We hebben 112 gasten online

Deel 2 Oorlog door de Eeuwen heen

Gepost in Serie Oorlog door de eeuwen heen

De slag bij Agincourt 1415

Oorlog in de Griekse wereld

De Griekse Stadstaten

ancient greece

Griekenland bestond uit rond de 8e eeuw v. Chr.uit stadstaten die ieder er een leger op na hielden. De vrije burgers hadden de plicht om in tijden van nood te vechten, meestal als hoplieten (zwaarbewapende voetsoldaten). Omdat onderlinge strijd vaak voorkwam werden de burgers vaak opgeroepen. Deze kleine legers konden geen lange campagnes voeren ( de boeren moesten op bepaalde tijdstippen op hun land werken) maar de man tot man gevechten waren meedogenloos.

Oorlog bepaalde in hoge mate de sociale en politieke organisatievormen en in de Griekse en Romeinse wereld was oorlog eerder regel dan uitzondering.

Het verloop van de Griekse en Romeinse geschiedenis wordt voor alles bepaald door een factor: oorlog. Er was nagenoeg altijd en overal wel ergens oorlog. Op een enkele filosoof na beschouwde men algemeen de oorlog als iets natuurlijks. Maar geleidelijk werd toch vrede de norm, in de zin dat een oorlog officeel moest worden verklaard en beëindigd. Niettemin werden dergelijke verklaringen alleen nodig geacht als het ging om buurstaten of landen die op een zelfde of vergelijkbaar beschavingsniveau stonden. De echte buitenstaanders, de barbaren, mochten zonder enige vorm van wettelijke of morele terughoudendheid worden aangepakt en konden dus uitgeroeid of tot slaaf gemaakt worden — dan wel onderworpen en uiteindelijk gehelleniseerd of geromaniseerd.

De gevolgen van de oorlog waren veelvoudig. In een beschaving die op technologisch gebied nagenoeg stilstond vormde oorlog de belangrijkste drijfveer voor technische vooruitgang.

De stichting van Griekse en later van Romeinse kolonies temidden van barbaarse volken was alleen mogelijk dankzij militaire overmacht. Zonder door zegevierende legers meegevoerde gevangenen had het verschijnsel slavernij nooit zo wijdverspreid kunnen worden.

De typisch stedelijke Grieks-Romeinse beschaving als geheel had zich zonder gebruik van geweld nooit zo kunnen uitbreiden. Het was derhalve de oorlogvoering, uitmondend in een verenigd en pas toen intern vreedzaam gebied rond de Middellandse Zee, die het deze stedelijke beschaving mogelijk maakte door te dringen tot het platteland en tenslotte grote delen continentaal Europa te romaniseren.

Het waren de stadstaten Sparta en Athene met hun respectievelijke bondgenoten die het machtigste waren. In Sparta werden jongens van zeven jaar al getraind voor het te vormen leger. De Spartanen zagen hardheid en fitheid als een van de hoogste deugden. Elke man hoorde bij een eenheid van 40 soldaten die trouw zwoeren aan hun commandant. Deze groepen vormden de basis van het Spartaanse leger, die als enige van de stadstaten een duidelijke hiërarchie had. In Athene waren het voor al de burgers die hun burgerplicht vervulden. De Spartanen domineerden het land terwijl de Atheners de zee domineerden met hun oorlogsschepen.

De Griekse stadstaten moeste hun onderlinge vetes bijleggen omdat er een groot gevaar van buiten af dreigde, de Perzen. De Griekse stadstaten vochten een strijd uit tegen de Perzen in de Perzische oorlogen. Het Perzische Rijk was tot stand gekomen dankzij de overwinningen van Kyros de Grote. In het begin van de 6e eeuw v.Chr. woonden de Perzen rond Susa, iets ten oosten van wat we nu de Perzische golf noemen.Darius overwon de Meden aan de noordzijde van zijn koninkrijk en richtte vervolgens – alvorens een hem vijandig bondgenoodschap kon worden gevormd – zijn aandacht naar het westen, naar de Lydische macht in Klein Azië. Hij versloeg Kroesos, de koning van Lydië en nam Sardis, de Lydische hoofdstad in. Zie het kaartje. De Grieken kwamen in Anatolië in opstand tegen het groeiende Perzische Rijk. Maar Darius sloeg de opstand neer en strafte de Griekse stadstaten die de rebellen hadden gesteund. De eerste Perzische invasie werd in 490 v.Chr. in Marathon tot staan gebracht. Vervolgens werd de opmars voortgezet en zijn zoon en opvolger keizer Xerxes won de slag bij Therpopylae werd uiteindelijk verslagen in de slag bij Salamis en Plataeae.

Perzische oorlgoen

Griekse wapens en wapenuitrustingen

In de vroegste historische periode (8e en 7e eeuw v. Chr.) waren de schilden, gebruikt door de Griekse soldaten, van allerlei vorm en maat. Uit enkele regels, geschreven door de Spartaanse dichter Tyrtaios, zou kunnen blijken, dat zijn streek- en tijdgenoten in de 7e eeuw nog steeds gebruik maakten van een lang, breed schild, dat dijen, schenen, borst en schouders beschermde, ofschoon enkele geleerden van mening zijn, dat we hier te doen hebben met een dichterlijke toespeling op oudere gebruiken. Dergelijke lange schilden werden ondersteund door een lus, die rond de hals en over de schouder werd gehangen. Het schild werd dan verder getild met behulp van een enkele greep voor de linkerhand.

Burgersoldaten

Hoewel de Griekse phalanx het produkt was van een aristocratische wereld, kreeg hij zijn historische betekenis in een andere omgeving. Waarschijnlijk als gevolg van een steeds groeiende concurrentie tussen de stadstaten breidden de meeste Griekse steden in de tweede helft van de zesde eeuw voor Christus hun legers uit. In samenhang met deze ontwikkeling, en dikwijls als een voorwaarde daartoe, werd de wapenrusting lichter en goedkoper. Het resultaat was dat in de vijfde eeuw voor Christus van de wapenrusting van de zware infanterie nog wel de schilden van brons waren, maar helmen, kurassen en scheenplaten niet langer steevast van metaal, maar voor de eenvoudige soldaat gewoonlijk van leer, vilt of linnen waren. Grofweg de helft van de vrije bevolking kon zich op deze manier uitrusten als hopliet, zoals de burgersoldaten werden genoemd.

