We hebben 344 gasten online

Deel 16 Oorlog door de Eeuwen heen

Gepost in Serie Oorlog door de eeuwen heen

 De slag bij Agincourt 1415

Veranderdende Oorlogsvoering

De ontwikkeling van het kanon leidde begin 15e eeuw tot nieuwe soorten verdedigingswerken, waardoor het beleg van vorm veranderde. De nieuwe forten hadden geen stenen muren meer maar bastions, die ver uit de aarden wallen staken, zodat de verdedigers met kanonnen en andere vuurwapens een vrij schootsveld hadden op iedereen die naderde. de aardenw allen voorkwamen dat kanonvuur de relatief lage muren kon raken. De belegeraars moesten dus nieuwe tactieken ontwikkelen, zoals het graven van zigzaggende loopgraven naar de muren om dekking te houden, terwijl de stad of het fort met mortieren werd beschoten.

Het kanon

In het begin veertiende eeuw bracht de introductie in Europa van het buskruit een revolutie teweeg in de technologie van het geschut, hoewel oude vormen (de boog, de speer of spangeschut) nog lange tijd in gebruik zouden blijven. Vermoedelijk werd het kanon in 1313 uitgevonden door de augustijner monnik Berthold Schwarz uit Freiburg. Wanneer dit schiettuig voor het eerst gebruikt werd, is omstreden. Florentijnse documenten uit 1326 bevatten de vroegste verwijzing naar de aankoop van kanonnen ter verdediging van Florence en vanaf dat jaar was dit wapen in geheel West-Europa bekend.Een kanon werd uit brons gegoten of gemaakt van smeedijzer (vanaf de veertiende eeuw) en gietijzer (vanaf 1520). De techniek van het gieten was al bekend van het maken van klokken. Smeedijzer was goedkoper dan brons, maar van lagere kwaliteit. In het begin was ieder kanon uniek en droeg het zijn eigen naam. In Italië werden de kanonkogels zelfs gegraveerd.

In de vijftiende eeuw trachtte men steeds grotere kanonnen te maken die echter alleen tijdens belegeringen en voor de verdediging van steden doeltreffend bleken. De Turken maakten in 1453 bij de inname van Constantinopel van dit soort geschut gebruik.

De veldslagen vereisten echter een mobieler type geschut. Karel VIII van Frankrijk (1483-1498) plaatste zijn lichte kanonnen op een onderstel dat door een span paarden getrokken kon worden. Dit type was snel herlaadbaar en kon het tempo van de infanterie op vlak terrein redelijk goed bijhouden, zoals blijkt uit de invasie van Italië (1494). De veldslagen bij Ravenna (1512) en Marignano (1515) waren de eerste waarbij de veldartillerie een doorslaggevende rol speelde.

De zestiende eeuw gaf in Engeland, Holland en Zweden de opkomst te zien van gietijzeren kanonnen, de standaardisatie van munitie en kaliber, en de ontwikkeling van de ballistiek. Na technologische verbeteringen in de daaropvolgende eeuw werd steeds vaker gebruik gemaakt van gietijzer. Amsterdam groeide uit tot Europa's grootste munitiemarkt en het Europese produktiepotentieel nam geweldig toe.

De achttiende eeuw bracht verdere uniformiteit in het ontwerp van kanonnen; daarnaast kwamen er handkarren voor het munitietransport, gereedschappen enreserveonderdelen, en vaste bedieningsploegen met de verdeling binnen het leger naar mobiliteit, in cavalerie, veld- en garnizoensartillerie.

Het kanon begon een steeds crucialere rol te spelen in de strijd; een reden waarom Napoleon zijn kanonniers bevorderde tot een elitecorps.

Technische verbeteringen van de negentiende eeuw waren het roterende stalen kanon uit één stuk (1851) van Alfred Krupp,de achterlader (1860) en een hydraulisch mechanisme om de terugslag op te vangen. Het grotere bereik maakte het vuren vanuit de achterste linie mogelijk.

