We hebben 260 gasten online

Deel 19 Oorlog door de Eeuwen heen

Gepost in Serie Oorlog door de eeuwen heen

De slag bij Agincourt 1415

Europese soldaten 1550-1650

Hoe de soldaten er uit zagen

Opvallende aan hen is misschien wel dat de meesten een snor hebben en hun haar langdragen.

Aan het begin van de moderne tijd, geloofde men dat een man met veel haar op zijn gelaat er woester uitzag, en misschien is dat ook wel zo.

Franse soldaten uit de 16e eeuw

Franse soldaten uit de 16e eeuw

Ze gingen niet op een bepaalde wijze gekleed. Men meende dat de soldaten vrij moesten worden gelaten in de keuze van hun kleding. Ze mochten zelf bepalen of ze wel of geen veren wensten te dragen en ze mochten ook zelf beslissen over de keuze van hun ondergoed, het model en de kleur van hun kleding.

Pas in de jaren 1630 begonnen er hier en daar enkele verschillende regimenten binnen een leger uniformen te dragen: de beroemde ''blauwe gardetroepen' van Gustaf Adolfs van Zweden, bijvoorbeeld, en ook nog bekendere 'rood-jassen' van de New Model Army. Bij andere legers kon men de vijanden van de medestrijders slechts onderscheiden door een herkenningsteken dat een ieder op zijn kleding moest aanbrengen. Hiervoor waren een sjaal of en scherp van een bepaalde kleur het gebruikelijkst.: rood voor Spanje, blauw voor Frankrijk.

Duitse officieren en soldaten uit de 16e eeuw

Duitse officieren en soldaten uit de 16e eeuw

Wapens

Iedereen werd geacht een zwaard en een dolk bij zich te dragen. Twee andere voornamewapens van de infanterist waren : de piek en het musket.

Piek

De piek was het meest gebruikelijke van de twee, alhoewel hij door zijn lengte, tussen devier en een half en de zes meter, vrij moeilijk te hanteren was. De soldaten rukten op met hun pieken recht vooruit, klaar om de tegenstander ermee inhet gezicht te steken. De piekeniers streden meestal in een gesloten formatie waarbij ze zich vrijwel altijd in een carré opstelden en hun wapens naar alle zijden uitstaken. Er waren maar weinig ruiters die een Carré van piekeniers durfden aan te vallen.

Exercitie Piekenier 1

Excertitie piekeniers 2

Voordat een groep van enkele honderden mannen tegelijk met hun pieken begonnen te zwaaien, was oefening bittere noodzaak. Hier demonstreert een piekenier in een gepantserd 'korset' de bewegingen om de piek in marspositie, rustpositie en aanvalspositie te brengen om het op te nemen ten de cavalerie. Elke linie met pieken of musketten hette een 'rot', het aantal mannen dat achter elkaar stond opgesteld in een troepenafdeling. Het rot was het kleinste detachement manschappen. Heel vaak was de aanvoerder van een rot korporaal. Ten er een gebrek aan bepantsering was, waren de mannen voor- en achteraan in elk rot de eersten die bepantserd werden, zodat de mannen in het midden enigszins beschermd werden door hun collega's die voor en achteraan liepen.

Het musket , alhoewel lang niet zo onhandig als de piek, was eer toch ook lang niet eenvoudig te hanteren. Het was een traag wapen. Men moest om dit te bedienen maar liefst 28 handelingen uitvoeren en het laden en afschieten ervan nam dan ook enkele minuten in beslag. Het musket was zwaar, het woog negen kilo, wat ongeveer drie maal zo zwaar is als en modern geweer. Men kon het slechts afvuren wanneer men het op een vorkvormige steun liet rusten.

