We hebben 289 gasten online

Deel 15 Oorlog door de Eeuwen heen

Gepost in Serie Oorlog door de eeuwen heen

De slag bij Agincourt 1415

Oorzaken economische groei

Is er één oorzaak te vinden voor het begin van deze economische groei?

De agrarische maatschappij van Europa in de 10e eeuw had immers een karakter van 'Aziatisch' immobilisme. Demografische groei was strikt genomen nauwelijks mogelijk, omdat het aantal mensen dat in leven bleef afhankelijk was van de opbrengst van een primitieve landbouw met zo weinig rendement dat ontginningen onmogelijk waren. Alle beschikbare arbeidskrachten moesten worden ingezet bij het bewerken van de bestaande akkers. Slechts enkele monniken en edelen waren vrijgesteld van het directe werk in de agrarische sector; zij verdeden echter hun tijd met bidden en vechten en waren allerminst geschikt om door investeringen economische groei op gang te brengen.

Toch is die groei begonnen en misschien is de meest plausibele oorzaak daarvan dat er, vooral door een toenemend gebruik van ijzer, vernieuwingen op het gebied van landbouwwerktuigen zijn ingevoerd. Er kwamen nu investeringen op agrarisch gebied en deze geschiedden in eerste instantie in de vorm van ontginningen. Het kapitaal daarvoor kwam gedeeltelijk van de boeren zelf; de domaniale heren hadden daarbij eveneens grote verdiensten door de stichting van ontginningscentra en het aantrekken van boeren. Hoe efficiënt werkte niet de orde van de cisterciënzers met hun afkeer van luxe, met hun grangiën of voorwerken, waar groepen conversen — ongehuwde lekebroeders die niet eens aanspraak op loon maakten — werkzaam waren.

De innovaties in de landbouwwerktuigen maakten ook een demografische groei mogelijk doordat de opbrengst van het zaaigraan verbeterde; die verbeterde opbrengststond tevens een groter percentage mensen toe een ander beroep dan dat van boer te kiezen. Naast een toenemen van het aantal geestelijken zien we sinds de llde eeuw grotere groepen beroepssoldaten; vanaf die tijd dateert de herleving van handel en nijverheid. Ook dit is een Europees verschijnsel, waarbij we voor de handel op grote afstand het initiatief waarschijnlijk bij de Italianen moeten zoeken. Een stad als Venetië had steeds contact gehouden met Byzantium; de Italianen hebben in het vervolg voortdurend verbeteringen van de commerciële technieken ingevoerd in de rest van Europa, waarvoor zij in het begin de voorbeelden vonden in de Byzantijnse en Arabische wereld.

Groei Handel en nijverheid

De groei van handel en nijverheid heeft de opkomst van steden in de hand gewerkt. In de Karolingische tijd was hier en daar wel wat stedelijk leven bewaard gebleven; dit concentreerde zich vooral rond de bisschoppen, die nu eenmaal een vaste residentie als bestuurscentrum nodig hadden en daar een betrekkelijk groot aantal lagere geestelijken te werk stelden, die moesten worden gevoed en verzorgd. In dit soort steden hadden handwerkers en kooplieden echter geen aandeel in het bestuur. Dit werd anders in de steden die sinds de 11e eeuw ontstonden. Daar streefden de inwoners algauw naar een apart statuut en naar eigen rechtspraak, omdat hun behoeften niet werden gedekt door de geformaliseerde boerenrechtspraak van de bestaande rechtbanken. Verder werd het voor hen noodzakelijk zichzelf en hun eigendommen te beschermen tegen de gevaren van plunderaars en doortrekkende legers. Daarom werden al in de 11e eeuw vele nieuwe steden met een muur omgeven.

Stadsrechten Utrecht

Oorkonde van 2 juni 1122 met bevestiging door keizer Hendrik V van het door de Utrechtse bisschop Godebald aan Utrecht verleende stadsrecht.

Het is niet goed mogelijk om, zoals vroeger wel is gepoogd, een bepaald vast patroon bij het ontstaan der steden in Europa te onderscheiden. Iedere stad heeft zijn eigen, aparte geschiedenis gekend. Soms waren kooplieden van het begin af de machthebbers in de steden, maar even vaak werd die positie bekleed door de bezitters van de stadsgrond. Doorgaans werd de groei van de steden door de landsheren met welgevallen gezien; alleen in bisschopssteden kwam het vaak tot strijd tussen de oude machthebbers en de nieuwe klassen. Wanneer wij de weergaloze groei van het stedelijk leven in de Nederlanden sinds de 11e eeuw bekijken, is het verhelderend dat de groei der steden een algemeen Europees verschijnsel was.