De hoplietenlegers uit het Griekenland van de klassieke periode waren veel groter dan die van de voorafgaande. Belangrijke steden als Athene, Argos of Thebe konden legers op de been brengen van respectievelijk zo'n twaalf-, zeven- of zesduizend man; Sparta, dat ook gebruik maakte van troepen van eigen grondgebied die niet uit staatsburgers bestonden, kon zo'n zesduizend man in het veld brengen. Toch behield de oorlogvoering te land veel `aristocratische' trekken: hinderlagen en verrassingsaanvallen werden met afkeuring bekeken. De beslissende veldslag had plaats in de vorm van een bloedig toernooi op bekend en open terrein. Krijgsgevangenen werden als regel tegen losgeld vrijgelaten en de doden werden overgedragen aan hun eigen partij, zodat zij op gepaste wijze begraven konden worden.

Bovenal werden andere tactische mogelijkheden dan de hoplietenphalanx tot ver in de vijfde eeuw vrijwel genegeerd. Dit betekende dat de cavalerie onderontwikkeld bleef en dat lichtgewapende troepen met werpsperen, slingers of bogen nauwelijks een rol van betekenis speelden, terwijl fortificaties vrijwel altijd de nog rudimentaire techniek van het beleg konden weerstaan. In sociaal en politiek opzicht betekende het dat de lagere bevolkingsklassen vanwege hun gebrek aan militaire waarde geen politieke invloed konden uitoefenen. De hoplieten konden dit uiteraard wel en de meeste aristocratieën in Griekenland verbreedden hun basis om deze `middenklassen' op te nemen. Alleen in Athene konden de armere burgers als roeiers van de oorlogsvloot een militaire rol spelen. Dit vormt zeker een deel van de verklaring voor de klassieke democratie in Athene.

De oude regels en normen van de archaïsche en aristocratische oorlogvoering leefden in een soort ongeschreven code van `Helleense wetten' nog enigszins voort en hadden betrekking op de oorlog tussen de Griekse stadstaten onderling. Hoe vaak deze code ook verbroken werd, hij voorzag wel in een bepaalde normering en was daarmee in zekere mate een voorloper van het moderne internationale oorlogsrecht. In de praktijk was de hoplietenoorlog niettemin een ruwe en bloedige affaire. Een veldtocht ging gewoonlijk gepaard met de vernietiging van gewassen en boomgaarden. De veldslag zelf was een dodelijk treffen van gespannen amateursoldaten die zich in rijen met vooruitgestoken speren onstuimig op elkaar wierpen. Een percentage gesneuvelden van vijf of tien onder de overwinnaars was heel normaal, waarbij de generaals en officieren in de voorste linies nog de grootste risico's liepen. Aan de zijde van de verslagen partij waren minstens twee keer zo veel slachtoffers te betreuren. Alleen de Spartanen waren gedisciplineerde beroepssoldaten, die gestaag voortmarcheerden waar hun tegenstanders renden, en hun oude oorlogsliederen zongen terwijl de andere partij het uitschreeuwde van opwinding of paniek. Zij konden het zich echter permitteren om hun manoeuvres te oefenen, aangezien ze over een grote bevolking van horigen beschikten die voor het dagelijkse werk zorgden. In zekere zin hielden de Spartanen de praktijken van het archaïsche tijdperk in stand, zowel in de oorlogvoering als op andere gebieden. Van deze behoudende beroepskrijgers waren geen werkelijke vernieuwingen te verwachten. Die kwamen van de amateurs uit de andere steden.

Reeds vóór de Perzische Oorlogen waren er in de uitrusting en in de strijdmethoden van de Griekse militairen al veel geleidelijke, maar fundamentele wijzigingen aangebracht. De rol van de zware infanterie ofwel van de hoplieten was van beslissende betekenis geworden bij de oorlogvoering en de hopliet was sterk aangewezen op zijn beschermende wapenrusting. Het ronde, bolle schild, dat nu andere typen had overvleugeld, had een middellijn van ongeveer één meter. Het was gemaakt van hout, versterkt of beslagen met brons en het was versierd met een blazoen, zoals men dat ook aantreft op middeleeuwse wapenrustingen. Aan de holle binnenzijde was het schild voorzien van twee handvatten, waarvan de ene diende om er de onderarm doorheen te steken, terwijl de andere als schildgreep diende.

Phalanx

Phalanx 1

Na de invoering van de hoplon, het uit de 7e eeuw v. Chr. stammende schild, begon men een nieuwe gevechtseenheid te ontwikkelen. Ofschoon deze term reeds werd gebruikt sinds de tijd van Homeros, werd hij toch de specifieke benaming voor de formatie, waarbij de hoplieten in rijen achter elkaar werden opgesteld soms wel acht diep, ofschoon dit laatste maar zelden het geval was. Deze diepte-rijen stonden dus naast elkaar opgesteld en namen elk 2 tot 2,5 m in beslag. Men noemde dit de open formatie (links boven) en deze normale opstelling maakte niet alleen manoeuvreren mogelijk, maar stelde ook de scherpschutters in de gelegenheid om zich in de achterhoede terug te trekken. Vlak vóór het vechtcontact met de vijand echter sloten de rijen zich van achter af aaneen, zodat elke man nog maar 1 meter manoeuvreerruimte overhield en de linkerzijde van zijn schild zijn buurman dekte. Over deze muur van schilden konden de hoplieten dan hun speer vooruitsteken. De achterste rangen namen daarna de plaats van iedere gesneuvelde in of drongen achter hen op, al naargelang de situatie dit vereiste (links). Omdat iedere man de natuurlijke neiging vertoonde om zich te dekken achter het schild van zijn buurman, vertoonde de falanx een bijna onweerstaanbare rechts-beweging, hetgeen de uitslag van vele veldslagen heeft beïnvloed. De officieren met inbegrip van de koning of de bevelvoerder (strategos) werden geacht in de voorste linie naast de andere goed uitgeruste hoplieten mee te vechten en dus dezelfde risico's te lopen als de rest van het leger.

