We hebben 247 gasten online

Deel 3 De Nieuwe Wereld in het Westen

Gepost in V.S.

De kolonies van het Midden

De stichting van de kolonies

Karel II schreef aan zijn zuster: "Je zult wel verno­men hebben dat wij Nieuw-Amsterdam, dat juist naast New England ligt, ingenomen hebben. Deze plaats is van groot belang voor de handel. Vroeger behoorde ze al bij Engeland, maar geleidelijk hebben de Hollanders onze mensen verdreven en hebben zij er een mooie stad gebouwd, maar wij hebben nu de overhand. Wij heb­ben de stad New York genoemd".

Charles II

Charles II

De inname door de Engelsen gebeurde in 1664: het gebied werd naar de nieuwe eigenaar James, Duke of York (Karels broer. de latere James II) genoemd. De hertog had de con­trole over het hele gebied tussen Connecticut en Maryland. Hij schonk belangrijke brokken aan vrienden. Zo kwam New Jersey - tussen de Delaware en de Hudson - in handen van sir G. Carteret en Lord John Berkelev. Om kolonisten aan te trekken boden Carteret en Ber­keley land aan tegen gunstige voorwaarden. Daaren­boven beloofden zij godsdienstvrijheid en het recht een wetgevende vergadering te verkiezen.

Een andere belangrijke koloniale schenking kwam ten goede aan William Penn, de zoon van een zeegeëerde Engelse admiraal, die bovendien erg welvarend was en zich tijdens zijn studietijd in Oxford bekeerd had tot Quaker. De reacties op de Quakers waren bi - zonder scherp: zij werden dikwijls gevangen gezet, ge­marteld of zelfs opgehangen. Om hen tegen vervolging te beschermen hoopte Penn in Amerika een toevluchts­oord voor hen te vinden. Koning Karel II was de va­der van Penn een bijzonder grote som schuldig. Om zijn schuld te vereffenen, gaf hij in 1681 het hele ge­bied tussen New York en Maryland aan William Pen; hij suggereerde het gebied Pennsylvania te noemen ter ere van diens vader.

pennsylvania 1681-1776

William Penn kwam naar Pennsylvania om er de creatie van Philadelphia, zijn City of Brotherly Love.. te kunnen volgen. Naar het voorbeeld van Roger Williams stond hij er ook op, dat de Delaware-Indianen betaald werden en dat ze door de settlers eerlijk behan­deld werden. William Penn schreef bezielde tractaten over de vruchtbaarheid van de grond en over het ida­le klimaat in Pennsylvania, in de hoop hiermee kolonisten aan te trekken. Hij beloofde ook dat de bevolking een stem zou hebben in de regering van de kolonie en verzekerde dat er godsdienstige verdraagzaamheid zou heersen.

Uit tal van landen kwamen mensen zich in Pennsylvania vestigen. De meesten onder hen waren evenwel Duitsers. Vanaf de start was Pennsylvania een welvarende kolonie. De landbouwers (farmers) zorgden voor overvloedige graanoogsten. Om een haven voor de export van surplus-voorraden te kunnen uitbouwen kreeg Penn in 1682 land aan de Delaware Bay. Deze streek, bekend als Delaware, werd in 1704 een aparte kolonie.

De 'Glorious, Bloodless Revolution' is voor Willi­am Penn het begin van het einde geworden. De unie­ke, onaantastbare positie van Penn als eigenaar van Pennsylvania was immers te danken aan de onvoor­waardelijke steun van de in Engeland en Schotland re­gerende dynastie van de Stuarts. De Glorierijke, Bloedloze Revolutie (1688) stelde een eind aan de regering van deze dynastie, die Engeland sedert 1603 bestuur­de. William III van Oranje en zijn vrouw Mary (oudste dochter van James II) werden maar als vorsten erkend, nadat zij trouw gezworen hadden aan de door het Par­lement opgestelde `Bill of Rights', (1689) een soort grondwet, waarin de scheiding van de drie staatsmach­ten (wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht) en het principe van de volkssoevereiniteit geschreven ston­den. De Lords of Trade in Londen, die het koloniale beleid uitwerkten, hadden al tijdens de regering van de Stuarts met groeiende ergernis tegen Penns machtspo­sitie aangekeken. Daarenboven verweten zij de Qua­kers hun pacifisme in de oorlog tegen Frankrijk die in 1689 was uitgebroken. In 1692 diende Pennsylvania dan ook zijn eerste Koninklijke gouverneur te aanvaarden. De Wetgevende Vergadering in de kolonie zelf weiger­de elke medewerking. Deze obstructie-politiek kende succes: in 1694 was koning William verplicht om Penn eerherstel te geven, op voorwaarde dat hij zelf de ko­lonie zou besturen. Het gezag van William Penn heeft hieronder erg geleden. De Wetgevende Vergadering trok steeds meer macht naar zich toe. In 1701 verliet Penn Pennsylvania en keerde er nooit terug.

Het dagelijkse leven in de kolonies van het Midden

1621-1682 english land grants

De omvangrijkste golf van immigratie naar New England vond plaats in de loop van de 17de eeuw. De bevolking van de kolonies van het Midden daarente­gen begon pas echt aan te groeien vanaf 1700. De men­sen die naar dit deel van Noord-Amerika migreerden kwamen niet alleen uit Engeland, maar ook uit Ierland, Schotland en andere landen van het Europese con­tinent.

De Schotse Ieren waren het talrijkst onder de nieuwe immigranten: ongeveer 250.000 Schotse Ieren kwamen naar deze kolonies, vooral naar Pennsylvania. Zij ver­lieten Noord-Ierland, omdat het beleid van de Engelse regering en van de Anglicaanse Kerk hun economische welstand had vernietigd en hun presbyteriaanse gods­dienst als het ware buiten de wet had gesteld.