In de Eerste Wereldoorlog kon het Duitse kanon 'Dikke Bertha' Parijs van een afstand van 122 kilometer met succes bestoken. Sinds de invoering van de tank, de tactische bommenwerper en, nog recenter, geleide wapens is de rol van de artillerie afgenomen.

 

De behoefte aan verdediging

Aan het begin van de veertiende eeuw werd het kanon uitgevonden. In de eeuw daarna werd het zo'n krachtig aanvalswapen dat het alle traditionele verdedigingswerken nutteloos en verouderd maakte. Het `moderne' type vesting werd in de zestiende eeuw voor het eerst beproefd in Italië. De eerste vestingwerken met bastions dateren uit circa 1530. Het model dat bijzonder wijdverbreid zou raken, was gebouwd met regelmatige geometrische vormen en voorzien van lage veelhoekige bolwerken. Een bastion was een stevig vooruitspringend platform dat aan een vestingwal was gebouwd. Het schootsveld van het op de flanken van het bastion geplaatste geschut bestreek het gebied evenwijdig aan de vestingmuren. Het geschut op de uitbouw en aan de voorzijde van het bastion kon zijn vuur recht op de aanvallers richten. De grote hoeveelheid geschutsposities en de hoekige vorm van het bastion maakten het mogelijk het hele gebied rond de versterking te bestrijken, zonder dat er blinde hoeken overbleven. De met bastions versterkte stadswallen waren omgeven door een brede vestinggracht die de aanvallers op een afstand hield en tegelijk het fort verbond met andere vestingen; langs de gracht liep een bedekte weg. Het gebied rond de vesting werd zo vlak en leeg mogelijk gehouden teneinde aanvallers geen schuilplaats te bieden en om het schootsveld vrij te houden. Bastions werden over het algemeen gebouwd van sterk materiaal, steen en vaker nog bakstenen die zware aarden wallen van zand of grond bedekten.

Duitse kanonnen uit de 16e eeuw

Duitse kanonnen uit de 16e eeuw

Volgens de geschiedschrijving werd het beproeven van nieuwe technieken versneld als gevolg van de Italiaanse angst voor het machtige Franse leger dat Karel VIII in 1494 op de been bracht: 18.000 manschappen, voorzien van belegeringsartillerie die niet alleen vanwege de omvang — minstens veertig groot kaliber bombarden (steengeschut) — indrukwekkend was, maar vooral vanwege de mobiliteit, vuursnelheid en reikwijdte. Hoewel de artillerie in de veldtocht van 1494 een tamelijk beperkte rol speelde, kan met recht gezegd worden dat de financiële en organisatorische kracht van de grote monarchieën voor de verspreiding van dit nieuwe wapentuig zorgde en daarmee het zoeken naar nieuwe verdedigingsmethoden een sterke impuls gaf.

De eerste met bastions versterkte constructies, die voor de rest van Europa het prototype zouden worden, werden ontworpen door Italiaanse bouwmeesters. Vanaf de vijftiende eeuw leende de politieke situatie in deze gebieden zich voor experimenten: veel vijandige en onderling wedijverende staten met veel grenzen om te verdedigen, en de nieuwe vorsten hadden citadels nodig om zich te verzekeren van de loyaliteit van steden die gewend waren geraakt aan autonomie en grandeur. Het fort als politiek en maatschappelijk machtsmiddel markeerde vanaf ca. 1520 het begin van een tijdperk.

Het Italiaanse milieu stond ook om culturele redenen open voor experimenten. Militaire bouwkundigen stonden in hoog aanzien en deden in vermaard-
heid niet onder voor de belangrijkste kunstenaars van die tijd.
De geschiedenis van vestingwerken in het moderne tijdperk is voornamelijk het verhaal van de genialiteit van militaire ingenieurs en bouwkundigen die vanaf de vijftiende eeuw heel wat mogelijk succesvolle paden insloegen voor ze tot de winnende oplossing kwamen: het veelhoekige bastion.

