We hebben 412 gasten online

Deel 14 Oorlog door de Eeuwen heen

Gepost in Serie Oorlog door de eeuwen heen

 De slag bij Agincourt 1415

Kastelen en vestigingen

De bouw van een kasteel

De bouw van een kasteel vergde planning en er moest veel mankracht en materiaal bijeengebracht worden. Natuur- en baksteenkastelen vereisten enorme inspanningen, financieel voor arbeidskrachten en materiaal, fysiek om alles naar de uitverkoren bouwplek te brengen — die vaak in onvriendelijk gebied lag. Toch werd dit keer op keer volbracht.

De eerste taak was het uitkiezen van een geschikte plek. Waar mogelijk profiteerde men van natuurlijke voordelen, vandaar de vele kastelen op heuvels, rotsen of bergruggen. Een rotsfundering was altijd het beste, want het weerhield vijanden van het ondermijnen. Rivieren boden niet alleen te gelegenheid tot een slotgracht, ze waren ook een levensader bij belegeringen en een obstakel op zichzelf. Was er goed weideland of bos vlakbij, des te beter.

Houtwerk en steen

Hout werd overvloedig gebruikt. Bekisting om cement te vormen, daken, balken en vloeren, deuren, vensterluiken en betimmering — alles werd van hout gemaakt, net als alle steigers. In de muren liet men gaten open — bulstergaten — om steigerbalken in te steken; gaten onder de kantelen dienden voor de bevestiging van verwijderbare houten hordijzen.

Waar geen hout werd gebruikt, was steen het meest gangbare materiaal. Soms kon men keien uit greppels gebruiken, maar normaal was lokale steen alleen goed voor met puin gevulde muren. Behouwen steen moest elders worden gehakt en per wagen of boot aangevoerd worden.

Kalksteen uit Caen in Normandië was erg geliefd in Noord-Frankrijk en Engeland. Zulke behouwen steen gebruikte men vaak voor hoeken, vensters en andere plekken waar reliëf nodig was. Baksteen kwam steeds meer voor in de late Middeleeuwen, vooral in lager gelegen gebieden waar voldoende klei voorhanden was. De specie werd gemaakt van zand, kalk en water; de kalk werd soms ter plekke gemaakt door het branden van kalksteen. IJzer was nodig voor spijkers en gereedschap. Pleister gebruikte men gewoonlijk alleen binnen, net als, in enkele gevallen, vensterglas. Vaak waren buiten- en binnenkant van een muur van fijne blokken, en vulde men het binnenste met puin en mortel. Sommige steenblokken dragen steenhouwersmerken. Vooral in de 11e eeuw werden muren gebouwd rond een skelet van palen.

De werktuigen verschilden weinig van die van vandaag. Een takelblok of een door een tredmolen aangedreven lier hees stenen en hout. Palen werden geheid met een heiblok, of men bouwde een houten fundering op zachte grond. Een groot kasteel kon 2 tot 10 jaar bouwtijd vergen, en werd later vaak verder uitgebreid.

Frankrijk

De dood van Karel de Grote en ruzies tussen zijn opvolgers leidden tot chaos in het Frankische rijk. Omdat invallen dreigden, gaf men plaatselijke heren en hun ridders het gezag. Zij bundelden hun krachten in castella — de eerste kastelen.

Lokaal bestuur en defensie kwamen aan lokale heren, zelf vazallen of verwanten van de groten, verbonden door loyaliteit en territoriale banden. Deze heren verzamelden soldaten om zich heen, van wie sommigen land (lenen) kregen voor hun diensten, of op kosten van hun heer bij hem woonden - de eerste ridders. Het huis van de heer, zijn castellanie, waar lokaal bestuur en recht berustten en veel van zijn soldaten woonden, werd verdedigd met aardwallen en palissades: castella, de eerste kastelen.

Al in 864 verbood Karel de Kale, koning der West-Franken, het bouwen van kastelen zonder zijn permissie en beval de sloop van `illegale' castella enfirmitates (versterkingen).Geleidelijk nam het aantal kastelen toe, terwijl de heren trachtten zichzelf en hun volk te beschermen; boeren waren belangrijk, want hun gezwoeg bracht eten op de tafel van de soldaten.

Het mottekasteel

Vanuit Noordwest-Frankrijk verspreidde zich het idee van het kasteel, waarvan de mate van succes afhing van het bestuur en de terreingesteldheid. Het aantal kastelen werd een echte kopzorg voor de koning, wiens werkelijke gezag tot de 12e eeuw alleen gold in Ile-de France.

Deze eerste kastelen bestonden gewoonlijk uit een terrein omsloten door een greppel; de aarde daaruit wierp men op aan de binnenkant ervan, zodat een steile wal ontstond en een belegeraar hoger moest klimmen. Erbovenop liep een palissade van lange boomstammen die men in de grond had geslagen en aan elkaar had bevestigd. Een houten platform liep langs de binnenkant en vormde een weergang; de ruimte eronder werd soms opgevuld met aarde om de palissade te versterken. Deze omwalling, nu bekend als ringwerk, werd gevuld met de gebouwen die de manschappen nodig hadden: een hal, keuken, schuren, magazijnen, stallen en hokken, timmerwerkplaats, smidse, een kapel en een put. De meeste mannen sliepen op strozakken in de hal, omdat schragentafels en banken 's avonds werden opgeruimd. Zelfs de heer sliep soms tussen zijn metgezellen; de moderne bezoekers zou het eerst het gebrek aan privacy opmerken.

In de 11e eeuw verscheen een nieuw type kasteel: de motteburcht. De motte was een heuvel naast de binnenplaats, al lagen er enkele binnen de ommuring, zoals in `La Tusque' in Sainte-Eulalie d'Ambarès (Gironde). De binnenplaats wordt in het Engels bailey (voorburcht) genoemd (ook court of ward, `hof'). Op de afgevlakte top van de motte stond een wachttoren; grotere torens dienden algauw als woonruimte voor de heer; torens werden een in het oog springend machtssymbool.

Langzaam werden mottekastelen gemeengoed in Frankrijk. Hun heuvels werden opgeworpen met aarde uit de slotgracht, in lagen aangestampt. De motte had een doorsnee tot 70 m aan de voet en tot 15 m aan de afgevlakte top. Gewoonlijk werd de rand van de top verdedigd door een palissade en was de motte via een brug met de lager gelegen omgeving of de voorburcht verbonden.

