We hebben 133 gasten online

Deel 24 Oorlog door de Eeuwen heen

Gepost in Serie Oorlog door de eeuwen heen

De slag bij Agincourt 1415

Italië en de Italiaanse stadstaten

Italië in het jaar 1000

In de Investituurstrijd (het van 1075 tot 1122 durende conflict tussen paus en keizer met betrekking tot de Kerk in het Roomse Rijk) had geheel Italië partij gekozen. Na het Concordaat van Worms (1122) werd de strijd van ideologisch naar zuiver politiek terrein verlegd: medespelers waren de paus, de keizer en de Normandiërs in het zuiden.

Italië en Illyrië in 1084

Dit alles leidde ertoe dat de macht van de Noord- en Midden-Italiaanse steden steeds groter werd. De Hohenstaufen behielden echter Sicilië als belangrijk steunpunt doordat keizer Hendrik VI trouwde met de erfdochter van Sicilië, Constantia d'Altavilla. Sicilië bleef daardoor een bedreiging voor het pausdom. Het keizerlijke gezag in Italië verdween met keizer Frederik II die een mislukte poging deed zich aan het pauselijk gezag te onttrekken. In het noorden van Italië ontstonden in de loop van de 13e eeuw steeds meer stadstaten waar militairen de macht bezaten. In 1268 kende de paus het Siciliaanse rijk toe aan Karel van Anjou die daarna koning van Napels en Sicilië werd. Dit kon gebeuren na de dood van de erfgenaam van Frederik II, Manfred. Het was al snel duidelijk dat Karel de heerschappij over geheel Italië wilde hebben maar de paus slaagde erin om zijn macht te breken. En na de Siciliaanse Vespers (de opstand die op 31 maart 1282 in Palermo op Sicilië uitbrak en zich van daaruit over het hele land verspreide) verloor hij zelfs Sicilië dat aan het Spaanse Aragón werd toegewezen. In het zuiden besliste Aragón de strijd tegen Anjou en kwam Zuid-Italië als koninkrijk Napels toe aan Alfons V van Aragón, die op dat moment al koning van Sicilië was.

Italië 1310

Het verdeelde Italië: De strijd tussen Paus en Keizer en de welvaart van de steden stonden de vorming van een politiek verenigd Italië in de weg. Na 1250 werd het openbaar gezag in de onafhankelijke stadstaten uitgeoefend door een oligarchie in de repubieken of door despoten die aan de macht kwamen doordat zij een alternatief vormden voor de heftige strijd tussen facties in de stadspolitiek.

Rond 1450 ontstond er iets wat op een Italiaans evenwicht tussen noord en zuid leek, maar diverse onderlinge oorlogen getuigden van een zeer wankel evenwicht.

De Renaissance

Het is de vraag of de inwoners van het vroege 15de-eeuwse Italië hun tijd als een renaissance zagen. De waardering van de periode door latere historici lijkt in eerste instantie niet te corresponderen met die van de tijdgenoten zelf. Hongersnoden, oorlogen, epidemieën, het altijd aanwezige Turkengevaar en de dreigende scheuring van de christenheid, riepen het beeld op van het naderende einde der tijden. Het begin van de renaissance wordt door veel moderne historici gedateerd rond het midden van de veertiende eeuw. Een periode waarin Europa werd geteisterd door de zwarte dood (een grote pestepidemie brak uit tussen 1347 en 1349), landbouwcrisissen, hongersnoden en sterfte.

Italië in 1494

Historici hebben eensgezind de periode tussen 1350 en 1500 de periode van de renaissance genoemd. Een tijd waarin een wedergeboorte plaatsvond van klassieke idealen en ideeën, die leidde tot de ontwikkeling van nieuwe opvattingen, methoden en technieken. Op het gebied van kunst en architectuur, onderwijs en opvoeding, politiek, geschiedschrijving, scheepvaart, oorlogvoering en handel kwamen allerlei veranderingen tot stand, die tot in onze tijd het gezicht van de wereld bepalen.

Met de term `renaissance' wordt een wedergeboorte van iets aangegeven. De grote 19de eeuwse historicus Jacob Burckhardt reserveerde de term voor de denk- en leefwereld van het vijftiende-eeuwse Italië. Hij en met hem de meeste moderne historici zien de renaissance als de wedergeboorte van verloren gewaande Grieks-Romeinse idealen, die werd gedragen door een elite in de Noorditaliaanse steden. Vooral de herleving van de klassieke idealen in de beeldende kunsten, de architectuur, de literatuur en de ethiek was typerend voor deze periode.Maar het idee van een wedergeboorte ontwikkelde zich langzaam. Vele vooraanstaande denkers vroegen zich af hoe men de klassieke idealen vorm kon geven. Wat moest in zijn waarde hersteld worden en wat niet? De heidense wereld van de oudheid was tegengesteld aan die van het christendom: was een herleving van heidense waarden en normen wenselijk?

