We hebben 96 gasten online

deel 2 historische reisroute Nieuw Nederland en New England

Gepost in V.S.

hudson valley

Onderdeel 1 militaire academie West Point

De United States Military Academy in West Point is de oudste Amerikaanse militaire academie, gevestigd in de plaats West Point, New York, en leidt studenten op tot officier in het United States Army, het Amerikaanse leger.

 

Geschiedenis

west point

West Point is eerst gebouwd als fort (1778-1779) vanwege de strategische ligging van West Point aan de rivier de Hudson. In 1802 maakte president Thomas Jefferson er een militaire academie van, met de bedoeling dat de mensen die aan de academie zouden studeren vertegenwoordigers van een echte democratie zouden zijn. Kolonel Sylvanus Thayer, beter bekend als de vader van de academie, diende er als schoolhoofd van 1817tot 1833. Hij voerde militaire discipline in op de academie en zorgde ervoor dat de academie zich concentreerde op het opleiden van ingenieurs; veel spoorweg-, brug- en havenbouwers studeerden af aan West Point.

westpoint4

Tijdens de oorlog tegen Mexico en de vele oorlogen tegen de Indianen bleek dat de militairen die aan West Point waren afgestudeerd zeer bekwaam waren in hun vak. Dit leidde ertoe dat in de Amerikaanse Burgeroorlog belangrijke officieren als Grant, Lee, Meade, Sherman. Beauregard en Jackson van West Point afkomstig waren. Ook in de Eerste Wereldoorlog speelden aan West Point afgestudeerde militairen een voorname rol. Schoolhoofd Douglas MacArthur legde na de oorlog vooral de nadruk op intensieve psychologische training. In de Tweede Wereldoorlog waren officieren als Eisenhower, Mac Arthur, Bradley en Patton afkomstig van de academie. Van recentere datum is o.a. Wesly Clark. In 1964 werd de capaciteit verhoogd van 2526 studenten naar 4417 studenten (recentelijk verlaagd naar 4000 studenten) om de groei van het leger bij te houden.

http://westpointtours.com/index.php

The Visitors Center provides an excellent central starting point for all visitors to the U.S. Military Academy. The Visitors Center and West Point Museum are open to the general public on a daily basis.

Via the NY Thruway, North or South -

Take NYS Thruway, Interstate 87 to Exit 16 (Harriman/Route 17)
Take 1st exit immediately after toll plaza to light at top of ramp.
Left onto Route 32... then left at 2nd light onto Route 6 East. At top of mountain bear left onto Route 293 East... continue to end. Right onto Route 9W South... to 2nd “West Point/Highland Falls” exit.
Follow road at exit in direction you are heading for about 2 miles.
Entrance to the “Visitor’s Center” will be on the Right.

http://www.orangetourism.org/images/oc-map.pdf

 

Onderdeel 2 FDR Presidential Library

 

logo fd roosevelt presidential library

 

The Roosevelt Library is on the eastern shore of the Hudson River, four miles north of Poughkeepsie, New York, midway between New York City and Albany. The Library is easily reached by car, train or plane.

 

Franklin D. Roosevelt Presidential Library and Museum 4079 Albany Post Road Hyde Park, New York 12538

 

The Roosevelt Library is approximately 2 hours from New York City, 1 1/2 hours from Albany, 2 hours from Hartford, CT, and 2 hours from Scranton, PA.

 

drivingmap fdr library

 

fdr greets

Directions

From Albany:

  • Take the New York State Thruway (I-87) south to exit 18 at New Paltz.
  • Follow Route 299 east to Route 9W south.
  • Cross the Mid-Hudson Bridge to Route 9 north.
  • The Roosevelt Library is on the left side of Route 9, 4 miles north of Poughkeepsie.