Kastelen van aarde en hout konden heel gemakkelijk en zonodig in enkele maanden gebouwd worden met hout uit nabijgelegen bossen. Hout kan echter branden. Al in de 10e eeuw hadden sommige kastelen een stenen toren; daarvan resteren zelden voorbeelden en we moeten aannemen dat er zo vroeg maar weinig torens in steen gebouwd zijn.

De bouw van stenen torens vergde meer tijd en geld; men moest stenen en bekwame metselaars vinden en betalen. Op mottes verschenen weinig stenen torens; een kunstmatige. heuvel moest eerst vele jaren inklinken om het gewicht te kunnen dragen, tenzij het fundament op grondniveau in de motte lag. Zo'n constructie heet in het Engels een keep; in Nederland gebruiken we het woord woontoren of het Franse woord donjon (in het Engels verbasterd tot dungeon: kerker).

Chateau Falaise

Dit kasteel ligt 35 km onder Caen in Normandië. Duidelijk is de Donjon te zien. Nadat de Engelsen in 1204 Normandië verloren hadden, bouwde Filips Augustus van Framkrijk een ronde donjon naast die van Hendrik I. Deze heet nu de Talbottoren, naar de Engelse lord die hem tijdens de Honderdjarige oorlog herstelde. de omringende muren zijn 13e eeuws.

restauratie chateau guillaume le conquerant 

De donjon of stenen toren

In de late 11e en de 12e eeuw werden er in Frankrijk meer donjons gebouwd, vaak door de Normandische en Anjou-koningen van Engeland. Hun imposante omvang gaf de eigenaar gezag, meer dan een houten kasteel. Ze werden gewoonlijk op vlakke grond gebouwd en bestonden uit stenen etages, vaak met een stenen keldergewelf, maar met houten vloeren in de bovenbouw. De ingang zat om de veiligheid en deftigheid op de eerste etage, soms beschut door een voorgebouw. Men kwam alleen hoger via een wenteltrap in een zijtorentje, soms via een ladder. Al dienden sommige donjons als residentie en laatste bolwerk, ze waren evenzeer een machtssymbool, gebruikt voor ontvangsten en plechtigheden.

Courtines en muurtorens

Omstreeks 1200 sloeg de Franse militaire architectuur een nieuwe richting in. De groeiende eisen van comfort komen dan ook misschien het sterkst tot uitdrukking in Frankrijk en geleidelijk werd het woonaspect van het kasteel belangrijker. Uiteindelijk resulteerde dit in open kastelen, waarbij het defensieve element symbolisch werd en puur militaire forten als alternatief verschenen.

carcassone

Carcassone

De donjon verloor zijn belang als laatste bolwerk; deze taak viel nu toe aan een sterke ommuring, die naar men hoopte niet doorbroken werd. De muur werd door muurtorens in (gewoonlijk rechte) stukken verdeeld; deze rechte stukken tussen de torens noemen we courtines. De torens staken buiten de muur uit, zodat boogschutterslangs het muurvlak op vijanden die te dichtbij kwamen konden schieten.

Kastelen met stijl

De 14e en 15e eeuw waren onrustige tijden in Frankrijk. Tijdens het leeuwendeel ervan heerste de Honderdjarige Oorlog. Toch besteedden hogere en lagere edelen, verlangend naar comfort, kapitalen aan het bouwen of verbeteren van hun kastelen. Kastelen die waren gebouwd om er appetijtelijk uit te zien, vertegenwoordigden de rijkdom en de status van de eigenaar, die geld had voor verfijnd maaswerk en duur verguldsel.

Chateau Saumur

Chateau Saumur, is een duidelijk voorbeeld. Het oorspronkelijke kasteel dateert uit de 10e eeuw, maar werd later steeds uitgebreid. In d elate 14e eeuw voerde hertog de Berry het belangrijkste werk uit. Saumur werd verlaten in de 17e eeuw, toen de west-vleugel instortte, waarna het eerst gevangenis en later kazerne werd. Tegenwoordig is het een museum.

In de late Middeleeuwen werden koninklijke vestingen steeds comfortabeler en werden het paleizen. . Het onderscheid tussen woon- en defensie-elementen werd steeds duidelijker zichtbaar. Als voorbeeld het paleis van Avingnon

Avignon Paleis van de paus

Het paleis van Avignon verrees tijdens de ballingschap van de pausen (1305-1377), toen deze hun toevlucht moesten zoeken in Zuid-Frankrijk. Johannes XII begon de bouw in 1316 en het werd vergroot door benedictus XII (1334-1342) en Clemens VI (1342-1352).

Deze eerste gebouwen omvatten een carré van woonkamers en enkele grote hallen rond een binnenplaats in Itaiaanse stijl. benedictus bouwde een enorme rechthoekige toren aan de zuidkant van het conplex als privé-verblijf, terwijl rechthoekige muurorens het paleis beschermen.

Het verhogen van de muren

Vanaf het eind van de 14e eeuw school de grootste verandering in de bouw van Franse kastelen in de hoogte van de courtines. Ze werden even hoog als de muurtorens — meer dan 9 m — waarschijnlijk als maatregel tegen ladders en artillerie.Omdat de weergang nu op gelijke hoogte met de torens kwam, werden de weergangen gewoonlijk overdekt en liepen ze helemaal om het kasteel, zodat de verdedigers zich snel konden verplaatsen. Mezekouwen liepen soms helemaal om het kasteel.Deze waren in de Franse militaire architectuur gangbaarder dan elders. Buitenwerk en externe verdedigingsmuren waren niet meer in tel. Door de verhoogde muren was het gemakkelijker etages toe te voegen aan woongebouwen binnen de muren. Rechthoekige torens kwamen weer in zwang (ten koste van ronde), omdat wooncomfort steeds meer voorrang kreeg op de weerbaarheid. Muren werden voorzien van ramen omwille van licht en lucht, en wenteltrappen werden gewoon, maar het werd steeds moeilijker om wooncomfort en weerbaarheid in balans te houden.