Het geweer werd afgevuurd door de lont in de kleine kruidlading in de pan te steken, die op zijn beurt de voornaamste lading in de loop deed ontbranden. Wanneer de loopnauwkeurig agrement werd kon de musketkogel, die vaak een doorsnede had van drie cmof meer, een tegenstander tot op een afstand van 400 meter doden.

lontmusket vuursteenmusket

Hier zien we in volgorde wat er gebeurde als er een 'lintmusket'en een 'vuursteenmusket'werden afgevuurd. Op de schets van het musket met lontschot (1) zien we de serpentijn die de smeulende lont op de lading kruit in de pan drukt. De pijltjes op afbeelding 2 tonen hoe het slot zich beweegt. het mechanisme van het vuursteenslot, dat het lontslot in de 17e eeuw verving, is minder riskant. Als de trekekr wordt overgehaald wordt de pal door de stang losgelaten zodat de haan naar voren springt en d evuursteen de hamer raakt. Alleen op dit ogenblik, dus als de hamer naar voren komt, wordt het kruit in de pan aan de vonken blootgesteld.

Maar met een wapendat zo moeilijk te hanteren was, ging het natuurlijk altijd mis. Het meeste kwam het voordoordat de lont door regen uit ging. Daarom werd het musket door oude soldaten dan ook als een lachertje beschouwd.

Begin zeventiende eeuw ontdekte men dat het lont vervangen kon worden door een vuursteen die een vonk deed ontstaan zodra die de stalen hamer van de pan raakte: het kruit op die plek kon ontbranden waarmee de hele lading tot ontploffing kwam.

Geleidelijk aan werd het 'lontgeweer' door het 'vuursteengeweer' vervangen, en het musket begon een beslissende rol in de Europese oorlogvoering te spelen.

De cavalerie nam alle vuurwapens serieus. Zowel in de 17 e eeuw als tijdens de middeleeuwen vertrouwen de ruiters op hun zware wapenuitrusting die hen moest beschermen tegen afgedwaalde kogels en stekende pieken. Door de verbetering van de musket was die bescherming niet mee afdoende. De cavalerie kom zich met speciale karabijnen of lange pistolen die in hun holsters aan hun zadels zaten tegen de piekenierswapenen. Maar er bestond geen bescherming tegen artillerie en musketten: een groepruiters die door de zware wapenrusting langzaam vooruit kwam, vormde een eenvoudig doelwit.

Wapenuitrusting

De meeste 16 e eeuwse wapenrustingen werden niet tijdens de strijd gedragen omdat ze slechts als pronkstuk dienden.

wapenrusting

De complete wapenrusting links werd alleen gedragen tijdens plechtige gelegenheden. Zo werd voor Lord Buckhorst in het koninklijk arsenaal te Greenwich gemaakt en weegt niet minder dan 32 kilo. De tweede wapenrusting werd alleen in het zadel gedragen; ze werd rond 1620 voor de hertog van Savoye vervaardigd en weegt ongeveer 27 kilo.

Een manier voor de cavalerie om aan de steeds groter wordende vuurwapens te ontkomen, was om sneller te bewegen en daardoor een minder eenvoudig doelwit tevormen. Daarom besloot men de volledige wapenrusting niet meer te dragen, maar alleen nog maar en borst- en rugplaat en in sommige gevallen ook nog een bescherming voor de bovenbenen die men dijharnas noemde.

Ook werd er tijdens de strijd een helm gedragen. Tegen het einde van de 16 e eeuw werd de 'stormhelm' door de Engelse cavalerie vervangen door de 'zogenaamde 'lonende-pot'die tijdens de Engelse burgeroorlog door de ruiters van beide partijen werd gedragen.

Voor wat de wapens aanging, had deze vernieuwde cavalerie in plaats van lansen enpieken het meeste vertrouwen in zwaarden, en zij streefden ernaar hun vijanden het zomoeilijk mogelijk te maken.

Op afbeeldingen zien soldaten er altijd heel netjes uit, maar in de praktijk zag het er welanders uit. In sommige gevallen waren de soldaten genoodzaakt blootsvoets en slechtgekleed hun plicht te vervullen. Het is waar dat het merendeel van de manschappen wanneer zij 'in dienst'' namen een gratis uitrusting ontving, maar die was in de hevige strijd al snel versleten, en het kon maanden duren of zelfs jaren voor zij van nieuwe werden voorzien.