 

Onderdeel 3 bezoek Albany

 

Albany is de hoofdstad van de Amerikaanse staat New York. De stad ligt in het oosten van de staat in Albany County, waarvan het de hoofdplaats is. Albany bevindt zich ten noorden van de stad New York, op de plaats waar de rivieren de Mohawk en de Hudson bij elkaar komen. Albany had in 2006 93.963 inwoners. Een deel van de State University of New York is hier gevestigd.

albany plan_1695

Albany werd in 1624 door deRepubliek der zeven Verenigde Nederlanden gesticht als Fort Oranje, ter vervanging van Fort Nassau dat in 1615 was gesticht. Het was voornamelijk een handelspost waar vooral beverpelzen werden ingekocht van de inheemse bevolking. Feitelijk ontstond de stad in 1647 nabij het fort; de stad werd toen tot Beverwijck gedoopt en was de tweede stad van Nieuw-Nederland na Nieuw-Amsterdam. De stichter was Brant van Slichtenhorst. In 1660 telde de stad 1050 inwoners. De twee belangrijkste straten in de stad heetten de Handelaersstraet (nu Broadway) en de Jonckheerstraet (nu State Street). Om de stad bevond zich een ring van houten palissaden.

In 1664 veroverden de Engelsen het gebied. Ze doopten het fort om in Albany, ter ere van de Hertog van York en Albany, de latere koning Jacobus II van Engeland (de schoonvader van Willem III). In 1797 werd Albany de hoofdstad van de staat New York.

Beverwijck

Beverwijck was een stad in Nieuw-Nederland, ten noorden van Fort Oranje, die vooral floreerde vanwege de beverhandel. De stad staat tegenwoordig bekend als Albany, de naam die de stad heeft gekregen na de Engelse overname in 1664.

In 1647 werd de nederzetting gesticht door Brant van Slichtenhorst in zijn kolonie Rensselaerswijck. In 1652 nam de West-Indische-Compagnie de controle over de stad over en liet het uitgroeien tot de tweede stad van Nieuw-Nederland, na Nieuw-Amsterdam.In 1660 werd een palissade gebouwd om de stad heen. Op het moment van overname door de Engelsen had de stad ongeveer duizend inwoners.

 

HET DAGELIJKS LEVEN IN DE KOLONIE BEVERWIJCK, 1652-1664.

Bron Marieke Spee http://stuyvesant.library.uu.nl/kaarten/beverwijck.htm

 

Voorwoord

Bij het schrijven van dit essay heb ik veel gebruik gemaakt van twee werken over Beverwijck: het proefschrift van Martha D. Shattuck A civil society: court and community in Beverwijck, New Netherland, 1652-1664 en Kinderen van weelde en armoede. Armoede en liefdadigheid in Beverwijck / Albany (c.1650-1700) geschreven door Janny Venema. Martha D. Shattuck heeft zich in haar proefschrift vooral beziggehouden met het rechtssysteem. Zij ziet hierin een goede weerspiegeling van de samenleving. Het idee van sommige historici dat de kolonie Nieuw-Nederland enkel bestond uit wat handelsposten en dat er geen sprake is geweest van een gemeenschap met sociale aspecten zoals die te vinden was in de Republiek in de zeventiende eeuw bestrijdt zij ten zeerste.

Janny Venema maakt tevens een vergelijking met de Republiek. Zij volgt de analyse van Herman Gras over de armenzorg in achttiende-eeuws Drenthe. Volgens haar zijn er opvallend veel overeenkomsten te vinden tussen de armenzorg in zeventiende-eeuws Beverwijck en de armenzorg in achttiende-eeuws Drenthe. Ook Venema legt de nadruk op de sociale mentaliteit van de inwoners van Beverwijck.

In dit essay wil ik niet zozeer een vergelijking maken, als wel een beschrijving geven van de samenleving in Beverwijck in de periode van 1652 tot 1664, met de nadruk op de sociale aspecten.

Inleiding

Beverwijck was in de periode tussen 1652 en 1664 de tweede nederzetting in Nieuw-Nederland na Nieuw-Amsterdam. De nederzetting lag aan de Hudson, ongeveer 150 mijl verwijderd van Nieuw-Amsterdam. Beverwijck was gelegen nabij Fort Oranje, een van de versterkte posten van de West-Indische Compagnie. Het gebied was omringd door drie bergketens en vormde het stroomgebied van de rivieren de Mohawk en de Hudson. Deze ligging maakte Beverwijck een knooppunt voor de bonthandel met de Indianen. In 1647 was Beverwijck gesticht door Brant van Slichtenhorst. 1Tot 1652 maakte het deel uit van de patroonschap Rensselaerswijck. Dit patroonschap was in 1629 door

Kiliaen van Rensselaer begonnen. Een agrarische basis en kolonisten waren nodig om de handelswegen te onderhouden en vestiging van buitenlandse machten te voorkomen. In 1629 was aan Kiliaen van Rensselaer een aantal ‘Vrijheden en Exemptien’ verleend in het kader van het nieuwe beleid van de West-Indische Compagnie om de kolonisatie in Nieuw-Nederland te bevorderen waardoor hij het recht verwierf om met de Indianen te onderhandelen over een stuk land waarop hij, op eigen kosten, binnen vier jaar vijftig kolonisten moest vestigen. In tegenstelling tot andere patroonschappen in Nieuw-Nederland bleek deze patroonschap redelijk succesvol.

