We hebben 270 gasten online

Deel 22 Oorlog door de Eeuwen heen

Gepost in Serie Oorlog door de eeuwen heen

De slag bij Agincourt 1415

De Dertigjarige Oorlog

Geschiedenis, ontstaan, verloop en gevolgen

dertigjarige oorlog 2

Onder Frederik III was het Heilige Roomse Rijk was het qua prestige op een historisch dieptepunt aangeland. Het keizerrijk was ontstaan vanaf keizer Maximiliaan I (1493-1519) en er een geleidelijke verbetering plaats dankzij Maximiliaans succesvolle huwelijks - en erfrechtpolitiek waardoor in de twee helft van de zestiende eeuw de helft vanEuropa en de nieuw ontdekte en veroverde landen onder Habsburgs bestuur vielen.

Hij was zelf getrouwd met Maria van Bourgondië (1477) , de enige dochter en erfgenaam van de laatste Bourgondische hertog Karel de Stoute waardoor Nederland, Luxemburg, deFranse-Comte en het Hertogdom Bourgondië hem toevielen. De volgende stap was datzijn zoon Filips' de Schone trouwde met Johanna de Waanzinnige, zij was de dochter vanhet Spaanse koningspaar en Isabella van Castilie en Ferdinand van Aragon, die door hun huwelijk enige jaren eerder Spanje verenigd hadden.

Uit het huwelijk van Filips de Schone (die al in 1506 overleed) en Johanna de Waanzinnige werden twee zonen geboren Karl (1500-1558) die de opvolger werd op de leeftijd van 16 jaar(na de dood van zijn Spaanse grootvader Ferdinand van Aragon) als Karl I koning van Spanje en de tot Aragon behorende Italiaanse bezittingen Napels, Sicilië en Sardinië; in het Rijk verkreeg hij ( na de dood van Maximiliaan in 1519) als karel V de keizerstitel en de zeggenschap over de Nederlanden.

Zijn broer Ferdinand (1503-1564) werd aartshertog van de Oostenrijkse erflanden, waartoe sinds 1526 ook het koninkrijk Bohemen ( met Mähren, Silezië en de Lausitz behoorden) en Hongarije behoorden; Maximilliaan had met Ludwig II, de laatste koning van Böhemen en Hongarije, in een huwelijks- en erfenisverdrag uitonderhandeld, dat deze landen na zijn dood aan Oostenrijk zouden toevallen.

Karel V Rijken

Het een enorm aantal landen waarover Karel V, van 1519- 1556 als hoogste gezagsdrager heerste, liet in Frankrijk de gedachte ontstaan dat Frankrijk zich gaandeweg bedreigd ging voelen door voelde door de Spaans-Oostenrijkse hegonomie.

Al bij de strijd om Bourgondië, na de dood van Karel de Stoute, had Frankrijk het hoofd moeten buigen. En bij de keuze van de koning in 1519 had zich buiten de Engelsman Hendrik VIII, ook de Franse koning Frans I zich opgeworpen om het regentschap over het heilige Roomse Rijk te verwerven; maar de keurvorsten hadden zich na door de Habsburgers goed betaald te zijn, uitgesproken voor Karel V.

Uit deze nederlaag van Karl VIII van Frankrijk en van Frans I, en door het verzet tegen de verwachte Spaanse zeggenschap over Europa ontstond in de volgende honderd jaar een verbeten uitgedragen tegenstand tegen de dynastiën van Valois en de Habsburgers, die dan in de 17 eeuw zou worden voortgezet door het nieuwe Franse koningshuis van de Bourbons, en zou uitmonden in een eeuwendurende vijandschap tussen Frankrijk en het Duitse keizerdom.

Hier in een oorspronkelijk, dynastische concurrentie, ligt een van de oorzaken van het latere ingrijpen van Frankrijk in de Dertigjarige Oorlog, voor de roof van de Elzas onder Ludwig XIV en voor alle andere krijgsverrichtingen tussen de ‘erfvijanden’ Duitsland en Frankrijk tot zelfs de Tweede Wereldoorlog.

Frans I van Frankrijk was niet de enige die zich door de Habsburgse expansie bedreigd voelde. Ook de Duitse vorsten moesten er rekening mee houden, dat de zich steeds vergrotende Habsburgse macht, ook voor hen consequenties met zich mee zou brengen.Terwijl Frankrijk en Engeland al in een proces van centralisatie van de macht verwikkeld waren, was de macht van de Duitse monarchie, sinds de Middeleeuwen continu gedaald. Hun vrees was dus niet ongegrond. Daarentegen was het de vorsten in de afzonderlijke landen gelukt, onder druk van de Habsburgers, eveneens de eerste schreden te zetten naar absolutistische centralisering en hun bezittingen geografisch af te ronden, dat wil zeggen de middeleeuwse persoonsgebonden staat om te zetten in een nieuwtijdse landheerschappen. Het voortschrijden van deze ontwikkeling kwam echter door de versterking van het Habsburgse keizerdom in gevaar.