De Duitsers vormden de tweede grootste groep immi­granten. Ook zij verlieten hun land terwille van wrede godsdienstoorlogen tussen protestanten en katholieken. Naast de oorlogsellende waren er ook nog misoogsten, die armoede en honger tot gevolg hadden. Pennsylva­nia met zijn vruchtbare grond, zijn lage huurprijzen en zijn verdraagzaamheid, was een ideaal toevluchts­oord voor deze mensen. Tenslotte waren er ook nog Zweedse kolonisten in Delaware en Hollanders in New York. De kolonies van het Midden hadden de meest verscheiden bevolking van heel Noord-Amerika.

In de kolonies van van het Midden ligt zeer vruchtbare landbouwgrond. Landbouw werd dan ook de basis van het economische leven. De landbouwbedrijven van Pennsylvania waren de trots van heel dit gebied. De Duitse boeren exploiteerden de vruchtbare gronden van de Delaware-vallei op een heel commerciële wijze. Hun oogsten waren zo overvloedig, dat zij heel wat tarwe, rogge en maïs konden uitvoeren naar New England en de kolonies van het Zuiden. De gronden van New York waren even vruchtbaar; toch waren de oogsten er veel geringer door het feodale exploitatiesysteem dat de Hol­landers ingevoerd hadden. De grootgrondbezitters ver­deelden er hun land over talloze pachters die dus nooit eigen grond konden bezitten, jaarlijks heel wat pacht­geld en belastingen moesten betalen en dan nog verplicht waren op geregelde tijden het land van hun patroon te helpen bewerken. De immigratie in New York bleef daarom ver beneden die in andere kolonies.

Hollanders voerden in 1619 de eerste zwarten in. Oorspronkelijk werden zij na een paar jaar arbeid in vrijheid gesteld, maar steeds meer bleven zij slaaf. Hoe­wel de slavernij wettelijk bestond in de kolonies van het Midden, was ze toch lang niet zo verspreid als in het Zuiden. De landbouwbedrijven waren hier ook niet zo uitgestrekt. Slaven werkten vooral als huishoude­lijke hulpjes: ze waren meestal een deel van de familie en werden goed behandeld. `Vrije' zwarten waren toch niet zo onafhankelijk als de blanken, anderzijds moesten ze leren leven met een aantal beperkingen: ze mochten zich niet overal vestigen of konden niet elk beroep uitoefenen.

Door de aangroei van de bevolking hebben de kolo­nies van het Midden een westwaartse expansie gekend, die de omvang van de gebieden die voor vestiging be­doeld waren overschreed. In dit achterland kon de land­bouw enkel een zelfvoorzienende functie hebben. Jacht en vruchtenpluk in de bossen moesten de magere oogsten wat aanvullen. In die omstandigheden ontston­den vrij besloten gemeenschappen, waar de mensen geen belastingen betaalden. De settlers van het achterland waren de meest onafhankelijke bevolking van de ko­lonies: zij stonden bijzonder argwanend ten opzichte van de koloniale regeringen, waardoor ze zich niet gesteund voelden. Ze voelden ook dat ze geen politie­ke invloed hadden die vergelijkbaar was met 'die van­ het Oosten'! ... De sociale omstandigheden zijn gelei­delijk erg verbeterd: deze pioniers werden welvarend, maar bleven zich toch even onafhankelijk gedragen. Zij waren vlug geneigd het recht in eigen handen te nemen, zoals ze dat in hun dagelijkse strijd om het bestaan al­tijd hadden moeten doen tegen de Indianen. Een typi­sche uiting van deze onafhankelijke pioniersmentali­teit was het veel voorkomen van individuele wapen­dracht: om het even wie mocht een wapen hebben! Tot vandaag is deze vrijheid in de V.S. een pro­bleem.

De opvattingen van de Quakers

Geen enkele christelijke sekte heeft het geloof in de gelijkheid onder de mensen zo verdedigd als de Qua­kers. De Quakers hechtten ook veel belang aan een

leven in eenvoud, zoals onder andere uit hun kleding en hun taalgebruik bleek. Zij verzetten zich tegen elke vorm van ceremonieel. Verdraagzaamheid was voor hen vanzelfsprekend. Alle mensen waren in wezen goed. Ook verschillen in geloof en overtuiging waren in hun ogen bijkomstig. Hun principiële onbuigzaamheid was met elke poli­tieke activiteit onverzoenbaar: deze ingesteldheid sproot voort uit hun grote bezorgdheid om de zuiver­heid van hun ziel te bewaren. In Europa hadden zij uiteraard niet de kans gehad zich te trainen in de uitoefening van de macht. Deze totaal nieuwe ervaring in Amerika was voor hen een uit­daging.

De Quakers hebben vlug ondervonden dat `leven' volgens bepaalde principes iets heel anders was dan vol­gens de Quaker-beginselen te 'regeren'. Dit bleek on­der meer hieruit dat de Quakers weigerden een eed af te leggen. Hoe konden niet-Quakers evenwel vertrou­wen hebben in overheidspersonen die bij hun ambtsaan­vaarding weigerden een eed af te leggen, in getuigen die tijdens een proces weigerden te zweren dat ze de waarheid zouden zeggen, in rechters die weigerden on­der ede te verklaren dat ze over de naleving van het recht in de samenleving zouden waken?... Door strak vast te houden aan hun principiële afwijzing brachten zij de fundamenten zelf van de rechtsstaat in gevaar en offerden zij het welzijn en zelfs de levens van hun medemensen op aan de zuiverheid van hun eigen geweten.