In 1643 stierf Kiliaen van Rensselaer en de directeuren die hem opvolgden bleken niet in staat om wrijving met de West-Indische Compagnie te voorkomen. Tijdens het directeurschap van Bram van Slichtenhorst tussen 1648 en 1652 leidde een conflict over het uitgeven van bouwvergunningen tot het losmaken van Beverwijck van de patroonschap Rensselaerswijck. 2 Vanaf 1652 viel Beverwijck niet langer onder de jurisdictie van de patroonschap maar onder die van de West-Indische Compagnie. Een college van magistraten vormde voortaan de instantie die verantwoordelijk was voor alle wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht behalve halsmisdrijven, die werden rechtstreeks berecht door de centrale koloniale regering in Nieuw-Amsterdam. Daar kon men ook in beroep gaan tegen opgelegde straffen voor minder ernstige vergrijpen. De magistraten hadden ook de plicht om wegen, bruggen en omheiningen aan te leggen. De inwoners kregen hiervoor wel een belasting opgelegd. Naast het gerechtshof dat als taak had om het wereldlijk bestuur uit te oefenen had ook de Gereformeerde kerk veel invloed op het dagelijks leven. Hoewel deze kerk, net als in het moederland geen staatskerk was, was het door de West-Indische Compagnie verboden om andere publieke kerkdiensten te houden.

De woonomstandigheden in Beverwijck.

 

Door Beverwijck liepen aan het begin van de jaren vijftig twee hoofdstraten; de Handelaersstraet (het tegenwoordige Broadway) en de Jonckheerstraet (nu State street).

Verder liepen er nog enkele wagenwegen parallel aan deze straten. In 1652 woonden er ongeveer 370 mensen in Beverwijck en stonden er ongeveer honderd huizen. 3 De huizen werden gebouwd van hout dat in de omgeving genoeg voorradig was. De architectuur was vergelijkbaar met die van een zeventiende-eeuwse Nederlandse stad: de woningen waren dicht op elkaar gebouwd en bij de meeste huizen was gebruik gemaakt van een typisch Hollandse constructie. De kern werd gevormd door een constructie van ankerbalken vormde, zodat men gemakkelijk een uitbouw aan het huis kon maken. Deze uitbouw kon gebruikt worden als stal of slaapruimte of als woonruimte voor tijdelijke bewoners. 4 De meeste huizen stonden binnen de omheining van palissaden rond het dorp.

De meeste inwoners hadden bij hun huis een stuk grond van gemiddeld vijf bij zeven roeden; ongeveer negentien bij zesentwintig meter. De oppervlakte was groot genoeg om er groenten voor eigen levensonderhoud op te verbouwen. Adriaen van der Donck schreef in 1655 dat de volgende producten in deze tuinen verbouwd werden: ‘verscheyde soorten van saladen, coolen, pastenaecken, geele ende roode carooten, beete, andivie, suceray, vinnekel, suring, dilmelt, spinagie, radijsen, rammelatsen, pieterseely, kervel, kers, ajuyn, biesloock, en voorts hetgeen men in een gemeene cool of moes-thuyn gewoon is te hebben.’ 5De kruidentuin was volgens Van der Donck ‘oock tamelijck gestoffeert met rosemareyn, lavendel, ysoop, tijm, salie, marioleyn’ 6 en nog tal van andere kruiden. Op de akkers, even buiten het dorp aan de rivier de Hudson, werd tarwe en maïs verbouwd waarmee het dieet werd aangevuld.