De veronderstellingen van Frankrijk en de Duitse vorsten waren niet ongegrond te nomen. Inderdaad zag karel V de omvangrijke Spaanse-Nederlandse-Italiaanse – en Oostenrijkse gebieden als onderdelen van een Universeelmonarchie, waarbij ook de Spaanse heerschappij over de wereldzeeën een rol speelde; alleen het buurland Portugal gaf Spanje tot dan toe op de wereldzeeën concurrentie, en deze qua militaire macht onderliggende rivaal, werd in 1580 onder Karls zoon Filips II, ook nog zijn koloniën ontnomen.

In binnenlands politiek opzicht liet Karel V politiek absolutistische tedenzen zien, als zich de dynastieke Habsburgse intressen zich lieten omschrijven als overeenkomend met het geheel van het keizerlijke-katholieke wezen van de staat. Het duidelijkste kristaliseerde zich de strijd van de verschillende partijen hierin, hoe de afzonderlijke partijen reageerden op de Reformatie. Wat begon als een theologisch dispuut, werd snel een religieuze en deels een revolutionaire volksbeweging, die sinds 1530 steeds meer een allesbepalende factor werd in de machtspolitiek. Terwijl vele Rijksvorsten snel tot het protestantisme overgingen - allereerst door enthousiasme, maar weldra ook door het besef dat de scheiding van de oude Rijkskerk, waarop volgens de natuurwet het Habsburge koningschap was gebaseerd, het dus terecht was, de vorstelijke nagestreefde autonomie te ondersteunen en te rechtvaardigen, heropende Karel V in het belang van het Rijk en de katholieke geloofwaardigheid een heilige kruistocht tegen deze nieuwe leer.

Zoals de Luthers of calvinistisch geworden vorsten werden gedreven door eenmengeling van religieuze ijver en politieke berekening was Karel V, en de aan zijn zijde staande keurvorsten, zich bewust dat het in de komende geloofstrijd niet alleen ging om wat nu de ware religie was, maar dat het ook ging over hun eigen machtspositie, want de Lutherse strijd tegen de Paus en de traditionele Kerk leverde ook gevaar op voor hun eigen legitimiteit.

Begonnen in 1521 met de veroordeling van Maarten Luther door het Edict van Worms, geforceerd door het Augsburgse Rijksdagbesluit van 1531, dat iedere protestant tot een verrader en verstoroder van de vrede omschreef, bereikte Karel V kruistocht zijn hoogtepunt in de Smalkaldise Oorlog ( 1546/1547). Onder aanvoering van de keizerlijke Reichsacht en de gedwongen re-katholiserings-pogingen was onder leiding van Philip de Goede, landgraaf van Hessen, de Schmalkaldische Bond opgericht. Dit verbond van protestantse vorsten, werd na de Rijksdag van Regensburg (1546), die ook niet tot overeenstemming had geleid, door Karel V, met enorme financiële steun van de paus, aangevallen, onder het voorwendsel dat de Rijksexecutie tegen de verbreker van de landsvrede, Philip van Hesse, moest worden doorgevoerd. De oorlog eindigde (in de slag bij Mühlberg) met een volledige zege van de keizer.

Deze overwinning bracht echter geen duidelijke oplossing in het religieconflict, terwijl Karel in de volgende jaren zijn absolutistische plannen en een daarmee verbonden Rijkshervorming ook tegen die koningen niet voort kon zetten, die in 1546/1547 hem nog hadden gesteund. De keizer trok zich teleurgesteld uit Duitsland terug en liet zijn broer Ferdinand in 1555 de Ausburger religievrede uitvoeren. Een jaar later legde hij al zijn openbare functies neer, en gaf Spanje en de Nederlanden aan zijn zoon Philips II en droeg de keizerstitel en de Oostenrijks Stamlanden over aan Ferdinand I, die overigens al meer dan twintig jaar eigenlijk Duitsland had geregeeerd.. Hij trok daarmee de consequentie uit het gegeven dat hij over de hele lijn niet had kunnen bereiken wat hij had nagestreefd, zoals hij zelf tijdens zijn afscheidsrede op 22 oktober 1555 in Brussel ook toegaf.