Het kanon wordt volwassen

Aanvankelijk bracht de komst van het buskruit, eerste helft 14e eeuw, weinig verandering in het ontwerp van kastelen. Vroege illustraties in manuscripten tonen vaasachtige kanonnen die vierkante pijlen afschieten in plaats van kogels. Deze konden alleen van nut zijn tegen mannen die een uitval deden. Binnen een eeuw was het kanon snel verbeterd en werd het een geducht wapen.Koningen en machtige heren, zoals de hertog vat Bourgondië, hadden talrijke stukken in hun artillerie, inclusief enorme belegeringwapens als de bombarde , waarvan sommige een steen van 150 kilo konden afschieten. Franse bouwmeesters reageerden snel op deze dreiging, maar duidelijke stijlverarderingen bleven uit tot de 15e eeuw.De makkelijkste aanpasssing was het om geschutsgaten te maken laag in de muren, maar geleidelijk kwamen er nieuwe vestingsvormen tegen kanonkogels.

Engeland

De eerste kastelen in Engeland werden gebouwd door Normandische gunstelingen van Edward de Belijder, de Angelsaksische koning die zijn jeugd doorbracht als balling in het hertogdom Normandië toen de Vikingen Engeland bezetten. Deze Normandiërs waren niet geliefd en werden snel verdreven, al resteren er sporen van aardwerken in plaatsen als Ewyas Harold in Herefordshire.Toen Edward in 1066 stierf volgde Harold II hem op, maar ook Willem eiste de Engelse troon op. Daarop stak hij over naar Engeland om zijn claim kracht bij te zetten. Nu kregen de kastelen echte betekenis. een van Willems eerste daden was het stichten van een kasteel in de Romeinse ruïnes van Pevensey. Een tweede kasteel verrees te Hastings. Terwijl Willem door het land trok en opstanden neersloeg, stichtte hij verscheidene kastelen. Plaatsen als Warwick, Nottingham en Stafford kregen er één. York, dat drie keer in drie jaar in opstand kwam, kreeg er twee. De forten van aarde en hout waren snel te bouwen met lokale krachten. Algauw schoten talloze aarden ringburchten en mottekastelen uit de grond.

In de burgeroorlog onder koning Steven (1135-1154) verrezen veel kastelen zonder toestemming — waarvan er veel werden geslecht toen Hendrik II de troon besteeg.Tegelijkertijd begon men enkele stenen torens binnen een ringmuur te bouwen, zoals de Londense Tower en die van Colchester, Essex, evenzeer symbool van het nieuwe gezag als echte defensieve gebouwen. Onder de Normandische en Angevijnse koningen, met name Hendrik I (1100-1135) en Hendrik II (1154-1189) werden zulke torens steeds gewoner, al was het soms voldoende de palissades rond een bestaande motte door een stenen muur te vervangen. Uit angst voor ondermijning verrezen er weinig op mottes; Clifford's Tower, medio 13e eeuw op een van de mottes van York gebouwd, scheurde.Luxe wordt kastelen fataal.

Het Angevijnse rijk van Hendrik II strekte zich uit van Schotland tot de Pyreneeën, maar in 1204 ging Normandië verloren. De baronnen vochten tegen koning Jan en in de burgeroorlogen van Hendrik III en Simon de Montfort rond 1250 — een prikkel om kastelen te bouwen of te verbeteren. Hendriks zoon, Edward I, was een groot kastelenbouwer en richtte veel van zijn energie op Wales. Veel edelen belandden in legers die naar Wales en Schotland marcheerden.

Daarna beleefde Engeland relatief weinig onrust. Er waren niet veel dynastieke problemen; de grootse dreiging kwam van buiten: uit Schotland, Wales en Frankrijk. De Honderdjarige Oorlog (1337-1453) vond op Franse bodem plaats. In deze periode verrezen enkele comfortabele kastelen, zoals Bolton, met rechthoekige opzet en vele kamers.

Nadat de Engelsen hun Franse bezittingen verloren hadden, ontvlamden de twisten tussen de huizen van York en Lancaster in de Rozenoorlogen. Die eindigden met de zege van Hendrik VII Tudor op Richard III bij Bosworth, 1485, en gaven nieuwe prikkels tot vestingbouw. Tegen deze tijd leefden de meeste rijken echter liever in relatief comfort dan dat ze zwaar investeerden in een fort. De Tudors bleven echter constant op hun hoede voor adellijke opstanden en onderdrukten elk spoor van verraad genadeloos. In grote delen van Engeland werden kastelen een anachronisme; alleen in het noorden en westen, waar overvallen mogelijk waren, hadden ze een functie. Hendrik VIII bouwde kustforten vol kanonnen tegen Spaanse en Franse dreigingen.

Aarde en hout

Kastelen van aarde en hout verrezen na de Normandische verovering in heel Engeland, zelfs nog in de 13e eeuw. Sommige waren simpele aarden ringburchten, maar veel waren al dan niet bebouwde mottes met een voorburcht (motte-and-bailey). Slechts enkele zijn grondig opgegraven. Archeologisch onderzoek wijst uit dat de voorburcht vaak vol gebouwen stond, heel anders dan dergelijke kastelen voorheen zijn afgebeeld.

De eerste stenen donjons in Engeland verrezen na de Normandische verovering, maar waren toen vrij zeldzaam. De eerste torens hadden normaal veel oppervlak ten opzichte van hun hoogte en worden hall keeps, zaaltorens, genoemd. Meestal deelde een binnenmuur het interieur in ongelijke delen; het was moeilijk met één balk een grote ruimte te overspannen. Dit creëerde twee kamers op iedere etage, gewoonlijk aangeduid als de hal en de zijkamer.Latere torens werden hoger ten opzichte van hun oppervlak en hadden vaak geen binnenmuur. Deze noemt men tower keeps, woontorens (hoewel ook in zaaltorens gewoond werd). Woontorens zijn vaak klein. Waarschijnlijk was een aantal ervan louter vertoon; enkele waren te klein voor praktisch gebruik. Andere waren misschien woonruimte voor de heer.

Voorbeeld kasteel Hedingham

Historie kasteel Hedingham

Aubrey de Vere was een van de meest favoriete ridders van Wiliam de Veroveraar. Na de slag bij Hastings verkreeg hij bezittingen in vele graafschappen, waaronder Middlesex, waar hij eigenaar was van Kensington en Earls Court. Zijn zoon Aubrey bouwde een kasteel in hedingham ca 1140, waarbij de aartsbisschop van Canterbury optrad als architect. Aubrey III was de eerste benoeme Earl of Oxford door koningin Matilda en zijn kasteel zou zo'n 550 jaar het bezit zijn van de familie de Vere.