Waar de soldaten vandaan kwamen

De moeilijkheid was dat geen enkele Europese regering het zich financieel gezien kon veroorloven voortdurend een groot, professioneel leger op de been te houden. In tijdenvan vrede werden vrijwel alle soldaten gedemobiliseerd om geld te besparen. Daarom moest iedere regering zodra de oorlog uitbrak zonder tijd te verliezen telkens opnieuw eenheel nieuw leger bij elkaar zien te krijgen. Het liefste had men mannen die al eens in een eerdere oorlog gevochten hadden en daardoor wisten hoe ze een piek of een musket moesten hanteren.De rest van de ervaren soldaten moest in het buitenland gezocht worden. De gebieden waar de meeste soldaten voor de Europese legers werden aangetroffen waren bergstreken en die gebieden welke in de buurt van politieke grenzen lagen en waar zich vele gevechten hadden afgespeeld.

rekruteringsgronden Europese legers

Men kon inderdaad spreken van een aantal gebieden in Europa die opgeleidesoldaten'expoteerden: de zuidelijke staten van Duitsland, de Zwitserse kantons en de Balkan. Deze bergstreken met hun onvruchtbare bodem telden altijd meer inwoners dan er gevoed konden worden, en het werd al snel een algemeen aanvaard feit dat gezonde jonge mannen die thuis geen werk konden vinden om geld te verdienen, bij het legergingen.

Toch werden deze beroepssoldaten die streden voor een ieder die hen maar betalenwilde maar zelden volledig vertrouwd. Dit kwam hierdoor:

1) Huurlingen weigerden de strijd alvorens betaald te worden;

2) Huurlingen liepen naar de vijand over als deze hen meer geld boot; Zelden trof men daarom legers aandie voor meer dan een derde of voor hooguit de helft uit huurlingen bestonden. De rest bestond uit nieuwe recruten die afkomstig waren uit het land waarvan de regering bij de oorlog was betrokken. Soms was er sprake van dienstplicht en het gebeurde ook wel dat er mannen ontvoerd werden die tegen hun wil aan de strijd moesten deelnemen.Het was duidelijk dat het aantal vrijwiligers naar gelang het jaargetijde verschilde. Mannen die als gevolg van wangedrag in de gevangenis zaten konden gratie krijgen wanneer zij ermee instemden voor een vastgestelde periode bij heet leger te gaan. Men accepteerde lieden die te lui, te zwak of te dronken waren om op een andere wijze aan de kost te komen.

berechting soldaten

Deze twee etsen stammen uit 1633 en verschenen in Miseres et les Malheurs de la Guerre door Jaques Callot. Hierop is het militaire gerecht in actie te zien. Soldaten worden bestraft voor sommigen betekende dat eenvoudigweg een executie, voor anderen een marteling wegens slecht gedrag.

Tenslotte werd er een soort dienstplicht ingevoerd waarbij burgersgedwongen waren dienst te nemen, of ze nu wilden of niet. Op deze wijze kon men zeer grote legers op de been brengen. In 1625 had Filips IV vanSpanje 300.000 man onder de wapenen (alhoewel niet allemaal op dezelfde plaats). Gustaaf Adolfs van Zweden had 120.000 soldaten in 1631, en waarschijnlijk deden zijn vijanden niet voor hem onder.De officieren waren over het algemeen beschaafde lieden en zij kwamen meestal uit dezelfde streek als hun soldaten. Zij kregen een voorkeursbehandeling in de vorm van extra betalingen en extra eten, en ze waren bovendien vrijgesteld van de vervelende karweitjes die deel van het leven in een kamp uitmaakten.Het wel en wee van het militaire leven in de 17 e eeuwOver het algemeen kan men zeggen dat het leven van ieder van hen geen pretje was, en, zoals te verwachten, hadden de laagste rangen het wel het zwaarst te verduren.In de meeste legers sliepen de officieren in 16 mans dubbeldaks tenten (de twee lagen canvas boden een betere bescherming tegen de kou). Soldaten moesten vaak in de open licht slapen, en het is bekend dat er tijdenswintercampagnes velen in hun slaap zijn doodgevroren. Vaak probeerden soldaten uit allerlei materiaal een onderkomen te maken.In Europa begon men pas aan het begin van de 15 e eeuw met de bouw van de grote barakken waarin de soldaten tegenwoordig meestal leven. Daarvoor kreeg iedere soldaat een inkwartieringsbiljet waarmee hij een onderkomen kreeg toegewezen in een van de huizen van de stad of het dorp war hij gestationeerd was. Daar had hij dan , tezamen met de andere soldaten die hetzelfde huis toegewezen hadden gekregen, recht op kosteloos eten en een gratis bed ( of een gedeelte van een bed; in de regel verwachtte men dat twee of drie soldaten samen een bed deelden). Daar stond tegenover dat het voor de burgers bij wie ze in huis waren de hongersdood kon betekenen. Arme werklieden of boeren hadden niet voldoende extra voedsel om behalve hun eigen familie ook nog eens twee of drie hongerige soldaten van eten te voorzien.