De uitbouw van de macht van de Habsburgers was voorlopig tot staan gebracht, maar de geloofskwestie zou zich steeds verder toespitsen. De geloofsrichtingen maken zich op voor de krachtmeting. De Ausburgse religievrede was van katholieke zijde de erkenning dat de klok niet meer kon worden teruggedraaid en dat de Protestantisme zijn vaste plaats in het Duitse religieuze landschap gevonden had.

Voor de evangelische richting betekende het dat de Reformatie ook aan grenzen was gebonden, omdat verdere sekularisering zou kunnen leiden tot het in gevaar komen van het Rijk; de geestelijke Keurvorstendommen af te schaffen of de aan het katholicisme verbondende keizer niet meer als hoogste gezagsdrager te erkennen, had betekent, dat het bestaande staatssysteem niet meer kon functioneren. Door het gevonden compromis was in ieder geval bereikt, dat de niet tegenhoudende ontwikkeling tot moderne Landesherrschaften zich voort kon zetten, binnen het staatsverband en het Rijk zelf, hoewel symbolisch, dan toch door middel van een Band van Duitse eenheid behouden bleef.

De vrede van 1555 legde vast, dat in Duitsland voortaan de vrije keuze tussen het lutherse en de katholieke geloof mogelijk was – echter niet voor de bevolking, maar alleen voor de Landsheren. Het principe 'Cuius reio, eius religeo', betekende voor de inwoners van een Landschaft, zich of te bekeren tot het geloof van de Landsheer of dat Land te verlaten; Een vertrek uit religieuze gewetensnood werd uitdrukkelijk toegestaan.

Voor alle Katholiek-kerkelijke Vorstendommen, zoals geestelijke Keurvorsten en Rijksbisschoppen, gold een zogenaamde ‘geestelijk voorbehoud’; Voor hun terratorium werd het tot dan toe toegestane reformatierecht niet toegepast. Omgekeerd zouden evangelisch geworden gebieden niet opnieuw katholiek moeten worden. De Rijkssteden, die onder het gezag vielen van de Keizer, bezaten enkel een beperkt Reformatierecht.

Onder historici bestaat tegenwoordig een vergaande overenstemming daarover, dat de in Augsburg getroffen regelingen, voldoende draagkracht hadden en niet noodzakelijkerwijs tot de Dertigjarige Oorlog had moeten voeren. Het is echter niet te ontkennen dat enige zaken niet aan de orde waren gekomen, die een langdurige vrede wel degelijk in de weg stonden: Zo was het de Evangelische verboden, de geestelijke vorstendommen aan hun kant te proberen te krijgen; omgekeerd lieten de vredesbesluiten in zijn algemeenheid toe hele protestantse vorstendommen via erfenis weer katholiek te maken. Met deze rechtelijke toestand, die op verzoek van de keizer in het verdrag was opgenomen, konden de evangelische vorsten op den duur niet leven, omdat het na moeizaam overleg tot stand gekomen confessionele evenwicht daardoor in gevaar kon worden gebracht.

In de praktijk betekende het dat beide zijden zich in de praktijk niet aan de afspraken hielden. Een verder oorzaak van conflicten was de onduidelijke regeling van het reformatierecht voor de Rijkssteden, die zich voor de keuze zagen gesteld zich tegen de keizer te verzetten of zich aan te sluiten bij een buurman die potentaat was.

In de praktijk betende in, dat zich grote eenheden van geloofsgebieden ontwikkelden die uit relatief vaste confessionele blokken bestonden, waarin de werkelijke religieuze tolerantie in de praktijk niet meer kon worden verwezenlijkt. De zwaarstwegende misser van de Augsburgse vrede was echter, dat het enkel het lutherse en katholieke geloof betrof. Reformatorische andere groepen zoals Calvinisten werden als Reformeerden benoemd en hoewel politiek belangrijk, echter niet als gelijke behandeld.

Door de vredesrechtelijke ongelijke behandeling van de beide protestantse hoofdrichtingen trad naast de scheiding tussen Oudgelovigen en Protestanten, kwam de kloof tussen bevoorrechte Lutheranen en benadeelde Reformeerden erbij en spoedig was de haat tussen de verschillende evangelische leren groter dan de afwijzing van de Lutheranen van de Katholieken. Deze ontwikkeling laat enerzijds de toenemende onverzoenlijkheid van de zich radicaliserende geestelijke leren zien, anderzijds echter ook de toename van het machtspolitieke kakareel in de kamp van de confessies, bij wie het naast de religie echter ook om dynastisch-politieke landgewin ging.

Tijdens dezelfde tijdspanne, die men in Duitsland, de epoche van de confessionalisering noemt, waren zich ook in andere delen van Europa de Fronten aan het vormen voor de Grote Oorlog die onafwendbaar leek, althans sinds 1608/1609.