De Quakers waren ook onverzettelijke pacifisten. Van al hun geloofsopvattingen was dit ongetwijfeld de belangrijkste. Het probleem van oorlog en vrede stel­de zich in de kolonies vaker. Leven of dood stonden hier centraal, zeker voor de pioniers die in het achter­land leefden, en die zowel door de vijandige Fransen als door de Indianen bedreigd werden. De Quaker-kolonie was door haar centrale aardrijkskundige lig­ging van strategisch belang. De relatie met de India­nen, was van bijzondere betekenis. De controle over de rivieren aan de westelijke grens was cruciaal. De beslissingen die de Quakers namen in verband met oorlog en vrede waren dus niet alleen een zaak van le­vensbelang voor Pennsylvania, maar ook voor het hele Britse Imperium.

De eigenlijke vuurproef voor de Quakers kwam van­af het najaar van 1755, toen moordpartijen op grote ­schaal werden aangericht door de Indianen aan de west­grens van Pennsylvania. De trek van de bevolking naar het westen groeide steeds aan en overspoelde het Indi­aanse territorium. De pioniers, die zich het slachtoffer voelden, waren woedend om de vredelievende politiek van ´die van het Oosten'.

In 1756 verklaarden de gouverneur van Pennsylvania en zijn 'Raad' de oorlog aan de Delaware- en de Shawnee-Indianen. Op 4 juni reageerden de zes leidende Quakers hierop door hun ontslag aan te bieden. De machtsafstand van de Quakers, waardoor toegegeven werd dat hun principes en de regeringsverantwoordelijkheid onverenigbaar waren, was wellicht de duide­lijkste blijk van praktische zin die de Quakers ooit getoond hebben.

Naarmate de politieke invloed van de Quakers-gemeenschap van Pennsylvania daalde, werd de huma­nitaire trend steeds belangrijker. In de 18de eeuw heb­ben de Quakers zich steeds heviger verzet tegen de sla­vernij en de slavenhandel. Ook hebben zij zich ingezet voor de bouw van ziekenhuizen, voor een menswaar­dige opvang in gevangenissen en voor asielen voor zwakzinnigen.

De kolonies van het Zuiden

De stichting van de kolonies

belangrijkste immigrantengroepen ca 1750

 

VIRGINIA 

De kolonies van het Zuiden omvatten Maryland, Virginia, North & South Carolina en Georgia. Virginia was de allereerste kolonie die vanuit Engeland in Noord-Amerika werd gesticht en uitgebouwd. De stichting van Virginia is terug te voeren tot koninklijke charters, die in 1606 werden verleend aan twee joint-stock compa­nies'; de Virginia Company of London en de Virginia Company of Plymouth. Beide compagnieën mochten hun gebied kiezen tussen de Cape Fear River in North Carolina en de 45ste parallel, ter hoogte van het huidi­ge Maine. De London Company heeft haar aandacht van in het begin toegespitst op het zuidelijke deel vandit gebied en dacht meteen aan een kolonie op de oe­vers van de Chesapeake Bay. De Plymouth Company richtte zich naar het noorden en meer bepaald naar de ruwe kusten van Maine.

Enkele dagen voor Kerstmis 1606 zond de London Company drie schepen uit met 104 settlers aan boord. Zij bereikten Virginia op 26 april 1607. Zij voeren de meest nabije grote rivier op, die zij de James River noemden. Na een zoektocht naar een geschikte vestigingplaats van enkele weken, kozen zij uiteinde een schiereiland uit, dat zij het Jamestown Island noemden.

Vanaf het begin was het leven in Jamestown een aaneenschakeling van eindeloze ellende en moeilijkheden Jamestown Island was wel gemakkelijk te verdedigen maar ook moerassig; het gebied zat daarenboven met koortsverspreidende muskieten. Tegen het einde van de zomer was de helft van de settlers gestorven. De overlevenden waren het slachtoffer van malaria. Vooraleer de kolonisten de huizen en een 'ringmuur' rond 'de stad' gebouwd hadden, was het zaaiseizoen voorbij. Er heerste hongersnood in Jamestown. In de lente waren nog maar 38 kolonisten in leven. Vanuit een elementaire drang tot overleven zagen zij zich al vlug gedwongen in hun kolonie streng, disciplinair regime in te voeren. Hard werken zou hun geen rijkdom brengen, maar hun enkel hun de kans geven te overleven.

In 1609 werd de London Company gereorganiseerd: een vloot van negen schepen werd uitgerust om 600 nieuwe settlers naar Jamestown te brengen. Tussen 1609 en 1611 leden de kolonisten honger: ze aten honden en muizen om in leven te blijven; er werden zelfs ge­vallen van kannibalisme gesignaleerd. In 1618 lanceerde de London Company opnieuw een campagne om meer investeerders en settlers naar Virginia te lokken.

Intus­sen had John Rolfe - de eerste succesvolle Virginia­planter - met succes geëxperimenteerd met de teelt van de tabaksplant. Vanaf dat moment was de economi­sche toekomst van Virginia verzekerd, maar nu was er ook behoefte aan een ander soort arbeidskrachten. De Engelse regering zond geregeld schepen vol veroordeel­den en gevangenen naar de koloniën. Wezen, landlo­pers, arme lui, die nutteloos waren voor de Engelse sa­menleving, werden naar Noord-Amerika verscheept. In sommige gevallen maakte Londen van deze methode gebruik om ook politieke oproerkraaiers te verbannen. Kinderen werden verplicht om mee te reizen en in Vir­ginia als `leerjongens' een vak te leren...