Stedelijke expansie

Gedurende de twaalfde en de dertiende eeuw vormden de steden een groeiende markt voor de landbouwoverschotten, terwijl ze op hun beurt handwerkprodukten en werktuigen naar het platteland stuurden. Door de grotere vaar digheid van de handwerkslieden nam de produktiviteit toe, wat de boeren beter gereedschap opleverde, waarin meer ijzer en mindermhout was verwerkt. De grote domeinen raakten nauwer betrokken bij de stedelijke markt, en als reactie op het marktmechanisme kreeg de domaniale economie een meer commerciëel karakter.

Vanaf het midden van de dertiende eeuw werden de horigen steeds vaker ontslagen van de oude verplichtingen om voor hun heer te werken. Daarvoor in de plaats kwam de betaling van vaste geldsommen. Door de voortdurende prijsstijgingen tussen 1100 en 1300 werd de reële waarde van dit vaste bedrag steeds minder, waardoor het lot van deze boeren, die min of meer in hun eigen levensonderhoud voorzagen en hun eigen voedsel produceerden, verbeterd werd.

jaarmarkten

De stad bood ook een uitweg aan een ondernemende horige, die, als hij er in slaagde naar de stad te vluchten en daar een jaar en een dag te verblijven, zich veelal wist te bevrijden van al zijn horigheidsverplichtingen. Boeren konden hun bestaansmogelijkheden ook verbeteren door deel te nemen aan de kolonisatiebeweging en te verhuizen naar nieuwe gebieden. Landheren en kloosters probeerden vaak kolonisten naar zulke gebieden te lokken door gunstiger voorwaarden dan op de oude domeinen: lagere pacht en lichtere diensten.

Naast bevolkingsgroei en verstedelijking ontwikkelde zich de lange-afstandshandel. In het noorden, vooral in en om Vlaanderen, was door een zekere mate van politieke veiligheid aan het eind van de tiende eeuw een actieve kusthandel ontstaan. De Vlaamse steden Ieper, Gent, Dowaai en Brugge werden centra van de lakenhandel en hun produkt vond overal aftrek.

lakendistribuie van Ieper

Lakendistributie van Ieper

Luik leverde rood en geel koper; Keulen was gespecialiseerd in linnen, garens en bepaalde metalen; Engeland verschafte lood, tin en wol. De handelsverbindingen in het noorden werden voortdurend uitgebreid. Lubeck werd in 1143 herbouwd en leverde huiden, honing, scheepsbenodigdheden en graan aan de dichtbevolkte Vlaamse steden. Zout uit Frankrijk en Spanje werd gebruikt om de vis uit het noorden te pekelen en wijnen uit Gascogne fleurden de tafels van de Duitse kooplieden op.

Rond de twaalfde eeuw strekte de noordelijke handelsgemeenschap zich uit van Spanje tot Novgorod.In het zuiden was het handelspotentieel nooit volledig vernietigd, al had Italië tijdens de Longobardische invallen vreselijk te lijden gehad. Gedurende de periode waarin het westen ramp na ramp te verduren had, had het Oost-Romeinse rijk, zo niet zijn politieke, dan toch zijn commerciële kracht behouden. Steden als Bari en Amalfi hadden vanaf de negende eeuw actieve handelsverbindingen onderhouden met Constantinopel. In het noorden van het Adriatische gebied floreerde Venetië, beschut tegen barbaarse invallen door zijn ligging en door zijn vloot beschermd tegen de agressieve Saracenen. Uiteindelijk zou de dogenstad Byzantium verdringen als het belangrijkste commerciële centrum van het oostelijk bekken van de Middellandse Zee.