Zweden was reeds in 1527 tot het Lutherse geloof overgegaan, dus nog voor de officiële Confessionswissel van vele Duitse vorsten, Denemarken met zijn buurlanden Noorwegen en IJsland 1530/1536; Scandinavië stond daarmee aan de zijde van de Noord- en Oost-Duitse geloofsbroeders. Engeland had al in 1534 met het Anglikaanse geloof en eigen nationale kerk, om tijdens het midden van de zestiende eeuw te worden getroffen door een met geweld opgelegde rekatholiseringspoging door Maria de ‘Blutige’., en sinds 1604 regeerde het katholieke koningshuis van de Stuarts het overgens protestantse eilandenrijk.

Frankrijk bleef hoofdzakelijk katholiek, bezat echter in de tweede helft van de 16e eeuw een sterke calvinistische minderheid, de

Hugenoten, die steeds weer vervolgd werden (Bartholomeusnacht, 1572), in andere tijden zelfs door een calvinistisch georiënteerde koning (Heinrich IV., Koning 1589, vermoord 1610)gesteund werden.

Onder de gereformeerde Huldrych Zwingi had het evangelische geloof in Zwitserland reeds sinds 1536 doorgezet. Het gereformeerde geloof kreeg in de Nederlanden steeds meer voet aan de grond. De calvinisten wonnen tussen 1560 en 1618 in Duitsland steeds meer aanhang; en bij de uitbraak van de Tachtigjarige Oorlog gingen de vorstendommen Hessen-Kassel, Holstein, Brandenburg, Kurpalz en enige kleine gebieden over tot het gereformeerde geloof.

Helemaal katholiek bleven de door de Habsburgers geregeerde landen zoals Spanje, Portugal, en het voor de helft pauselijke, en voor de andere helft Habsburgse Italië. In het Oostenrijkse Bohemen en in Hongarije had de Habsburgse keizer met Lutheranen, maar ook met Gereformeerden, ‘Bohemische Broeders’en navolgers van de Hussieten te kampen.

Polen was aan het einde van de 16e euw in de bijzondere omstandigheid, dat een overwegend protestantse bevolking geregeerd werd

door een katholieke vertegenwoordiger van een Luthers Zweedse Wasa-Dynastie, Sigmund III. Meest dramatisch ontwikkelde zich de situatie in de Spaanse-Habsburgse Nederlanden. Koning Filips II, voerde met behulp van stadhouder Alva, een ongelooflijke aggressieve anti-reformatorische politiek , waardoor de Noordelijke Nederlanden besloten tot een Opstand tegen de Spaanse koning, die de Tachtigjarige Oorlog wordt genoemd. In 1609 sloot de Spaanse regering met de Republiek een Twaalfjarig Bestand. In 1621 ging men weer verder met deze oorlog en kwam uiteindelijk in de Dertigjarige Oorlog terecht.

Hoewel in het Noorden van Europa het protestantisme had gezegevierd en nu in eerste linie Denemarken als beschermer van de evangelische Duitse landen klaarstond, in zuid Europa onder de hegemonie van Spanje alles bij het oude was gebleven en men in de Nederlanden met Spanje in oorlog was, werden er in Duitsland legerparades gehouden.

Sinds 1580 werden conflicten bewust gezocht en zocht men bewust de confrontatie., de Rijksdagen werden afwisselend van katholieke en evangelische Rijksstanden geboycot of beslissingen geblokkeert. In 1607 gaf keizer Rudolf II van Habsburg de hertog van Beieren, sinds de tijd van Luther een speerpunt van het katholicisme in Duitsland, de opdracht tot rijksexecutie tegen de protestantse Rijksstad Donauwörth. Maximiliaan I van Beieren marcheerde marcheerde op naar Donauwörth en beeindigde de staat van vrije Rijksstad, terwijl hij de stad opnam in zijn hertogdom. Deze ontwikkeling, die eigenlijk een nederlaag van de Evangelisten was, sloeg als een boemerang terug op de katholieken , omdat de voorheen gesplitste Lutheranen en Calvinsten zich verenigden.

Als gevolg van de ontwikkelingen in Beieren besloten in mei 1608 een aantal protestantse vorsten en steden tot een Unie, een tegen de katholieke partij gerichte militair verbond onder de aanvoering van de calvinist Pfälzer Kurfürsten. De katholieke reactie bleef niet uit; in 1609 werd De Liga opgericht, die onder het opperbevel van hertog Maximailiaan van Beieren werd gesteld.De Unie kon rekenen op financiële steun van Frankrijk, Zweden, Engeland en Holland, terwijl achter de Liga Spanje en de financiële kracht van de Paus stond. Zo hadden dus beide zijden ook militair hun stellingen betrokken; het enige wat er nog aan scheelde was een passende aanleiding, waardoor de oorlog kon uitbreken.