Samen met deze kinderen kwamen de indentured ser­vants. De term`indentured' (d.i. getand of ingekerfd) werd gebruikt omdat het papier waarop de overeen­komst over de diensttijd werd opgemaakt, op onregel­matige wijze (getand) in tweeën werd gesneden. Het ene deel bleef in handen van de patroon of meester, het an­dere werd aan de knecht (of meid) gegeven. Het con­tract was maar geldig en kon na het afgesproken aan­tal jaren maar als nageleefd beschouwd worden, als de twee helften perfect in elkaar pasten. Deze mensen wa­ren bereid een bepaalde periode te werken in ruil voor de betaling van de reiskosten naar Amerika. De betref­fende diensttijd varieerde van vier tot zeven jaar. Als de diensttijd beëindigd was, ontvingen deze knechten (en meiden) hun 'vrijheidsrechten': kleding, gereed­schap, een geweer, soms een perceel land.

Dit systeem werd dan nog gekoppeld aan het zoge­naamde headright: dit hield in dat kolonisten (of an­deren) die hun eigen overtocht (of die van anderen) be­taalden 20 hectare land ontvingen voor elk hoofd' ('head') dat was overgebracht. Indien dus dezelfde per­soon een overeenkomst sloot met een indentured ser­vant' en voor die persoon ook de overtocht naar de ko­lonie betaalde, ontving hij uiteindelijk voor dezelfde prijs én het land én de arbeidskracht die hij voor het bewerken ervan nodig had.

Naarmate de plantages aangroeiden, vonden de plan­ters het steeds moeilijker om de nodige arbeidskrach­ten te vinden door het systeem van de `indentured ser­vants'. Daarenboven moesten de planters zo na een aantal jaren telkens een nieuwe groep arbeiders zoe­ken en hun opnieuw het werk op de plantages leren. De planters vonden dit vrij omslachtig. Zo ontstond de vraag naar slavenarbeid.'

In 1619, op een moment dat de tabaksteelt een bijzonder snelle expansie ken­de, kwam in de haven van Jamestown een eerste schip aan met twintig Afrikanen aan boord, die als knech­ten of als slaven verkocht werden. Slavernij was niet meteen ingeburgerd in Virginia. Tot omstreeks 1670 hebben tal van zwarten naast de blanken gewerkt als `indentured servants' en sommige zwarten waren zelfs vrije arbeiders. Maar tegen het einde van de lede eeuw was slavernij in de maatschappij van Virginia een ge­vestigd systeem geworden.

Vanaf 1619 werden ook heel wat jonge vrouwen van­uit Engeland overgebracht naar Virginia, in de hoop dat zij goede echtgenoten van de settlers en planters zouden worden. De London Company gaf haar amb­tenaren in Virginia wel de instructie erover te waken, dat deze vrouwen niet tot een huwelijk gedwongen werden.

De emigratie vanuit Engeland naar Virginia werd ook aangemoedigd doordat men de settlers daar dezelfde wettelijke rechten beloofde door hun een stem in de plaatselijke besturen in uitzicht te stellen en hun stem­recht te geven voor de verkiezing van afgevaardigden in een Wetgevende Vergadering, die the House of Bur­gesses genoemd werd. De 'House' vergaderde voor het eerst in Jamestown in 1619. Dat was in schril contrast met Europa waar men er niet aan dacht enige demo­cratische inspraak toe te staan.

Al vrij vlug na de eerste vestigingen heeft zich het probleem van de Indianen gesteld. De geschiedenis van deze rassenrelatie is pijnlijk: een aaneenschakeling van misverstanden, wantrouwen, intimidatie, geweldple­ging, brutale roof en moord. De eerste contacten wa­ren nochtans vriendelijk. De Indianen gaven de hon­gerende kolonisten van Jamestown voedsel. Zij leer­den hoe je in de wildernis moest leven. Het land rond Jamestown was een dichte wildernis. Maïs, een inlands gewas dat door de Indianen verbouwd werd, groeide niet in de schaduw van bomen. Het zou jaren gevergd hebben om de bossen te rooien. De Indianen leerden de settlers hoe zij de bomen konden doden door een ring rond de stammen te kerven. Het zonlicht drong dan door de dode kale takken en de maïs kon tussen de stammen groeien.

De kolonisten aanvaardden de hulp van de Indianen en volgden hun raad graag op. Nadien hebben zij even­wel geprobeerd controle te verwerven over de Indiaanse thuislanden. Geen wonder dat de Indianen zich hierte­gen verzet hebben. In een plotse aanval hebben de Pow­hatan in 1622 ongeveer 350 kolonisten gedood. Dit was haast één derde van de Europese bevolking van Virgi­nia! Dit bloedbad bracht Koning James tot de over­tuiging dat het bestuur over de kolonie moest onttrok­ken worden aan de London Company. In 1624 trok hij het charter in en plaatste Virginia opnieuw onder de rechtstreekse controle van de dynastie.

De London Company was bankroet: de aandeelhou­ders verloren hun investering. Virginia was voortaan een Kroonkolonie!