Buiten het dorp nabij Fort Oranje was ook het kerkhof te vinden dat rond 1635 was aangelegd. Verder bevond zich daar ook een gemeenschappelijke weide waar de koeien konden grazen. Op de plaats waar de Handelaersstraet en de Jonckheerstraet elkaar kruisten stond de Nederlands Gereformeerde kerk, de Blokhuiskerk. Deze kerk was in 1656 gebouwd. Er tegenover bevond zich al vanaf 1652 het armenhuis. De eerste bewoners namen hier in 1653 hun intrek. Het gerechtsgebouw bevond zich niet in het dorp, maar binnen de muren van Fort Oranje.

De bevolking van Beverwijck

Nationaliteiten

Zoals al eerder gezegd leefden er in 1652 ongeveer 370 mensen in Beverwijck. In 1660 was dit aantal gegroeid tot rond de duizend. De meerderheid van de bevolking had de Nederlandse nationaliteit; slechts vijfentwintig procent was niet afkomstig uit de Republiek. Dit was weinig in vergelijking met de rest van Nieuw-Nederland, waar maar de helft van de mannelijke bevolking de Nederlandse nationaliteit bezat. De verklaring hiervoor is dat Van Rensselaer ten tijde van het patroonschap voornamelijk kolonisten had geworven uit zijn eigen landontginningen in Het Gooi en Gelderland. De etnische minderheden in Beverwijck waren vooral Duitsers. Veel waren afkomstig uit Noorwegen en Zweden. Anderen kwamen uit Frankrijk, Engeland, Schotland, Ierland, de Spaanse Nederlanden, Oost-Europa, Afrika en een enkeling kwam uit Kroatië. Het was dus een multiculturele samenleving.

Religie.

Ook op religieus gebied was er diversiteit. Er is weinig bekend over religieuze minderheden omdat andere godsdiensten dan de Nederlands Gereformeerde niet publiekelijk beleden mochten worden. Religieuze minderheden werden wel getolereerd, maar mochten geen eigen kerk of gemeenschap stichten. Het is wel bekend dat er in de jaren vijftig ongeveer zeventig tot tachtig Lutherse families grotendeels afkomstig uit Noord-Duitsland en Sleeswijk-Holstein in Beverwijck woonden. Het toestaan van andere religies zou volgens de bewindhebbers een bedreiging vormen voor de cohesie in deze samenleving in opbouw.

De eerste predikant die naar Rensselaerswijck gestuurd werd was Megapolensis. Hij bereikte de gemeenschap in 1642 en ontving een contract voor zes jaar. Zijn opvolger Gideon Schaets kwam in 1652 naar Beverwijck. In 1657 bracht hij verslag uit bij de classis. Het aantal lidmaten van de Gereformeerde Kerk in Beverwijck bedroeg 130 in 1652, in 1657 was dit aantal toegenomen met dertig. Verder vermeldt hij dat er gewoonlijk drie- tot vierhonderd toehoorders bij de diensten aanwezig waren. Dit waren dus niet allemaal lidmaten. In 1660 waren er ongeveer tweehonderd leden van de kerk. De totale bevolking van Beverwijck bedroeg toen volgens Shattuck 1051. Dit betekent dat de lidmaten toen 19% van de bevolking uitmaakten. 7

Sociale structuur.

De sociale structuur van de Beverwijckse gemeenschap is vergelijkbaar met die van de Republiek. De bovenlaag bestond uit een kleine groep van rijke lieden. Deze mensen hielden zich vaak bezig met de beverhandel en oefenden daarnaast een of meer nevenberoepen uit, zoals dat van chirurgijn, of hadden een bestuurlijke functie. Deze bovenlaag behoorde niet, zoals in Nederland, tot een aristocratie, maar bestond wel uit mensen die van welgestelde komaf waren of zelf door de beverhandel een zekere welgesteldheid hadden verkregen. De tweede laag was de middenstand. Zij vormde de grootste groep in de samenleving. Boeren en geschoolde ambachtslieden zoals kleermakers, herbergiers, brouwers en molenaars behoorden tot deze groep. Zij waren, evenals de rijke kooplieden, actief op het gebied van pelshandel, zij het in mindere mate. De sociale mobiliteit binnen deze groep was groot. Ze werden gevolgd door de arbeidende klasse van knechten en loonarbeiders. Onder normale omstandigheden konden zij het hoofd wel boven water houden, maar tegenslagen zoals misoogsten konden hen al tot tijdelijke armoede brengen. De laagste stand in deze kleine samenleving was die van de zwarte slaven afkomstig van de Goudkust in West-Afrika. Over hun bestaan is niet veel bekend, maar hun aanwezigheid is wel zeker. De chirurgijn, de predikant en enkele rijke kooplieden in Beverwijck waren in ieder geval in het bezit van slaven.