Het uit een raam van de Praagse burcht gooien van twee keizerlijke gezanten door woedende protstanten

De van alle kanten verwachte aanleiding kwam binnen tien jaar, nadat de beide militaire bondgenoodschapen zich hadden gevormd. In het jaar 1618 wilden de protestantse Bohemische standen in Praag, de hoofdstad van de Habsburgse koning van Bohemen, een bijeenkomst houden. Dat samentreffen werd echter door de Weense regering verboden. Vervolgens drongen enige protestantse adelijken onder de leiding van een calvinistische en een lutheraanse in de Hradschin binnen, de ambtswoning van de koninklijke stadhouder, om de beambten van de koning tot de orde te roepen.

keizerlijke afgezanten worden uit het ram van de burcht in Praag gegooid

Deze angstig geworden door de ontwikkelingen probeerden zich te veronschuldigen, werden echter op grond van een meegebracht schriftelijk stuk schuldig bevonden en daarna uit een venster van de burcht geworpen. Ondanks de grote valhoogte overleefden ze het wel doordat ze op een mesthoop terecht kwamen..

De gebeurtenis was het signaal voor een algemene opstand van de Boheemse standen tegen de Habsburgse overheersing. Zij kozen, toen enige maande later Keizer Matthias stierf, niet zijn neef en erfgenaam, Keizer Ferdinand II, maar de calvinstische Keurrvorst Friederich V von der Palz tot nieuwe koning. De opstandelingen lieten door deze verkiezing duidelijk zien dat ze stonden voor religieuze en standelijke vrijheden, die zij door een verdere Habsburgse leiding in gevaar zagen. De beslissing, dat het tot een grote oorlog zou komen, ontstond daardoor, dat Friederich V de verkiezing aannam; want dat betekende, dat Ferdinand II Bohemen niet zonder strijd zou opgeven en militaire middelen moesten worden ingeschakeld.

Het verloop van de oorlog in vier fases

De Dertigjarige Oorlog speelde zich in vier Fasen af, die naar de toenmalige deelnemende landen die naar de tegenstanders van de keizerlijk-katholieke legers werden benoemd

Dertigjarige Oorlog 2

1618-1623 Boheemse -Pfälsise Oorlog

1625-1629 Deens-Nedersaksische Oorlog

1630-1635 Zweedse Oorlog

1635-1648 Zweeds-Franse Oorlog

Dertigjarige Oorlog in Duitsland 

1618-1623 Boheemse -Pfälsise Oorlog

Keurvorst Friederich V, werd, hoewel hun aanvoerder, door de protestantse Unie in zijn strijd om het Boheemse koningschap niet ondersteunt. Echter, de eveneens calvinistische Repuliek der Nederlanden en de evangelische standen van de Habsburgse erflanden sloten ze zich bij hem aan. Aan de andere kant functioneerde de confessionele en militaire samenwerking beter: Hertog Maximailiaan van Beieren en zijn Katholieke Liga stelden zich in dienst van de keizer. Daardoor was er sprake van een duidelijke ongelijkwaardigheid tussen de beide zijden, dat dan ook daartoe leidde, dat alle belangrijke veldsagen, en zeker de hele oorlog voor Frederik V verloren was. Voor de slag op de Witte Berg (in de nabijheid van Praag, 20 november 1620) marcheerden de door generaal Tilly aangevoerde troepen van zege naar zege.

Boheemse oorlog 1618-1623

Na deze eerste overwinningen verkreeg de keizer ook nog financiële bijdragen en troepen contingenten uit de Spaanse Nederlanden en uit Italië. De onderwerping van de Pfalz geschiedde hoofdzakelijk door Spaanse troepen. Uit Bohemen en uit zijn eigen erflanden verdreven, werd Frederik afgezet, de Pfalzzische Keurwaarde werd als beloning aan Hertog Maximilliaan uit Beieren overgedragen.

Keurvorst Frederik V ging als ‘Winterkoning’de geschiedenis in, terwijl zijn droom van de Boheemse kroon na iets meer dan een jaar uit elkaar was gespat. Keizer Ferdinand was nu ook in staat, het protestantisme in Oostenrijk, met grote kracht te onderdrukken. Door de ingezette repressie en dwangmatige katholiceringen en het feit dat het ‘politieke centrum’ van het calvinisme in de handen van de keizer was gevallen, moesten nu ook de protestantse gebieden in Noord- en Midden-Duitsland zich bedreigd voelen. De Heren van de Liga waren na de zege nog steeds niet verdwenen, en waren zelfs bereid het protestantisme in het hele land met militaire middelen tegemoet te treden.