Wat in Virginia gebeurd is, is kenmerkend voor de rassenrelatie in heel Noord-Amerika: mensen uit twee totaal verschillende werelden stonden tegenover elkaar; misverstanden moesten zo wel ontstaan. Aanvankelijk hebben de Indianen de draagwijdte van de blanke vesti­gingen niet goed begrepen, wellicht ook al omdat hun geringe bevolking beschikte over eindeloze gebieden en zo in die vestigingen geen bedreiging zag. Begrippen als 'grondbezit' en 'grondverkoop' kenden de India­nen niet. Toen door de vestiging van steeds nieuwe gol­ven immigranten, dorpen en steden werden gesticht, die steeds verder in het binnenland waren gelegen en de ko­lonisten door hun jacht, hun aanplantingen en ontbos­singen een steeds grotere bedreiging gingen vormen voor hun traditionele levenswijze, hebben de In­dianen gewelddadig gereageerd. De blanken hadden de indruk dat de roodhuiden terugkwamen op vroeger af­gesloten overeenkomsten die de Indianen evenwel nooit hadden begrepen. Strafexpedities door de bezetters wa­ren hierop het antwoord. Zo kwam de escalatie van on­begrip en geweld op gang.

Dagelijks leven van planters en slaven in Virginia

In het begin van de kolonisatie van Virginia konden welvarende zakenlui of succesvolle middenstanders uit Engeland nog opklimmen tot de klasse van voor­aanstaande grootgrondbezitters. Het systeem waarbij 20 hectare land werd gegeven voor elke persoon voor wie zij de overtocht betaalden, maakte het mogelijk om een uitgestrekt landgoed te verwerven en zich daaren­boven nog te omringen met tal van afhankelijke arbei­ders. In het Virginia van de 17de eeuw was overgang naar een hogere klasse nog mogelijk. Het stemrecht was nog algemeen en gewone mensen konden doordringen tot het House of Burgesses.

Lang heeft deze `democratische' periode niet ge­duurd. De sociale verhoudingen in de samenleving van Virginia zijn als het ware 'bevroren'. Omstreeks 1670 was het stemrecht gekoppeld aan grondbezit. In 1699 moest men 40 hectare onbebouwde grond in volle ei­gendom bezitten of 10 hectare met een huis en planta­ge om nog voor het House of Burgesses te mogen stem­men. Ook het karakter van de arbeidende klasse ver­anderde. Vanaf 1680 werden steeds meer slaven ingevoerd: zij vervingen de 'indentured servants' als arbeidskracht.

Slavernij nam in de vroege 18de eeuw snel toe in Virginia, omdat de exploitatie van grote plantages op die manier veel winstgevender werd. Be­scheiden planters kregen het steeds moeilijker, en deze evolutie beperkte de immigratie van blanke arbeids­krachten. Zo werd de kolonie nog afhankelijker van slaven. Het Virginia van de 18de eeuw werd voor de meeste blanke immigranten dan ook enkel nog een doorgangshaven. Deze exodus van de armere blanke kolonisten had tot gevolg, dat in Virginia nog alleen een aristocratie van grote planters leefde. Deze fami­lies hadden de fundamenten van hun fortuin gelegd door vóór 1700 uitgestrekte landgoederen te verwerven. Zij huwden dan nog onder elkaar. Omstreeks 1750 con­troleerden een honderdtal families de rijkdom en de re­gering in deze kolonie!

De geest van het 'zaken-doen' was springlevend in Virginia. Dit was in de eerste plaats toe te schrijven aan de karakteristieken van de tabaksteelt. De tabaksplan­ten onttrekken immers het nitrogeen en potas aan de grond en aangezien de Virginians de grond niet opnieuw bemestten, was de vruchtbaarheid ervan erg beperkt. De tweede oogst was meestal de beste, maar na vier sei­zoenen kon er alleen nog maïs of graan op verbouwd worden. Zo moest elke planter de tabak geregeld op andere grond verbouwen: 'tabak-land' werd in Virgi­nia synoniem van 'nieuw land'. De landerijen van de gegoede families groeiden dan ook bestendig aan. In die omstandigheden zagen de planters natuurlijk steeds meer heil in slavenarbeid: de slaven kon je immers zon­der probleem naar een ander gebied doen 'verhuizen'.

Stimulerend voor de 'business'-mentaliteit was ook dat er in Virginia geen grote steden waren. Dit was al­leen al uit de aardrijkskundige gesteldheid te verkla­ren: het rijke laagland was ingekerfd door diepe en be­vaarbare rivieren. Het land tussen de rivieren was dan nog eens doorsneden van een netwerk van kleinere wa­terlopen, die wel nog voor het transport naar de oceaan gebruikt werden. Stroomopwaarts kwamen de schepen met slaven uit Afrika en met kleding en allerlei ge­bruiksvoorwerpen uit Engeland; stroomafwaarts voe­ren schepen met tabak van de plantages. Omdat er in dit nieuwe land nauwelijks wegen waren aangelegd, wa­ren de Virginia-planters en hun zakenrelaties echt door de natuur bevoorrecht dat ze zo'n netwerk van bevaar­bare stromen en rivieren hadden. Uit commercieel oog­punt beschouwd waren steden dan ook volkomen over­bodig. Iedere belangrijke 'planter' bezat een eigen dok, zijn eigen kleine haven, van waaruit hij zijn tabak kon verschepen naar zijn agent in Londen en waar hij zijn importgoederen kon laten lossen. Dit verklaart ook waarom Virginia in de koloniale periode geen handels­centrum had dat te vergelijken was met Boston of Phi­ladelphia.

De tabaksteelt maakte de uitbouw van grote com­merciële landbouwondernemingen (de plantage-economie) noodzakelijk. Deze plantages waren kapi­talistisch gestructureerd: de planters moesten kunnen investeren in land, slaven en materieel. Het leven op deze grote plantages was dan ook niet te vergelijken met het dagelijkse bestaan op een eenvoudig, kleinscha­lig landbouwbedrijf. Een plantage in Virginia had in de 18de eeuw meer weg van een moderne 'bedrijfs-stad' dan van een roman­tisch dorp op het platteland.

