We hebben 364 gasten online

Deel 20 Oorlog door de Eeuwen heen

Gepost in Serie Oorlog door de eeuwen heen

 

De slag bij Agincourt 1415 

De Tachtigjarige Oorlog Deel 1

Karel V doet afstand van de troon

karel de vMen zegt wel eens dat in het rijk van Karel V (1500-1558) de zon nooit onderging. Want als de zon onderging in Europa, waar Karel koning van Spanje, keizer van Duitsland, heer der Nederlanden en van een aantal Italiaanse bezittingen was, dan kwam de zon weer op in Amerika, het uitgestrekte koloniale rijk van deze Habsburgse vorst.

Het besturen van dit wereldrijk was geen eenvoudige zaak. Er moesten oorlogen gevoerd worden tegen onder meer de Turken en Frankrijk en ook tegen rebellerende protestantse vorsten in het eigen gebied. De eenheid van het rijk werd niet alleen van buitenaf bedreigd, maar ook van binnenuit. Het opkomende protestantisme bedreigde de godsdienstige eenheid, die door de keizer minstens even belangrijk werd geacht als de politieke eenheid. Door deze zorgen was Karel V vroeg oud geworden.

Tegen deze achtergrond is het niet zo verwonderlijk, dat hij vrijwillig afstand deed van de troon om zijn laatste levensjaren in een klooster te kunnen doorbrengen. Zijn broer Ferdinand volgde hem op als keizer van Duitsland en alle andere gebieden kwamen toe aan zijn zoon Filips II.

Karel V had heel wat strijd moeten voeren om alle zeventien Nederlandse gewesten onder zijn beheer te krijgen. Pas in 1543 had hij Gelre als laatste gewest in handen gekregen. Om zijn zoon Filips eventuele moeilijkheden bij de opvolging te besparen, riep hij een apart samenwerkingsverband voor de Nederlanden in leven, terwijl de oude banden met Frankrijk en Duitsland losser werden gemaakt. Ook door allerlei bestuurlijke maatregelen poogde de keizer de eenheid tussen de Nederlandse gewesten te bevorderen. Zijn pogingen werden bemoeilijkt doordat deze maatregelen met een zeker wantrouwen werden bekeken door de Staten-Generaal, waarin de verschillende gewesten vertegenwoordigd waren, en door de vertegenwoordigende lichamen van de gewesten zelf. Want de regionale zelfstandigheid stond bij al deze instanties nog voorop.

Het is de ironie van het lot, dat Karel, die zijn zoon Filips een zekere erfenis wilde garanderen, daardoor juist de basis legde voor een saamhorigheid, die zich tegen zijn zoon zou keren. Maar toen Filips in 1555 zijn vader in de Nederlanden opvolgde als hertog van Brabant, Luxemburg, Limburg en Gelre, graaf van Vlaanderen, Artesië, Henegouwen, Holland, Zeeland, Namen en Zutphen, markgraaf van het Heilige Romeinse Rijk te Antwerpen en heer van Friesland, Mechelen, Utrecht, Overijssel en Groningen, leek de lucht in de zeventien gewesten nog vrij onbewolkt.

Filips II en bet bestuur van de Nederlanden

17 gewesten

Koning Fhilips IIOver Filips II zijn reeds tijdens zijn leven vele felle en haatdragende kritieken geschreven en eigenlijk sinds kort probeert men ook buiten Spanje — waar hij de `wijze koning' genoemd werd — tot een wat genuanceerder beeld van deze heerser te komen. In onze streken was men vlug geneigd hem te zien als de boze, starre tiran, die in het verre Madrid zetelde en geen begrip toonde voor zijn onderdanen. Men mag echter niet vergeten, dat Filips II de verantwoordelijkheid droeg voor een immens groot rijk en deze verantwoordelijkheid ook zeer hoog opnam. Hij was daarnaast overtuigd dat op godsdienstig gebied de roomskatholieke kerk de enige ware geloofsleer verkondigde en hij beschouwde afwijkende meningen als een ernstig gevaar voor het zieleheil van zijn onderdanen en ook voor de eenheid van zijn rijk. Hij was overmatig bedachtzaam, besluiteloos en stond wantrouwend tegenover het oordeel van anderen. Daarnaast verliep de communicatie in het rijk zeer traag door de grote afstanden. Het was dientengevolge vaak moeilijk een juist inzicht te krijgen in ontwikkelingen die zich ineen streek, vele honderden kilometers verwijderd van het regeringscentrum, afspeelden, te meer daar deze ontwikkelingen elkaar snel opvolgden en weinig doorzichtig waren.

Aanvankelijk wees weinig erop dat het mogelijk tot een ernstig conflict tussen de koning en de Nederlanden zou komen. Er waren moeilijkheden met de Staten-Generaal over de goedkeuring van bedes (belastingheffingen), maar dat was op zichzelf geen ongewoon verschijnsel. En toen men zich in dit college vlak voor Filips' terugkeer naar Spanje — in 1559, nadat er een vrede met Frankrijk gesloten was — met een speciaal verzoek tot hem richtte, was het slechts om te vragen de Spaanse soldaten uit de Nederlanden terug te trekken en de deelname van de adel aan het bestuur te verzekeren. Met geen woord werd gerept over plakkaten of inquisitie, onderwerpen, die later zo belangrijk zouden worden! Filips beloofde terugtrekking van de Spaanse troepen en benoemde Nederlandse edellieden als Willem van Oranje, Egmont, Lalaing, Berlaymont, Glajon en Bergen naast rechtsgeleerden als Viglius en Tisnack in de Raad van State. Dit was het politieke adviescollege van de in 1559 aangestelde nieuwe landvoogdes — het hoofd van het bestuur tijdens afwezigheid van de koning — Filips' halfzuster, Margaretha van Parma. 

 

De landvoogdes: Margaretha van Parma bang voor haar broer margaretha v parma

Margaretha, hertogin van Parma, was een halfzuster van koning Filips II. Al op 15-jarige leeftijd werd zij weduwe doordat haar man, Alexander de Medici werd vermoord. Toen ze 16 was trouwde ze met Ottavio Farnese, een Italiaans edelman, die later hertog van Parma werd. Uit dit huwelijk werd een zoon geboren, Alexander Farnese, de latere landvoogd in de Nederlanden.

Filips II benoemde Margareta in 1559 (zij was toen 37 jaar) tot landvoogdes van de Nederlanden. Hij verwachtte van haar dat zij gehoorzaam zijn bevelen zou uitvoeren en dacht dat de Nederlanders haar graag zouden accepteren, omdat zij een deel van haar jeugd in Nederland had doorgebracht. Maar Margaretha sprak geen woord Nederlands en begreep niet veel van de volksaard van de Nederlanders. Ze voelde zich altijd erg onzeker en volgde aanvankelijk alle adviezen van haar voornaamste raadsman, kardinaal Granvelle. Toen deze door de koning teruggeroepen werd, kwam zij meer onder de invloed van de Nederlandse edelen, maar durfde toch niet zulke drastische maatregelen, als verzachting van de plakkaten tegen de protestanten, te nemen. Zij was bevreesd voor haar broer wiens grote halsstarrigheid zij maar al te goed kende.

De beeldenstorm maakte haar erg bang en die angst bracht haar tot het doen van beloften, die zij later weer moest intrekken, omdat Filips alles wat zij had toegegeven afkeurde. Toen Alva in de Nederlanden kwam vroeg zij ontheffing van haar ambt. Zij waarschuwde ook haar broer: Alva's hardheid zou de moeilijkheden alleen maar groter maken.

Maar Filips wilde natuurlijk weer niet luisteren. In 1580 wilde Filips haar nogmaals belasten met het burgerlijk bestuur over de Nederlanden, naast haar zoon, die als militair gouverneur zou moeten optreden. Maar Parma weigerde beslist zijn macht te delen met zijn moeder. Filips gaf uiteindelijk toe. Margaretha keerde terug naar Spanje, waar zij in 1586 op 64-jarige leeftijd overleed.

 

Daarnaast werd de landvoogdes in haar bestuurstaak bijgestaan door de Geheime Raad, bedoeld voor het eigenlijke bestuur van het land, de wetgeving en de rechtspraak, en de Raad van Financiën, die zich, zoals de naam al zegt, met geldzaken en belasting bezighield. Verder was er nog de Consulta of Achterraad, een vrij onbetekenend advieslichaam in verband met een aantal persoonlijke rechten van de landvoogdes.

Granvelle, bisschop van Mechelen, was na de landvoogdes het invloedrijkst omdat deze prelaat tot alle genoemde raden toegang had en alle brieven uit Madrid opende voor ze in de Raad van State ter tafel kwamen.