Dit type fortificatie veranderde het de idee van een permanente verdediging radicaal. In de vijftiende eeuw was een vestingwerk een statisch bouwwerk dat dankzij de omvang of de steilte van zijn muren een aanval met projectielen af kon slaan. De met bastions versterkte vormen maakten de vestingwerken tot heuse oorlogsmachines die niet alleen waren gebouwd ter verdediging, maar ook als basis om in de tegenaanval te gaan. Desondanks raakten niet alle oude vestingwerken in onbruik. Een aantal indrukwekkende en robuuste forten uit de late Middeleeuwen onderging diverse aanpassingen en bleef jarenlang onneembaar.

Aan de andere kant konden veel van de in de zestiende eeuw opgetrokken bouwwerken nauwelijks worden omschreven als voorbeeld van verfijnd ontwerp of meesterstuk van geometrie. De bouw van deze versterkingen geschiedde in een te hoog tempo en er werd gebruik gemaakt van niet-duurzame bouwmaterialen; ze waren alleen bedoeld om concrete bedreigingen het hoofd te bieden. Maar al te vaak bleek deze constructies een kort, ineffectief leven beschoren.

Vanaf de tweede helft van de zestiende eeuw liepen in alle grote Europese staten grootschalige projecten voor de bouw van forten om hun landsgrenzen te beschermen en hun legers een toevluchtsoord te bieden. De voornaamste reden voor deze uitbarsting van vestingbouw was het gevaar van een aanval van de Turken. Hoewel het opbouwen van een vloot prioriteit had boven het bouwen van verdedigingswerken, verrezen in het hele Middellandse-Zeegebied versterkte buitenposten, bolwerken of garnizoenen, vooral langs de Adriatische en Ionische kust, de Spaanse zuidkust en de Noordafrikaanse kust.

Tussen 1566 en 1571 werd het eiland Malta, dat in 1564 door de Turkse vloot fel was aangevallen, met hulp van de gehele christelijke wereld versterkt. Langs de zuidkust van Italië, dat aan Turkse aanvallen en plundertochten van Barbarijse (Berberse) zeerovers blootstond, lieten de Spaanse onderkoningen een rij kusttorens en -vestingen bouwen. In haar overzeese gebieden richtte Venetië in Dalmatië, op Korfoe en op Kreta permanente verdedigingswerken op, en versterkte de oostgrens van Friuli.

Het stichten van versterkte nederzettingen langs de grens werd aangemoedigd door de Franse koning Frans I, die vanaf 1536 een aantal van de meest gerespecteerde Italiaanse ingenieurs in dienst nam om de noordelijke grenzen van zijn koninkrijk van forten te voorzien. In zeer korte tijd waren er langs de grens met de Nederlanden vijftien vestingen opgetrokken die door meer dan duizend stukken geschut werden verdedigd. Vitry-le-Francois, Villefranche sur Meuse en Rocroi, in de Ardennen, waren stadsvesten die de standaard bepaalden voor soortgelijke toekomstige bouwwerken. Aan de andere zijde van de grens werden vergelijkbare verdedigingswerken door de Habsburgers opgericht: bij Marienborg (1546) en Philippeville (1553).

vestingstad Heusden

In de 16de eeuw drongen de Italiaanse fortificatie-ideeën ook in de Nederlanden door. In de jaren van strijd tegen Spanje legde
men een stelsel van wallen en bastions van aarde aan, omgeven door een met water gevulde gracht. In deze brede gracht werden nog ravelijnen aangelegd: vijfhoekige eilandjes voorzien van borstweringen waarop geschut kon geplaatst worden. Het geheel werd vaak omsloten door een tweede verdedigingsgordel. Hier de vestingstad Heusden aan de Bergse Maas, aan de zuidgrens van Holland.