phalanx

De panoplia van de hopliet. Een dergelijke wapenrusting was erg duur; in onze tijd zouden we de prijs daarvan kunnen vergelijken met de aanschaf van een nieuwe auto. De figuur ( links) draagt een kostbare panoplia, bestaande uit een gegraveerde en gedecoreerde 'Chaldikische' helm, een

eveneens bronzen geleed borstharnas en scheenplaten. Hij voert een ander wapen dan het normale hoplietenzwaard, nl. de kopis, een zwaar hakzwaard. De andere figuur draagt daarentegen de meest eenvoudige vorm van de hoplieten-uitrusting: een ongepantserde tuniek, een eenvoudige klokhelm en vlakke beenplaten.

Het bezit van een hoplieten-uitrusting was kenmerkend voor de gegoede middenklasse.

De Griekse hopliet, circa 480 v. Chr.

HoplitDe afbeelding in kleur laat een hopliet zien die karakteristiek is voor de Perzische Oorlogen. Zijn enigszins verouderde helm is versierd met een kam van natuurlijk paardehaar. Deze waren soms ook zwart, wit of meerkleurig. Hij draagt een kuras, dat versterkt is met metalen plaatjes (maliën) als zelfbescherming. Zijn schild is de befaamde hopton. De beschildering op het schilddeksel werd individueel bepaald en men nam daarvoor dieren of mythologische figuren, zoals hier b.v. de kop van een Gorgon, een populaire schildversiering. Aan zijn benen draagt hij een paar bronzen scheenplaten, die zó zijn gevormd dat zij de spieren van het been en van de knie volgen, hetgeen zowel een decoratieve als een versterkende bedoeling had. Zijn voor -naamste wapen is de lange speer, die in lengte kon variëren van tussen 2 en 3 meter.

De ijzeren punt heeft een tegenhanger in een bronzen kolfspits, die eventueel ook tijdens de aanval kon worden gebruikt. De speer werd als regel bovenarms gedrild en de greep is omwonden met een leren veter. Het tweede wapen is een kortzwaard, dat via een hangband aan de tegenovergestelde schouder is opgehangen. Op deze manier uitgerust en bovendien nog gedekt door het schild van de man naast hem was de soldaat van kop tot teen beschermd en had met zijn lange speer een groot steekbereik. Hoplieten als deze verdedigden Thermopylai, vochten als zeesoldaten bij Salamis en wonnen de slag bij Plataiai.

De uitrusting van de hopliet voor zelfbescherming

De hoplon, het schild waaraan de hopliet zijn naam ontleende en die tevens zijn vechtmethode bepaalde, was van een zware constructie en tamelijk groot. Het ging uit van een houten schaal, waarvan de buitenkant beplaat werd met brons en de binnenkant met leer werd overtrokken. Het werd vastgehouden door middel van een (meestal bronzen) insteekbeugel voor de onderarm en een handgreep.

Het schildgedeelte dat tegen de arm rustte, was vaak voorzien van een extra beschermplaat van brons. De omvang van het schild bracht mee, dat het nogal zwaar was, ongeveer 8 kilo. Soms hing men nog een leren voorschoot aan de onderkant van het schild om de benen van de hopliet tegen pijlen te beschermen.

Het lichaam zelf werd beschermd door een kuras. Het duurste type hiervan was het gelede, van brons vervaardigde kulas, maar de meest voorkomende rompbescherming bestond uit een tuniek, gemaakt van verschillende lagen linnen of zeildoek (canvas), die aan elkaar werden gelijmd om zo een stijve borstrok te vormen (linothorax). Deze werd dan vaak weer versterkt met metalen plaatjes of maliën (schubben). Dit soort kuras verving het vroegere bronzen kloktype. Het kuras zelf bestond uit een rompstuk, waarin men gaten had gelaten voor de arminsteek en onderaan hingen twee rijen dakpansgewijs over elkaar gelegde plaatjes, de z.g. 'vleugels' (pteruges). Men sloeg dit harnas rond het lichaam en vlocht het vast aan de linkerkant, waar de naad werd beschermd door het schild. Een schouderkuras of juk, dat vastgebonden werd aan het borstkuras, completeerde de bepantsering. Er werden overigens verschillende modellen gebruikt, waarbij vaak de pantservleugels afneembaar waren en ook de schouderplaten verschilden van vorm.

Het hoofd werd beschermd door een bronzen helm die — zij het niet altijd — voorzien was van een paarde-haren kam. Het afgebeelde exemplaar — van het z.g. Korintische type — blijkt het meest gebruikt te zijn geweest, maar er kwamen ook zeer veel andere vormen voor. De onderbenen werden beschut door een paar bronzen scheenplaten, die rond het been werden geklemd en dus niet werden vastgebonden. In vroegere tijden gebruikte men ook dij-, arm- en voet-beschermingsplaten, maar tegen de tijd van de Perzische Oorlogen waren deze bijn geheel in onbruik geraakt, omdat ze de bewegingen belemmerden en de lichaamsuitrusting zeer verzwaarden. Niettegenstaande dat was de hopliet toch een goed bepantserd soldaat.

Boven de vlakke, brede rand van zijn schild werd het hoofd van de hopliet goed beschermd door een bronzen helm. Dit model, dat bekend staat als de 'Korintische' helm, kon tijdens de slag voorover worden getrokken zodat het gelaat door een vizier werd beschermd, waarbij slechts spleten overbleven voor de ogen en voor de ademhalingsopeningen van neus en mond. Buiten het gevecht kon deze helm zó naar het achterhoofd worden verschoven, dat het gezicht vrij bleef. In deze stand treft men deze helm meestal aan op beelden en vaasschilderingen en munten. Er bestaan echter ook meer ingewikkelde helmtypen die overigens niet zelden voorkwamen , met beweegbare vizieren en wangplaten. Vaak waren de helmen voorzien van hoog opwuivende, paardeharen pluimen, die zich gewoonlijk op het bovenvlak van de helm bevonden, tussen de voor- en achterkant. Omdat het ronde schild, dat door de hoplieten werd gebruikt, hen niet helemaal meer beschermde, hadden zij beenbeschutting nodig en deze werd aangebracht in de vorm van scheenplaten. Aldus was de Griekse 'zwaarbewapende' van kop tot teen op afdoende wijze bepantserd.