Adel, geestelijkheid en steden (de boerenbevolking had hoegenaamd geen stem) waren vertegenwoordigd in de Gewestelijke Staten, die afgevaardigden zonden naar de Staten-Generaal. De laatsten mochten daar uitsluitend het standpunt van de Gewestelijke Staten naar voren brengen en niet zelfstandig beslissingen nemen. Deze Gewestelijke Staten hadden een grote machtspositie ten opzichte van de landsheer en een verzoek van de overheid om een bede te mogen heffen werd aan de Staten-Generaal voorgelegd, maar in feite werd er in de Gewestelijke Staten over beslist.

Zo verliepen de eerste jaren van Filips' bewind vrij rustig. De Spaanse adviseurs waren met hem vertrokken en in 1561 reisden ook de Spaanse troepen af. Er was vrede en het enige grote probleem was de enorme staatsschuld, waardoor de overheid vrijwel constant om geld moest bedelen. In de jaren na 1560 zou deze situatie zich echter radicaal gaan wijzigen.

Acties van de adel

De eenheid die Karel V in de Nederlanden had geschapen was erg onstabiel en dit bleek vooral bij het uitbreken van de eerste onlusten.

De opstand die spoedig zou losbarsten moet men niet zien als een louter nationaal gebeuren. Bij allerlei groepen bestond om verschillende redenen ontevredenheid: de hoge adel wilde meer invloed, de calvinisten (die, voornamelijk in de Zuidelijke Nederlanden, steeds meer aanhang kregen in alle lagen van de bevolking) wilden godsdienstvrijheid, in de steden was men bang voor een al te groot centraal gezag en de bevolking was ontevreden over de hoge voedselprijzen.

Dit leidde op een gegeven moment tot een soort kettingreactie waarvan het einde voor de betrokkenen niet te voorzien was en waar men zich ook geen idee over hoefde te vormen, want men streed in de eerste plaats voor het eigenbelang en zeker niet voor de bevrijding van de Nederlanden van het Spaanse juk. Zo hebben recente studies duidelijk aangetoond, dat dit laatste ook het geval was bij het optreden van Willem van Oranje en de zijnen in de jaren zestig. Overigens een zeer normale en in de context van die tijd volledig begrijpelijke drijfveer.

Niet ten onrechte zag Willem van Oranje Granvelle als een van de grootste machten aan het hof van de landvoogdes. De positie van Granvelle werd nog versterkt toen in 1559 een nieuwe kerkelijke indeling in de Nederlanden werd afgekondigd. Er werden drie aartsbisdommen en vijftien bisdommen ingesteld, hetgeen inhield dat de kerkelijke overheid straffer tegen de hervormingsgezinden op kon treden.

church administration

Granvelle werd aartsbisschop van Mechelen en in 1561 kardinaal. Toen het er echter op ging lijken dat Granvelle de nieuwe kerkelijke indeling van het land zou gaan gebruiken om een overheersende positie in de Staten van Brabant (een der belangrijkste gewesten, met Brussel als hoofdstad) te gaan innemen, was voor een deel van de hoge adel de maat vol, want zij maakte van diezelfde Staten gebruik om zelf macht en invloed uit te oefenen en voelde haar positie danig bedreigd.

Daarom schreven Oranje en Egmont in 1561 een verzoek aan de koning om Granvelle terug te roepen. Aanvankelijk hadden zij weinig succes, maar hun kansen keerden toen Margaretha van Parma zelf in 1563 de kardinaal liet vallen. Niet om de argumenten die door Oranje en Egmont waren aangedragen, maar alleen omdat zij vermoedde dat hij haar tegenwerkte in een familie-aangelegenheid!

Op 13 maart 1564 verliet Granvelle, die steeds meer tot een algemene zondebok was gemaakt, het land.Hiermee waren de moeilijkheden echter nog niet opgelost.De adellijke kliek rond Oranje was, zoals gezegd, voornamelijk uit op eigen macht en invloed en niet in staat de groeiende onrust in het land tegen te gaan. Deze onrust werd gevoed door de toenemende economische malaise, het vrijwel constante geldgebrek van de overheid en de spanning op godsdienstig gebied, aangezien de felle calvinisten zich steeds meer gingen roeren. Het wegvallen van de sterke hand van Granvelle deed zich spoedig voelen. In deze hele periode had Filips II steeds een weifelende houding aangenomen; snel beslissingen nemen was niet zijn sterkste kant. Toen de berichten echter alarmerender werden, zond hij tenslotte krachtige instructies aan de landvoogdes, die zo schrok van de inhoud van deze `brieven uit het bos van Segovia' (van 17 en 20 oktober 1565), dat ze ze de eerste dagen na ontvangst niet aan haar adviseurs durfde voorleggen!

Er werden twee hoofdpunten in aangeroerd: maatregelen tegen de ketterij en hervorming van de regeringsraden. De inquisiteurs of kerkelijke 'ketterrechters' zouden daadwerkelijk moeten gaan optreden en de plakkaten tegen de ketterij moesten streng worden toegepast. De Staten-Generaal mochten voorlopig niet bijeen komen. Oranje en de zijnen waren verontwaardigd en de onrust in het land nam toe uit angst voor scherpere maatregelen op godsdienstig gebied.Toch was het niet de hogere adel die tot een nieuwe actie overging, maar juist de lagere adel, waaronder zich veel overtuigde calvinisten bevonden. In de eerste dagen van december 1565 kwam een twintigtal jonge edelen te Brussel bijeen en sloot een verbond, waarbij ze overeenkwamen om„in dienst van de koning, samen te werken tot heil van het land en de inquisitie te bestrijden. Dit initiatief had succes. Waarschijnlijk een vierhonderd edelen tekenden het verbond, waaronder ook Lodewijk van Nassau (broer van Willem van Oranje) en Hendrik van Brederode.

Een gevolg was, dat op 5 april 1566 een tweehonderd edelen onder leiding van Brederode aan de landvoogdes het zogenaamde Smeekschrift aanboden. Zij vroegen om afschaffing van de plakkaten tegen de ketterij en bijeenroeping van de Staten-Generaal en in afwachting van een beslissing van de koning hierover een voorlopige schorsing van de inquisitie en de plakkaten.

smeekschrift der edelen

Smeekschrift der Edelen met het antwoord van Margaretha van Parma.

De dag daarop antwoordde Margaretha, dat zij de koning zou voorstellen de plakkaten te verzachten en de inquisiteurs zou opdragen zich te matigen. Er ontstond nu een soort overwinningsroes en de calvinisten traden steeds krachtiger naar voren.

De slechte economische toestand

graanprijsindex 1471-1605

bron: Historisch Tijdschrift Holland 40 jaargang 2008 nr 1 Zuijderduijn, Jacob: Conjunctuur in Laat-middeleeuws Haarlem; Schepenregisters als bron voor de economische ontwikkeling van een Hollandse stad

De slechte economische situatie rond 1565 heeft ongetwijfeld een rol gespeeld bij het uitbreken van de onlusten in deze periode. Er was veel werkeloosheid en de graanprijzen stegen tot ongekende hoogte door misoogsten en speculaties. In 1565 steeg in Utrecht de prijs van een mud tarwe tussen januari en november van 56 tot 125 stuivers, die van rogge van 36 tot 98 stuivers! Dit had natuurlijk-ingrijpende gevolgen voor de broodprijzen. Bovendien was de winter van 1564-1565 ongekend streng. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Granvelle op 13 januari 1566 een brief aan de koning zond, waaruit sterke ongerustheid sprak:Wij hebben hier onder een vreselijke duurte van het graan te lijden; met de dag stijgen de prijzen. Ik weet niet hoe wij er tot de volgende oogst door zullen komen en hoe men de bevolking, die zeer verbitterd en onrustig is, in bedwang zal kunnen houden... God moge ons voor een groot oproer beschermen! Wanneer het volk eenmaal opstaat, zal het, naar ik vrees, de godsdienst erin gaan betrekken.'