1625-1629 Deens-Nedersaksische Oorlog

Om zijn in gevaar zijnde Duitse geloofsbroeders te hulp te komen en de Habsburgse machtstoename tegenstand te bieden, besloot koning Christiaan IV van Denemarken zich in de strijd te mengen, waardoor deze in de tweede fase overging. Christiaan had een bondgenootschap met de evangelische standen van Noord-Duitsland, met Engeland en de Nederlanden, die echter na een Twaalfjarig Bestand weer hun onafhankelijkheidsstrijd voortzetten. Met deze alliantie zagen de Keizer en de Liga zich geconfronteerd met bijna alle protestantse landen van Europa.

Denemarken grijpt in 30 jarige oorlog

In de op dat moment dreigende overmacht van de anti-katholieke zijde trad de Bohemische Oorlogsondernemer Albrecht von Wallenstein naar voren: Hij had een leger van 40.000 soldaten op de been gebracht, dat hij nu als tweede strijdmacht naast het Liga-leger aan de keizer ter beschikking stelde. Ferdinand II nam het aanbod aan en benoemde Wallenstein tot opperbevelhebber van alle keizerlijke troepen.

Albrecht Wallenstein

In een zegetocht, waarvan de meeste overwinningen in het jaar 1626 vielen, trokken Wallenstein en Tilly naar Noord-Duitsland. Na de slag bij Lutter am Barenberg moest de verslagen Christiaan IV zich naar Denemarken terugtrekken, en de grote protestantse Hertogdommen Braunschweig, Holstein, Mecklenburg und Pommern gaven zich aan Wallenstein over. Daarmee reikte de Habsburgse invloed tot aan de Noord- en Oostzee. De keizer stond op het hoogtepunt van zijn macht. Hij verkreeg, noch voor Denemarken – dat daarvoor zijn bezette gebieden terugkreeg – in de vrede van Lübeck afgesproken (22-05-1629), zich verder uit de oorlog terug te trekken, een Restitutie-edict, dat de teruggave en re-katholisering van al, sinds de Augsburger religievrede evangelisch geworden kerkgoederen betrof.

Voor deze uitkomst, die hij dankte aan zijn krijgsheren, moest Ferdinand echter een hoge prijs betalen: Hij stond het Wallenstein toe, die hij ook nog een grote som geld schuldig was, zich voortaan ‘Hertog’ te noemen, van het nieuw ontstane ‘Hertogdom Friesland’. Het gebied waarover Wallenstein zegenschap had omvatte de beide Mecklenburgse hertogdommen Schwerin und Güstrow. De verslagen vorstenhuizen, die de landen daarvoor eeuwen in bezit hadden gehad, werden gewoonweg onteigend.

De inbreuk door de keizer van het recht, namelijk het besluit van het Restitutie-edict zonder toestemming van de Rijksstanden en de aantasting van de dynastieke Legitimiteit, konden nu een reactie van de vorsten oproepen: Op de Keurvorstendag van Regensburg in 1630 verzetten zij zich tegen de autocratische pogingen van de Habsburgers, hun macht ten koste van het Recht en de Vorstenvrijheid steeds verder uit te breiden. Zelfs Maximailiaan I van Beieren, de aanvoerder van de katholieke Liga, stelde zelfs de Vorstensolidariteit boven het principe van de confessionaliteit. De Keurvosten dwongen Ferdiand, Wallenstein zijn opperbevelschap af te nemen.

1630-1635 Zweedse Oorlog

Op dezelfde gronden waarmee vijf jaren eerder Christaan V tot ingrijpen had besloten, besloot nu koning Gustaaf II Adolf van Zweden zich in de strijd te mengen. Hij was van mening dat de nieuwe Habsburgse machtspositie aan de Oostzee een onacceptabele toestand was, en Zweden kon niet accepteren, dat het protestantisme in Duitsland vernietigd dreigde te worden. Op 4 juli 1630 landde Gustaaf Adolf met een sterk en goed uitgerust leger op het Pommerse eiland Usedom. Hij ontzette de nog dapper stand houdende Stralsubd en marcheerde op naar het katholieke restituterende Maagdenburg, dat door Tilly’s Ligaleger was ingenomen en met een zinloze actie volledig werd vernietigd, voordat de Zweden het bereikten.