soldaten plunderen een boerderij

Soldaten plunderen een boerderij. Schilderij van Sebastian Vrancx (1573-1647) Rond 1600. In bezit van des Duitschem Historischen Musem

De meeste soldaten hadden, wanneer er niet gestreden hoefde te worden, een heleboel vrije tijd. En natuurlijk vormde dit juist de grootste bekoring van het militaire leven. Niet alleen de vijand kon het einde van dit aangename leventje betekenen, ook het gebrek aan geld.

kaartende soldaten

Kaartende soldaten. Schilderij van Jacob Duck. Museum van de beeldende kunsten Boedapest

Niet dat het loon van soldaten te laag was, integendeel, het was zelfs aanzienlijk hoger dan dat van een landarbeider of een ongeschoold werkman. Het probleem was echter dat ze nooit op tijd betaald werden. Pas heel geleidelijk drong het tot de regeringen door dat, zoals Napoleon het later zou uitdrukken, 'een leger op zijn maag loopt'.Tegen 1650 kregen de soldaten in het merendeel van de legers ten minste hun dagelijksbrood. Om de dag een brood van drie pond gemakt van gemengde rogge en tarwebloem,werd het standaard rantsoen van alle Europese soldaten.

Meelopers en familie

Heel vaak bestond een leger maar voor de helft uit echte soldaten, de rest bestond uit vrouwen, kinderen en bedienden, en soms waren er zelfs meer meelopers dan manschappen.In langdurig gemobiliseerde legers kwam het veel voor dat jonge gerecruteerden soldaten in hetzelfde leger oud werden, trouwden en een gezin vormden.Voor de vrouwen van de soldaten was het leven net zo hard als voor hun mannen. Afgezien van eten koken en voor de kinderen zorgen, moest ze om wat extra's bij te verdienen, ook nog vaak voor anderen schoonmaken, kleren wassen, herstellen en naaien.Exercitie en discipline.

Zoals al eerder betoogt droegen de soldaten in de 16 e eeuw geen standaarduniform, en eigenlijk wisten ze van excerceren ook maar bitter weinig af.De meeste legers gebruikten niet meer dan een beperkt aantal essentiële bevelen. De meeste hiervan, zoals 'pieken voorwaarts',, of 'aanvoerder volgen' ,werden mondeling gegeven, maar er waren er ook die op de trom werden geslagen.De generaals beslisten hoe de manschappen voor de strijd werden opgesteld. In de 16e eeuw was dit relatief eenvoudig: de soldaten werden in en smal front opgesteld, waarbij de infanterie in het midden kwam, de cavalerie de vleugels vormde en het veldgeschut voorop, of - wat gebruikelijker was - aan de buitenzijdes werd geplaatst. Zodra de generaal dat alles voor elkaar had stuurde hij en bepaald aantal ervaren lieden,voornamelijk musketiers die bekend stonden als de 'verloren post' vooruit voor een schermutseling met de vijand in de hoop dat die zich tot een groter gevecht zou laten verlokken.