De godsdienst

Reeds verscheidene malen zijn in het voorafgaande de problemen rond de godsdienst naar voren gekomen. Nadat Luther in 1517 zijn 95 stellingen had gepubliceerd, verspreidde de hervorming zich over Duitsland en de aangrenzende gebieden, waaronder ook de Nederlanden, wellicht mede doordat er hier geen sprake van een taalbarrière was. In het zuiden werden in 1523 de eerste ketters verbrand en in het Noorden ging men twee jaar later, tot dezelfde drastische maatregelen over.

brandstapel  protestanten

Aantallen protestanten die tussen 1559 en 1566 als ketters geëxecuteerd zijn in de Vlaamse steden Antwerpen, Brugge, Doornik, Duinkerken, Gent Hondschoote, Ieper, Kassel, Kortrijk, Oudenaarde, Rijsel, Ronse, St-Winoksbergen, Veurne en Wervik. Bron: De wording van Europa: de kracht van het geloof

Toch zouden het niet de lutheranen of de doopsgezinden zijn, die hun stempel zouden drukken op de gebeurtenissen die volgden. Het waren de calvinisten, die - vooral door hun strijdvaardigheid, goede organisatie en duidelijke politieke denkbeelden — de drijvende kracht achter de komende opstand zouden worden. Met name na 1560 ontplooiden zij een grote activiteit; het vertrek van Granvelle speelde hen alleen maar in de kaart. Niet geheel zonder reden schreef de theologische faculteit van Leuven op 14 mei 1565 aan Filips II: `De godsdienstige toestand zien wij met de dag slechter worden en de ketterijen verspreiden zich snel en ongrijpbaar. Zozeer dat, indien men niet dadelijk ingrijpt, het te vrezen.is, dat weldra in al deze streken het geloof en de oude godsdienst volledig zullen ineenstorten.'De brieven van Filips aan Margaretha van Parma waren een duidelijk antwoord op deze ongeruste berichten. Toch leek het tij weer te keren door de acties van de lage adel en de toegefelijke houding van de landvoogdes daarop. Maar toen begon op 10 augustus 1566 de Beeldenstorm.

De Beeldenstorm

Een orkaan van vandalisme

Een bende gewapende mannen, aangevoerd door een tot het calvinisme bekeerde monnik, bestormde op 10 augustus 1566 het Sint Laurentiusklooster bij Steen voorde in het zuidwesten van Vlaanderen. Terwijl de kloosterlingen op de vlucht sloegen werd vrijwel alles kort en klein geslagen. Misgewaden werden verscheurd, heiligenbeelden onthoofd, miskelken vertrapt. Dit was het begin van de Beeldenstorm, die wekenlang in een groot deel van de Nederlanden heeft gewoed.

beeldenstorm

Binnen drie weken werden in Vlaanderen 400 kloosters en kerken leeggeplunderddoor fanatieke protestanten. In Antwerpen werd het prachtige interieur van de Onze Lieve Vrouwekerk totaal kapotgeslagen. De andere kerken in de stad bleven niet gespaard. Ook de paleizen van de bisschoppen, de woningen van geestelijken, kloosters en abdijen moesten het ontgelden. Gent, Brugge, Middelburg, Veere, Vlissingen, Delft, Leiden, Amsterdam, Utrecht, Den Bosch, Venlo, Maastricht – in al deze en nog veel meer steden heeft de beeldenstorm gewoed. Het vandalisme sloeg zelfs - zij het ook in een wat gematigder vorm - over naar Groningen en Friesland. Het was een ongeorganiseerd, spontaan oproer, waarbij van algemene leiding niet gesproken kon worden. De regering beschikte niet over voldoende troepen om liet te stuiten.

Katholieken maar ook veel goedwillende protestanten moesten met ontzetting, maar machteloos, de orkaan van verniel- en wraakzucht laten uitrazen.

Hoe was deze uitbarsting van geweld te verklaren?

Natuurlijk waren er godsdienstige motieven. Bij de calvinisten was een krachtige afkeer van de katholieke heiligen- en beeldenverering en een felle haat tegen de katholieke geestelijkheid ont-staan. Een haat, die voortdurend aangewakkerd werd door de onbarmhartige kettervervolging, waardoor niemand, die ook maar enige sympathie voelde voor de hervormingsbeweging, zich veilig kon voelen. Haat en angst kunnen makkelijk overslaan in geweld. Daar kwam dan nog een maatschappelijk element bij. In de Nederlanden heerste een economische crisis. De handel en de textielnijverheid hadden ernstig te lijden van allerlei maatregelen die Engeland had genomen om de eigen economie te beschermen. De graaninvoer uit de Oostzeelanden was gestaakt nadat Denemarken, dat in oorlog was met Zweden, de Sont had gesloten. De graanprijzen stegen, in sommige streken in de Nederlanden ontstond hongersnood, de werkloosheid was groot. De armen voelden zich in de steek gelaten door de kerk en de rijke burgerij. Dat hun wanhoop zich ontlaadde in een uitbarsting van razernij is niet zo onbegrijpelijk.

En tenslotte speelde ook de politiek bij de beeldenstorm een rol. De katholieke kerk stond aan de zijde van de Spaanse overheersers, die de adel wilden beroven van zijn privileges en zijn macht. Sommige edelen hebben dan ook aan de beeldenstorm meegedaan niet zo zeer door zelf vernielingen in kerken en kloosters aan te richten, maar door anderen voor dit werk te betalen. Daarbij ging het doorgaans rustiger toe dan bij de spontane haatuitbarstingen, die in de eerste weken na 10 augustus plaatsvonden. Alles wat vervoerd kon worden werd niet stuk geslagen, maar uit de kerken gehaald en door de overheid opgeborgen.

Dat het niet alleen lieden van lager komaf waren die zich met de Beeldenstorm inlieten moge blijken uit het volgende verslag over de gebeurtenissen in Culemborg waar graaf Floris van Pallant een actieve rol speelde: Zelf gaf Floris bevel de altaren in zijn stad te vernielen. Hij liet in de kerk het middagmaal opdienen en at er met zijn gezelschap. Zij begingen er tal van oneerbiedigheden jegens het H. Sacrament, zelfs de gruwel om er zijn papegaai mee te voeren'.Het Geloof; tekening van Pieter Bruegel uit 1559. In het midden een symbolische voorstelling van het geloof boven het geopende graf van Christus. Op het rechter gedeelte van de gJbeelding onder meer: een huwelijkssluiting, de communie, een doop en het afnemen van de biecht.De Beeldenstorm betekende een keerpunt voor Filips. Toegeven was nu niet meer mogelijk. Fernando Alvarez de Toledo, hertog van Alva, die tot de bekwaamste legeraanvoerders van zijn tijd werd gerekend, kreeg opdracht de orde in de Nederlanden met harde hand te herstellen.

De Nederlanden bevonden zich nu op de rand van een burgeroorlog. Beide partijen bewapenden zich en de calvinisten deden alle moeite om naast geloofsgenoten ook enkele hoge edelen voor hun zaak te winnen. Oranje aarzelde, te meer daar Egmont zich niet bij hem aansloot.Eind december begonnen de troepen van de landvoogdes een aantal acties tegen de opstandelingen, die op 13 maart 1567 bij Oosterweel (bij Antwerpen) vernietigend verslagen werden. Het calvinistisch spel was voorlopig uit. Willem van Oranje vertrok naar zijn kasteel Dillenburg in Duitsland en vele andere edelen volgden zijn voorbeeld en trokken in oostelijke richting. Zo was eigenlijk de orde in de Nederlanden al min of meer hersteld, toen Alva op 22 augustus 1567 te Brussel arriveerde.

Alva in de Nederlanden 1567-1572

Voor Alva stonden twee zaken centraal. De ketterij moest met wortel en tak uitgeroeid worden en het gezag van de wettige overheid krachtdadig hersteld. Zijn instructies gaven hem daartoe alle middelen. Hij kreeg het militaire opperbevel en mocht de rebellen straffen, daarbij gesteund door een nieuw speciaal gerechtshof, de Raad van Beroerten (door het volk spoedig `Bloedraad' genoemd).

Alva zou zich niets van de bestaande privileges behoeven aan te trekken. Bovendien werd hem een uitgebreide eigen troepenmacht ter beschikking gesteld.Door de komst van de hertog werd de broze rust die gevolgd was op de uitbarsting van 1566 weer verbroken. De arrestatie en de kort daarna op grond van hoogverraad volgende onthoofding van de graven Emont en Horne, de confiscaties en doodvonnissen uitgesproken door de Raad van Beroerten, de toenemende invloed van Spanjaarden op de regering en vooral ook de overlast van de Spaanse troepen, deden de onvrede in alle lagen van de bevolking weer snel toenemen.

terechtstelling Egmond en Hoorne

De Bloedraad

Duizenden verlieten het land uit vrees voor de Bloedraad.

Een van de eerste maatregelen die Alva na zijn aankomst in de Nederlanden nam, was het oprichten van een bijzondere rechtbank, die tot taak had recht te spreken over iedereen die op de een of andere manier blijk had gegeven van opstandigheid tegen de Spaanse overheersing. Deze „Raad van Beroerten" („beroerten” = „onlusten") kreeg weldra de bijnaam „Bloedraad". Tot leden werden een aantal Nederlandse rechtsgeleerden en leden van de hoge adelbenoemd en ook vier buitenlanders, drie Spanjaarden en een Italiaan. Alva nam zelf het voorzitterschap van de Raad op zich. Alle leden waren streng katholiek en trouw aan Philips. Vooral de Spanjaarden waren felle ketterjagers.