De gecompliceerde handelsvormen van de kooplieden uit het zuiden, allang gewend om risico's te spreiden door vennootschappen en commenda-contracten — een middel om ondernemingskapitaal naar het buitenland te sturen met een andere koopman — en vertrouwd met een kredietsysteem op basis van wisselbrieven, kwamen nu in contact met de minder subtiele commerciële praktijken van het noorden. De zuiderlingen behielden hun overwicht, omdat de noorderlingen zich slechts langzaam de meer ontwikkelde technieken eigen maakten. Er ontwikkelden zich echter in het graafschap Champagne jaarmarkten als internationale verrekenkantoren voor kredietbrieven.

jaarmarkten Champagne

Aangezien de markten met regelmatige tussenpozen gehouden werden, konden schulden, aangegaan op de ene markt, afgelost worden op de andere. Dergelijke verrekeningen tussen diverse partijen maakten klinkende munt steeds minder nodig. Bovendien letten de graven van Champagne zorgvuldig op de betrouwbaarheid van hun munt, zodat veel internationale transacties bepaalden dat uitbetaling diende te geschieden in de munteenheid van Provins, een van de steden waar markten werden gehouden. Een stabiel muntstelsel buiten Italië bood aan de zuiderlingen de mogelijkheid om de kerkelijke banvloek over rentedragende leningen en woeker te omzeilen; ze verstrekten een lening in de ene muntsoort en eisten terugbetaling in een andere, waardoor de rente kon worden gecamoufleerd.

Tegen het begin van de elfde eeuw was de economische groei goed op gang gekomen en dat bleef zo tot de eerste decennia van de veertiende eeuw. Ieder die energiek, moedig en ambitieus genoeg was om alles op het spel te zetten, kon stijgen op de sociale ladder.

Hanzesteden

In de veertiende eeuw stagneerde de handel over land onder invloed van politieke en economische factoren. De handel over zee nam daarentegen toe. De jonge Oost-Europese steden hadden een relatief groot aandeel in die handel. De handelaars uit deze steden besloten al snel met elkaar te gaan samenwerken. Later sloten de steden zelf bij dit verbond aan. De naam van dit samenwerkingsverband was de Hanze. Door de samenwerking konden ze de concurrentie van andere gebieden beter het hoofd bieden. Bovendien konden ze zo hun eigen handelsvloot beter beschermen tegen zeerovers en inhalige vorsten. Het verbond zorgde ervoor dat de landen rond de Noordzee en de Baltische Zee uitgroeiden tot een soort economische eenheid. De Hanze had vier grote kantoren die dienden voor het onderhouden van onderlinge en externe betrekkingen. Ze waren gevstigd inBrugge, bergen, Londen en Novogrod. De Hanze wist in veel gebieden privileges te verkrijgen en groeide zo uit tot een machtige handelsorganisatie.

Belegering en vestingwerken

In geval van oorlog was het zaak een burcht of versterkte stad van de buitenwereld af te sluiten of zo nodig in te nemen. In de geschiedenis van belegeringskunst en belegeringswapens door de gehele middeleeuwen heen tot aan de uitvinding van het buskruit sprake is van een grotere continuïteit dan bij enig ander onderdeel van de krijgskunde.

Twee wapens in het bijzonder vindt men gedurende de hele middeleeuwen: de stormram en de `boor'. De ram diende ertoe een bepaald deel van de muur van een burcht of stad naar beneden te halen.

aanval met stormram

De Stormram

De boor, een sterke, met ijzer beslagen paal, diende om stenen uit de muur te wrikken tot er een gat en ten slotte een bres ontstond. Reeds in de 6de eeuw vindt men deze werktuigen bij de belegering van Rome door de Goten; tijdens de Eerste Kruistocht in de 11e eeuw toen Godfried van Bouillon Jeruzalem belegerde en innam, en door de hele middeleeuwen heen en ook nog daarna tijdens de boerenopstanden in de 16de eeuw en zelfs nog in 1705 toen Beierse boeren tijdens de Spaanse successieoorlogen trachtten München in te nemen in een vergeefse poging de Oostenrijkers uit Beiers gebied te verjagen.

Het effectvan deze twee wapens hing uiteraard af van de kundigheid waarmee ze werden bediend. Vittigis faalde omdat hij niet over de gracht om de Heilige Stad kon komen. Godfried van Bouillon dempte de gracht om Jeruzalem op de plek waar de stormram moest worden opgesteld en maakte er een stevig dak boven om de mannen die de stormram bedienden, tegen pijlen en andere projectielen te beschermen. Beide aanvalswapens hingen met touwen of kettingen aan twee stevige verticale balken, zij werden zo ver mogelijk achteruit getrokken en daarna losgelaten om met geweld tegen de muur terecht te komen. Hoewel de stormram door een dak aan de bovenzijde en ook aan de zijkanten werd beschermd, was de beveiliging ervan niet altijd effectief. Huiden, dakpannen en dergelijke waren slechts voor korte tijd bestand tegen Grieks vuur, pek of andere brandbare stoffen. Daarom stelde men het beschermende bouwsel op wielen zodat de bemanning zich eventueel terug kon trekken en de opgelopen schade vóór de volgende aanval kon herstellen. De stormram zelf was kwetsbaar en kon door de verdedigers worden weggetrokken en vastgehouden dan wel in zijn schok worden gebroken door vlechtwerk, stro of huiden.