Inname Magdenburg 1631

Met de overwinning van Breiteveld (17-09-1631) begon Gustaaf Adolf een zegetocht door Duitsland, die hem in het bewustzijn van veel protestanten, tot op de dag van vandaag van hem een Messiaanse held maken. Het totale protestantse Duitsland verzamelde zich achter hem om zijn strijd om geloofsvrijheid en recht gestalte te geven. Van Bradenburg uit trok de Zweedse koning naar Mainz, veroverde Augsburg en in mei 1632 München; de afgezette Keurvorst Frederik V van Pflaz was het gegund, bij de intocht in de hoofdstad van zijn vijand Maximiliaan, erbij te zijn.

In deze, vanuit katholiek standpunt geziene noodfase, besloot Ferdinand II, opnieuw Wallenstein tot opperbevelhebber van de keizerlijke troepen te benoemen en verleende hem daarbij meer volmachten dan daarvoor. Op 16 november 1632 stonden de legers van Wallenstein en Gustaaf Adolf tegenover elkaar in de slag bij Lützen, waarbij de Zweedse koning om het leven kwam. Maar ook voor Wallenstein zou het de laatste confontatie worden: In februari 1634 werd hij – klaarblijkelijk in opdracht van de keizer, die Wallenstein er van verdacht hem mogelijk niet meer loyaal te zullen zijn – in het Boheemse Eger, door een huurmoordenaar neergestoken. Tuilly was reeds in 1632 in Beieren omgekomen; daarmee waren de drie grootste veldheren van de Dertigjarige Oorlog van het toneel verdwenen.

Zweden grijpt in 30 jarige oorlog

Zweden streed nu onder de leiding van zijn Rijkskanselier Axel Oxenstierna verder. De nederlaag van de protestantse generaals Horn en Bernhard von Sachsen-Weimar bij Nördlingen (06-09-1634) leidde echter tot de Vrede van Praag, waarbij de keizer in 1635 met de meeste protestantse Standen tot overeenstemming kwam. Op dit punt had de oorlog eigenlijk tot een einde kunnen komen, omdat de meeste tegenstellingen waren opgelost, of teruggevoerd naar de situatie van 1618.

Onttroonde vorsten (behalve Frederik V van de Paltz) werden weer in hun rechten bevestigd, het restitutie-edict opgeheven, en de buitenlandse troepen zouden naar hun respectievelijke landen terugkeren. Het calvinsime werd echter ook bij dit vredesverdrag niet als derde confessie toegelaten, wat tot gevolg had, dat enige buurlanden van Holland en enige Würtenburger gebieden zoals de landgraaf von Hessen-Kassel, sinds Frederich V gezien werd als leiding van het Duitse calvinisme, het vredesverdrag nie ondertekenden.

1635-1648 Zweeds-Franse Oorlog

De onverzoenlijkheid van enkel calvinistische landen en de aanwezigehid van de aangeslagen, maar nog tot de strijd bereid zijnde Zweedse troepen, legden de basis voor een voortzetting van de strijd. Maar de eigenlijke aanzet daarvoor, dat het tot een mogelijke voortzetting zou leiden, gaf Frankrijk: Nadat kardinaal Richelieu, de leider van de Franse politiek, reeds al jaren in het geniep aan de oorlog had deelgenomen, zoals het in Holland als in Duitsland de strijd tegen de Habsburgers steunde, trad Frankrijk nu officieel in het Europese oorlogsgebeuren in.

Zweedse opmars bij Nördlingen

Dezelfde katholieke kardinaal, die in 1629 in Frankrijk de Hugenoten had verslaan en geprobeerd had ze uit te roeien, sloot nu een verbond met het calvinistische Holland, met de Duitse vorsten die geen vrede wilden sluiten en de Zweden en verklaarde de oorlog aan Spanje en aan de katholieke keizer. Het ‘intreden’ aan de verkeerde confessionele zijde geeft duidelijk aan, dat het Frankrijk niet ging om een religiestrijd, en ook niet om een ideologische ondersteuning van het Nederlandse vrijheidsstreven, maar enkel daarom ging, de Habsburgse Macht in Europa door een Franse te vervangen.

Dertigjarige Oorlog 4

Bij de deelname van Frankrijk ging het enkel en alleen om een machtsstrijd, waarbij de religieuze strijd alleen maar een middel was, de partijen in de voor Frankrijk nuttige tegenstellingen, nog verder tegen elkaar op te zetten.

Frans ingrijpen 30 jarige oorlog

Het laatste gedeelte van de Dertigjarige Oorlog werd de langste en de zinlooste. . Zelfs als men in 1641 in Hamburg eindelijk tot overeenstemming zou zijn gekomen, zou de oorlog toch nog zeven jaar geduurd hebben. In krijgsstrijd, die voor de respectievelijke confessies geen enkele beduiding meer hadden, maar alleen de Fransen en Zweden mogelijk een gunstige uitgangspositie verschaften voor de onderhandelingen om te komen tot een gunstig vredesverdrag, werden er door Plundering, Brandstichting, en Moord de meeste schade aangericht.