In september 1567 ging de Bloedraad ijverig aan het werk. Over het hele land werden mensen gearresteerd, soms 500 op één dag, zoals op Aswoensdag, 3 maart 1568. Ze werden gemarteld en bij tientallen tegelijk ter dood veroordeeld. Zelfs kinderen werden soms voor de Bloedraad gebracht en over mensen, die al gestorven waren, werd dikwijls toch een vonnis geveld. Dit laatste gebeurde omdat Alva de Raad ook gebruikte om de Spaanse schatkist te spekken. De bezittingen van iemand, die veroordeeld was, werden onmiddellijk in beslag genomen, ook de bezittingen van mensen die het land waren uitgevlucht en van overledenen. De Bloedraad stoorde zich helemaal niet aan de privileges en de in Nederland geldende rechtsregels.

Niemand was veilig voor de Raad. Overal waren spionnen, die tegeneen beloning bereid waren anderen verdacht te maken en aan te geven. Uit angst vluchtten duizenden uit de Nederlanden naar het buitenland.

Hoeveel doodvonnissen er door de Bloedraad zijn uitgesproken is niet meer preciesna te gaan. Het moeten er meer dan 8000 zijn geweest. De Raad wekte ook bij katholieken en koningsgetrouwen veel verzet. Filips wilde in 1572 de Raad wel opheffen op voorwaarde dat er uit de Nederlanden een grote som geld naar Spanje zou worden overgemaakt. Het duurde uiteindelijk tot 1576 voordat de Raad van Beroerten werd opgeheven. Een aantal leden van de Raad werd toen gevangen genomen. Eén van hen, de rechtsgeleerde Jacob Hessele, werd zonder proces opgehangen.

Rond de prins van Oranje, die door de Raad van Beroerten bij verstek veroordeeld was tot eeuwige verbanning en tot verbeurdverklaring van zijn bezittingen en wiens zoon Filips Willem in zijn plaats gevangen genomen en naar Spanje gevoerd was, verzamelden zich steeds meer ontevreden edellieden. Personen die zich tegen de Spanjaarden wilden keren om hun godsdienstige overtuiging, uit wraak over confiscatie van hun goederen of louter om hun oude invloed te herwinnen. Er werd een plan ontworpen om de Nederlanden in het voorjaar van 1568 op verschillende plaatsen met huurlegers binnen te vallen. Zelfs werd een aanslag op Alva beraamd, die echter mislukte.

Even weinig voorspoedig verliep een inval vanuit het zuiden, waar in april de heer van Villers bij Dahlen (in de buurt van Roermond) werd verslagen. Meer succes had Lodewijk van Nassau in het noorden. Een overwinning op de Spanjaarden bij Heiligerlee (in mei) wist hij echter niet uit te buiten.

De slag bij Heiligerlee .

 

slag bij Heiligerlee

Met een kleine legermacht van 6000 man, bestaande uit Duitsers, Walen en Nederlanders, viel Lodewijk van Nassau op 23 april 1568 uit Oost-Friesland Groningen binnen. De gewapende opstand tegen de Spaanse overheersing, die zou uitlopen op een tachtigjarige oorlog, was begonnen.

Aanvankelijk was de tegenstand die de bevrijders ondervonden gering, maar weldra zette de Groningse stadhouder Aremberg de tegenaanval in. Lodewijks leger bevond zich toen (het was 23 mei) bij het klooster van Heiligerlee en kreeg voldoende tijd om in de hei en het kreupelhout goede stellingen in te nemen langs de route die de troepen van Aremberg zouden moeten volgen. Deze werden, toen zij uit een bos kwamenin moeilijk, veenachtig terrein, vol kuilen en gaten, onverwacht aangevallen. Grote wanorde ontstond en bij een cavalerieaanval werd Aremberg's linie doorbroken.

Tijdens deze aanval sneuvelde Adolf van Nassau, een jongere broer van Lodewijk en Prins Willem van Oranje. Aremberg werd tijdens de terugtocht gedood. In paniek sloegen daarop zijn soldaten op de vlucht, een grote buit achterlatend. Behalve zes stukken geschut kreeg Lodewijk de krijgskas in handen, wat bijzonder welkom was, omdat hij in geldnood zat en er onder zijn soldaten al muiterij dreigde omdat hun soldij niet op tijd was uitbetaald.

Lodewijk rukte op naar Groningen en toen de stad weigerde de poorten voor hem te openen, liet hij zijn troepen de stadswallen omsingelen. De raad van de Prins om door Friesland op te rukken in de richting van Holland, sloeg hij in de wind. In Frieslandhad Lodewijk waarschijnlijk veel steun van de bevolking gekregen; in Groningen bleven de mensen afzijdig of vijandig.

Toen Lodewijk hoorde dat Alva met een krachtig leger in aantocht was, brak hij in juli het beleg van Groningen op en probeerde terug te trekken naar Oost-Friesland. Maar voordat tij de Eems waren overgestoken werden Lodewijks troepen op 21 juli bij Jemgum door de Spanjaarden aangevallen. Drie uren lang duurde de veldslag, waarin de Spaanse meerderheid een verschrikkelijk bloedbad aanrichtte onder Lodewijks troepen. Veel soldaten verdronken in de Eems. Lodewijk wist zich, zonder wapens en kleren, zwemmend te redden. De nederlaag was volkomen, de inval was een totale mislukking geworden.

Bij Heiligerlee is een gedenknaald geplaatst die herinnert aan het begin van de Tachtigjarige oorlog en aan Adolf van Nassau.

Door gebrek aan medewerking bij de bevolking en tekort aan soldij werd hij bij Jemmingen door Spaanse troepen verslagen (juli). Willem van Oranje gaf echter niet open deed nu zelf een inval in Limburg, waar hij Roermond veroverde. Alva, die manschappen wilde sparen, ontweek echter een veldslag met de prins, daar hij voorzien had dat Willem van Oranje eind december wegens geldgebrek zijn leger zou moeten ontbinden.

Alva, de IJzeren Hertog

Hertog AlvaHet leven van Alva Toen Alva in 1567 naar de Nederlanden ging, was hij al 60 jaar oud. Hij had een lange loopbaan als veldheer achter de rug. Zijn karakter was gevormd in de periode dat hij werd opgevoed door zijn grootvader, Fredrik de Toledo, die Alva op driejarige leeftijd in huis nam, nadat zijn vader als admiraal van de Spaanse vloot in een zeeslag tegen de Moren was gesneuveld.

Fredrik de Toledo was een ruwe, strenge man. Hij onderwierp zijn kleinzoon aan een strikte discipline en bracht hem bij dat een Spaans edelman onvoorwaardelijk trouw behoorde te zijn aan de leer van de rooms-katholieke kerk en aan zijn koning. Deze beide beginselen hebben het hele leven van Alva bepaald.

Al op 17-jarige leeftijd werd hij officier. In de oorlog tegen de Fransen bewees hij zijn trouw aan de vorst door grote dapperheid. Toen hij 26 was werd hij bevorderd tot generaal en op zijn 30 ste was hij opperbevelhebber van het Spaanse leger. Aangezien Spanje in die tijd bijna voortdurend in oorlog was, moest Alva steeds weer naar andere slagvelden trekken. Zijn leven stond helemaal in het teken van het zwaard en het bloed. Mededogen met zijn tegenstanders kende hij niet.

Hij was lange tijd de belangrijkste raadsman van Philips II. Philips en hij waren het er, na de Beeldenstorm van 1566, volkomen over eens dat de opstand in de Nederlanden met onbarmhartig geweld moest worden onderdrukt. De protestanten waren in hun ogen immers dienaren van de duivel en moesten worden uitgeroeid. Bovendien moesten de Nederlanders worden bijgebracht dat zij het gezag van de Spaanse koning onvoorwaardelijk dienden te erkennen en dat van enige inspraak in het bestuur geen sprake meer was. Wie zich verzette tegen de wil van Philips moest dit met de dood bekopen.

spaanse tyrannie

Tijdens Alva's schrikbewind over de Nederlanden werden vele duizenden mensen vermoord op de brandstapels of de schavotten, maar toch slaagde de „ijzeren hertog"er niet in het verzet te breken. Integendeel, ook veel katholieken, die het gezag van Philips erkenden, kantten zich tegen de beestachtige tirannie van Alva en drongen er bij de koning op aan de hertog terug te roepen.

In 1573 verliet Alva verbitterd de Nederlanden. In Spanje werd hij door Filips een tijdlang buiten spel gezet. Maar toen in 1580 de oorlog met Portugal uitbrak had Filips Alva toch weer nodig. De grijze veldheer was 73 jaar toen hij voor het laatst aan het hoofd van het Spaanse leger ten strijde trok. Hij veroverde Portugal voor Philips en stierf in Lissabon in 1582.