Het voornaamste aanvalswapen van de Griekse hopliet was zijn lange speer, die wel drie meter lang kon zijn. In tegenstelling met de Homerische werpspiesen waren dit uitsluitend steeklansen, niet bestemd om te werpen en ze waren voorzien van een ijzeren punt. De hopliet droeg ook een kort steek- en hakzwaard voor het gevecht van man tegen man.

Anders dan de hopliet droeg de Griekse cavalerie, die overigens niet talrijk was, geen wapenrusting en geen schild. Hun wapen was de werpspies of javelijn, waarvan zij er soms twee of meer meedroegen. Ze werden gerekruteerd uit de meer welgestelde kringen, omdat alleen rijke mensen zich een paard konden veroorloven. Vaak droegen zij een breedgerande hoed, maar deze was meer bestemd om hen tegen het weer te beschermen dan tegen de vijand. De Grieken reden gewoonlijk zó op de paarderug of ze gebruikten slechts een zadelkleedje. Ze gebruikten ook geen stijgbeugels en hun paarden waren onbeslagen.

Behalve over de zware infanterie en een zeer licht gewapende cavalerie beschikten de Griekse legers ook over de z.g. 'licht-gewapenden', voetvolk, die men de peltastai noemde naar de pelte, het lichte schild, waarvan zij zich bedienden. Zij waren bewapend met een bundel werpspiesen en ze werden voornamelijk ingezet voor de verkenning, het eerste vechtcontact of sluipovervallen: drie acties, waarbij gooien en wegwezen het principe was, Men ging er dan ook niet vanuit, dat zij een zware aanval zouden kunnen doorstaan.

Bij hun lichte troepen maakten de Grieken ook gebruik van boogschutters en later vochten deze ook te paard. In Athene werd een vaste boogschuttersafdeling gebruikt voor politieke doeleinden, maar dit waren Skythische slaven, die uit de staatskas werden aangekocht uit Noord-Griekenland. De meest beroemde Griekse boogschutters waren de Kretenzers, maar deze hebben echter niet deelgenomen aan de Perzische Oorlogen.

De vechttechniek van de hoplieten

De Griekse hoplietentactieken kunnen ofwel worden beschouwd als het resultaat van hun specifieke bewapening en bepantsering ofwel als de factor, die juist de vorm daarvan heeft bepaald. Het woord falanx, dat (bijna altijd in het mv.) door Homeros wordt gebruikt om het gewone voetvolk in het leger aan te duiden, krijgt in de klassieke tijden de strikte betekenis van de dichte formatie, waarin de hoplieten zich opstelden. Er heeft een sterke neiging bestaan om de diepte van deze formatie steeds verder op te voeren, maar in de tijd van Xenofoon was deze vier rijen diep en dit moet in de 5e eeuw als normaal worden beschouwd. Bij deze opstelling konden de lange lansen van de tweede rij over de schilden van de eerste rij worden heengestoken om zo gezamenlijk de vijand te kunnen opvangen. naargelang het aantal rijen toenam, moest ook de lengte van de lansen natuurlijk worden vergroot.

De veronderstelling is vaak geuit, dat de voornaamste rol van de achterste rijen moet zijn geweest de formatie letterlijk te 'verzwaren', ongeveer zoals dat het geval is bij een moderne rugby-scrum, waarbij beide zijden blijven duwen tot een van beide partijen meegeeft. Bij een dergelijk soort gevecht zouden lange lansen tamelijk onwaarschijnlijk zijn en — vooral voor de achterste rijen — eerder een hinderpaal dan een hulpmiddel. Het is nochtans goed mogelijk, dat een treffen ontaardde in een dergelijke strijdmethode. De lanspunten uit de klassieke tijd waren — in tegenstelling met de wapens van sommige oude volken — gemaakt van zacht staal en niet meer van zacht ijzer; naar moderne opvattingen waren ze slecht gehard, zodat het voor de hand ligt, dat ze vaak niet in staat zullen zijn geweest de muur van bronzen wapenrustingen tegenover hen te doorboren. In een dergelijke situatie zal de 'scrum'-tactiek vanzelf wel eens zijn toegepast. Bij de onmogelijkheid de vijandelijke linie te doorbreken of opzij te dwingen bleef alleen nog maar de mogelijkheid over deze terug te duwen.

Bij een gesloten formatie beschermde ieder schild niet alleen de linkerzijde van de drager ervan, maar ook de rechterzijde en de lans-dragende arm van zijn buurman. Bij het verbreken van de formatie ging dit voordeel verloren; de legerafdeling, die een vijandelijke formatie wist te breken met behoud van de eigen formatie, had de slag gewonnen. Na het verbreken van de formatie sloeg een leger gewoonlijk op de vlucht. De hopliet, die zijn heil zocht in de vlucht, moest zich uiteraard ontdoen van zijn zware schild; en zo betekent het woord ripsaspis — lett. 'iemand die zijn schild weggooit' — nog tot in het moderne Grieks toe 'deserteur'. lioratius, die schrijft in de Ie eeuw v. Chr., geeft eerlijk toe, dat hij zijn schild heeft weggegooid toen hij vocht voor Brutus en Cassius in de slag bij Filippi. Zijn eerlijkheid werd waarschijnlijk aangemoedigd door de voorbeelden van vroege Griekse dichters, die dank zij hun vlucht hun leven hadden gered, maar toch het schuldig uitspraken over hun eigen falen.