Het grootste aantal met bastions versterkte bouw- en vestingwerken verrees, in een periode van zo'n vijftig jaar, in de Nederlanden waar — gedurende de strijd van de protestantse provincies tegen de Spanjaarden — aan beide zijden ongeveer 43 kilometer moderne verdedigingswerken, vier citadels en talrijke met bastions versterkte stadswallen werden gebouwd om steden en nederzettingen te kunnen verdedigen. In opdracht van de geslachten Habsburg en Nassau en van steden als Breda en Antwerpen verwezenlijkten militaire ingenieurs indrukwekkende ringmuren met bastions en monumentale toegangspoorten. Italiaanse ingenieurs werkten tevens in Oost-Europa, de Afrikaanse koloniën en Amerika. Aan het eind van de zestiende eeuw was de trace italienne de meestgebruikte vorm in vestingwerken en uitgegroeid tot een echte 'internationale stijl'.

De moderne versterkingstechnologie mocht in het zestiende-eeuwse Europa rekenen op opmerkelijk veel belangstelling en in sommige gevallen zelfs op onvervalst enthousiasme. Een veeleisend plan voor fortificatie of een volgens de laatste specificaties van militaire ingenieurs gebouwd fort vormden de meest effectieve manieren voor een staat om zijn politieke leiderschap te vestigen en te benadrukken. Een bewijs voor de brede belangstelling voor fortificatiebouw in het Europa van de vijftiende en zestiende eeuw wordt geleverd door de hausse van verhandelingen over militaire bouwkunst en de collecties van bouwplannen voor vestingwerken. Er werd een overvloed aan materiaal gepubliceerd. Verhandelingen en verzamelingen, bouwtekeningen, sommige orgineel, sommige in gereproduceerde en herziene vorm, werden in geheel Europa gepubliceerd en zorgden voor een circulatie op grote schaal van beelden, ideeën en technieken.

De hoofdpersonen van deze uitzonderlijke ideeënverspreiding, die een kleine culturele revolutie genoemd mag worden, waren de militaire bouwmeesters. De besten onder hen waren niet alleen kunstenaars, maar tevens humanisten en technisch deskundigen met een almaar groeiende kennis van zaken. Wiskunde en geometrie, de wetten van de ballistiek en kennis van vroegere tradities behoorden tot de complexe culturele kennis die deze bouwmeesters tijdens het leiden van de constructiewerkzaamheden opdeden. De vakkennis die de professionele architecten door de bouw van forten en de voorbereiding van belegeringsbouwwerken opdeden, onderscheidde hen van de talloze dilettanten en amateurs, die echter ook bijdroegen — zij het op een zichzelf herhalende en nauwelijks originele manier - aan de indrukwekkende verspreiding van vestingwerken en verhandelingen.

Belegeringen en garnizoenen

De revolutie in de fortificatiemethoden ging vergezeld, van nieuwe belegeringstactieken. In de vijftiende eeuw kwamen de belegeraars tot bij de muren van het fort en gebruikten een bombarde om in een kwetsbaar deel een bres te slaan. Daarna volgde een massale, doorgaans beslissende aanval. Vanaf halverwege de zestiende eeuw vereiste de verovering van een fort,dat volgens de principes van de trace italienne werd verdedigd, contra-fortificatie en veel langere en moeizamer benaderingsmethoden.

vesting Breda

Het Spaanse beleg van Breda in de Nederlanden kwam neer op een omsingeling van de stad met een dubbele rij van versterkingen, van binnenuit en buitenaf verdedigd door 96 redoutes, 37 forten en 454- batterijen. Net als in de middeleeuwen echter, werd een vesting vaak zonder bombarderen ingenomen. Het was de honger waardoor de Bredanaren zich na een beleg van negen maanden overgaven; op hun bastions was geen enkel kanonschot afgevuurd. In 1585 viel Antwerpen na een beleg van vijftien maanden hetzelfde lot ten deel, nadat de vijand de stad had geïsoleerd door de omliggende vlakten onder water te zetten.

Een belegering betekende vaak de inzet van duizenden mannen. Toen de Hollanders het fort van 's-Hertogenbosch aanvielen, stelden zij 25.000 man op die rond de vesting een veertig kilometer lang menselijk gordijn vormden. In 1683 kon het christelijk leger de Osmanen die de stad Wenen belegerden verslaan, omdat deze vijand al zijn kanonnen op de stad gericht had en niet de moeite had genomen om zich in te dekken met een verdedigingslinie tegen een ontzettingsleger.