De positie van Alva leek sterker dan ooit. Echter met name op het gebied van de belastingen zou de hertog nieuwe moeilijkheden krijgen. Tot op de huidige dag wordt zijn naam direct in verband gebracht met de tiende penning. De tiende penning was een onderdeel van een principiële nieuwe opzet van het belastingsysteem. Reeds eerder werden de moeilijkheden gesignaleerd, die ontstonden als de vorst, in financiële nood, een beroep op de Staten moest doen om een bede toe te staan. Men wilde nu deze incidentele belastingheffing vervangen door een meer directe en permanente. Het voordeel hiervan zou zijn, dat de regering niet voortdurend in geldgebrek zou zitten en bovendien veel minder afhankelijk zou zijn van de Staten, de geldschieters.

Alva stelde nu drie nieuwe belastingen voor: een honderdste penning - een heffing ineens van 1% op alle bezit; een twintigste penning - een heffing van 5% op de verkoop van onroerend goed; en een tiende penning - een heffing van 10% op de verkoop van alle binnenlandse en geïmporteerde waren. Toen deze plannen openbaar werden barstte het protest los. Men zag dit, terecht, als een aantasting van het stedelijk en gewestelijk particularisme en van eeuwenoude rechten en privileges, maar bovenal als een niet te tolereren poging van de overheid om debetrokkenen meer geld uit hun zak te kloppen. Alva, die inzag dat als zijn plannen werden uitgevoerd de onrust onder de bevolking alleen maar groter zou worden, bond daarop enigszins in en ging alleen over tot inning van de honderdste penning en verving de andere belastingen voor een periode van twee jaar door een extra bede. In augustus 1571 stond echter de definitieve invoering van de tiende penning, zij het in verzachte vorm (slechts 3,3% op de verkoop van alle roerend goed) weer op het programma. Weer was een golf van protest en onrust het gevolg. Alva's positie was nu veel zwakker dan een paar jaar terug, omdat de economische situatie weinig florissant was en de Spaanse troepen een zware en irriterende last vormden. Bovendien was ook de ontevredenheid op het gebied van de godsdienst weer sterk toegenomen.

De contra-reformatorische maatregelen werden met kracht doorgevoerd, evenals de definitieve invoering van de nieuwe kerkelijke indeling. Dit laatste leidde weer tot verzet bij grote delen van de geestelijkheid, die allerlei oude (financiële) voordelen zagen verdwijnen. Zo kwam ook van deze kant heftig verzet tegen de tiende penning!

De oppositie was krachtig en Alva's positie danig verzwakt. Toch leek hij zijn zin door te kunnen drijven, maar de gebeurtenissen in april 1572 zouden de situatie in de Nederlanden opnieuw ingrijpend wijzigen. Op 1 april 1572 was namelijk Den Briel veroverd door aanhangers van de prins van Oranje.

De inname van Den Briel 1572

Op 1 april 1572 verschenen een 20 à 30 geuzenschepen met 300 a 400 man onder leiding van de Luikse edelman Willem van Lumey en Blois van Treslong voor de rede van Den Briel. Men had gebrek aan water en voedsel en besloot aan land te gaan. Zonder al te veel moeite werd de stad genomen. Deze werd geplunderd en 13 roomskatholieke geestelijken werden vermoord.

martelaren van Gorcum

De geuzen kozen echter niet opnieuw het ruime sop, maar hielden de stad in naam van Willem van Oranje bezet. Waarschijnlijk heeft niemand toen ook maar enigszins vermoed welke gevolgen deze daad zou hebben.

De watergeuzen waren al vanaf 1567 actief geweest. Het waren voor Alva gevluchte vertegenwoordigers van de lage adel, handwerkslieden, vissers, kooplieden en gewoon gespuis. Een vrij ordeloze, rauwe bende die moeilijk in toom te houden was. Verschillende pogingen om ze in te zetten als onderdeel van een strategisch plan waren mislukt. Zij deden echter wel de Spanjaarden afbreuk en bezorgden de prins geld uit de opbrengst van door hemzelf verleende kaperbrieven en procenten van de buit. In maart 1572 had koningin Elizabeth van Engeland na veel moeite deze lastige bezoekers uit haar havens en met name uit Dover gezet. Toen zij nu hongerig voor Den Briel kwamen, dachten zij wellicht twee zaken te kunnen combineren: provianderen en de reeds lang geplande invasie op de Hollandse kust uitvoeren. Van een te voren beraamde actie tegen Den Briel is dus nooit sprake geweest. De gebeurtenissen volgden elkaar nu snel op. Na hun eerste succes gingen de geuzen verder en bezetten onder meer Vlissingen, waardoor ze twee strategisch belangrijke punten in handen hadden — de toegang tot de Rijn en die tot Antwerpen. Er ging als het ware een golf van overmoed door het land en niet alleen in Holland en Zeeland maar ook in de noordelijke en oostelijke provincies kozen tal van steden de zijde van de prins.

Een uiting van de durf en het optimisme van de bevrijde steden was stellig het bijeenroepen van een Statenvergadering in Dordrecht (19-23 juli), waarop men de prins steun toezegde bij de voortzetting van de strijd en hem erkende als stadhouder van Holland. Alva was gedwongen in het zuiden te blijven, omdat Lodewijk van Nassau Bergen bij verrassing genomen had. De opstandelingen bereidden zich nu voor op een aanval die oorspronkelijk later in dat jaar gepland stond. Daarbij zouden de geuzen vanuit zee aanvallen, de prins vanuit het oosten en de Franse koning vanuit het zuiden. De Bartholomeusnacht of Parijse Bloedbruiloft (23 op 24 augustus 1572), tijdens welke de kopstukken van de Franse protestanten werden vermoord, had echter tot gevolg dat Frankrijk van het ene op het andere moment als machtige bondgenoot tegen Spanje afgeschreven moest worden. Vrij spoedig daarna moest Lodewijk Bergen opgeven en kon Alva zijn aandacht weer op het noorden richten. In het zuiden had hij voorlopig geen gevaar meer te duchten. De prins zag de situatie vrij somber in en toen hij op 21 september 1572 bij Enkhuizen aan land ging, was hij er min of meer van overtuigd in Holland binnenkort zijn graf te zullen vinden.

De strijd om Holland en Zeeland 1572-1576

Toen de dreiging aan de zuidgrens was weggevallen konden de Spanjaarden zich geheel op het opstandige noorden concentreren. Alva's zoon. Don Frederik moordde op 2 oktober 1572 Mechelen uit en trok vandaar naar het noordoosten om een eventuele verbinding tussen hulptroepen uit Duitsland en het centrum van de rebellie in Holland en Zeeland te voorkomen. Zutphen en Naarden ondergingen hetzelfde lot als Mechelen en al vrij spoedig waren de noordelijke en oostelijke provincies weer in Spaanse handen. Terwijl Don Frederik het beleg sloeg voor Haarlem, woedde in Zeeland een strijd tussen Geuzen en Spaanse troepen onder Mondragon. Tegen alle verwachtingen in wist Haarlem het beleg maanden vol te houden. Dit was een grote morele en militaire tegenslag voor de Spanjaarden. Ontgoocheld verliet Alva op 18 december 1573 de Nederlanden.

Zijn opvolger Don Luis de Requesens maakte een weinig succesvolle start. Zijn vloot werd begin 1574 bij Reimerswaal verslagen, waardoor ook Middelburg in handen viel van de Geuzen. De situatie leek nog slechter te worden voor de Spanjaarden toen Lodewijk en Hendrik van Nassau vanuit Duitsland met een groot, maar onordelijk leger de Nederlanden binnenvielen. De Spaanse legeraanvoerder Valdez moest het beleg voor Leiden opgeven en zijn troepen naar het oosten dirigeren. Op 14 april 1574 echter werden de beide broers van Willem van Oranje verpletterend verslagen op de Mokerhei. De positie van Requesens leek nu vrij sterk en hij kon de teugels enigszins laten vieren. Hij beloofde afschaffing van de tiende penning en opheffing van de Bloedraad. Bovendien werd op 6 juni 1574 voor alle opstandelingen een algemeen pardon afgekondigd. Een nieuwe tegenslag voor de Spanjaarden was echter het mislukken van het beleg van Leiden, dat op 3 oktober door de troepen van de prins ontzet werd. Toch werd in mei van het volgend jaar weer een nieuwe offensief tegen Holland gelanceerd. Ook in Zeeland ging de strijd voort. Op 28 september vond daar onder leiding van Mondragon en Requesens een spectaculaire nachtelijke overtocht plaats van Tholen naar Schouwen, waar Zierikzee werd ingesloten (30 juni 1576 gaf deze stad zich aan de Spanjaarden over).