Bij vele veldslagen in de Oudheid valt de enorme wanverhouding op tussen het ontzaglijk aantal slachtoffers bij het verslagen leger en de bijna te verwaarlozen verliezen bij de overwinnaars. Dat komt, omdat de eigenlijke slachting pas plaatsvond ná de slag, nl. tijdens de daarop volgende jacht op de vluchtelingen. De Spartanen sloten de vlucht als redmiddel uit. Ze werden aangespoord om of-

Professionalisering

Na de Perzische oorlogen (490 en 480-479 voor Christus) hadden de zegevierende Grieken hun onderlinge rivaliteit weer opgevat en was de stad Athene, dankzij haar vloot en haar hoplieten, in staat gebleken een heel bondgenootschap van steden aan zich te binden en feitelijk te onderwerpen.

athene sparta en bondgenoten

De hieruit voortvloeiende Peloponnesische Oorlog (431- 404 voor Christus) — Athene en haar `bond' tegen het merendeel van de steden van het Griekse vasteland onder aanvoering van Sparta — luidde een nieuwe fase in de oorlogvoering in die ten slotte het einde zou betekenen van de onafhankelijkheid van de verschillende Griekse stadstaten. De bittere strijd bracht nieuwe taktieken en technieken voort.

grafzuil Peloponesische oorlog

Grafzuil van twee jonge, gevallen Atheense krijgslieden Chairedemos en Lykas (420-410 v. Chr.) tijdens de Peloponnesische Oorlog.

Ten eerste was er de terugkeer op het strijdtoneel van de lichtgewapende troepen en met hen de hinderlaag en de krijgslist. De cavalerie werd belangrijker. De belegeringstechniek ontwikkelde zich; het gebruik van belegeringswerktuigen kwam in zwang en werd in de daaropvolgende eeuw geperfectioneerd.

Bovenal verspreidde het professionalisme zich. In de laatste jaren van de vijfde eeuw was men getuige van de opkomst van de huursoldaat. Toch wisten de burgerhoplieten zich in de vierde eeuw lange tijd staande te houden tegen de nieuwe machten. Eerst was het Sparta na haar zege over Athene, daarna Thebe dat gebruik maakte van een nieuwe slagorde waarin nog steeds de eigen burgers als hoplieten dienden, die in Griekenland een precair overwicht wisten te handhaven. Intussen diende de toekomstige orde zich aan in het noordelijke Macedonië. Daar schiep koning Philippus een beroepsleger, dat hij recruteerde uit zijn eigen bevolking en betaalde uit de opbrengst van zijn pasverworven goudmijnen. Het bestond uit een nieuw soort zwaargewapende infanterie, opererend in bataljons (falanxen). Gewapend met speren van zo'n vijf meter lang die met twee handen moesten worden vastgehouden en de omvang van het schild aan de linker elleboog dus drastisch verkleinden, konden deze troepen in dichtgesloten gelederen iedere tegenstander bijna letterlijk van het slagveld vegen.

Phalanx Filips van Macedonië

Naast de infanterie waren er min of meer professionele ruitertroepen, gerecruteerd uit de Macedonische lagere adel. In 338 voor Christus versloeg Philippus bij Chaeronea de verenigde legers van Athene en Thebe. Daarmee bracht hij tevens het tijdperk van de burgerhoplieten zo goed als ten einde. Nagenoeg heel Griekenland moest zich onderwerpen aan zijn leiderschap. Zijn zoon Alexander voerde vervolgens het Macedonische leger aan — versterkt met huurlingen en contingenten uit Griekenland — in de strijd tegen het Perzische Rijk (334-323 v. Chr.) in de grote veldtocht van wraak, glorie en verovering waarmee een nieuw tijdperk aanbrak: het Hellenisme.

Rijk van Alexander

In het hellenistische tijdperk (eind vierde tot eind eerste eeuw voor Christus) was oorlog voeren een professionele aangelegenheid. De legers van de staten in Europa, Azië en Egypte die ontstonden na Alexanders veroveringen bestonden uit beroepssoldaten, of het nu huurlingen uit het buitenland waren of Griekse of Macedonische kolonisten in de pas veroverde gebieden.

Ze vochten in de Macedonische falanx, in bataljons van lichtgewapende troepen of in cavalerieregimenten. Het was een periode van diversificatie van de legers, zelfs van experimenten (zoals bijvoorbeeld het gebruik van uit India overgebrachte olifanten, zonder al te veel succes overigens). Veldslagen werden steeds gecompliceerder en meer afhankelijk van de samenwerking tussen de diverse `wapenen'.

De logistiek en taktiek vereisten meer aandacht en een generaal kon nu veel duidelijker uitblinken dan met de eenvoudige gevechtstaktieken in de dagen van de hoplieten. En dus werd het tijdperk van het Hellenisme de periode van de grote strategen en tactici. De techniek van de belegering bereikte zijn hoogtepunt en de bouw van vestingen en stadswallen, hoe zeer ontwikkeld ook, bleef daarbij achter.

Voor het eerst in de geschiedenis werden wetenschap en techniek op min of meer systematische wijze toegepast in de gewapende strijd en er verschenen theoretische verhandelingen over de krijgskunst. De legers van de grote koninkrijken in Egypte, Syrië of Macedonië waren vanzelfsprekend veel groter dan die van de klassieke stadstaten (de aantallen liepen op tot zeventig- of tachtigduizend), maar vertegenwoordigden niettemin een veel kleiner deel van de bevolking.

Nu het oorlogvoeren in handen was van beroepsmilitairen kenmerkte deze periode zich namelijk door een feitelijke ontwapening van de burgers, met name van de onderworpen oosterse volkeren. Legers waren uitgegroeid tot het instrument van regeringen en koningen, en uitgestrekte gebieden konden worden beheerst door ervaren troepen in kleine garnizoenen. Van een organisch verband tussen de militairen en de rest van de bevolking was niet langer sprake. Door het wisselvallige verloop van een oorlog konden enorm grote gebieden gemakkelijk worden ingenomen of door rivalen of vreemde volkeren onder de voet worden gelopen. Uiteindelijk konden de helinistische staten geen weerstand meer bieden aan druk van buitenaf. In het oosten waren het de Iraanse volkeren, met de Parthen voorop, die het grondgebied tot aan de Eufraat heroverden. De rest ging door de knieën voor de Romeinen.