Vanouds waren er ook sappeurs. Hun taak was de zwakste plek van de muur te benaderen door middel van loopgraven. Was de muur bereikt, dan werd er een gat onder gegraven dat met rijshout en stro werd gevuld. Daarna stak men er de brand in. Deze methode had slechts een beperkte uitwerking en was karakteristiek voor de vroege middeleeuwen toen de muren en verdere vestingwerken van hout waren of gemetseld waren met een soort mortel dat heel slecht bestand was tegen hitte, bros werd en met steen en al verpulverde. De uitvinding van het buskruit bracht hierin verandering.

Van de overige bij een belegering gebruikte wapens was de ladder het eenvoudigste en waarschijnlijk ook het oudste. Om de verdediging op de muur het best te kunnen aanvallen moest men zich minstens op dezelfde hoogte bevinden als deze. Zo ontstond de storm- of aanvalstoren (beffroi), die van hout was en voorzien van een platform waarop de boogschutters stonden.

Stormram

Het is onbekend wanneer deze belegeringstoren de eerste maal werd gebruikt. In 537 gebruikten de Goten haar bij het beleg van Rome daarna dook zij pas weer op in de loop van de 11e eeuw: zij was een van de machtigste wapens bij het beleg van Jeruzalem. Daar zij van hout was gemaakt, was zij even kwetsbaar als het beschermende dak van de stormram, maar zij behoefde niet zo dicht bij de muur te komen als de stormram. Ook kon de stormtoren dienstdoen als aanvalswapen; dan maakte men van een haalbrug gebruik, wat inhield dat ze zo dicht mogelijk naar de muur moest worden getrokken om de belegeraars de gelegenheid te geven van de brug af op de muur over te springen en zich zo nodig tijdig in de stormtoren terug te trekken. Voor de soldaten die dicht onder de muur moesten komen, werden extra grote schilIen gemaakt.

ridders en boogschutters

De boog die op het principe van spanning berust, was waarschijnlijk de voorloper van de artillerie. Maar pas door het principe van torsie (wringing) werd het mogelijk om zware projectielen tegen de muren en in de vesting zelf te werpen. Men plaatste een balk met aan het einde een ondiepe uitholling waarin het projectiel werd gelegd, tussen twee paar horizontaal gespannen touwen die door enkele mannen zo stijf mogelijk in elkaar waren gedraaid. Als de balk vrij kwam, slingerde hij met volle kracht het projectiel tegen het doelwit. Met dit wapen was geen precisie te bereiken, het doel moest dus van grote afmetingen zijn. Men kan bij deze wapens lichte en zware werpapparaten onderscheiden. Niet de grootte van het projectiel was hierbij beslissend, maar de draagwijdte ervan. De balk, tussen zeven en negen meter lang, kon op een toren worden gemonteerd met de `laadruimte' op de grond, waarbij de touwen aan het boveneinde strak werden gespannen. Als de balk vrijkwam, ging hij met een geweldige ruk omhoog en schoot de kogel of steen tot ver binnen de vesting. De naam van dit wapen voor korte of lange afstand was magonel.Het weer kon hier parten spelen, want door regen werden de touwen slap en onbruikbaar.

De opvolger van de handboog was de kruisboog.

Kruisboog

 

De ballista kon ook zogenaamde javelijns of werpschichten af schieten en met meer precisie dan de magonel. In tegenstelling daarmee was zij meer op personen dan op muren gericht. Zij kon bij de aanval en bij de verdediging worden gebruikt, zoals de Noormannen bij de belegering van Parijs ondervonden. De ballista was de voorganger van de kruisboog die sinds de 11e eeuw overal in Europa werd gebruikt. Deze wapens waren in de vroege middeleeuwen al bekend en over de meeste ervan beschikten de Noormannen in de 9e eeuw bij hun belegering van Parijs. Zij moeten ze van hun vijanden hebben afgekeken, maar ze verstonden niet de kunst ze op de juiste wijze te gebruiken: bij de belegering van Parijs bleek dat de Noormannen elk inzicht in een strategische oorlogvoering misten.