Ondanks zijn mildere houding en de Spaanse militaire successen wist Requesens echter geen ommekeer ten gunste van het Spaanse gezag te bewerkstelligen. Ook in de `niet bevrijde' gewesten (alle provincies minus Holland en Zeeland!) was, van hoog tot laag, de onvrede algemeen.Naast de onrust door de godsdienstige tegenstellingen, bleef vooral de hopeloze financiële situatie van het land een bron van ergenis en ellende. In 1575 moest Filips II zelfs een staatsbankroet afkondigen; de adel en de steden voelden er Il zelfs een staatsbankroet afkondigen; de adel en de steden voelden er steeds minder voor het ene financiële gat met het andere te vullen en de bevolking ondervond voortdurend de lasten van de ontevreden en soms muitende soldaten. Het laatste als gevolg van de moeilijkheden bij het uitbetalen van de soldij.In Holland en Zeeland sloot men zich steeds nauwer aaneen. Medio 1575 kreeg de prins van Oranje door de Staten van Holland het opperste gezag (voor de duur van de oorlog) over dit gewest opgedragen en sprak men zelfs reeds over `verlating' van de koning van Spanje.Het feit dat op 8 februari 1575 in Leiden op feestelijke wijze een universiteit was geopend, wees er ook op, dat men op deze wijze een eigen bestuurlijk en geestelijk kader wilde opleiden.

Noord en Zuid verder uiteen 1576-1579

Toen op 4 maart 1576 Requesens stierf en de Raad van State het oppergezag over de Nederlanden tijdelijk moest waarnemen was de situatie in de Nederlanden zee ondoorzichtig en chaotisch. De financiële nood steeg nog steeds, mede door de stagnerende handel, soldaten trokken plunderend door het land en in Noord el Zuid was men minstens even ontevreden. In september werd de Raad van Stat gedwongen de Staten-Generaal bijeen te roepen — iets wat Filips steeds uitdrukke lijk verboden had!

Op 8 november van hetzelfde jaar werd tussen vertegenwoordigers van de Staten-Generaal en afgevaardigden van Holland en Zeeland in Gent een vrede of pacificatie gesloten. Men besloot:

1. een nieuwe landvoogd zal de Pacificatie moeten erkennen, de vreemde troepen uit het land zenden en in overleg met de Staten moeten regeren.

2. een vrij bijeengekomen Staten-Generaal zal over de godsdienst beslissen.

3. buiten Holland en Zeeland mag niets tegen he katholicisme ondernomen worden.

4. de bestaande plakkaten tegen de ketter worden geschorst en

5. de prins van Oranje wordt erkend als stadhouder val Holland en Zeeland.

DE PACIFICATIE VAN GENT

Weg met alle Spaanse troepen! Na de dood van de landvoogd Requesens, de opvolger van Alva duurde het nog enige tijd voordat de nieuwe landvoogd, Don Juan, in de Nederlanden was aangekomen. De Raad van State had tijdelijk het bestuur overgenomen. De Raad zag zich onmiddellijk voor grote problemen geplaatst toen de Spaanse Furie uitbrak en muitende Spaanse troepen stad en land afstroopten. Nu moesten de koningsgetrouwe, zuidelijke gewesten zich uit zelfbehoud ook tegen de Spanjaarden keren. De Staten-Generaal kwamen bijeen, besloten zelf troepen te werven om de Spanjaarden het land uit te jagen en vroegen daarbij ook de hulp van de opstandige noordelijke gewesten.

Prins Willem van Oranje zag dat dit een prachtige gelegenheid was om de noordelijke en zuidelijke gewesten weer te verenigen, niet alleen in de strijd tegen de Spaanse muiters, maar ook in de strijd voor de geloofsvrijheid, herstel van de privileges en meer zelfstandigheid. Afgevaardigden van de Staten-Generaal en de Staten van Holland en Zeeland kwamen in Gent bijeen om te trachten tot een verbond te komen. Aanvankelijk was de godsdienstkwestie nog een grote hinderpaal. De katholieken wilden het calvinisme uit hun steden en gewesten weren en de calvinisten wilden in Holland en Zeeland de uitoefening van het katholieke geloof niet toestaan. Bovendien kon men het niet eens worden over de macht, die aan de nieuwe landvoogd zou wordentoegestaan.

Maar de steeds groter wordende dreiging van de Spaanse muiters móést gekeerd worden en tenslotte kwam men toch tot overeenstemming. Op 8 november 1576, terwijl het geplunderde Antwerpen nog in brand stond, werd de vredesovereenkomst ondertekend, die de „Pacificatie van Gent" werd genoemd. Daarbij beloofden de gewesten elkaar vriendschap en trouw.

dutch revolt 1576 1579

Gezamenlijk zouden zij de Spaanse soldaten uit de Nederlanden verdrijven. In het zuiden werden de plakkaten tegen de protestanten voorlopig opgeschort (deze kwestie zou later door de Staten-Generaal definitief geregeld worden) en Holland en Zeeland beloofden de katholieken met rust te laten. De Prins van Oranje kreeg al zijn verbeurd verklaarde bezittingen terug. Iedereen die naar het buitenland was gevlucht zou ongehinderd kunnen terugkeren. Het oppergezag van Filips II werd nog erkend, maar de nieuwe landvoogd moest wél de besluiten die in de Pacificatie van Gent waren neergelegd, aanvaarden.

Alle gewesten, behalve Luxemburg, hebben de Pacificatie van Gent ondertekend. Toen ook Don Juan, na veel onderhandelingen, zich onder voorwaarde dat de katholieke godsdienst erkend zou blijven, bij de overeenkomst neerlegde, leek het alsof de vrede in de Nederlanden was hersteld. Maar weldra trok de landvoogd zijn beloften in en opende hij weer de strijd tegen Holland, Zeeland en de Prins van Oranje.

De gematigden leken gewonnen te hebben en de eenheid was voorlopig hersteld De grote vraag was alleen hoe de koningsgezinde katholieken, die de vrijheid voo de ketters te ver vonden gaan, zouden reageren. De machteloosheid van de over heid werd in deze dagen duidelijk gedemonstreerd door de zogenaamde Spaans furie, waarbij soldaten Antwerpen brandschatten en duizenden burgers doodden Voor de nieuwe landvoogd, Filips' halfbroer Don Juan, waren de perspectiever weinig hoopvol. Deze arriveerde begin november vermomd (!) in Luxemburg et niets wees erop dat hij spoedig verder zou kunnen reizen. Er moest onderhandel( worden, wel een bewijs hoezeer de machtsverhoudingen gewijzigd waren.

Don JuanIn februari 1577 werd Don Juan gedwongen een `Eeuwig Edict' met de Staten-Generaal te sluiten, waarin hij ondermeer de Pacificatie erkende en beloofde de buitenlandse troepen het land uit te zenden. Op 12 mei kon hij tenslotte zijn intocht in Brussel houden. Het was niet verwonderlijk dat de aldus vernederde plaatevervanger van de koning op wraak zon. In juli maakte hij zich bij verrassing meeste van de citadel van Namen omdat hij nu wilde 'gouverneren' en `het land hen absolutelijk doen gehoorzaam zijn'. Een gunstig effect bleef echter uit. Maar ook de positie van de prins van Oranje was weinig benijdenswaard. Weliswaar kozen steeds meer gewesten en steden voor zijn gematigde en verzoenende standpunt maar de prins had ook tegenstanders, met name onder de katholieke adel in he zuiden. Deze, op de groeiende macht van Oranje ijverzuchtige Waalse edelen, die onder leiding stonden van de hertog van Aerschot, haalden eigenmachtig een broer van de Duitse keizer, Mathias, naar de Nederlanden, in de hoop dat deze zelfgekozen landvoogd — Don Juan werd in december 1577 door de Staten-Generaal niet langer erkend - een tegenwicht tegen Oranje zou vormen, wat in de praktijk overigens niet het geval zou blijken te zijn. Aan de andere kant onder groeven ook protestantse scherpslijpers door hun compromisloze optreden in he Zuiden de positie van de prins.

De algehele situatie kwam wederom in een stroomversnelling toen eind december 1577 de hertog van Parma met verse troepen Don Juan te hulp kwam. Op 3: januari 1578 wist deze veldheer de Staatse troepen bij Gembloers een geducht( nederlaag toe te brengen, hetgeen echter een nieuwe golf van calvinistisch extremisme, met name in Vlaanderen, ten gevolge had. Nieuwe beeldenstormen vonden plaats en de tegenstellingen spitsten zich steeds meer toe.

Toen Don Juan op 1 oktober 1578 overleed, bleek spoedig dat zijn door de koning voorlopig — aangestelde opvolger, de hertog van Parma, veel beter tegen alle moeiijkheden opgewassen was. Deze opende onmiddellijk een diplomatiek en militair offensief om de macht van de Spaanse koning te herstellen. Met zijn soldaten joeg hij de Staatse troepen op tot onder Antwerpen om zich daarna naar Maastricht te begeven, omdat hij door inname van deze stad, de belangrijke toegangsweg voor steun uit Duitsland wilde afsluiten, iets wat hem medio 1579 ook inderdaad zou lukken.