Griekse vlooteenheden en zeestrijdmethoden

De gouden tijd van de galei

Ongeveer 5000 jaar geleden verscheen in Egypte het eerste houten oorlogsschip. Het was een galei die een vierkant getuigd zeil combineerde met veertig roeiers. De voor- en achterdekken waren verhoogd om boogschutters en speerwerpers een betere positie te geven, en sommige schepen hadden boven de waterlijn een stootkussen.

Vanaf de 16de eeuw v. Chr. bestond er een duidelijk verschil tussen het langzame 'ronde' koopvaardijschip en de unireme (van het Latijnse remus, 'roeiriem'), de smalle, snelle eenmaster met scherp gekromde voorsteven en één rij roeiers. In 1100 v. Chr. groeiden de Feniciërs uit tot de belangrijkste zeemacht in het Middellandse-Zeegebied. Hun galeien telden twee rijen roeiers (bireme) en hadden een lange romp met een hoge achtersteven. In 800 v. Chr. was dit het belangrijkste type oorlogsschip. Ook de Grieken gingen rond 700 v. Chr., toen de maximumlengte (twintig meter, vijftig roeiers aan beide kanten) van hun ééndeks-pentekontor werd bereikt, over op biremes. Enkele generaties later kwam de trireme, een snelle galei die veertig bij vier meter mat en een bemanning van 200 man telde, inclusief de in drie rijen gezeten 170 roeiers en een kleine groep zwaargewapende zeelieden. Op dit ranke, wendbare schip was weinig ruimte voor proviand, zodat iedere avond een haven moest worden aangedaan.

De taktiek was tamelijk elementair: twee rijen galeien trachtten elkaar te vernietigen door elkaars schepen te rammen en te enteren. In ±500 v. Chr. deed ook de diekplous zijn intrede: het doorbreken van de vijandelijke linie, gevolgd door een aanval in de flank; verder was er de periplous: het zo breed houden van de linie dat de vijand in zijn kwetsbare flank kon worden aangevallen. Na de slag bij Salamis (480 v. Chr.), waar deze tactiek werd toegepast, werd de trireme de ruggegraat van de Griekse vloten. Aan het eind van de vierde eeuw rustte Demetrius I Poliocetes van Macedonië zijn schepen verder uit met zware projectielen, katapulten en ballista's (steenwerpers), zodat het mogelijk werd om van grotere afstanden aan te vallen. Ook werd de snelheid van de schepen opgevoerd door meer roeiers aan één riem te zetten. Rome steunde traditioneel op zijn landleger, maar gedurende de Punische Oorlogen (vanaf 264 v. Chr.) werd de stad gedwongen zich te ontwikkelen tot een zeemacht. Romeinse corvus-galeien werden uitgerust met een loopplank en een enterhaak. Entertaktieken waren nu belangrijker dan het rammen van een schip.

Na de Tweede Punische Oorlog was Rome oppermachtig op zee en maakte het conventionele, van meer dekken voorziene ramschip zijn come-back. Deze galei had nu een sprietzeil (artemon), twee torens voor de boogschutters en een enterhaak (harpax) die tevens kon worden afgeschoten. Voor het varen in konvooi en het bestrijden van piraten deed een lichtere unireme zijn intrede. Dit meer dan 30 meter lange schip zou tot ver in Byzantijnse tijden in gebruik blijven. De laatste galeien verdwenen pas aan het eind van de achttiende eeuw.

Het is niet gemakkelijk in het algemeen iets te stellen over de Griekse oorlogsvloottactiek en evenmin over hun scheepsbouwtechniek, omdat deze van stadstaat tot stadstaat verschilden. De Peloponnesiërs b.v, namen veel meer hun toevlucht tot enteracties dan de andere Grieken. De Atheners, als sterkste zeemacht, blonken vooral uit in het gebruik van de ram. Bij een Griekse galei werd deze ram gevormd door de voorste punt van de kiel, die - zwaar gepantserd — juist boven het waterniveau uitstak. De boegribben van het schip waren bevestigd aan de onderkant van de kiel, juist achter de ram. Hiernaast werd de stijloplopende voorsteven van het schip op gelijk niveau met de roeidekken voorzien van drie, eveneens gepantserde, voortanden. Als de ram onder de waterlijn diep in een vijandelijk schip binnendrong, kwamen deze metalen vorken eveneens in contact met de opbouw van de romp van het vijandelijke schip en vernielden dit daarmee nog verder. Ze dienden tevens als bescherming van het voorschip van de aanvaller en men kan gemakkelijk begrijpen, dat zij met een verwoestende uitwerking konden worden aangewend om de roei- of stuurriemen van de vijand te kraken. Een dergelijke oorlogsgalei was eerder een aan een ram bevestigd schip dan een schip, voorzien van een ram. De aanval op de roei- en stuurriemen van het vijandelijke schip was dikwijls een inleidende fase op het eigenlijke rammen. Het aanvallende schip draaide scherp rond de spiegel of achtersteven van zijn tegenstander en brak tijdens deze manoeuvre de roei- en stuurriemen. Vervolgens draaide het scherp terug en ramde het gehandicapte en hulpeloos geworden slachtoffer in het volledig vrijliggende zijboord.

Stuurboord- of bakboord waren uiteraard aangewezen plaatsen om een vijandelijk schip aan te vallen en dit kon voornamelijk worden gedaan, als men als commandant werkelijk verstand had van wind en water. Een tegenstander die machteloos door de golven ploegde, op drift of uit het ritme raakte met betrekking tot de roeikracht, was een voor de hand liggende prooi. Om voordeel te trekken uit een plotselinge windstoot of een roerige zeebeweging moest de aanvaller natuurlijk zelf deze factoren nauwkeurig hebben ingecalculeerd en superieur blijven aan deze willekeurige bewegingen van de elementen; hij moest derhalve niet alleen beschikken over een betere zeemanskunst, maar ook over een zeewaardiger schip dan de vijand. Vooral de Atheners konden bogen op deze beide voordelen.