Vrouwen.

Zoals overal in de kolonie was er ook in Beverwijck een tekort aan vrouwen. In het patroonschap Rensselaerswijck bestonden de eerste immigranten voornamelijk uit boeren en zeelieden. Dit waren vaak ongehuwde jongemannen. Het was ook niet erg aantrekkelijk voor vrouwen om zich te vestigen in de achterlanden van Nieuw-Nederland, waar nauwelijks vertier voor hen was. De zoektocht van mannen naar een huwelijkspartner bracht hen soms naar Nieuw-Amsterdam, wat voor vrouwen nog redelijk wat te bieden had. Andere jongemannen vergrepen zich, tot onvrede van de predikant en de patroon, aan de Indiaanse vrouwen. Daarop probeerde de patroon vrouwen te werven om als kolonisten naar Rensselaerswijck te komen. Ook gezinnen met veel dochters waren extra welkom. Vanaf 1644 was er een toename in het aantal familie-immigraties naar de kolonie. 8 Toch is het tekort aan vrouwen is in de periode tot 1664 nooit helemaal opgelost. De huwelijksleeftijd lag als gevolg hiervan waarschijnlijk lager dan in de Republiek, waar de gemiddelde leeftijd van meisjes op 19.8 lag als ze voor de eerste keer trouwden. 9 Weduwen hadden in de kolonie ook geen moeite om een tweede man te vinden.

In de Amerikaanse geschiedschrijving over dit onderwerp wordt vaak de nadruk gelegd op de onafhankelijkheid van de vrouwen in de kolonie. Dit leiden Amerikaanse historici af uit bijvoorbeeld het aantal keren dat een vrouw alleen

voor het gerecht is verschenen. Vrouwen hadden in principe gelijke rechten als mannen, evenals in de Republiek. De grote mate van vrijheid en zelfstandigheid van de vrouwen in de Nieuw-Nederlandse kolonie was dus vanzelfsprekend.

 

Beroepsbevolking.

 

Beverwijck was oorspronkelijk opgezet als handelspost. De ligging van Beverwijck was ideaal voor de beverhandel met de Indianen. De meeste mensen die zich hier vestigden zochten hun geluk dan ook in deze handel. Het handelsseizoen duurde van juni tot augustus, een periode in het jaar dat de bevolking van Beverwijck drastisch toenam. In september, zodra de Indianen met hun bevers vertrokken waren, brak er weer een rustiger tijd aan in de gemeenschap. De meeste mensen konden niet rondkomen van de beverhandel alleen en hadden de rest van het jaar andere bezigheden om in hun onderhoud te kunnen voorzien. Het patroonsysteem was geïntroduceerd om een agrarische basis te kweken, dus de eerste kolonisten die Van Rensselaer contracteerde waren voornamelijk boeren. Maar er waren ook ambachtslieden nodig om de woningen te bouwen en bijvoorbeeld bakkers om brood te bakken. Rond 1660 waren er ongeveer twintig bakkers, dertig brouwers, werkzaam in totaal twaalf brouwerijen, elf baksteen- en dakpanbakkers, een distillateur, vierenveertig timmerlieden, drie kuipers, een koeherder, vier glazenmakers, zeven geweermakers, zeven metselaars, een vroedvrouw, vijf voermannen, drie molenaars, vier houtzagers, twee schoolmeesters, drieëntwintig schippers, zeven schoenmakers, elf smeden, drie chirurgijns, zestien kleermakers, vierentwintig kroegbazen, vier wagenmakers, een leerlooier en een wever. 10 Hoewel sommigen actief waren in meer dan één beroep, waren er vergeleken met een Nederlandse zeventiende-eeuwse gemeenschap wel heel veel ondernemers en ambachtslieden in Beverwijck. Dit betekende meer concurrentie en had tot gevolg dat sommige mensen erg afhankelijk waren van de beverhandel.

Armoede onder de bevolking.