De met bastions versterkte vestingwerken en de verbeterde belegeringstechnieken hadden belangrijke veranderingen in de oorlogvoering tot gevolg. Een
oorlog veranderde in een eindeloze reeks belegeringen en de in omvang opvallend toegenomen legers — de belangrijkste ontwikkeling van de `militaire revolutie' — werden vooral gebruikt voor belegeringsoperaties en de verdediging van steden en forten. Berekeningen tonen aan dat in 1639 bijna de helft van de 77.000 manschappen van het Spaanse leger in de Zuidelijke Nederlanden in forten gestationeerd was, terwijl het leger van de Republiek der Verenigde Nederlanden verdeeld was over garnizoenen die vaak veel talrijker waren dan de burgerbevolking die ze beschermden. In de eerste jaren van de met bastions versterkte vestingen hadden de staten zichzelf wijsgemaakt dat ze op de kosten van de garnizoenen zouden kunnen besparen, maar het werd al snel duidelijk dat hoe moderner en geraffineerder het fort was, hoe meer manschappen er nodig waren voor de verdediging.

In de zeventiende eeuw bevorderde de geweldige verspreiding van vestingwerken de oprichting van nationale scholen in Frankrijk, Duitsland en de Nederlanden. Onder de meest vooraanstaande technische exponenten op dit gebied in Noord-Europa moeten de Elzasser ingenieur Daniel Specklin (zijn verhandeling Architectura von Vestungen, boordevol vernieuwende ideen, werd in 1589 in Straatsburg gepubliceerd) en Simon Stevin uit Brugge gerekend worden. Laatstgenoemde was wiskundig theoreticus, expert in de hydraulica en belegeringstechnieken en militair adviseur van Maurits van Nassau. Ondanks de invloeden van de trace italienne zorgden de technische innovaties die de Hollandse en de noordelijke scholen in het algemeen introduceerden, voor een wijziging van de fortificatietechniek en een radicale verandering van belegeringsmethoden.

Infrastructurele werken bouw vestingen

De aanleg van vestingen vergde een enorme infrastructuur. Hier is te zien hoe landmeters van de Franse Genie het uitgemeten grondplan traceren r markeren, terwijl men wat hogerop reeds volop aan het metselwerk bezig is. Ingekleurde tekening uit de "Atlas van Masse', een ingenieur-topograaf en medewerker van Vauban.

Zoals geïllustreerd door het voorbeeld van Coevorden, door Maurits van Nassau herbouwd nadat hij het in 1592 op de Spanjaarden had heroverd, was het voornaamste element van de versterkte verdedigingsring niet meer het bastion, maar de hoogontwikkelde en doordachte verdedigingswerken die erbinnen en erbuiten waren gebouwd. Vergeleken met de klassieke Italiaanse vestingen hadden de nieuwe forten een veel agressiever en dynamischer profiel. De noordelijke school hield zich strikter aan wetenschappelijke concepten en daarbij maakte een grondig onderzoek van de grond in belangrijke mate deel uit van de bouwwerkzaamheden. Aan het einde van de zeventiende eeuw introduceerden de Hollanders Hendrik Ruse en Menno van Coehoorn een aantal zeer belangrijke vernieuwingen die een verbetering ten opzichte van lokale technieken betekenden. Ook Frankrijk kende een bloeiende stroom van publikaties die te maken hadden met de herziening van verdedigingswerken. Ten tijde van Richelieu en Lodewijk XIII werden de permanente verdedigingswerken van Frankrijk in bepaalde opzichten geherstructureerd. Onder de belangrijkste verhandelingen bevinden zich die van de ingenieurs die door het door Sully opgezette Geniecorps werden tewerkgesteld, zoals Errard de Bar-le-Duc en Blaise de Pagan.
Vauban
De tweede helft van de zeventiende eeuw werd gekenmerkt door het leven en de, vanwege hun omvang en buitengewone ontwerp, bijzondere werken van Sébastien le Prestre, markies van Vauban, die in dienst stond van de plannen voor Franse hegemonie van Lodewijk XIV en zijn ministers.