De middeleeuwse burchten hebben hun ontstaan te danken aan de invallen der barbaren in de 9e en 10e eeuw. Zonder overdrijving kan men zeggen dat deze periode werd gekenmerkt door een `renaissance' van de militaire bouwkunst en tevens door de restauratie van de door de Romeinen gebouwde en verlaten versterkte plaatsen. De oude fortificaties van Londen, Chester en York werden hersteld en aan de eisen van de tijd aangepast.De vroegste van die nieuwe versterkte behuizingen werden bij gebrek aan steen van hout opgetrokken. Willem de Veroveraar bracht uit Normandië zijn eigen houten geprefabriceerde forten mee. Ook de oudste burchten, door koning Hendrik I in de Harz gebouwd, waren van hout en door houten palissades omgeven.

Stap voor stap werd de houten structuur vervangen door een stenen bouwsel. Het zou onmogelijk zijn geweest om in zulk een korte tijd als Hendrik I deed, andere dan houten forten te bouwen. Hun voornaamste functie was verdediging, niet bewoning. De eerste burchten van de Ridderlijke Duitse Orde in Noordoost-Europa zoals die in Kulm, Lábau en Thorun waren aanvankelijk van hout opgetrokken, maar werden later door stenen gebouwen vervangen. Alleen Marienburg, dat tenslotte het centrum van de Orde werd, was vanaf het begin van steen gebouwd, maar de bouw vond pas plaats toen de positie van de Orde in die streek grotendeels wasvastgelegd.

Ook de forten der Noormannen in Engeland waren oorspronkelijk van hout. In de zomer van 1068 werd door 500 man de burcht van York gebouwd. Het zou onmogelijk zijn geweest in zo'n korte tijd een stenen fort te bouwen, maar Willem de Veroveraar verkeerde in tijdnood met het oog op de onderwerping van Noord-Engeland. In dezelfde tijd ontstonden stenen burchten zoals de Tower in Londen, die tot op heden nog overeind staat. De reduits van de burchten van Colchester en Richmond dateren uit dezelfde tijd. De bloeitijd van de kastelenbouw in Engeland valt pas in de 12e eeuw, de twee oudste voorbeelden hiervan zijnde burchten van Dover en Norwich.

Vanzelfsprekend moest bij de bouw rekening worden gehouden met de geografische situatie. Ideaal was een hoge ligging zoals bij het slot Hohenzollern bij Hechingen in Zuid-Duitsland. Het hedendaagse slot, dat een reconstructie is van een oudere burcht, heeft een vrij uitzicht over de Zwabische Alpen. Een andere, eveneens ideale ligging is die op een strategisch belangrijk punt, wat het geval is bij Ehrenbreitstein, gelegen aan de samenvloeiing van Rijn en Moezel hoog boven Koblenz.

In vlakke streken zoals in de Nederlanden en in een deel van Engeland moest de bouwmeester kunstmatig het terrein verhogen. Dit was het geval in York, Gent en Leiden en in de Noorditaliaanse laagvlakte bij Milaan. Een vereiste in vlak terrein was een diepe gracht.Toen de vestingen niet langer uitsluitend als verdedigingswerken dienden, werd de opzet ervan ruimer. Er werden buitenmuren bij gebouwd om de verdediging zo ver mogelijk van het eigenlijke woongedeelte te houden. De vestingen werden nagenoeg onneembaar, het enige middel om hen tot overgave te dwingen was via uithongering en verwoesting van het omliggende land. Soms hield een goed bevoorraad fort het maandenlang uit. Dit ondervond Hendrik III bij Kenilworth en Pevensey en ook de Hohenzollerns in hun strijd met de Brandenburgse adel. De leenmannen hadden niet altijd gelegenheid om hun vorst zo lang bij te staan, omdat zij ook op aanvallen in hun eigen gebied bedacht moesten zijn.

Het bleek dat de afkoop van de heervaart een hoogst belangrijke bron van inkomsten was die kon worden gebruikt voor het huren van soldaten. Het in-dienst-nemen van huurtroepen vond in Engeland plaats in de roerige jaren na de dood van William Rufus, de opvolger van Willem de Veroveraar en tijdens de opvolgingsstrijd na de dood van Hendrik I.