De sociale kloof tussen de beperkte groep 'planters'-families en de rest van de bevolking is waarschijnlijk nooit zo groot geweest als in het Virginia van omstreeks 1750! De economische elite monopoliseerde alle belang­rijke ambten. Een belangrijke planter kon tegelijk lid van de Council van de gouverneur, van de kerkraad, vrederechter, bevelhebber van de militie en afgevaar­digde in het House of Burgesses zijn. De regerende klas­se nam haar politieke plichten heel ernstig: hoewel het stemrecht beperkt was, was er tegelijk een wet die de stemplicht voor deze aristocraten invoerde. De succes­volle planter bestuurde de kolonie met dezelfde zelfze­kerheid waarmee hij zijn eigen landgoed beheerde. De regeerders beschouwden de openbare ambten zowat als hun bezit en selecteerden de bestuurders uit hun leden. Het aristocratische karakter van het republicanisme in Virginia verklaart mede waarom Virginians zoals Jef­ferson en Washington meer vertrouwen stelden in re­presentatieve regeringsvormen dan vele bedachtzame tijdgenoten uit andere delen van het land. John Adams, Alexander Hamilton en anderen kwamen uit kolonies waar het volk een wispelturige stedelijke massa was. Virginians daarentegen begrepen een republikeinse re­gering als een systeem dat steunde op een wel ingewik­kelde, maar dan toch evenwichtige en op traditie steu­nende regeling. De aristocraten van Virginia lieten zich hierbij niet leiden door politieke theorieën, maar door de realiteit, hun gezond verstand en de traditie. Na de Amerikaanse Revolutie werden ze de verdedigers van de rechten van de lidstaten (de 'States-Rights')!

De plantage-economie van Virginia is niet denkbaar zonder de slavenarbeid. De koop van slaven was wel duurder dan het in dienst nemen van een 'indentured servant', maar deze 'indentured servants' werkten maar enkele jaren voor hun baas en waren niet zo gemakke­lijk te manipuleren. Daarenboven hadden de 'inden­tured servants' het plantage - systeem van buiten uit le­ren kennen: ze hadden een kritische kijk op de welstand waarin de 'planters' leefden. Dit leidde wel eens tot af­gunst en rancune, waardoor sociale spanningen opge­wekt werden. Tenslotte leidde het systeem van de 'in­dentured servants' tot een aangroei van het aantal zelfstandige landbouwers. Hoewel hun bedrijven klein waren, verhoogde de tabaksteelt op deze 'farms' de productie en dus het aanbod op de markt, waardoor de tabaksprijs daalde.

De eerste Afrikaanse slaven werden in 1619 aan wal ge­zet in Jamestown. Om deze mensenhandel op gang te houden werden de Afrikaanse binnenlanden systema­tisch leeggehaald. De traite (handel) tussen Midden-Afrika en Amerika werd de meest winstgevende han­delsroute uit de geschiedenis. Het slaventransport tus­sen Afrika en Amerika gebeurde in mensonwaardige omstandigheden. Maar één derde van deze zwarten overleefde het transport naar Amerika. Geen enkel pro­test tegen deze praktijken had resultaat. De slavenhan­del was immers enorm winstgevend: winsten van 400 tot 800 % per slaaf waren niet ongewoon. Tussen 1500 en 1600 werden 900.000 zwarten naar Amerika ver­scheept: dit aantal steeg in de 17de eeuw tot 1.750.000 en in de 18de eeuw zelfs tot 7 miljoen! In ruil voor de­ze slaven boden de Europese kooplui op de Afrikaan­se kust kettingen, glazen kralen en belletjes aan.

De Spanjaarden begonnen met deze slavenhandel - 'negro' is een Spaanse term - maar vooral de Hollanders zijn op dit vlak erg actief geweest. De Engelsen lieten hun grote handelsconcurrent niet betijen: in 1672 richtte de Engelse regering de Royal African Company op, die tot opdracht had het slaventransport tussen Centraal - Afrika en Noord -Amerika in eigen handen te nemen. De 'planters' van Virginia konden dus rekenen op een bestendige toevoer van goedkope arbeidskrachten. De zwarten werden, de omstandigheden in acht genomen, behoorlijk gevoed, gekleed en behuisd. Een gezonde en tevreden slaaf kon immers hard werken! Voor de meeste eigenaars was de slaaf maar een 'bezit', in we­zen niet verschillend van een paard of een ploeg. Een eigenaar had dan ook een grenzeloze macht over het leven van zijn slaven. Hij kon gezinnen uiteenrukken door gezinsleden te verkopen aan andere planters, of door slaven levensgevaarlijk werk te laten verrichten. Omdat het aantal slaven sterk aangroeide, hebben de koloniale parlementen wetten aangenomen om de re­laties tussen de slaven en hun eigenaars te regelen. Na een tijd had zowat elke kolonie haar slave code. De be­palingen verschilden van plaats tot plaats, maar de be­doeling was telkens dezelfde: men wilde de slaven on­der controle houden om slavenopstanden te voorko­men. Zonder toestemming mochten slaven de plantage niet verlaten. Slaven konden veroordeeld worden op basis van de getuigenis van een enkele blanke. De ge­tuigenis van een zwarte tegen een blanke werd niet aan­vaard. Een slaaf die zijn baas doodde - ook al stond deze laatste bekend om zijn ongemene brutaliteit - werd opgehangen of onthoofd. Het doden van een slaaf door een blanke daarentegen was niet overal een strafbaar feit. Vluchten was voor slaven zo goed als onmogelijk. De slave codes verboden ook heel dikwijls dat slaven zouden leren lezen en schrijven. Dat werd te gevaar­lijk geacht. De slaveneigenaars zagen ook niet te graag dat hun slaven gekerstend werden, want het christen­dom preekte tenslotte gelijkheid.

