Europa nog goed herinnerden, was elke kolonie 'a land of opportunity', een nieuwe thuis met grote toekomstmogelijkheden. Amerika was een uit­gestrekt land met een erg kleine bevolking. Er was enorm veel werk en er waren relatief weinig mensen om dat uit te voeren.Er was veel grond beschikbaar, maar zonder voldoen­de arbeidskracht was die niets waard. Hoge lonen in combinatie met goedkope grond: daardoor hadden de meeste Amerikanen grond in eigendom.

In Massachusetts en in de andere koloniën van New England bestond de gewoonte om uitgebreide gebieden te schenken aan groepen settlers die nieuwe 'towns' wil­den stichten. Deze mensen kregen dan zoveel grond als ze meenden te kunnen bewerken en die werd dan verdeeld onder de verschillende familie

De rest van zo'n gebied bleef eigendom van de`town'. Naarmate de`town' aangroeide, werden delen van dit gemeenschap­pelijk land toegewezen aan de nieuwkomers, zodat ze een eigen farm konden opzetten. Sommige ware pio­niers gaven er de voorkeur aan westwaarts te trekken en zich te vestigen aan de rand van het gekoloniseerde gebied, de zogenaamde frontier. Ze bebouwden een stuk woeste grond en bouwden een blokhut. Deze pio­niers noemde men squatters. Wanneer anderen de grens van hun gebied kwamen bewonen, hadden ze gewoon­lijk voldoende geld gespaard om naar recht en wet de eigendomstitel te verwerven van de grond die ze tot dan beploegd hadden. Soms verkochten ze hun gronden aan de nieuwkomers en trokken ze zelf weer westwaarts. De `farms' waren ook autarchieën: de landbouw was afgestemd op zelfvoorziening: de oogsten moesten de eigen gezinnen of families kunnen voeden. Het 'boe­ren' was dan ook een gemeenschapszaak: ieder lid van het gezin had een welomschreven taak; het overleven van de kleine gemeenschap was afhankelijk van de re­gelmaat en de ernst waarmee ieder lid zijn werk uit­voerde. De mannen bebouwden de akkers en waren verantwoordelijk voor het vee. De vrouwen stonden in voor het huishouden. Zij maakten ook zelf gebruiks­voorwerpen en kleding. Ook de kinderen moesten hard werken: de geboorte van een kind werd ervaren als een`gave Gods', het werk zou later immers over meer han­den verdeeld kunnen worden.

In het algemeen was de voedselvoorziening geen pro­bleem: er waren gronden in overvloed, en de wouden en rivieren zaten vol wild en vis. Maar zoals elke land­bouwmaatschappij in de pre-industriële tijd was een misoogst ook in de Amerikaanse koloniën een echte ramp voor de bevolking. Vooral de stadsbewoners, die voor hun voeding, kleding enz. op de handel met an­dere koloniën of met Engeland aangewezen waren, had­den het dan moeilijk.

In de maatschappij van New England bestond het­zelfde klassenonderscheid als in Engeland zelf; maar hoewel de sociale verschillen voor iedereen duidelijk waren en ieder `zijn plaats' kende, was de maatschap­pelijke ordening lang niet zo statisch als in het moe­derland. Sociale mobiliteit - de overgang van de ene klasse naar de andere - was in New England wel dege­lijk mogelijk. Allen, behalve de slaven, konden door­dringen in een `hogere klasse'.

Deze eerste generatie puriteinen wou in deze uithoek van de wereld een gemeenschap gelovigen vormen, die hun leven uitbouwden in volledige overeenstemming met hun geloof. Critici, twijfelaars en andersdenken­den werden in de gemeenschap dan ook niet aanvaard. Daar waar onenigheid in Engeland aanleiding gaf tot de vorming van een nieuwe sekte, leidde dit in New England eenvoudig tot de stichting van een nieuwe ko­lonie. De grenzeloze ruimte en de wildernis boden daar­toe de mogelijkheid. De puriteinen voelden zich niet gedwongen binnen de eigen geloofsleer ruimte in te bouwen voor afwijkende inzichten. De puriteinen, uit Engeland gevlucht, werden zo op hun beurt onver­draagzaam voor andersdenkenden.

ctcolony

Inzake macht, welvaart en bevolkingsomvang was Mas­sachusetts Bay de meest vooraanstaande vestiging van New England.