Vergeleken met Nederland in de zeventiende eeuw was het leven in Beverwijck duur. Het bouwen van een huis bijvoorbeeld kostte in Beverwijck circa vier keer zo veel als in het thuisland. Zelfs notabelen klaagden over de hoge kosten voor hun levensonderhoud. 11Dit was in hoofdzaak te wijten aan het feit dat veel producten uit de Republiek geïmporteerd moesten worden.Vooral na 1657 kregen veel inwoners van Beverwijck het moeilijk. De beverhandel raakte in verval. De prijzen die ze voor de bevers moesten betalen stegen en het was steeds moeilijker om aan bevers te komen. Bovendien waren er andere zaken die de bestaanszekerheid konden ondermijnen. Regelmatig had Beverwijck last van overstromingen of ander natuurgeweld. Mensen konden dan grote delen van hun bezittingen verliezen. Als zo’n ramp dan ook gevolgd werd door een slechte oogst werd de situatie nog uitzichtlozer; de voedselprijzen stegen en het bestaan werd nog moeilijker.

Ook ziekten vormden een bedreiging voor de inwoners van Beverwijck. In de herfst van 1662 eiste een waterpokkenepidemie het leven van minstens negentien volwassenen en zeventien kinderen 12. Voor gezinnen met kleine kinderen was het dan moeilijk om zonder hulp het hoofd boven water te houden.

Daarentegen had Beverwijck relatief weinig last van de oorlogen met Indianen. Deze oorlogen (de Esopus-oorlogen in 1659 en 1664) werden elders uitgevochten en Beverwijck werd mede door zijn goede handelscontacten met

de Indianen ontzien. Maar de gevolgen waren voor de inwoners wel voelbaar. De belastingdruk werd hoger, soldaten werden ingekwartierd en verscheidene kolonisten vluchtten van Esopus naar Beverwijck.

De kolonisten leidden in Beverwijck geen paradijselijk bestaan, maar er waren wel sociale voorzieningen waar ze in moeilijke tijden op konden terugvallen.

Sociale voorzieningen

Armenzorg.

 

Een gedeelte van de Beverwijckse bevolking leefde op de rand van het bestaan. Als zij het financieel niet meer konden bolwerken, hadden ze de mogelijkheid een beroep te doen op de diaconie van de Gereformeerde Kerk. Uit onderzoek naar de diaconieboeken is gebleken dat nooit meer dan 2,6 procent van de bevolking onder de bedeelden viel; het viel over het algemeen dus wel mee met de armoede. Dat de zorg voor de armen voornamelijk op de Gereformeerde Kerk neerkwam, is niet zo vreemd. De Gereformeerde Kerk in Rensselaerswijck en later Beverwijck viel onder de classis Amsterdam en was dus op dezelfde wijze als in de Republiek georganiseerd. De kerkenraad bestond uit een predikant (die fungeerde als voorzitter) , drie of vier ouderlingen en drie of vier diakenen. De ouderlingen en diakenen werden om de twee of drie jaar gekozen, terwijl elk jaar een gedeelte van hen wisselde. De taak van de diakenen was erop toezien dat de circulatie van materiële goederen, die door God in het beheer van de rijken was gegeven, ook plaatsvond. Daar zorgden zij voor door middel van het ontvangen en verdelen van de middelen. 13 Dit deden ze niet alleen voor leden van de eigen kerk maar voor de hele gemeenschap.

De diakenen moesten liefdadigheidsgiften verzamelen en geestelijke en materiële bijstand verlenen. Dit bracht heel wat administratie met zich mee. De boekhouding moest zorgvuldig worden bijgehouden. Daarnaast waren er geen standaardregels voor de hulp die geboden moest worden; elk geval werd individueel bekeken.In de kerkenraad werd vervolgens besproken of er hulp geboden zou worden, hoeveel en op welke manier. De diaconie volgde wel een strategie: met zo min mogelijk middelen moest een zo groot mogelijk rendement worden behaald. Het was de bedoeling dat iedereen in principe slechts tijdelijk gebruik maakte van de armenzorg.