Zijn diplomatiek offensief richtte hij op de Waalse gewesten, Henegouwen en Artesië. In deze provincies was de katholieke adel zeer machtig. Mits haar eigen positie gerespecteerd werd, was zij bereid zich loyaal op te stellen tegenover de koning. Het calvinisme in deze gewesten had ook nauwelijks voet aan de grond gekregen. Men was anti-Oranjegezind en het calvinistisch schrikbewind elders was een reden te meer om de toenaderingspoging van Parma niet zonder meer af te wijzen.Ook in het noorden was een beweging op gang gekomen voor een nieuw samenwerkingsverband. Dit was in de eerste plaats gericht op bescherming van de op dat moment bestaande situatie en de protestantse eredienst. De drijvende kracht was hier Jan de Oude, stadhouder in Gelderland en broer van Willem van Oranje. De laatste verzette zich tegen deze radicalisering der fronten en lanceerde een plan voor een soort godsdienstvrede. De katholieken vreesden echter dat dit een verkapte manier was om de heerschappij van het protestantisme te vestigen en de protestanten op hun beurt vonden dat de voorstellen van de prins niet ver genoeg gingen.

PARMA

Aleander Farnese hertog van Parma

Van het begin af volgde hij in de Nederlanden een heel andere tactiek dan Alva, die uitsluitend met bruut geweld de opstand had geprobeerd te onderdrukken. Parma begreep, dat met overreding dikwijls meer bereikt kon worden dan met terreur. Hij was een goed mensenkenner, bezat veel tact en kon bijzonder innemend zijn. Dikwijls heeft hij bij Filips aangedrongen op meer behoedzaamheid en verzachtende maatregelen, zoals amnestie voor degenen, die genoeg hadden van de strijd en zich weer aan het gezag van de koning wilden onderwerpen. Ook met geldelijke beloningen en het uitdelen van ambten wist Parma veel te bereiken. Vergeefs heeft hij Filips proberen te bewegen niet de ban over Willem van Oranje af te kondigen. Ook de Prins meende hij vroeg of laat op diplomatieke manier voor zich te kunnen winnen.

Nadat Don Juan in 1578 gestorven was, benoemde Filips Parma tot landvoogd. Een jaar later behaalde hij zijn grootste diplomatieke succes: de Unie van Atrecht, waarbij enkele zuidelijke gewesten zich losmaakten van de overige gewesten, een scheiding, die nooit meer geheel kon worden hersteld en uiteindelijk leidde tot het ontstaan van de staat België. Door een toevallige loop van omstandigheden was het ook in Atrecht dat Parma na veel omzwervingen in 1592 de laatste adem uitblies. Bij Filips was hij toen in ongenade gevallen, omdat de koning zijn onafhankelijkheid van geest en wil, die de Nederlanders ettelijke malen voor veel leed heeft behoed, niet kon dulden. De tiran Philips II eiste van iedereen onvoorwaardelijke gehoorzaamheid.

Een tegenstander van formaat

Toen in 1577 Don Juan door Filips naar de Nederlanden werd gezonden om de landvoogd Requesens op te volgen, stuurde de koning ook een sterk Spaans leger naar de opstandige gewesten. Bevelhebber van dat leger was Alexander Farnese, hertog van Parma. Als zoon van de vroegere landvoogdes Margaretha van Parma was hij geen onbekende in de Nederlanden. Met veel edelen had hij kennis gemaakt toen in 1565 in Brussel zijn huwelijk met een Portugese prinses werd voltrokken. Hij had toen de indruk gemaakt een bijzonder intelligente, vlotte jongeman te zijn. Toen hij als legeraanvoerder terugkeerde, was hij 32 jaar. Zijn grote kwaliteiten als veldheer bewees hij al op 31 januari 1578 toen hij de Staatse troepen bij Gembloux verpletterend versloeg. Vele overwinningen zouden in de komende maanden en jaren volgen.

Veroveringen van Parma

Parma's militaire successen waren niet alleen te danken aan zijn strategisch inzicht, maar ook aan het feit dat hij zijn troepen goed in de hand wist te houden. Hij handhaafde een strenge maar rechtvaardige discipline. Hij bekommerde zich voortdurend om het lot van zijn soldaten, zorgde dat ze goed gevoed en gekleed werden en liet zelfs hospitalen voor de gewonden inrichten. Soldij werd doorgaans op tijd uitbetaald, omdat Parma niet wachtte tot hij weer geld uit Spanje had ontvangen, maar leningen afsloot bij Italiaanse en Antwerpse bankiers. Het kostte hem weinig moeite zulke leningen af te sluiten omdat weldra bleek dat hij altijd zijn beloften nakwam. Voor deze aanvoerder, die hen knap en verstandig leidde in het gevecht zonder hen aan overbodige risico's bloot te stellen en die bovendien goed zorgde voor hun persoonlijke belangen, gingen de Spaanse troepen door het vuur. En ook veel zuid-Nederlandse edelen vonden het een eer om in het goed geleide leger van Parma te mogen dienen. Maar Parma was niet alleen een goed veldheer, hij was ook een uitstekend diplomaat.

Door de militaire en politieke successen van Parma in het zuiden werd in het noorden ook steeds harder gewerkt aan een te vormen unie. Toen dan ook op 6 januari 1579 de zuidelijke provincies Henegouwen en Artesië de Unie van Atrecht sloten en overeenkwamen de Pacificatie na te leven en de koning en de oude privileges trouw blijven, volgde het noorden op 23 januari met de Unie van Utrecht, die ondertekend werd door afgevaardigden uit Holland, Zeeland, Utrecht, Gelre en de Ommelanden.

DE UNIE VAN UTRECHT

Een teleurstelling voor de Prins

Toen het reeds duidelijk was dat de zuidelijke Nederlandse gewesten streefden naar verzoening met de Spaanse koning en onaantastbaarheid van de katholieke godsdienst (Unie van Atrecht), verenigden zich op 23 januari 1579 de gewesten Holland, Zeeland, Friesland, Utrecht en Gelderland in de Unie van Utrecht met het doel de strijd voor zelfbestuur en vrijheid van godsdienst voort te zetten. Vlaamse en Brabantse steden (leper, Brugge, Gent, Antwerpen en Lier) sloten zich erbij aan.

tachtigjarige oorlog 1579

Dit bondgenootschap was met veel moeite tot stand gekomen en het bevredigde de Prins allerminst. Hij had altijd gestreefd naar een Generale Unie, een bondgenootschap tegen de Spaanse overheersing, waarbij alle Nederlandse gewesten, katholiek en calvinistisch, aangesloten waren.

Nadat de zuidelijke gewesten met de Unie van Atrecht duidelijk te kennen hadden gegeven, dat zij zo'n Generale Unie onder leiding van de protestantse Prins en de calvinistische gewesten, niet wensten, was de hoop op eenheid in de Nederlanden definitief verkeken.

De Prins kon zich daar moeilijk bij neerleggen. Bovendien had hij bezwaar tegen sommige bepalingen in de Unie van Utrecht, die de calvinisten te veel bevoordeelden ten opzichte van de katholieken.

Hij aarzelde lang het verdrag, dat voornamelijk door toedoen van zijn broer Jan tot stand was gekomen, goed te keuren, maar hij deed het tenslotte toch.

Uit de Unie van Utrecht groeide later de Republiek der Verenigde Nederlanden en de Unie kan dus beschouwd worden als het begin van Nederlands nationale zelfstandigheid

Bij deze `tegenunie' werd onder meer bepaald, dat de betreffende provincies voor eeuwig verenigd zouden blijven, als waren zij één provincie, doch met behoud van ieders privileges. In alle gewesten zou belasting geheven worden voor de algemene oorlog. Over wapenstilstand, oorlog, vrede, en belasting kon alleen bij eenstemmigheid beslist worden. De godsdienst mocht ieder gewest naar eigen goeddunken regelen maar niemand mocht om zijn geloof vervolgd worden.

Een definitieve breuk tussen Noord en Zuid was dit nog niet. Deze zou pas de komende jaren ontstaan door de militaire successen van Parma, waardoor inderdaad twee blokken zouden ontstaan, overigens nog wel met een zeer flexibele grens.