De kruistochten stimuleerden de bouw van vestingen en burchten; de middeleeuwse ridders maakten toen voor het eerst kennis met de vestingwerken in het Byzantijnse rijk en met die van de Arabische wereld. Constantinopel was het prototype van de volmaakte vesting. De stad werd omsloten door drie verdedigingsgordels. Allereerst was de buitengracht zo'n twintig meter breed en zeven meter diep, voorzien van staketsels en andere obstakels. Aangezien de keizers in de tweede helft van de 12e eeuw hun zeemacht hadden verwaarloosd, konden de Venetianen bij hun aanval vanuit zee in 1204 Constantinopel veroveren, voor de eerste maal in de geschiedenis van de stad door een aanval van buitenaf.

Op gelijke principes berustte de bouw van de sterkten waarmee de kruisvaarders op hun tochten naar het Heilige Land te maken kregen. Nadat ze zich er meester van hadden gemaakt, richtten zij ze meteen voor eigen gebruik in.

Daarna deed de Byzantijnse invloed zich uiteraard gelden bij de bouw van kastelen in Midden- en West-Europa. Een van de beste voorbeelden daarvan is Cháteau Gaillard van Richard Leeuwehart dat Rouaan voor elke aanval van de zijde van de Seine dekte, en dat beschikte over vier verdedigingsgordels. De rond-gebouwde burcht was uit het oogpunt van militaire architectuur de apotheose van de kastelenbouw.

Plattegrond Chateau Gaillard

Plattegrond Chateau Gaillard

De belegeringskunst hield hiermee geen gelijke tred. In de I4e éeuw sloeg de balans nog door naar de zijde van de verdediging. De belegeringswapens waren, geringe details daargelaten, in drie eeuwen niet wezenlijk veranderd. De enige vooruitgang bestond in het tegenwicht, waarbij het wapen bij de aandrijving niet op het principe van spanning of wringing berust, maar op de kracht van een plotseling losgelaten gewicht. De zogenaamde trebuchet was een variant van de magonel, maar werkte volgens een ander principe. De lange paal op het uiteinde waarvan het projectiel was gemonteerd, was aan de grond bevestigd; het bovenste deel rustte op de top van een houten bouwsel dat enige overeenkomst met een stormtoren vertoonde, maar kegelvormig was. Het kortere eind van de paal rustte op de top van het bouwsel en was met kettingen vastgemaakt aan een grote kist waarin zich een zwaar stuk metaal of steen bevond. Als de paal plotseling werd losgelaten, schoot hij met grote kracht omhoog en wierp het projectiel ver weg. Net zomin als de magonel was de trebuchet een precisiewapen; er bestonden verscheidene versies van.

De kunst van ondermijnen, in de 13e eeuw ontstaan, maakte een grotere ontwikkeling door. Aanvankelijk was er alleen sprake van ondermijning van de palissade en het daaronder aanbrengen van brandbaar materiaal, maar deze methode faalde als men te maken had met een door een gracht omgeven vesting. Ondermijnen ging het maken van een loopgraaf aan de voet van de muur betekenen om zo toegang tot de vesting te krijgen. Zodra de belegerden bemerkten wat er aan de hand was, konden zij dezelfde methode toepassen tegenover de vijand en hen doden dan wel uitroken. Ondermijnen faalde bij de belegering van Carcassonne evenals andere aanvalsmethoden, en toen er hulp van buiten kwam, werd het beleg opgebroken. Tijdens de kruistochten werd de ondermijningstactiek toegepast in Engeland, Duitsland en in de Levant. Zo slaagden de Egyptenaren onder Sultan Kelaun erin Markab, verdedigd door ridders van de Johanniterorde, in 1285 in te nemen.

Zolang de belegeringskunst niet over nieuwe wapens beschikte, waren vestingen vrijwel onneembaar. Om te slagen was tijd een eerste vereiste, en wel meer tijd dan de hooguit drie maanden waarover de leenmannen beschikten. Het gebruikmaken van huurtroepen, die zeer kostbaar waren, vertoonde weer andere bezwaren. Zij behandelden dikwijls de bevolking van het gastland op dezelfde wijze als die van de vijand. Men zag hen dan ook liever zo gauw mogelijk weer verdwijnen. Men kan zeggen dat tot de uitvinding van het buskruit het succes over het algemeen aan de zijde van de verdediging was.

Zie voor Deel 16 Oorlog door de Eeuwen heen: Deel 16 Oorlog door de Eeuwen heen