De vormen waarin de hulp werd gegeven verschilden per individu. De meesten hadden slechts tijdelijk hulp nodig in de vorm van voedsel, kleding of geld. Soms deelde de diaconie zulke aalmoezen uit, maar in principe ging ze er vanuit dat de armen zo mogelijk moesten werken voor hun geld. In het kader van het rendementsprincipe werden werkvoorzieningen gecreëerd. Bouwprojecten werden gestart, of men liet de armen sewant rijgen om het geld te verdienen. Op deze manier behielden de armen hun eer. Het betalen van de scholing voor kinderen of het vinden van een leerplaats was ook een manier om de armen te helpen. De armen die niet meer voor zichzelf konden zorgen en niet in staat waren arbeid te verrichten, zoals zieken en bejaarden, werden niet aan hun lot overgelaten. De oplossing die de diaconie hun bood was uitbesteding in gezinnen die hiervoor betaald werden. Dit werd ook met kinderen gedaan waar de moeders niet voor konden zorgen. De medische zorg werd eveneens vergoed door de diaconie. De chirurgijn ontving een bedrag, ‘meesterloon’, voor de armen die hij van medische zorg voorzag.

Het bleef niet bij het verstrekken van hulp. Als de diaconie bijsprong moest ze er op toezien dat de hulp op een goede manier werd gebruikt. Als de bedeelde

het niet eens was met de manier waarop de hulp geboden werd, of het gegeven geld opmaakte in de kroeg, werd de hulp zonder meer stopgezet. De kerk ging in Beverwijck verder dan haar primaire taak. Zij bood een aantal belangrijke sociale voorzieningen die er voor zorgden dat de mensen die het moeilijk hadden niet aan hun lot werden overgelaten.

Onderwijs.

In de Republiek van de zeventiende eeuw werd onderwijs belangrijk gevonden. In elke stad was een openbare school aanwezig waar zowel jongens als meisjes leerden lezen, schrijven, een begin maakten met rekenen en onderwezen werden in de godsdienst. Deze scholen stonden zowel onder burgerlijk als onder kerkelijk toezicht. De onderwijzer had naast het lesgeven op school vaak een taak in de kerkdienst als voorlezer. De scholen die in Nieuw-Nederland werden opgericht waren op dezelfde wijze georganiseerd.

Pas vanaf 1648 is het zeker dat er een schoolmeester aanwezig was in Beverwijck . Waarschijnlijk was dit een particuliere schoolmeester. 14De eerste melding die er van een openbare school in Beverwijck wordt gemaakt, is pas in 1650. De inwoners vroegen het koloniaal bestuur om een bekwame schoolmeester. Niet lang daarna kwam de particuliere schoolmeester Adriaen Jansen van Ilpendam uit Nieuw-Amsterdam naar Beverwijck om een openbare school te beginnen. Hij werd gedeeltelijk betaald door de civiele autoriteiten; het andere deel ontving hij via het schoolgeld dat de leerlingen moesten betalen. In 1655 kreeg hij toestemming om dag- en avondschool te houden. In datzelfde jaar kreeg Ludovicus Cobes voor hetzelfde permissie. Niet alleen kinderen gingen naar school. Ook volwassenen maakten van het onderwijs gebruik.

Inkomsten voor sociale voorzieningen.

Het koloniaal bestuur werd uitgevoerd door de West-Indische Compagnie. Zij vroegen een bijdrage van de bevolking in de vorm van belastingen. Hiervan financierden zij de bouw van wegen en bruggen. De financiering voor de bouw van de Blokhuiskerk in 1655 werd gedragen door de patroon van de gemeenschap. Hij bepaalde ook het salaris van de dominee.

Hoewel het gebied niet meer onder zijn jurisdictie viel, bleef hij toch zeer betrokken bij de gemeenschap.

De inkomsten van de diaconie waren voor een belangrijk deel afkomstig uit de kerkcollectes die op zon- en feestdagen werden gehouden. De opbrengst hiervan verschilde keer op keer. Een andere bron van inkomsten was het plaatsen van armenbussen op strategische punten. Zo’n bus werd bijvoorbeeld neergezet in het café of in het huis van de patroon, zodat ieder die langs kwam een donatie kon doen. De diaconie ontving daarnaast vrijwillige schenkingen van particulieren en soms ook erfenissen in de vorm van boedels en voorwerpen. De verhuur van het doodskleed dat bij een begrafenis om de doodskist werd gelegd bracht bij begrafenissen van kinderen vijf gulden en bij die van volwassenen tien gulden op. Verder kreeg de diaconie de rente over verschafte leningen (10 procent) en droeg de verhuur van land en gebouwen die in haar bezit waren ook bij tot de inkomsten om de uitgaven in balans te houden.