Vijftienduizend settlers behoorden tot het rechtsgebied. Daarenboven leefden er toch nog on­geveer 2.500 mensen in Connecticut Valley, die de lei­ding van de `Bay' vanzelfsprekend vonden. Ook woon­den er nog hooguit drieduizend in New Plymouth, Mai­ne, New Hampshire en Rhode Island samen. Dit bevolkingsoverwicht verschafte Massachusetts meteen ook de grootste politieke zeggingskracht. Dit bleek on­der meer toen de kolonies vormen van samenwerking zochten om zich tegen de Fransen uit het noorden, de Hollanders uit het zuiden en de Indianen te kunnen be­schermen. In 1643 vormden ze de United Colonies of New England waarin Massachusetts de toon aangaf. Deze kolonie weigerde ook de rebellen van Rhode Island tot het samenwerkingsverband toe te laten.

Tenslotte moet beklemtoond worden dat de puritei­nen in New England geen utopische dagdromers wa­ren. Het leven in de wildernis was voor hen heel nieuw en onveilig.Vandaar hun klemtoon op de menselijke en praktische problemen. Zij waren niet in de eerste plaats bezorgd om de doeleinden van de samenleving, maar om zijn organisatie, en hun zorg ging minder uit naar de vraag hoe zij een samenleving goed konden ma­ken dan maar de efficiënte werking van de maatschap­pij. Ook stond hun aandacht voorop om de integriteit en de zelfbeheersing van hun leiders te verzekeren en te voorkomen dat hun regering onderdrukkend zou worden.

De puriteiten dachten na over vragen als:

- Hoe leiders en afgevaardigden kiezen? Hevige me­ningsverschillen ontstonden naar aanleiding van de vraag wie bekwaam was om het bestuur in handen te nemen, en hoe men leiders moest selecteren.

- Hoe kon de politieke macht beperkt worden?

Wie veel macht heeft, wordt immers gemakkelijk in de verleiding gebracht daar misbruik van te maken. Daarom moest elke machtspositie afgebakend en be­perkt worden. De eerste bundeling van de wetgeving van Massachusetts droeg de betekenisvolle titel The Bo­dy of Liberties (1641) en vertaalde het hele wettelijke systeem in termen van `vrijheden', die de leden van de gemeenschap genoten en die beschermd moesten worden.

- Welke federale organisatie was in de praktijk haal­baar? Hoe moest het gezag verdeeld worden tussen de plaatselijke en de centrale instellingen? De omstandig­heden waarin de kolonisten van New England leefden - traditie, geloofsleer en problemen die eigen waren aan de Nieuwe Wereld - verklaren hun aandacht voor prak­tische zaken.

Daarbij was de reflex om de lokale eigenheid te vrij­waren toch wel sterk. Zo waren bijvoorbeeld de gevol­machtigden van de steden wel bereid een uitnodiging van de centrale regering in overweging te nemen om afgevaardigden te sturen die van gedachten kwamen wisselen over het karakter van de unie, maar zij ver­zetten zich kordaat tegen een bevel in die zin!

De puriteinse gemeenschappen van New England hebben duidelijk hun stempel gedrukt op de ontwik­keling van de Amerikaanse cultuur en maatschappij, van de Amerikaanse levenswijze en van het Amerikaan­se politieke leven. Zo is het bijvoorbeeld erg opvallenddat - zeker tot 1960 - het politieke personeel in de V.S. vooral uit de zogenaamde WASP samengesteld way (WASP betekent White Anglo-Saxon Protestants).

Zie voor deel 3: Deel 3 De Nieuwe Wereld in het Westen