In 1645 was het zover dat de vredesonderhandelingen konden beginnen. De keizer had alle partijen en Rijksstanden naar Westfalen uitgenodigd, maar over een gemeenschappelijk onderhandelingsplaats kon men het niet eens worden, derhalve verbleven de Zweden en Denen in Osnabrück, de Fransen en de andere betrokkenen in Münster.

Na drie jaar onderhandelingen, terwijl er buiten de neutraal verklaarde West-Faalse steden, strijd werd gevoerd, werd – nog steeds verbijvend op verschillende plaatsen – de Westfaalse Vrede ondertekend. Voor generaties, die niets anders dan de oorlog kenden, stortte een wereld uiteen. Na dertig jaar was de oorlog ten einde.

Vrede van Westfalen 1638

Na de oorlog

Het belangrijkste en tegelijkertijd bedrukkende gevolg van de oorlog was dat men tot de al in 1555 gesloten Ausburgse Religie-vrede terugkeerde, ditmaal inclusief het Calvinisme. er was niets beter bereikt dan dat men elkaars confessionele bezittingen erkende, met tolerantie heeft dit niets te maken, want de haat tussen de verschillende religies bleef bestaan. Het betekende wel dat men om de confessie geen grote oorlogen meer zou voeren, omdat en dat was positief, de oorlog had laten zien, dat oorlogen om het geloof niet te winnen waren en andere interessen daarbij op de voorgrond traden.

Heilige Roomse Rijk 1648

De economische schade van de Dertigjarige Oorlog bleef voelbaar tot in de 18e eeuw. Dat kwam vooral door het verlies aan mensenlevens.

In grote delen van Schwaben, de Paltz, Thüringen, Saksen en Bradenburg, was de bevolking met meer dan twee derde gedecimeerd. Bohemen, Beieren, Hessen en de overige gebieden van Brandenburg en Saksen verloren ongeveer de helft van hun inwoners. Het Noorden en Westen van Duitsland was met 33% doden relatief met minste getroffen. In totaal, zo is berekend geworden, liep het aantal inwoners van Duitsland van 1618-1648 van 21 miljoen naar 13 miljoen terug. In percentage zo’n 40%.

Maar de politieke en territoriale gevolgen – als men bedenkt dat de oorlog eigenlijk begon als een burgeroorlog – waren eveneens enorm. In feite was het een buitenlands-politieke nederlaag van het Habsburgse Rijk: de bisdommen Metz, Toul en Verdun moesten aan Frankrijk worden afgegeven, zoals delen van de Elzas; Voor Pommeren met Stettin en het aartsbisdom Bremen kwamen onder Zweeds gezag.

Zwitserland en de Verenigde Noordelijke Nederlanden verlieten het Habsburgse Rijk en werden zelfstandige staten. Met betrekking tot Zwitserland kan worden opgemerkt dat in feite Zwitserland al 150 jaar, in feite al, had bestaan.

De Nederlanden echter waren eerst door overerving aan de Spaanse lijn van de Habsburgers, in tweede instantie echter door de Contrareformatie regelrecht uit het Habsburgse Rijk uitgedreven. Ze hadden zich in hun strijd voor religieuze vrijheid emanciperen moeten , en pasten nu dan ook niet meer in het Habsburgse Rijk.

Met andere woorden: men kan de Dertigjarige Oorlog dan ook zien als een Staatsvormend proces. Vooral door de verandering van de oorlog in 1630 – in eerste instantie nog niet sterk, maar sinds 1635 zette het door – verschoof de reden van de oorlog van een strijd der confessies naar een strijd om onderlinge krachtsverhoudingen in Europa en het niet willen accepteren van het Habsburgse Staatsabsolutisme en kwam steeds meer de Vorstelijke autonomie tegenover het Rijk centraal te staan.

Van het keizerdom bleef niet veel meer dan een representatieve functie over. Daarmee waren de door Karel V beoogde doelstellingen: handhaving van het katholieke geloof en centralisatie van bestuur, dus uiteindelijk niet bereikt. De Habsburgers bleven een beduidende macht, ook in Europa, maar niet meer als keizer van het Heilige Roomse Rijk, maar als Heren van Oostenrijk. Daarmee was de weg vrij, naast Oostenrijk, voor een tweede Grootmacht, het Keurvorstendom Brandenburg-Pruisen, welke al tijdens de Dertigjarige Oorlog, onder leiding van Keurvorst Friedrich Wilhelm, aan de opmars begon.

Zie voor deel 23 Oorlog door de Eeuwen heen: Deel 23 Oorlog door de Eeuwen heen