In de zeventiende eeuw begon dit gevechtspatroon zich te wijzigen. Het aantal musketiers nam toe, en dat van de piekeniers nam af. Aangezien ruiters de meeste kans hadden charge tegen de langzaam vurende musketiers, nam ook de cavalerie in omvang toe. Als gevolg hiervan werd een groot deel van de belangrijkste slagen tijdens de Engelseburgeroorlog en de Duitse Dertigjarige Oorlog met een massale van de cavallerie geopend. De actie was meestal beslissend voor het verdere verloop van de strijd. De cavalerie vormde de beide vleugels en daarbij werden de ruiters in drie rijen opgesteld; met de musketiers voorop.De bajonet werd pas tegen het einde van de 17e eeuw uitgevonden. Toch werden de nieuwe gevechtstechnieken niet door alle Europese legers toegepast. Soldaten waren ook bij een groot aantal oorlogen over de hele wereld betrokken.Aangezien slechts enkele honderden Europeanen het tegen duizenden Indianen in Amerika moesten opnemen, ontwikkelde zich en nieuw soort oorlogstactiek, de zogenaamde ' guerrilla' , dat letterlijk ' kleine oorlog' betekent. Grondig opgeleideeenheden, die elk uit ongeveer dertig 'commando's' bestonden, werden - met voldoendevoedselen en ammunitie voor twee jaar - de jungle ingestuurd. Dankzij hun bekwame aanvoerders slaagden zij erin de Indianen steeds verder terug te drijven en het Spaansegrondgebied in zuidelijke richting geleidelijk aan te vergroten.

Bernardo de Vargas Machuca schreef in 1599 een boek over zijn ervaringen van het strijden in de jungle. Het merendeel van de talloze boeken die er over militaire opleiding, wapens en wapenrustingen, strategie en tactieken geschreven werden waren van de hand van theoretici. In de 17e eeuw verschenen er boeken met afbeeldingen die militaire zaken illustreerden. Maar menig bevel Bevelhebber vergat soms hoe hij moest bevelen. Spanje maakte het tot een gewoonte om nieuwe recruten eerst enkele maanden naar een garnizoen in een rustig gebied te sturen zodat zij daar op hun gemak vertrouwd konden worden gemaakt met exercitie, discipline en het hanteren vanwapens. Ondanks het falen van de meeste regeringen hun soldaten enige basisopleiding teverschaffen, verwachtte men van hen dat ze zich met een hoge mate van zelfbeheersing gedroegen. Er bestond een ingewikkelde gedragscode, de zogenaamde 'krijgsartikelen', waarin tot in details beschreven stond wat hen wel of niet was toegestaan;ongehoorzamheid werd streng gestraft. Op vele overtredingen, inclusief diefstal van goederen ter waarde van vijf stuivers, stond de doodstraf. Enkele werden bestraft met dood door marteling. Andere overtredingen werden bestraft met zweep- en stokslagen,boetes of extra wachtlopen.

Dienst aan het front

In de zeventiende eeuw was er maar één oorlogsvrij jaar: 1610

Meerdere staten waren gedurende de eerste helft van de zeventiende eeuw in een oorlog verwikkeld en Spanje zelfs de hele eeuw. Maar weinig oorlogen waren een strijd tussen twee landen: de meeste waren langdurige gevechten waarbij verschllende bondgenoten betroken waren. In Europa was oorlog net zo vanzelfspreknd als vrede.

Spanje streed op twee fronten tegelijk. In de eerste plaats de Dertigjarige Oorlog in Duitsland (1618-1648) waarbij de Duitse protestanten met behulp van zweden, frankrijk, Engeland en Schotland probeerden de Duiste katholieken te verslaan die op hun beurt door Spanje werden geholpen en dan was er nog de Tachtigjarige Oorlog in de Nederlanden, soms geholpen door Engeland en Frankrijk, trachtten zich van het Spaanse juk te bevrijden. Op de Dertigjarige Oorlog en de Tachtigjarige Oorlog kom ik in een andere bijdrage nog uitvoerig terug.

Het verlaten van de dienst

Jaarlijks verloor elk leger dat actieve dienst vervulde een groot aantal soldaten. Sommige sneuvelden, anderen raakten gewond of werden ziek, en anderen besloten eenvoudigweg te deserteren. Deze oorzaken zorgden ervoor dat de sterkte van zelfs de beste eenheden binnen een leger tenminste voor een vijfde deel verminderde, en sommige eenheden konden per jaar zelfs wel driekwart van hun manschappen verliezen.