De palissades rond de binnenplaatsen maakten in de 11e of 12e eeuw vaak plaats voor stenen muren — zij het geleidelijk. De donjon bleef echter middelpunt en laatste bolwerk, een sterke toren waaraan men veel kapitaal en moeite spendeerde.In de late 12e eeuw verrezen de eerste kastelen zonder donjon. Ze waren een voortzetting van de aarden ringburcht en compenseerden de afwezige toren door de enkele ringmuur zo imposant mogelijk te maken. De muren werden onderbroken door sterke, uitwendige muurtorens, van waaraf de boogschutters langs het muuroppervlak konden schieten.

Civil war Stephen en Mathilda 1139-1153

Voorbeeld Ludlow Castle

 

 

Ludlow Castle

Ludlow Castle

Ludlow staat langs de Teme, Shropshire, aan de grens met wales. In 1085 werd er door Roger de Lacy een begin mee gemaakt. het binnenplein wordt begensd door een uit de rots gehakte gracht en beschermd oor een courtine van rechte stukken muur, met glacis. Van de vier vierkante muurtorens zijn er drie van achteren open. De ronde torens en vele woongebouwen, zoals hal en grote zaal, dateren uit de 13e eeuw. In 1581 kwam er een noordelijk poortgebouw bij.

Het concentrische kasteel

Tower of London

Willem de Veroveraar begon in 1066 aan de Londense Tower door een hoek van de oude Romeinse stadsmuren aan de Theems af te snijden. Na tien jaar begon men te bouwen aan een enorme donjon, onder Hendrk III bekend als de White Tower. In de late 12 e eeuw werden de kasteelmuren uitgeelgd, terwijl ze zich onder Hendrik III noordwaarts en voorbij de Romeinse oostmuur uitstrekten en nieuwe D-vormige en ronde muurtorens kregen. hendriks zoon Edward I voegde een gracht toe, 49 m. breed, en in 1275-1285 een bitenring van muren, zodat een der machtigste kastelen van het land ontstond. De vrij lage buitenmuur werd rond 1300 verhoogd. Edward won zelfs land in de rivier voor de zuidmuur en voegde een waterpoort toe, StThomas Tower, met Traito'r Gate. Een nieuwe entree omvatte een barbacane en twee poortgebouwen. Na een rampzalige brand in 1841, de Krimoorlog en opheffing van de raad in 1855, werd de Tower een toeristische attractie.

Het concept van twee muurreeksen die elkaar beschermden kwam in Engeland niet vaak voor. Verscheidene koninklijke kastelen werden geleidelijk uitgebreid tot concentrische projecten, maar alleen de kosten al waren zelfs voor een grote heer een aderlating. Toen de concentrische ontwerpen verschenen, had de kroon al genoeg greep op de baronnen om ongeoorloofd bouwen te voorkomen.Comfort ontbrak niet altijd in kastelen. Al waren sommige Nederlandse kstelen voor onze begrippen Spartaans, de balans tussen woning en fort sloeg steeds meer door naar de woning, vooral in vredestijd.

Kastelen ontwikkelden zich steeds meer als woning van de heer. Als voorbeeld Bodiam Castle

Bodiam castle

Bodiam Castle werd in 1385 gebouwd door Sir John Dalyngrigge tegen Franse aanvallen. het ligt in een enorme gracht, vlak bij Robertsbridge in Oost-Sussex, aan de Rother. Symmetrische muren omgeven een vierkante binnenplaats, met ronde hoektorens, vierkante torens halverwege elke muur, en een poortgebouw voor en achter. Het voorste poortgebouw is groter, alos een soort naar voren geplaatste donjon; het heeft drie valhekken, warvan het laatste de poort van de binenplaats afsnijdt. In het lagere deel avn de muren zitten vroege geschutsgaten, maar dat is de enige concessie aan het buskruit. de woonvertrekken liggen tegen de binnenkant van de muur, de westelijke zijn beter van kwaliteit. Dalyngrigges verblijf op de eerste etage grenst aan zijn eigen bank in de kapel en had een ontvangszaal en een binnenkamer met twee slaapkamers ernaast. Eronder lag een verblijf voor een belangrijke functionaris. Bij de voltooing was het kasteel al haast overbodig, want in 1388 herwonnen de Engelse schepen de hegemonie op het kanaal. Bodiam verviel, maar werd in 1917 hersteld door Lort Curzon.

Grote woontorens

De woontoren was een privé-toren voor de heer, zijn gezin en vrienden. Ze was opvolger van de donjon, in die zin dat ze vooral voor de heer bedoeld was, maar anders dan de donjon werd ze ontworpen voor het gezinsleven. Zo is ze verwant aan de 13e-eeuwse woon- en zaaltoren. Ze vereiste een opslag gelijkvloers, overwelfd in steen tegen brand, een zaal of grote kamer erboven, en een kamer daarboven. Deze torens waren afzonderlijke gebouwen binnen kleine kastelen. Woontorens werden populair begin 15e eeuw, vooral in gebieden waarveel overvallen en relletjes waren, zoals aan grenzen, waar de sterke muren een nuttige bescherming vormden, zij het te weinig voor een echt beleg.

Kastelen van Welshmen en Engelsen

In Wales, zo goed als genegeerd door de Angelsaksen, verrezen de eerste kastelen pas toen de Normandiërs binnenvielen. Hendrik ll stichtte een kolonie in het zuidwesten. Daarna brak een machts- strijd uit tussen Engelsen en Welshmen, totdat Edward I ingreep.Wales, een land met een bergachtig hart, ligt in de zogeheten `Keltische rand' van Groot- Brittannië, waar zich geen Angelsaksen vestigden. Er was vaak wrijving tussen de Angelsaksen en de Welsh, maar soms sloten ze allianties. Na de Normandische verovering verrezen er echter kaste- len langs de grens van Wales; algauw rukten avontuurlijke heren op langs de zuid- en noordkust en bouwden er kastelen.

Deze kastelen waren eerst van aarde en hout, gemakkelijk te verzamelen in vijandig gebied. Onder Hendrik II was er een meer gerichte opmars, toen Normandische en Angevijnse heren forten diep in Wales begonnen te bouwen. Hendrik bracht Engelse en Vlaamse kolonisten naar Pembrokeshire (Dyfed) op de zuidwestpunt van Wales, wat men `Klein-Engeland voorbij Wales' ging noemen. Forten als Pernbroke verrezen om de kolonie te beschermen.In deze vroege fase verrezen er ook andere imposante kastelen, zoals Manorbier, iets oostwaarts aan de kust, misschien het best bekend als geboorteplaats en huis van de 12e-eeuwse kroniekschrijver Gerald van Wales (of De Barry). Hij schreef Een reis door Wieles, een interessante blik op het toenmalige land.