MARYLAND

In 1632 werd, onmiddellijk ten noorden van Virgi­nia, een kolonie gesticht, die verschilde van al de an­dere: zij was het eigendom van één persoon. Koning Charles I schonk niet minder dan 4 miljoen hectare land rondom Chesapeake Bay aan de Engelse edelman Ge­orge Calvert, Lord Baltimore. Deze schenking gaf Calvert een enorme macht. Hij kon de kolonie opdelen in heerlijkheden, zoals die in de feodale periode in Euro­pa hadden bestaan. Hij kon optreden als aanklager én rechter ten opzichte van wie van inbreuk op de wetten beschuldigd werd. Maryland was werkelijk een eige­naarskolonie!

maryland toleration_act

Georges Calvert stierf evenwel nog vóór de koning zijn zegel aan de schenkingsoorkonde had bevestigd. Zijn zoon Cecilius Calvert werd zo de eerste eigenaar van de kolonie die Maryland werd genoemd, naar de naam van de echtgenote van Charles I. De Calverts waren ka­tholiek en hoopten van Maryland een katholieke ko­lonie te maken.

De eerste settlers kwamen in 1634 en stichtten de stad St. Mary. Veel moeilijkheden of ellende ondervonden zij niet, aangezien het nabije Virginia al bijzonder welvarend was en snel voor proviand kon zorgen. De kolonisten zijn er ook onmiddellijk met de verbouwing van tabak begonnen, naar het voorbeeld van hun bu­ren. Hoewel Calvert vooral katholieken aanmoedigde zich in Maryland te komen vestigen, bestond de bevolking­ toch vooral uit protestanten. Wel bekleedden de katholieken de belangrijkste posten in de kolonie en kregen ze van Calvert aanzienlijke schenkingen. Om de protestanten te paaien zette Calvert zijn lokale As­sembly (Wetgevende Vergadering) ertoe aan een Tole­ration Act (een Verdraagzaamheidswet) aan te nemen (1649), die de bescherming van alle christenen garandeerde.

marycolony 1632-1776

De heersende verdraagzaamheid was dus niet het ge­volg van een filosofische, maar van een praktische over­tuiging. Ingeval de protestanten de Assembly overna­men, waren de katholieken ook beschermd. Daaren­boven, en dat gold voor alle koloniën, waren de belangen die de blanken verenigden veel groter dan de religieuze verschillen. De weinige blanken konden zich moeilijk veroorlo­ven te ruziën zolang men tegenover de gemeenschap­pelijke uitdaging van de natuur, de Indianen en de Fransen of Spanjaarden stond.

DE CAROLINA'S

In 1663 gaf Charles II het gebied tussen Virginia en het Spaanse Florida aan acht edelen, onder wie Sir Ge­orge Carteret en Sir Anthony Ashley. De dankbare ei­genaars noemden de kolonie Carolina, ter ere van de koning. De eigenaars van Carolina hoopten settlers van de oudere kolonies te kunnen aantrekken, om zo de enorme kosten uit te sparen, die gepaard gingen met het organiseren van expedities vanuit Engeland. De vestigingen bleven toch erg gespreid en geïsoleerd. Er waren weinig wegen, bijna geen dorpen, kerken of scholen. De meeste settlers waren kleine boeren die voornamelijk voedingsgewassen en een beetje tabak teelden. Vrij vlug werd de immigratie van mensen uit Barbados aangemoedigd. In 1670 werd Charleston (Charles Town) gesticht, dat vlug promoveerde tot hét economische, sociale en politieke centrum van Ca­rolina.

In 1719 kwamen de settlers in opstand tegen het bestuur van de eigenaars. Tien jaar later werd deze eigenaars-kolonie een Kroonkolonie: het gebied werd opgedeeld in North Carolina en South Carolina: elk gebied werd door een Koninklijke gouverneur bestuurd.

GEORGIA

De laatste Engelse kolonie was Georgia. Ze werd in 1733 door een groep filantropen, onder leiding van Ja­mes Oglethorpe, gesticht. Zij hadden zich al altijd in­gezet om slachtoffers van politieke, economische en godsdienstige onderdrukking te helpen. Zij hoopten de­ze mensen nu in Georgia een nieuwe start te laten ne­men. Oglethorpe en zijn medestanders werden erkend als beheerders van Georgia voor een periode van 21 jaar.

Oglethorpe kwam in 1733 met honderd settlers naar Ge­orgia. Zij stichtten de stad Savannah. Elke settler kreeg 20 hectare land, het nodige gereedschap en voorzienin­gen voor een heel jaar. Maar Oglethorpe verplichtte de settlers teelten te verbouwen, die totaal ongeschikt waren voor Georgia. Zo is de teelt van olijfbomen en zijdewormen een groot fiasco geworden. De mensen die er zich kwamen vestigen hebben de strikte reglementen als vrijheidsbeknottend aangevoeld. Georgia heeft dan ook zeker geen vlugge opgang gekend. In 1752 heb­ben de ontgoochelde beheerders Georgia terug in han­den gegeven van de koning. Georgia was voortaan een Kroonkolonie.