Desertie

In geen enkel leger kende men zoiets als vakantie of zelfs maar een dagje vrij. Er waren oorlogen die zich jaren, of soms ook wel levenslang, voortsleepten, maar vrij kreeg de soldaat nooit. Daar kwam dan bovendien nog bij dat hij aan grote gevaren en grote ontberingen bloot stond, zodat het heel begrijpelijk is dat veel soldaten probeerden te ontsnappen. Zij deserteerden.

Verwondingen

Soldaat zijn was natuurlijk een gevaarlijk beroep. velen werden op het slafveld gedood; talloze anderen raakten zwaar geownd en bleven voor de rest van hun leven mismaakt of kreupel, en waren niet meer in staat om verder nog aan de kost te komen.

In de 16e en 17e eeuw was er nog niemand die precies wist hoe het menselijk lichaam functioneerde. Vele mensen herstelden nog al eens van hun kwalen ondanks, en niet dankzij, de behandeling of de medicijnen die ze gekregen hadden. De artsen en doktoren in het leger waren de besten die er bestonden. Dagelijks hielden zij zich bezig met het zetten van botten, een taak die zij, vanzelfsprekend, steeds beter gingen vervullen. Velen van hen ontwikkelden nieuwe technieken. Bij het amputeren van ledematen was de grootste moeilijkheid het bloeden te laten ophouden en te zorgen dat er geen infectie ontstond. De meeste artsen waren ervan overtuigd dat het enige wat men in zo'n geval kon doen was om al het vlees rond de amptatie weg te branden of dicht te schroeien, alhoewel dit voor de patiënt uitermate pijnlijk was.. In de 16e eeuw ontdekte men echter dat waanneer men de wond met dik dierlijk vet behandelde, deze net zo goed en minder pijnlijk genas.

afzetten been bij gewonde soldaat

Een amputatie compleet met een emmer die het bloed moet opvangen. De patiënt ziet eruit alsof hij het bewustzijn verloren heeft; of hij is flauwgevallen van de pijn, óf hij is stomdronken, óf de doek die hij over het gezicht heeft is misschien doordrenkt in het sap van een of andere plant, waardoor hij is bedwelmd. Deze houtsnede is afkomstig uit een handboek voor militaire chirurgie door Hans van Gersdorff uit 1571, het vroegst verschenen werk op dit gebied.

In de 16e eeuw wist niemand van bacillen af, en ook al was d eoperatie geslaagd, dan nog zou de patiënt in de meeste gevallen later overlijden omdat zijn wond geïnfecteerd was geraakt.

Wat gebeurde er met diegenen die een arm of been verloren? Als ze geluk hadden konden ze een baantje als wachter in een of ander rustig garnizoenstadje, of een klein overheidspensioen krijgen. In de meeste gevallen, echter, bleef hen geen andere mogelijkheid dan al bedelend in leve te blijven.

Gedurende de 16e en 17e eeuw waren er in Europa maar weinig permanent ingerichte militaire hospitalen. In feite deed alleen Spanje enige moeite om behoorlijk voor haar gewonde militairen te zorgen. Het Spaanse leger in de Nederlanden, dat van 1572 tot 1659 onafhoudelijk in gevechten gewikkeld was, beschikte over een hospitaal in mchele met 330 bedden en een medische staf tussen de 60 en 600 mensen. Dit was bovendien een van de weinige 'opleiding-ziekenhuizen'in Europa waar leerlingen naast de dokters werkten en leerden operaties uit te voeren. Kleine mobiele hospitaals vergezelden het Spaanse leger op campagnes.

Elke Spaanse soldaat had recht op kosteloze behandelingen. Elke maan ontving hij een basisloon van 30 reales, maar hiervan werd1 real ingehouden als bijdrage in de onkosten ten behoeve van d einstandhouding van het hospitaal. In feite koste het hospitaal ongeveer drie maal zoveel als al deze bijdragen bij elkaar, en dus moest de regering de rest betalen. Dit systeem was uniek.