In kastelenbouw volgden koningen en stamhoofden van Wales hun Engelse buren. Ze bouwden hun kastelen vaak in heuvelachtig of bergachtig gebied, waar opstand broeide; sommige kastelen werden om en om door heren uit Engeland of Wales veroverd.Kastelen van de invallersDe Normandiërs waren een agressief volk; het is nauwelijks verrassend dat ze Wales binnendrongen. Vóór de verovering in 1066 hadden Normandische vrienden van de Saksische koning Edward de Belijder al enkele kastelen van hout en aarde gebouwd, vooral aan de grens in het westen, toen er nog geen andere kastelen in Engeland waren. Met het beveiligen van de grens groeide het aantal vestingen geleidelijk en drongen ridders steeds vaker in Wales door.

Kastelen van Edward I

Edward I was een groot kastelenbouwer en begon een bouwprogramma tijdens zijn oorlogen in Wales (1277, 1282-1283 en 1294-1295). Behalve dat hij veel bestaande kastelen in Wales en aan de grens versterkte, bouwde hij tien nieuwe (twee in het zuiden) en vier nieuwe voor zijn markgraven — Hawarden, Denbigh, Holt en Chirk. Vijf van de nieuwe kastelen — Aberystwyth, Flint, Rhuddlan, Caernarfon en Conwy — verrezen met een versterkte stad ernaast.

Caernarfon

Caenarvon castle

Het kasteel van Caernarfon (bezocht in 1973) staat aan de zuidpunt van de Menai Strait, Gwynedd. De Normandiërs bouwden hier eerst een mottekasteel, maar de enorme huidige constructie was het werk van James of St. George, meesterbouwer van Edward I. Hij begon in 1283 nadat de kastelen in Noord-Wales waren ingenomen.

Caernarfon Plan

Het kasteel heeft een zandlopervorm, met een binnenmuur op het smalste punt, zodat er twee binnenpleinen zijn; de oostelijke is de oudste. Dikke muren en dertien polygonale muurtorens beschermen Caernarfon. Hun vorm, en de rode steenlijnen horizontaal langs de muren, herinneren bewust aan de muren van Constantinopel, hoofdstad van het Oost-Romeinse Rijk, wat moest suggereren dat Edward een soort keizer was.Evenals in Conwy ontbreekt een donjon, maar de Eagle Tower is gepland als een torenwoning van drie etages — haast een vroege woontoren — met een kelder die uitkomt op de rivier. Er zijn ook talrijke defensieve trucs, zoals schietgalerijen in de muren, poorten met dubbele torens en moordgaten. Muren die vanaf het kasteel lopen omgeven de stad, een zeldzaam Brits voorbeeld van een bastide. Edward gebruikte Caernarfon als bestuurscentrum voor Wales, omdat deze plek ook zo gebruikt was door de Romeinen en Welshmen, en dat bleef het tot rond 1550.

De grote concentrische kastelen.

De beste voorbeelden van concentrische kastelen liggen in Wales. Volgens dit principe heeft het kasteel een binnen- en buitenmuur, min of meer parallel aan elkaar, zodat de een de andere verdedigt. De binnenmuur is hoger, zodat de soldaten erop over de hoofden van hun vrienden schoten en men dubbele vuurkracht had tegen de vijand. Ook kwam de vijand, als hij de buitenmuur genomen had, onder vuur te liggen van degenen op de binnenmuur. Anders dan kastelen met meer voorburchten, waar onderlinge verdediging alleen mogelijk is waar de muren van de voorburcht dicht bij die van de andere liggen, liggen bij concentrische kastelen de muren altijd dicht bij elkaar.

Als voorbeeld Caerphilly Castle

Caerphilly Castle

Caerphilly Castle in Mid Glamorgan is het grootste kasteel van Wales. Gilbert de Clare, graaf van Gloucester bouwde het in 1268-1271, met toevoegingen rond 1280, zodat Caerphilly ouder is dan de grote concentrische bouwwerken van Edward I. De rechthoekige binnenruimte heeft twee muurstelsels en poorten met dubbele torens. de binennmuur heeft ook ronde hoektorens en een toren in de zuidcortine. Het kasteel is omgeven door muren en uitgestrekte waterfortificaties. Aan de westzijde ligt een grote voorburcht. de oostelijke dam heeft een muur van 305 m lang, met paltforms, kantelen, torens en poortgebouwen. Toevegingen kwamen er in de late 13 e eeuw en in 1326. Edwards inspanningen verminderden de Welshe dreiging, maar het werd in de 14e eeuw twee keer belegerd in de twisten met Edward II; Owain bezette het tijdelijk in de vroege 15e eeuw. Het evrval van Caenphilly wijt men aan het buskruit waarmee het kasteel in de burgeroorlog geslecht werd.

Schotland

Kastelen verschenen in Schotland in de 12e eeuw, met de Normandiërs, die ook hun feodale leefwijze brachten. De heren woonden in mottekastelen; stenen kastelen bleven haast 200 jaar een zeldzame luxe.

Rond 1113 werd David, zoon van Malcolm III en St. Margaret, bestuurder van Zuid-Schotland, terwijl zijn broer Alexander I koning was, en vestigden zich de eerste vreemdelingen in Schotland. Het proces duurde tot 1214, de dood van Willem de Leeuw, Davids kleinzoon. De Conmorekoningen steunden de heren van het continent en hun nieuwe ideeën.

Evenals de Engelsen zagen de Schotten in dat mottekastelen snel te bouwen waren in potentieel vijandig gebied; ze groeiden vaak uit tot bestuurscentra. Sommige mottes in Schotland waren het werk van Schotse edelen, zoals graaf Duncan van Fife, die waarschijnlijk de laat-12e-eeuwse motte van Huntly Castle liet opwerpen. Andere mottes waren natuurlijke heuvels, zoals de plek van Urquhart Castle boven Loch Ness. Sommige kastelen kunnen aarden ringburchten geweest zijn, met wal en gracht zoals in het Normandische Engeland.