Het bestuur van de Engelse kolonies in Noord-Amerika

In theorie behoorden de kolonies toe aan de koning. Hij kon er naar believen over beschikken. Dit verklaart waarom de koningen op erg uiteenlopende wijze koloniën in Noord-Amerika tot stand gebracht hebben. Zo schonk koning James I Virginia aan de London Corm­pany onder de vorm van een soort zakelijke overeen­komst. Koning Charles II gaf het pas veroverde Nieuw-Nederland als geschenk aan zijn broer, de hertog van York. Pennsylvania gebruikte hij dan weer om een schuld af te lossen.

charter of charles ii

Charter van Charles II

De koning bleef evenwel steeds de vorst van de ko­lonies. Het koloniale beleid was in handen van de voor­naamste adviseurs van de koning, die samen de Privy Council vormden. Een commissie van deze raad, de Lords of Trade, namen de belangrijkste beslissingen. Het Parlement van Londen keurde talrijke wetten voor de koloniën goed.

Naar hetzelfde patroon werd er in elke kolonie een plaatselijke regering gevormd. Aan het hoofd van elke kolonie stond een gouverneur: hij was de vertegenwoordiger van de koning. Deze gouverneurs werden bijgestaan door councils (raden), die te vergelijken waren en met de 'Privy Council' van de koning. In de meeste kolonies werden de leden van deze ´councils' aangewezen en niet verkozen.

De plaatselijke wetgeving was het werk van lokale parlementen (Assemblies). Hoewel hun bevoegdheid erg beperkt was, kon een gouverneur onmogelijk tegen hun zin in wetten doen aannemen. Daarenboven hadden zij toch het financieel beheer onder hun controle en konden zij op die manier heel wat druk op de gouverneur uitoefenen.

PIaatselijk had ook elke stad of gemeenschap haar gouverneur. Het dagelijkse bestuur was dan in handen van een soort gemeenteraad. In New England waren dat de Town Meetings, in het zuiden de County Courts. Zij bepaalden de belastingen, bepaalden hoeveel land ter beschikking werd gesteld van de nieuwkomers, namen onderwijzers en predikanten in dienst en regelden allerlei plaatselijke problemen.

Het ligt voor de hand dat in de relatie tussen Londen en de kolonies spanningen voorkwamen. De kolonisten regelden hun zaken graag zelf. De regering in Londen daarentegen heeft bij herhaling geprobeerd een zekere eenheid tussen de kolonies tot stand te brengen

De bekendste poging was de oprichting door koning James II van het Dominion of New England (1686-1688). Het was een poging tot eenmaking van New York, New Jersey, Connecticut, Rhode Island, Massachusetts en New Hampshire. Gouverneur van dit `Dominion' was Sir Edmund Andros, die regeerde als een dictator. De lokale parlementen kwamen toen niet meer samen. De ambtenaren van de embryonale Ko­loniale Administratie waren ook verplaatsbaar: zij had­den dan ook een veel betere kijk op de belangen van het geheel van de Engelse kolonies dan de meeste ko­lonisten, die in een Noordamerikaanse kolonie gebo­ren waren. De Amerikaanse bevolking daarentegen was erg chauvinistisch ingesteld en alleen bekommerd om de belangen van de eigen kolonie. Een vorm van kie­mend eenheidsgevoel werd gestimuleerd door de geza­menlijke afkeer van dit eenmakingsbeleid uit Londen. Ook groeide de ontevredenheid over het economische beleid van de Engelse regering.

Ook de Engelse regering had immers geleerd van het fiasco van Spanje, dat zich kortzichtig had laten drij­ven op de toevoer van de koloniale rijkdommen en vooral op de aanvoer van goud en zilver. In Londen koos de regering voor het mercantilisme dat nationale welvaart op lange termijn moest verzekeren. De kolo­niën moesten de Engelse maritieme handel stimuleren. Dit beleid was niet in de eerste plaats tegen de kolo­nies gericht, maar het was een fundamenteel onderdeel van een beleid dat Engeland economisch onafhanke­lijk van zijn mercantilistische concurrenten wilde ma­ken. Deze mercantilistische politiek werd vertaald in een reeks Navigation Acts. De eerste was de beroemde Act of Navigation, uitgevaardigd door Cromwell in 1651: de laatste belangrijke dateert van 1733. De ko­lonisten hebben hierop bijzonder ontevreden gerea­geerd. Zij konden immers alleen maar verkopen in de eigen kolonie of aan Engeland. Afgewerkte producten konden zij enkel aankopen in Engeland zelf ofwel, maar dan belast met tal van taksen en de winsten van tussenpersonen, via Engeland. Wel genoten zij ook ze­kere voordelen: voor sommige koloniale producten was er immers een virtueel monopolie op de Engelse afzet­markt; andere goederen zoals katoen, suiker en indigo werden door tolmuren beschermd, zelfs tegen de be­langen van de Engelse verbruikers in; voor nog andere producten (wijn, zijde,...) kreeg men subsidies.

Men mag dus niet veralgemenen: het economische beleid van Londen had niet in elke kolonie dezelfde weerslag. Voor handelskolonies als New England was het een goede zaak deel uit te maken van de grootste en rijkste handelsmacht ter wereld. Ook de kolonies van het Midden ondervonden weinig hinder van de eco­nomische politiek in Londen. Sommige kolonies (als North Carolina) hadden in Londen zelfs invloedrijke beschermers gevonden, zodat zij hun producten - voor North Carolina was dit katoen - rechtstreeks op het Eu­ropese continent konden verhandelen. Enkel Virginia en Maryland - de rijke centra van de plantage-economie - werden tot de strikte naleving van de Navi ­gation Act gedwongen. Dit was voor de verdere geschie­denis van de Engelse kolonies in Noord-Amerika van uitzonderlijk belang. Zo zouden de kolonies die tradi­tioneel het meest royalistisch waren, zich het eerst en het luidruchtigst tegen Engeland verzetten.

Zie voor deel 4 Deel 4 De Nieuwe Wereld in het Westen