De boven beschreven tactieken hebben ruimschoots toepassing gevonden bij de zeeslag van Salamis, ofschoon er weinig ruimte kan zijn geweest voor de toepassing van de diekplous — die in elk geval gekeerd had kunnen worden door de inzet van gesloten scheepsformaties. De Fenicische oorlogsbodems van de Perzische vloot beschikten over een hogere achtersteven en hogere dekken dan die van de Grieken en de boogschutters en spieswerpers, die deze bemanden wisten volledig gebruik te maken van hun hogere positie. Van de andere kant vertoonden deze hogere schepen minder stabiliteit en een geringere wendbaarheid bij ruw weer. Op het advies van Themistokles wachtten de Grieken op het opsteken van een voor hen gunstige wind om daarna pas hun aanval in te zetten. De zeeslag werd geopend door een Grieks schip, dat een Fenicisch schip ramde, waarvan de rijkversierde achtersteven werd afgerukt. Zeeziekte verhoogde nog de moeilijkheden van de aanvallers (Perzen), terwijl de nauwe straat al spoedig werd versperd door vernielde schepen, gebroken riemen, lichamen en de overige chaotische resten van een zeeslag.

De Pentekonter

Scheepsbreedte: ongeveer 1 meter; scheepslengte: ongeveer 20 meter. Diepgang, circa 80 cm.

Pentekonter

Bemanning: kapitein, keleustes (bootsman, ritmeslager), 50 roeiers, roerganger, 4 — 5 man dekpersoneel. De 'vijftig-roeiersschepen', waarover Homeros het heeft, hoeven niet noodzakelijk contemporair te zijn aan de val van Troje, maar kunnen ook uit zijn eigen tijd stammen, circa 800 v. Chr. Voorlopers daarvan waren de grote oorlogskano's en de met huid beklede schepen uit het Bronzen Tijdperk, maar deze vaartuigen zijn al heel wat verder ontwikkeld. Ze werden voornamelijk gemaakt van pijnbomenhout en den, die bedekt waren door een gladde, gespannen karveelhuid, die men later van ribben voorzag. Twee boven elkaar geplaatste relingen werden bevestigd boven de dolboorden om de riemen te dragen en deze een grotere hefboomkracht te geven. Mast en zeil werden gebruikt voor langere reizen,maar deze werden achtergelaten op de wal als een zeegevecht aanstaande was, omdat dit extra-gewicht het vaartuig zou vertragen en minder stabiel zou maken, hetgeen de manoeuvreerbaarheid zou aantasten en het vaartuig kwetsbaar zou maken voorrampogingen. Twee grote roeiplanken of peddels waren bevestigd aan deachtersteven om het schip bij te sturen.

Later werden deze asymmetrisch gemaakt en dus gemakkelijker wendbaar (zie de Trireme).Omdat deze schepen weinig meer voorstelden dan open roeiboten, volgepakt met roeiers, waarbij weinig uimte overbleef voor voedsel en water, werden ze als regel iedere avond op het strand getrokken en waagden zij zich nooit ver van de kust. Tijdens de zeeslag probeerden de schepen elkaar te vernietigen door te rammen of door te enteren. Hierbij bleef het grotere schip natuurlijk in het voordeel, zodat oorlogschepen een snelle ontwikkeling ondergingen van 20- via 30- tot 50-riemsgaleien. Hiermee was vrijwel de grens bereikt van de eendeks-roeiers.

De Bireme

Bireme

Toen de constructieve lengtegrens was bereikt, kon men het vermogen (de roeikracht) alleen nog maar verhogen door de roeiers op verschillend niveau te plaatsen. De vroegste bireme of tweedekker stamde van de Feniciërs, circa 700 v. Chr. Het hier afgebeelde model, later gebruikt door piraten, werd een hemiolia of anderhalf-dekker genoemd. Dit is omdat de 14 achterste roeiers op het bovendek (zeven aan elk boord) tevens dienden als dekbemanning en zo het schip in staat stelden onder zeil te varen, zodat nog anderhalf roeiersdek in gebruik bleef en men zo snelheid kon paren aan gestadige stuwkracht. Als men handgemeen werd, werd de mast neergelaten en werden alle riemen bemand voor het uiteindelijke contact. Het gebruik van een zeil stelde hen ook in staat om uit te lopen op oorlogsschepen die alleen met roeiers bemand waren. Later ontwierp de vloot van Rhodos een piraten-vangschip, dat triemiolia of twee-enhalf-dekker, een soort trireme, die bovendien was uitgerust met een snelle 'neerklap'-mast.

Gevechtstactieken ter zee

De twee voornaamste strijdmethoden stelden tegenovergestelde eisen aan de bouw van de daarbij betrokken oorlogsschepen. De eerste methode was het rammen van de tegenstander: hiervoor moest het schip zo smal mogelijk zijn, maar een zo groot mogelijk aantal roeiers kunnen dragen. De Atheense vloot met zijn klein aantal matrozen ging van deze filosofie uit. De andere tactiek was het enteren. Deze vereiste grotere schepen, in staat om een zo groot mogelijke bemanning te dragen. Deze entertactiek kreeg langzamerhand de overhand, omdat men voor het rammen contact met het andere schip moest maken, iets wat de enteraars natuurlijk wensten. Vandaar dat men grote schepen ging bouwen met volledige dekken. De manoeuvreer- en ramstrategie berustte voornamelijk op twee tactieken - de diekplous en de periplous. De periplous bestond eenvoudig hierin, dat men de strijdlinie zo verbreedde, dat men de vijand aan de flanken te buiten ging en hem dus in zijn kwetsbare zijde kon raken.