De belangrijkste fase van Vaubans carrière begon in 1667 toen Lodewijk XIV een aantal belangrijke Vlaamse steden verwierf. Bij het voortzetten van het werk van zijn voorgangers trachtte Vauban de aanpassing en rationalisatie te verwezenlijken van een verdedigingssysteem dat te kostbaar en verouderd was. Hij probeerde een landsgrens te scheppen die niet alleen eenvoudig te verdedigen zou zijn, maar ook ruimte zou laten voor verdere veroveringen, overeenkomstig de expansiepolitiek van de koning.

Versterkingen Vauban Frankrjk

Versterkingen die Vauban in Frankrjk ofwel liet aanpasssen of geheel nieuw liet aanleggen.

Onder Vaubans leiding, en vaak op basis van zijn bouwplannen, bouwden en herbouwden Franse ingenieurs vestingen en schiepen zo een reeks sterke verdedigingswerken langs de grenzen. De centraal gelegen gebieden van Frankrijk werden in praktisch alle opzichten gedemilitariseerd waardoor grote aantallen manschappen uit de garnizoenen beschikbaar kwamen.

Vaubans meest innoverende werk was de bouw van de vestingstad Neuf-Brisach in de periode 1698-1706 die de oversteekplaatsen van de Rijn vanaf de Zwitserse zijde moest verdedigen. De bastions zijn nagenoeg verdwenen, maar de uitspringende constructies hebben enorme afmetingen en geven de omtrek van het fort een bijzonder agressief karakter. Vaubans vermaardheid onder zijn tijdgenoten was voornamelijk te danken aan zijn vernieuwende ideeën op het gebied van belegeringstechnieken.

 

Neuf-Brisach

Doorsnede en bovenaanzicht van Vaubans verdedigingswerken te Neuf-Brisach. Om meer weerstand te kunnen bieden aan geschutvuur werden de
belangrijkste wallen (rainparts) van aarde gemaakt, waar kanonkogels in konden verdwijnen zonder er bressen in te slaan. In de grachten rond de vesting werdèn lunettes en ravelins aangelegd: vooruitgeschoven halvemaanvormige verdedigingswerken, om de vijand het benaderen van de eigenlijke wallen zo moeilijk mogelijk te maken.
1. Glacis (vrij schootsveld) meteerste borstwering;
2. Overdekte verbindingsgang; 3. Buitengracht; 4. Lunetten en ravelins; 5. Stadsgracht; 6. Bastion en stadswallen; 7. Kazernes en stadsbebouwing.

In 1673 probeerde hij in Maastricht voor het eerst een methode uit van gestaag oprukken in parallel gelegen loopgraven. Na lang voorbereidend werk tekenden de pioniers een netwerk van graafwerkzaamheden dat de belegeraars steeds dichter bij het fort moest brengen. Daarnaast werden er schuilplaatsen en verdedigingswerken gebouwd om hen tijdens tegenaanvallen bescherming te bieden.

Van Vaubans, in 1705 voor de hertog van Bourgondië geschreven, verhandeling over belegeringen werden talrijke edities gepubliceerd en het groeide dan ook uit tot een belangrijk technisch en cultureel naslagwerk voor achttiende-eeuwse ingenieurs.
Met mensen als Coehoorn en Vauban kreeg de militaire bouwkunst een systematische wetenschappelijke grondslag en werkwijzen die bestonden uit het toepassen van zich herhalende vormen en procedures: het tijdperk van experimenten en grote innovaties aan he eind van de zeventiende eeuw werd daarmee afgesloten.

Als het voorbeeld van een vestingstad geldt in Nederland de stad Maastricht. In de volgende aflevering zal aan de stad Maastricht, als vestingstad, aandacht worden besteed.

Zie voor Deel 17 Oorlog door de Eeuwen heen: Deel 17 Oorlog door de Eeuwen heen