Parma in het offensief 1579-1585

Het jaar 1579 bood zeer gunstige vooruitzichten voor Parma. Op 29 juni moest Maastricht zich overgeven, waardoor de belangrijkste weg van en naar Duitsland voorlopig weer in Spaanse handen kwam. Op dezelfde dag kwam het Tractaat van Atrecht tot stand, — waarbij Artesië en Henegouwen zich verzoenden met de koning en Parma als landvoogd erkenden. Parma's offensief had militair en diplomatiek zijn vruchten afgeworpen. Des te onaangenamer was het voor de landvoogd, dat Filips II hem wilde laten vervangen, een plan, dat overigens uiteindelijk niet ten uitvoer werd gebracht.

Waren dit al ernstige tegenslagen voor Willem van Oranje, 1580 zou nog een paar onaangename verrassingen in petto hebben. In maart koos de stadhouder van de noordelijkste gewesten Rennenberg voor de koning, waardoor het noordoosten weer voor de prins verloren dreigde te gaan. Bovendien werd op 15 maart de ban uitgevaardigd tegen de prins van Oranje en beloofde Filips 25.000 gouden dukaten aan degene, die de prins dood of levend aan hem zou uitleveren en wanneer de daad door een niet-edele zou worden verricht, zou deze in de adelstand verheven worden.

Het antwoord kwam het jaar daarop en was tweeledig. De prins reageerde met zijn Apologie, waarin hij de misdragingen van Filips II openlijk aan de kaak stelde en een verantwoording gaf van zijn eigen daden en beweegredenen. De Staten-Generaal publiceerden op 22 juli het `Plakkaat van Verlatinghe' (verlaten=ontzetten uit het ambt), waarbij Filips II als koning werd afgezworen. Een staatsrechtelijk voor die tijd zeer vérgaande stap, want opvattingen over het zelfbeschikkingsrecht van een volk waren toen nog haast onbekend.

Tot dan toe had men ook nog steeds de fictie opgehouden dat men in feite de koning trouw bleef en alleen streed tegen zijn slechte adviseurs. Zo was bijvoorbeeld de Leidse universiteit gesticht in naam van Filips II door Willem van Oranje als diens stadhouder!

Willem van Oranje had inmiddels steun gezocht in Frankrijk waar hij in 1580 de hertog van Anjou bereid vond om als `hoofd van staat' naar de Nederlanden te komen.Met tegenzin werd de Franse prins door de Staten in 1582 als souverein erkend.

DE HERTOG VAN ANJOU Een onbetrouwbare draaitol

Hertog van AnjouFrangois-Hercule de Valois, hertog van Anjou, was de vierde zoon van de Franse koning Hendrik II en Catherina de Medici en dus een broer van koning Hendrik III, die in 1575 Karel IX (van de Bartholomeusnacht) was opgevolgd. FranQois-Hercule werd in 1556 geboren en werd niet ouder dan 28 jaar. Hij was erg eerzuchtig, maar had een slap karakter. Alle eigenschappen van een staatsman en een veldheer miste hij. Zijn eigenbelang stelde hij altijd voorop en het vrolijke leven, dat hij met zijn vrienden leidde, wilde hij voor geen prijs opgeven.

Met sluw gekonkel probeerde hij voortdurend meer macht en geld te krijgen. In de godsdienststrijd, die al jaren tussen protestanten en katholieken in Frankrijk woedde, schaarde hij zich aan de kant van de „Politieken". Dat was een middenpartij van gematigde katholieken, die bij beide partijen aandrongen op meer verdraagzaamheid. Samen met leden van deze groep wist Anjou in 1576 een (tijdelijke) godsdienstvrede tot stand te brengen, die voor beide partijen bijna volledige godsdienstvrijheid bracht. Dit was precies wat Willem van Oranje ook voor de Nederlanden wenste en het is niet onbegrijpelijk dat hij in Anjou een bondgenoot zag, die hem op de duur de hulp van Frankrijk kon verschaffen. Daar kwam nog bij dat Anjou erg zijn best deed om koningin Elizabeth van Engeland over te halen met hem te trouwen. Zou de hertog daarin slagen, dan zou hij ook Engeland waarschijnlijk tot bondgenoot van de Prins kunnen maken.

Willem van Oranje besloot in 1576 onderhandelingen met Anjou aan te knopen om hem onder veel voorwaarden die zijn macht zouden bepekken, de opperheer-schappij over de Nederlanden aan te bieden. De eerzuchtige Anjou had daar wel oren naar, maar had weinig vertrouwen in de kracht van de opstandelingen en vertelde Philips II wat de Prins hem had aangeboden, in de hoop dat de Spaanse koning hem een hoge positie in het Spaanse rijk zou geven. Philips ging daar niet op in en Anjou trad weer in onderhandelingen met de Prins en de Staten. In 1578 werd hij erkend als „Beschermer der Nederlanden tegen de Spaanse tirannie". Met een troepenmacht zou hij nu uit het zuiden de opstandelingen in de Nederlanden te hulp komen. Veel kwam daar niet van terecht en Anjou verdween al spoedig weer uit de zuidelijke Nederlanden.

IJverig bleef Anjou intussen pogingen doen Elizabeth tot een huwelijk te bewegen. In de zomer van 1579 leek het er even op dat de Engelse koningin haar ja-woord zou geven. Met veel moeite slaagde Willem van Oranje erin de Staten ertoe te bewegen opnieuw onderhandelingen met Anjou aan te knopen. Veel gewesten hadden grote bezwaren tegen deze katholieke Fransman wiens manier van leven niet bepaald strookte met de strenge opvattingen van de calvinisten. Maar in 1581 werd Anjou toch eindelijk erkend als landsheer op voorwaarde dat hij Franse hulptroepen, die hij zelf moest betalen, zou meebrengen. Veel macht werd hem niet gegund. Hij kon geen besluit nemen zonder toestemming van de Staten. Bovendien zouden Holland en Zeeland onder souvereiniteit van de Prins van Oranje komen. Daar kreeg Anjou dus niets te vertellen. Anjou aanvaardde deze voorwaarden omdat hij hoopte op slinkse manier toch nog eens het volledige gezag over de Nederlanden in handen te krijgen.

Ook nu had de militaire steun van Anjou weinig te betekenen en weldra moest Anjou wegens geldgebrek zijn leger ontbinden. Daarna vertrok hij voor lange tijd naar Engeland om Elizabeth het hof te maken. Aangeziend de Engelse koningin nog steeds niet ongenegen scheen met de Fransman in het huwelijk te treden, durfde de Prins van Oranje niet te breken met Anjou, ook al had deze voor de tweede keer getoond niet veel waard te zijn. Een afwijzing van Anjou zou hem nu waarschijnlijk ook op de vijandschap van Elizabeth komen te staan. Tot geen enkele prijs wilde de Prins de kans op buitenlandse hulp verspelen.

Het huwelijk met de Engelse koningin werd tenslotte om politieke redenen uitgesteld en in 1582 vestigde zich eindelijk de hertog van Anjou als landsheer in Antwerpen. Spoedig wekte hij veel ergernis door zijn losbandige levenswijze. Zijn troepen konden ook niet veel uitrichten tegen de overmacht van Parma. Uiteindelijk ging het Anjou vervelen, dat hij bijna niets te vertellen had en hij beraamde een soort staatsgreep. Op 17 januari 1583 probeerden zijn troepen zich meester te maken van Brugge, Duinkerken, Dendermonde en Antwerpen. Deze „Franse furie" werd afgeslagen.

Groot was natuurlijk de verontwaardiging in de Nederlanden, vooral onder de calvinisten die van begin af aan niets van de Franse hertog moesten hebben. Maar nóg wilde Willem van Oranje niet met Anjou breken. Het was immers nog altijd niet helemaal uitgesloten dat hij met Elizabeth zou trouwen en als zijn broer Hendrik vroegtijdig kwam te overlijden, zou hij zelfs koning van Frankrijk worden. Weer werden er onderhandelingen met Anjou geopend. Velen vonden dat onbegrijpelijk en de Prins verloor veel van zijn populariteit bij het volk. Anjou's dood in 1584 (hij leed aan tuberculose) maakte een eind aan de uit wanhoop geboren illusie van de Prins dat deze onbetrouwbare draaitol de opstand zou kunnen redden.

Parma leidde daar zeer succesvol zijn militaire operaties en begin juli 1584 stond hij voor de poorten van Antwerpen. Op 10 juli werd Willem van Oranje in Delft door de religieuze fanaticus Balthasar Gérard vermoord.

De Staten-Generaal besloten de strijd voort te zetten, maar de situatie werd voor het opstandige Noorden steeds minder rooskleurig. In augustus 1585 viel Antwerpen, nadat ook Brussel,Brugge, Gent, Mechelen en Nijmegen in handen van de Spanjaarden waren gevallen.

Spaanse Furie

Spaanse Furie: brandstichting stadhuis van Antwerpen

Zie voor deel 2 van De Tachtigjarige Oorlog Deel 21 Oorlog door de Eeuwen heen Deel 21 Oorlog door de Eeuwen heen