Anders dan in Engeland waren er tot de 13e eeuw weinig stenen kastelen, en eerst alleen in de Laaglanden het oudst dateerbare Schotse kasteel kan Cobbie’s Row Castle zijn, op het Isle of Wyre op de Orkney eilanden (Noors tot 1468). In een ovale omwalling met gracht staat een rechthoekige toren; een vervallen vierkant gebouw ligt bij de noordhoek. Dit fort werd rond 1145 gebouwd door de Noorse hoofdman Kolbein Hruga, aan wie het kasteel zijn moderne naam dankt. Het werd genoemd in de Orkeyinga Saga, die de levens van de graven van Orkney van 900 tot de late 12e eeuw beschrijft. Eind 12e eeuw kenden de Noren in Scandinavië ook het stenen kasteel en konden ze heel goed Normandische bouwers gebruiken, die kastelen en kathedralen als in Kirkwall bouwden.

Het oudste bestaande, op een Normandische donjon lijkende stenen kasteel ligt misschien aan Loch Sween, 11 km onder Achanamara. Sween is een rechthoekige toren, met pilaster- en hoeksteunberen. Later kwamen er een grote woontoren en een ronde toren bij.

Franse invloed, Engelse dreiging

Er heerste relatieve vrede met Engeland in een groot deel van de 13e eeuw, en er verrezen enkele imposante kastelen in Zuid-Schotland als feodaal machtsvertoon. De Franse invloed is duidelijk: binnen de ommuring van Dirleton (East Lothian) en Bothwell aan de Clyde staat een grote ronde toren, haast een donjon, net zoals in Coucy in Frankrijk.In het noorden bouwden de machtige heren van Comyn bolwerken als Balvenie in Glen Fiddich. In het westen verdrongen zich de Schotse en Noorse koningen, de koningen van Man en de zonen van Somerled. In die onrust bouwde Walter the Stewart bijvoorbeeld een grote donjon in Rothesay on Bute (waar de Noren binnendrongen, 1230). De zonen van Somerled, zelf met Iers bloed, bouwden stenen kastelen op de eilanden.

Overigens waren stenen kastelen duur en woonden veel heren van Normandische afkomst nog in houten kastelen. In de late 13e eeuw stond de kastelenbouw op hetzelfde niveau als in Engeland en Frankrijk.

In 1296 verscheen Edward I op volle sterkte in Berwick, en in de volgende halve eeuw leed Schotland onder twee onafhankelijkheidsoorlogen. Er werden meer kastelen geslecht of verwoest dan gebouwd. De terugkeer van David II bracht wat opluchting, maar de situatie bleef lang onzeker. Toen Jacobus II van Schotland in 1455 de Douglas-familie ten val bracht, volgde herverdeling van het land en verrezen er nieuwe kastelen. Pas onder Jacobus VI (1587-1625) werd het geleidelijk vrede. In 1603 werd hij tevens tot koning van Engeland gekroond.

Woontorens

Eind 14e eeuw, na de Schotse Onafhankelijkheidsoorlogen, nam de kastelenbouw eens te meer toe. Nieuwe kastelen waren echter nogal eenvoudig van vorm — de rechthoekige woontoren kreeg de overhand. Het ontwerp was simpel en relatief goedkoop te bouwen; enkele kamers werden op elkaar gestapeld, niet naast elkaar zoals bij zaalbouw. Een woontoren was bedoeld voor een baron of heer, en de veiligheid was noodzakelijk in een nog onstabiele omgeving.

Ierland

Toen Hendrik II in 1169 Ierland binnenviel, vonden de Normandische avonturiers geen kastelen. Forten waren iets van het verleden. Het traditionele mottekasteel met voorburcht werd echter deel van het landschap in bezet, onrustig Ierland.

De Ieren hadden zichzelf verdedigd met forten. Stamhoofden beschermden hun hallen met aarden ringen (een dun, lis of rath) of veel grotere ringburchten, die huizen, straten en kerken omgaven zoals Engelse burhs. Familie en gemeenschap waren belangrijker dan stenen muren. Gerald van Wales merkte op dat de Ieren het liefst van bossen of moerassen gebruik maakten. Toen de Engelsen een stad belegerden, was die ommuurd door Vikingen.

Ook hier vonden mottekastelen met voorburcht gebruikt door de Normandische invallers, snel ingang, en dat tot ver in de 13e eeuw. Het gemak er de snelheid waarmee mottekastelen gebouwd konden worden, bleken waardevol. Ook verschenen ronde en rechthoekige torens; sommige rechthoekige zoals die te Ferns (County Wexford), hadden ronde hoektorentjes die in de vroege 13e eeuw typerend waren voor het gebied van Leinster.

In 1210 bezocht koning Jan Ierland en in 1215 werd te Dublin een stenen kasteel gebouwd. Tweederde van het door Engelsen bestuurde Ierland leefde toen in vrede, omdat de baronnen Jan steunden. In 1235 had Richard de Burgh bijna Connaught veroverd. Zo begon het Engelse bewind in Ierland.

Leren van de Engelsen

Nadat koning Jan in 1210 vertrokken was, was Richard 11 (1377-1399) de eerste Engelse koning die Ierland aandeed. De Engelsen rekenden op hun Kastelen werden soms in steden gebouwd, of bij oudere kloosters, centra van kolonisten. Bij sommige kastelen bepaalden handelsbelangen, niet strategie, de ligging. In 1225 waren er slechts 20 stenen kastelen gebouwd in Ierland, maar de Ieren konden succes boeken tegen kastelen van hout, die een geringer obstakel waren.

In de rest van de 14e en 15e eeuw hielden de Engelse heren zich bezig met Frankrijk, ondanks een Ierse expeditie in 1394. Engelse heren hielden af en toe veldtochten, maar in de 15e eeuw gingen de Ierse heren in kastelen wonen en maakten ze studie van de belegeringskunst, met de bewuste wens de Engelse methoden te kopiëren. Pas in de late 16e eeuw richtten de ministers van Elizabeth I zich weer met volle aandacht op Ierland, dat ze zagen als bedreiging voor het protestantisme.

Duitsland

In Duitsland sloeg het feodalisme veel trager aan dan in de rest van West-Europa, vooral omdat machtige heren gebied bezaten als buffer tegen stammen in het oosten. Keizer Hendrik I (918-936) trachtte forten en versterkte steden te introduceren tegen aanvallen van Slaven en Hongaren.

Vanaf de 10e eeuw bracht Duitsland — hierin uniek — een soort onvrije ridder voort, de ministersaal. Een plicht van hen was het een kasteel te houden, hun eigen of dat van hun meester. In de Investituurstijd, vanaf 1075, begon de kasteelbouw pas echt.