Besluit

Uit deze beschrijving valt op te maken dat Beverwijck een samenleving in opbouw was. In de eerste jaren van haar bestaan moesten de inwoners nog allerlei voorzieningen ontberen die in de Republiek heel gewoon waren. Geleidelijk aan kwamen deze voorzieningen tot stand en groeide Beverwijck uit tot een leefbare plaats voor iedereen.

De nadruk die sommige historici leggen op de sociale instelling van de kolonisten lijkt mij iets overdreven. Natuurlijk was Beverwijck geen samenleving die louter op winstbejag gericht was, maar de meeste kolonisten die naar de Nieuwe Wereld kwamen hoopten wel op financieel succes. De sociale aspecten van de Beverwijckse samenleving werden overgenomen uit de Republiek en dat is op zich niet opzienbarend.

 

Literatuur

 

Frijhoff, Willem, Wegen van Evert Willemsz. Een Hollands weeskind op zoek naar zichzelf, 1607-1647 (Nijmegen 1995)

Jacobs, Jaap, Een zegenrijk gewest. Nieuw-Nederland in de zeventiende eeuw. (Amsterdam 1999)

Kilpatrick, William Heard, The Dutch schools of New Netherland and colonial New York (Washington 1912)

Shattuck, Martha Dickinson, A civil society: court and community in Beverwijck, New Netherland, 1652-1664) (Boston 1993)

Venema, Janny, Kinderen van weelde en armoede. Armoede en liefdadigheid in Beverwijck/ Albany (c.1650- c.1700) (Hilversum 1993)

Noten

 

1. Willem Frijhoff, Wegen van Evert Willemsz. Een Hollands weeskind op zoek naar zichzelf,1607-1647 (Nijmegen 1995) 631

2. Janny Venema, Kinderen van weelde en armoede. Armoede en liefdadigheid in Beverwijck/Albany (c.1650- c.1700) (Hilversum 1993) 14

3. Martha D. Shattuck, A civil society:court and community in Beverwijck, New Netherland, 1652-1664 (Boston 1993) 9

4. Venema, Kinderen van weelde en armoede 27

5. Adriaen van der Donck, Beschrijvinghe van Nieuw-Nederlant (Amsterdam 1656) 21

6. van der Donck, Beschrijvinghe 21

7. Jaap Jacobs, Een zegenrijk gewest. Nieuw-Nederland in de zeventiende eeuw (Amsterdam 1999) 252-253

8. Shattuck, A civil society 149

9. Ibidem, 148

10. Ibidem, 92-93

11. Venema, Kinderen van weelde en armoede 23

12. Ibidem, 24

13. Ibidem, 33

14. William Heard Kilpatrick, The Dutch schools of New Netherland and colonial New York (Washington 1912) 119

 

Onderdeel 4 bezoek New York State Library

new york state library

New York State Library Cultural Education Center 222 Madison Avenue Albany, NY 12230

New Netherland Project

The New Netherland Project was established in 1974 under the sponsorship of the New York State Library to complete the transcription, translation, and publication of all Dutch documents in New York repositories relating to the seventeenth-century colony of New Netherland. This unique resource has already proven invaluable to scholars in a wide variety of disciplines. It also serves to enhance awareness of the major Dutch contributions to America over the centuries and the strong connections between the two nations.

The New York State Library and State Archives hold significant Dutch records which form the core of the materials that the New Netherland Project translates and studies. They include:

  • the Dutch Colonial Council Minutes,
  • VanRensselaer Manor papers,
  • Holland Land Company Records, and
  • archaeological collections from New Amsterdam (present-day New York City) and Beverwijck (present-day Albany).

Translations and transcriptions of documents completed to date

The New Netherland Project provided the foundation for the New Netherland Research Center through its unprecedented and historic research accomplishments and its access to historically significant resources.

Originally created under the sponsorship of the New York State Library and the Holland Society of New York, the New Netherland Project has functioned with grant support from the National Endowment for the Humanities (NEH), along with support from the Office of Cultural Education.

New Netherland Institute

The New Netherland Institute is a non-profit organization dedicated to fund raising for and performing activities that support and relate to the New Netherland Project and the New Netherland Research Center.

Zie voor deel 3 deel 3 Historische reisroute Nieuw Nederland en New England