In zijn eenvoudigste vorm betekent de periplous, dat de vloot met het grootste aantal schepen aan beide zijden de linie van de vijand te buiten gaat. In het schema links laten wij hier een meer uitgewerkte versie van zien. De schepen van de rode vloot retireren langzaam ten overstaan van de oprukkende blauwe tegenstanders, waarbij ze echter hun rammen naar de vijand gekeerd houden en ze houden dit vol, totdat enkele van hun flankschepen het zijboord van een vijandelijk schip kunnen aanvallen. Terzelfder tijd beëindigen de overgebleven schepen hun terugtrekkende manoeuvre en gaan eveneens tot de aanval over. Deze tactiek werd veelvuldig toegepast, duidelijk ook bij de slag van Salamis (480 v. Chr.), waar de Grieken deze gebruikten tegen de Perzen met dien verstande, dat zij hun ramschepen op de flank achter een oprijzende landtong hadden verborgen. De eenvoudige versie werd eveneens met succes toegepast door Demetrios Poliorcetes tegen Ptolemaios in de slag van Salamis op Cyprus (306 v. Chr.).

De diekplous was ingewikkelder en vroeg om een voortreffelijke roeitechniek en een nauwkeurige tijdbepaling en had dan ook de voorkeur van degenen die de manoeuvreer- en ramstrategie voorstonden. De formatie waarbij men meer dan één linie vormde, werd ook snel ingevoerd. Bij de verdedigingstactieken hoorde ook de kuklos. De enteraars stonden enterhaken en -planken ter beschikking.

De Diekplous

De rode vloot, die sneller en wendbaarder is dan zijn tegenstander, heeft de opzet de blauwe eskaderlijn te doorbreken en een treffen te veroorzaken, waarbij hij uiteindelijk in het voordeel zal blijven. (1) Voorafgegaan door het vlaggeschip nadert hij de vijand in kiellinie. (2) Het rode vlaggeschip wendt — door het plotseling terugslaan aan één zijde — de steven naar een vijandelijk schip en, geholpen door het eigen gewicht van dit blauwe schip, verbrijzelt het de roeiriemen daarvan, zodat het hulpeloos achterblijft. (3) Het rode vlaggeschip maakt opnieuw vaart dn kiest een volgend slachtoffer uit. De vernietiging van het verkreupelde blauwe schip wordt voltooid door het volgende rode schip. Elk blauw schip, stelt daarmee zijn kwetsbare zijkant bloot aan de volgende rode schepen. De tegentactiek is de schepen in twee linies op te stellen, hetgeen een diekplous in een zelfmoordpoging zou veranderen. Nadeel hiervan was dat dit de effectieve gevechtslinie zo verkort, dat de vloot daarmee weer kwetsbaar wordt voor een periplous.

De kuklos (verdedigingsring)

De kuklos

Bij het groeien van de schepen kwam ook meer ingewikkelde apparatuur in zwang: katapulten om te doden en zo de dekken te zuiveren voor men tot enteren overging; de corvus (een soort zwaaibrug); torens om de schutters het voordeel van de hoogte te bezorgen en ten slotte de harpax, een via een katapult afgeschoten enterhaak. Toen de Romeinen van de Middellandse Zee hun particuliere roeivijver maakten en dus de behoefte aan steeds grotere schepen verflauwde, keerde men terug naar kleinere, kostenbesparende schepen (de liburnae).

De Griekse Trireme, circa 500 v.Chr.Lengte: 38 — 41 m

Griekse trireme

Binnenbreedte: 3 — 4 m (met dolboorden 5,5 m) Roeilengte 4,25 — 4,5 m Diepgang: 0,9 — 1,2 m

Bemanning: 200 — van wie 170 roeiers 62 bovenroeiers (thanite) 54 middenroeiers'(zygite) 54 onderroeiers (thalamite) zeesoldaten: 10 hoplieten 4 boogschutters (Athene) Andere schepen hadden wel 40 zeesoldaten.

Bemanning: 15 + de kapitein (trierarh) en een bootsman om via fluiten het ritme aan te geven.

Deze roeiers waren geen slaven, maar uitstekend geoefende beroepsroeiers, die men rekruteerde uit de lagere klassen.

.De reconstructie is gebaseerd op een groot aantal verschillende bronnen, o.a. munten (met betrekking tot het totale uiterlijk), opgravingen van de loodsen, waarin deze schepen werden opgeborgen (voor de afmetingen) en ons nagelaten vlootboekhoudingen (voor het aantal roeiers en voor de bootbeschildering — grote hoeveelheden okerverf werden blijkbaar gebruikt). Literaire bronnen laten ons weten dat men in deze periode slechts één roeier per riem gebruikte en dat de Fenicische schepen hoger waren opgebouwd dan de Griekse en meer zeesoldaten met zich meevoerden. Dit betekent ook, dat de Griekse oorlogsbodems niet beschikten over het verhoogde dek van hun Fenicische tegenspelers, ofschoon sommige reconstructies deze bijzonderheid wel degelijk opnemen.

De constructie van een dergelijk schip lijkt sterk op die van een moderne 'acht', d.w.z. de romp, gemaakt van karveelplanken, werd eerst gemaakt tot één strakke, aaneengesloten schelp, waarin pas later de ribben bevestigd werden.

Deze boten waren zo licht en onstabiel (samenhangend met hun smalte), dat men van de roeiers niet anders kon verwachten dan dat zij hun werpspiesen wierpen en hun stenen slingerden vanuit een zittende positie; wij vernemen later van een admiraal, die een havensluitboom weet te overwinnen door al zijn mannen naar achteren te dirigeren, zodat de boeg boven water uitsteekt. De parablemata (leren schermen) zijn bestemd om de roeiers te beschermen tegen werpspiesen en andere projectielen.

Omdat deze schepen in verhouding tot het aantal bemanningsleden erg klein waren, moesten zij 's avonds aan land gaan om voor water en voedsel te zorgen. Dit betekende dat zij voortdurend de beschikking moesten hebben over een operatiebasis (gewoonlijk een beschutting biedende kust) en deze eis bepaalde ook in zeer sterke mate de aangewende zeekrijgstactieken.

Zie voor deel 3: Deel 3 Oorlog door de Eeuwen heen