De grootste groei viel tijdens de Hohenstaufen-keizers, vooral onder Frederik I Barbarossa (11521190), met 350 kastelen en residenties op zijn naam. Dit programma verflauwde tegen het midden van de 13e eeuw, tijdens het Interregnum (1254-1273), een periode waarin Duitsland feitelijk geen keizer of koning had, er tal van kleine gebiedjes ontstonden en de samenhang van de keizerlijke forten verdween.

Steeds vaker werden forten eigendom van machtige heren of de lagere adel, vaak ontworpen of verbouwd als privé-woning. Zo werd wat nu Duitsland is bezaaid met kastelen van allerlei formaat. Men schat dat er zo'n 10.000 kastelen in Duitstalig gebied stonden.Duitse kastelen vertonen meer variatie in opzet dan kastelen elders in Europa. Verscheidene factoren stimuleerden dit: terreingesteldheid, karakteristieken van de staatjes, het gebruik van het terrein, en de relatie van het kasteel met de stad waarin het lag. Het mottekasteel werd nooit populair, al waren er enige, zoals de Husterknupp, een 9e-eeuwse Karolingische versterkte boerderij, die geleidelijk werd vergroot en in de 12e eeuw een motte kreeg.

In Neder-Saksen bestonden vestingen uit een enkele kleine toren omgeven door gebouwen. Deze torenforten waren ook geliefd in westelijk Duitsland, waar de toren (of Bergfried) varieerde in grootte. Deze vorm verspreidde zich naar de Neder-Rijn, Schildmauer en Randhausburgen.

In sommige gebieden gebruikte men een Schildmauer of sterke muur om de toegangskant te beschermen. Dit verdrong de Bergfried, zoals bij Schonburg aan de Rijn. Zulke schildmuren raakten uit de gratie in de 14e eeuw en herleefden bij de komst van de vuurwapens. Een aantal oude kastelen had een sterke ringmuur als hoofdverdediging; een toren was van ondergeschikt belang. Vanaf de lle eeuw verdween dit onderscheid grotendeels.

Een imponerende ligging maakte dure defensieve maatregelen minder nodig en was vooral geliefd bij de lagere adel; woongebouwen konden dichter bij de buitenmuur staan dan elders verantwoord was. Zo'n kasteel, gelegen op een rotspunt, kwam steeds vaker voor in de late Middeleeuwen — met een muur rond de woonruimte, en een gracht of greppel om de meest toegankelijke kant te beschermen. Waar integrale bescherming nodig was, bouwde men ondanks de hoge ligging toch een muur en een centrale toren, zoals vroeger, of omringden versterkte gebouwen het binnenplein. Zulke kastelen kent men als Randhausburgen.

Kastelen met regelmatig grondplan liggen vooral in het westen, zoals Guldenau in het Rijnland. Flankerende torens verschenen later dan elders in West-Europa. Later in de Middeleeuwen kregen veel oudere vestingen een ringmuur met flanktorentjes.In Thuringen en Hessen vergrootte men oude kastelen, maar verrezen weinig nieuwe in de late Middeleeuwen, terwijl Saksen er veel minder heeft dan het Rijnland. Veel Duitse kastelen hebben kleine kamers en vaak waren alleen vrouwenvertrekken verwarmd.

Bergfried-kastelen

Veel kastelen hebben één toren die hoger is dan die eromheen. Deze heet de Bergfried en is, misschien, afgeleid van de Romeinse grens wachttorens. Vaak waren ze niet bepaald ruim en ze dienden waarschijnlijk als wachtpost en laatste bolwerk, niet als woonruimte voor de heer. Vaak hadden ze echter rookkanalen voor haarden, wat betekent dat er warmte was zonder dat men op stoven hoefde terug te yallen. Net als bij Anglo- Normandisclie donjons bevond de entree zich op de eerste etage. Als voorbeeld Cochem.

Cochem

De keizerlijke vestiging Cochem ligt aan de Moezel, 40 km van Koblenz. De stad werd gesticht in 866 en groeide later rond het kasteel dat rond 1020 gebouwd werd. De aartsbisschop van trier kreeg het in 1294 en bisschop balduïnes van Luxemburg vergrootte het in deeerste helft van de 14e eeuw. Het was tolpost aan de Moezel en beheerste het evrkeer dankzij een ketting die over de rivier was gespannen. Het kasteel werd in 1689 verwoest door de Fransen maar de imposante Bergfried is er nog., net als een deel van d ehoofdpoort, de hexenturm, en een overwelfde crypte. Het kasteel is in 1868-1878 in neogotische stijl gerestaureerd.

Paleiskastelen

Als westers keizer zag Barbarossa zichzelf als erfgenaam van het oude Romeinse Rijk en van dat van Karel de Grote uit 800. Hij trachtte bewust het open effect van de Karolingische paleizen zoals dat te Aken te kopiëren en herstelde de paleizen te Ingelheim en Nijmegen. Zijn paleizen (Pfalzen) contrasteerden met de keizerlijke kastelen (Kaiserburgen), die handelswegen beheersten en beschermden maar eigenlijk bestuurscentra waren. De paleizen waren fraaier en grotendeels bezit van de keizer. Goslar in het Harzgebergte is misschien het beroemdste keizerlijk paleis, maar het is haast geheel een 19e-eeuwse reconstructie. De open opzet van deze paleizen weerspiegelt het vertrouwen in de toenmalige keizermacht, toen luxe vóór defensie kwam, al zijn er in Gelnhausen, Hessen, een sterke muur en een Bergfried.

Kastelen aan de Rijn

Een kasteel aan de rivier was verzekerd van snel transport en van water. Veel belangrijker, het kon tol heffen van het rivierverkeer. Met een waterweg als de Rijn kon dit uiterst profijtelijk zijn - het is geen verrassing dat de hele lengte bezaaid is met kastelen. De meeste dienden vroeger of later als tolposten, maar het is een mythe dat het roversholen waren; slechts in enkele zaten roofridders, in 1250-1273, na de dood van keizer Frederik II. Sommige waren bewaarplaats voor de schatkist van machtige vorsten. Toen Frankrijk in 1681 Straatsburg annexeerde, was Lodewijk XIV geen zin geld te spenderen aan de tol en beval in 1689 de sloop van de kastelen, al eindigde de tolheffing pas toen Frankrijk in 1797 de hele linkeroever bemachtigde.