Ziekte

Natuurlijk kregen de militaire artsen niet aleen met verwondngen te maken. Net zo goed als de burgers konden ook soldaten het slachtoffer worden van talloze bacillen, die voor het merendeel ongeneeslijke ziekten tot gevolg hadden: pest, pokken, dysenterie, malaria, tuberculoze. Er was nog een ziekte die onder soldaten veel voorrkwam, en dat was syfillis. Waarschijnlijk was een kwart van alle soldaten van het Spaanse leger in de Nederlanden met deze ziekte besmet. In andere legers was het ongetwijfeld net zo. In de 16e en 17e eeuw was syfillis veel gevaarlijker dan tegenwoordig, en het was een ongeneeslijke kwaal. De besmette soldaten kregen talloze open zweren en na enkele jaren van afschuwelijke pijn lijden en misvorming werden ze gek en stierven.

Dood

In de Middeleeuwen waren vele Europese soldaten er trots op dat zij hun vijanden met ridderlijk respect bejegenden. Wanneer het hun maar enigszins mogelijk was probeerden zij het leven van hun vijnd (en dat van diens paard) te sparen. In plaats daarvan trachtten zijhem gevangen te nemen en hem later tegen een lospijs weer te verkopen. In de tijd van 1550 tot 1650 werden soldaten en burgers, wanneer zij in handen vielen van de vijand zonder meer gedood..Tijdens de eerste jaren van de Nederlandse Opstand, en soms ook gedurende de Duitse Dertigjarige Oorlog, werden gevangenen door beide partijen regematig gedood.

Ontslag

Bij ontslag leverden de soldaten hun wapens in en kregen ze hun achterstallige soldij uitbetaald. De soldaten werden altijd contant uitbetaald; gewoonlijk werden de geldstukken in ieders hoed gedaan, om vergissingen uit te sluiten, en daarna waren de manenn vrij om te vertrekken. Maar na zovele jaren dienst hadden de meesten geen huizen of families meer om naar terug te keren., daarom sloten veel ex-soldaten zich spoedig weer bij een ander leger ergens in Europa aan.

Pas in de 17e eeuw begon er in deze vreemde situatie verandering op te treden. Tot dan toe was het hoogst ongebruikelijk dat soldaten na het tekeen van vrede in een leegr konden blijven. De meeste Europese regeringen konden zich in vredestijd geen reserve-leger veroorloven. In 1610 waren er niet meer dan drie Euroepse gebieden met een permanent leger: de Nederlanden, de Italiaanse gebieden die in Spaanse handen waren (Sicilië, napes en Lombardije) en Hongarije (voor de evrdediging tegen de Turken). Elders trof men slechts koninklijke gardetroepen en een klein garnizoen op enekle belangrijke verdedigingspunten.

Na afloop van de dertigjarige oorlog hielden de meeste Duitse vorsten een aanzienlijk aantal van hun soldaten in dienst als een permanente vredesmacht, die zij geleidelijk aan door permenente training tot een sterk elite-leger omvormden. hetzelfde deed zich voor na afloop van de oorlgo tussen Spanje, de Nederlanden en frankrijk: elk van de strijdende machten hield een deel van zijn troepen als een permanent leger in stand.Wervingsplakaat voor het infanterieregiment van Anhalt 1762/1763

Wervingsplakaat voor het Infanterieregement van Anhalt 1762/1763

De soldaten die tot deze nieuwe permanente legers behoorden verschilden aanzienlijk van de soldaten daarvoor. Alle droegen hetzelfde uniform en waren op dezelfde wijze bewapend. ze werden als een grote groep opgeleid en getraind en moesten allemaal tegelijk bepaalde bewegingen aanleren. men stuurde regeringsinspecteurs op pad die erop meosten toezien dat alles volgens voorschrift gebeurde. de gewone soldaat was nu een full-time beroepssoldaat geworden: een onmisbaar radertje in een permanent draaiende machine.

Zie voor deel 20 Oorlog door de Eeuwen heen" Deel 20 Oorlog door de Eeuwen heen