Sommige waren bewaarplaats voor de schatkist van machtige vorsten. Toen Frankrijk in 1681 Straatsburg annexeerde, was Lodewijk XIV geen zin geld te spenderen aan de tol en beval in 1689 de sloop van de kastelen, al eindigde de tolheffing pas toen Frankrijk in 1797 de hele linkeroever bemachtigde.Opgedeelde kastelenHet Duitse gebruik van de deelbare erfenis betekende dat een aantal kastelen zo ontworpen was dat men ze kon verdelen in afdelingen, elk bezit van een verschillende familietak. Zulke kastelen heten Ganerbenburgen. Dit type kasteel kwam ook voor in Zuid-Frankrijk, vaak gedeeld door broers of families.

De Lage Landen

De erfenis van Karel de GroteToen Karel de Grote stierf en zijn rijk versplinterde, kreeg het feodalisme greep op de Lage Landen. Kastelen waren niet alleen bestuurscentra, maar ook afweer tegen dreiging uit Duitsland en Frankrijk. Toen het rijk van Karel de Grote na diens dood in de 9e eeuw verbrokkelde, kwamen de Lage Landen vooral onder zijn kleinzoon, Lotharius, die heerste over een lange tussenstrook van Europa, uitgestrekt van de Noordzee tot Noord-Italië, met de rijken van zijn jaloerse broers aan weerskanten. Het middenrijk werd uiteindelijk opgedeeld. Zoals in Frankrijk groeiden feodale families uit tot een stabiliserende factor en kregen graven en hertogen voet aan de grond. Burgerlijke onrust en vooral de dreiging uit Franse en Duitse staten betekenden dat hier veel kastelen verrezen.

De architectuur van kastelen werd sterk beïnvloed door het ontwerp van Franse en Duitse kastelen. Ze vertonen echter al tamelijk gauw veel unieke trekken. Dit is vooral zichtbaar in Nederland.

Een van de oudste kastelen is de Leidse Burcht, gebouwd rond 1150, waar een heuvel bekroond werd met een ringmuur. Er heeft ook een poortgebouw gestaan, maar de muren waren niet zo hoog als bij de meeste exemplaren in Engeland. Bogen in de muur dragen een galerij, wat typerend zou worden voor Nederland en het Beneden-Rijnland.

leidse burcht

Leidse Burcht

Door het vlakke terrein was de ringburcht in Nederland populair. De Leidse Burcht werd gekopieerd in Teylingen, Oostvoorne, Kessel en Woun: In Teylingen werd later een zaal toegevoegd, terwijl op de mottes van Kessel, Oostvoorne en Wouw een toren verrees.

In de 13e eeuw verscheen de vierkante of rechthoekige kasteelopzet, met hoektorens. Het Muiderslot, met zijn ronde hoektorens, is het beste voorbeeld.

Ook andere kastelen verrezen in deze vorm, zoals in Helmond in de vroege 15e eeuw.

Kasteel Helmond

Kasteel Helmond

De ronde hoektorens weerspiegelen Franse invloed. Een goed voorbeeld van Franse invloed was het kasteel Sluis; dit grote bouwwerk van circa 65 x 75 m had vier grote hoektorens en vier kleinere torens.

Comfort versus defensie

Een andere oude vorm van kasteelontwerp in de Lage Landen was het kasteel met torentjes, dat een belangrijk Vlaams type zou worden. Het verschijnt voor het eerst in de Romaanse periode, al zijn kastelen uit die tijd grotendeels verwoest of vervallen. Enkele versterkte huizen van edelen uit de 13e eeuw resteren nog. Ze begonnen vaak als toren, normaal in zaalvorm en van baksteen. Hier kwam een vleugel bij, zodat een L-vorm ontstond. Vaak verrees een muur om de hoeken te verbinden en verkreeg men een kleine, beschermde binnenplaats. Andere woongebouwen werden beschermd door een buitenwerk, gewoonlijk in de late Middeleeuwen toegevoegd. Zoals elders weken de defensieve eisen voor de behoefte aan wooncomfort.

Al zijn Belgische kastelen in veel opzichten gelijk aan die in Nederland, ze zijn sterker Frans beïnvloed. De flanktorens van de courtine aan het Gravensteen, Gent, zijn een voorbeeld.

Gecombineerde constructies voor verdediging en comfort werden gangbaar in Vlaanderen; de veelhoek met flankerende torens, opvolger van de ringburcht, bleef men de hele Middeleeuwen bouwen. Later werden ze verbouwd om tegemoet te komen aan de eisen die het wooncomfort stelde, zoals in Gaasbeek.Al in de late Middeleeuwen krijgen kastelen de elegante trekken die we kennen uit de verluchte handschriften — een stijl die lijkt op die van Franse vestingen. In Walzin (bij Dinant) is dat goed te zien aan de kant van de burcht die op de berghelling uitkijkt. De koopliedenstand kopieerde deze weerbare stijl met pinakels en torentjes op stadhuizen en lakenhallen.

Nederland

Zo'n 300 van de 2000 of meer kastelen die er in Nederland hebben gestaan, zijn bewaard gebleven. Nederland lijkt sterk op Vlaanderen en er zijn ook veel omgrachte kastelen. Regelmatig van opzet of niet, ze gebruiken zowel natuurlijke als kunstmatige waterlopen. Schaarse voorbeelden van overgebleven stenen ringmuren zijn de Leidse Burcht, kasteel Horn te Horn en de motte van Kessel. Graaf Floris V van Holland stimuleerde de kastelenbouw in de 13e eeuw met het Muiderslot — een Frans beïnvloede rechthoekige opzet met ronde torens — en de Ridderzaal op het Binnenhof, zijn Haagse paleis.

Muiderslot

De nabijheid van de rijke Vlaamse steden zou het verlangen naar comfort in latere Nederlandse kastelen stimuleren, en uit die periode stammen misschien de mooiste exemplaren.

Het is onmogelijk om kastelen uit alle landen weer te geven. In 2010 bracht ik zowel een bezoek aan Krakow, Praag en Rome. In alle drie de steden komen burchten voor. Allereerst uit Krakow de Wavel Burcht.

Krakow Wavel burcht

De burcht in Praag

Zicht op burcht

En de Engelenburcht in Rome

Rome De Engelenburcht

Voor deel 15 zie: Deel 15 Oorlog door de Eeuwen heen