Vele intellectuelen stonden uiterst kritisch tegenover het idee van een herleving van de romeins-griekse oudheid. De meningen waren verdeeld. Het beeld van een algemene door iedereen gewenste renaissance is onverenigbaar met de historische feiten. Toch valt het niet te loochenen dat er iets nieuws doorbrak in Italië rond 1400.De geografische ligging van een aantal Italiaanse steden was bijzonder gunstig voor de zeehandel. Voor de landinwaartse handel over grote afstanden was ze daarentegen minder geschikt. Noord-Italië werd immers van Europa gescheiden door de Apennijnen, een relatief onbegaanbaar bergachtig gebied. De dichtbij de kust gelegen steden werden handelscentra voor oost en west.

Venetië, Genua, Florence, Pisa, Lucca en Napels voorzagen de rest van Italië en Europa met specerijen, fijne textiel, juwelen en andere bijzondere handelswaar.De steden ontwikkelden zich in een betrekkelijk isolement ten opzichte van elkaar. Iedere stad was een zelfstandige leefeenheid met dikwijls hoog ontwikkelde politieke, religieuze, culturele en economische instituties. De steden waren geografisch gesproken klein, maar qua inwonertal groot: Venetië, Napels, Florence en Milaan werden elk door 100.000 mensen bevolkt. En dan waren er nog talloze steden met minstens 20.000 inwoners. De kleine oppervlakte dwong de stedelingen hechte gemeenschappen te vormen.

Stadsgenoten behoorden dikwijls tot dezelfde parochies, gilden en broederschappen. Ze vierden gezamenlijk de heilige mis en andere christelijke rituelen als begrafenissen en huwelijken. Het leven speelde zich af binnen enkele vierkante meters en binnen een aantal zingevende gemeenschappen. De stad was de grootste eenheid. In sociaal, economisch, politiek en religieus opzicht dankten de stedelingen hun bestaan aan de stad. Ze had een staatkundige, maar ook een ideologische functie. Iemand ontleende zijn betekenis aan het burgerschap van een stad. Men was in de eerste plaats inwoner van Siënna, Parma of Milaan, pas in de tweede plaats inwoner van Italië. Elke stad had haar eigen leefregels, gewoonten en dialect. Iedere Italiaanse burger zag zijn eigen stad als de schoonste en de nobelste op aarde. Noord-Italië was aan de vooravond van de renaissance een van de meest verstedelijkte gebieden van Noord-Europa.

De stedelijke leefwijze was bepalend voor de ontwikkeling van het gebied. Er trad een vermenging op van adel en burgerij die in de rest van Europa ongekend was. Rijke en minder welgestelde burgers werkten samen aan het welslagen van financiële transacties, zoals het importeren en exporteren van goederen en geld. Ook vormden ze samen religieuze genootschappen. Sociale stijging door onderwijs, huwelijk en handel was in Italië allesbehalve abnormaal. De christelijke opvatting dat winst maken per definitie zondig was, verloor in de veertiende eeuw meer en meer terrein. Handelaren verzamelden enorme kapitalen en ontwikkelden nieuwe methoden voor de handel. Het systeem van dubbele boekhouding en de invoering van bankbiljetten bevorderden de ontwikkeling van het bankierswezen, dat op haar beurt een gunstig effect had op de handel. De enorme winsten werden niet alleen gebruikt voor de bouw van privé-paleizen. Men wendde ze ook aan voor projecten die het aanzien van de stad moesten vergroten. Steden als Florence, Milaan, Venetië en later Rome danken hun pracht en praal grotendeels aan de prestige-objecten van deze tijd.

Een centraal gezag ontbrak in het 14 de- en 15 de-eeuwse Italië. Gedurende de middeleeuwen hadden verscheidene keizers van het Heilige Roomse Rijk geprobeerd het machtsvacuum op te vullen. Maar zij stuitten op een onontknoopbare wirwar van facties en partijen en op een voortdurend verzet van de steden. Halverwege de veertiende eeuw hadden zowel de keizer als de paus de hoop opgegeven de Italiaanse stadstaten onder hun gezag te brengen. De steden konden zich daardoor onbelemmerd ontwikkelen tot handelscentra met een aanzienlijke burgerklasse.

Al vóór de vijftiende eeuw kenden de meeste Italiaanse steden een republikeinse staatsvorm: een stad was autonoom, en democratisch georganiseerd. De burgerij was direct betrokken bij het bestuur. Maar hoe mooi de theorie ook was, in de praktijk werden deze stedelijke democratieën verscheurd door geweld en innerlijke tegenstellingen. In bijna alle steden braken twisten en oorlogen uit tussen aanhangers van de keizer, de Ghibelijnen, en van de paus, de Welfen. Deze twee partijen verdeelden handwerkers, patriciërs en adellijke families in onverzoenlijke kampen. Om het geweld te stoppen riep de noodlijdende bevolking dikwijls de hulp in van een magistraat-militair van buiten de stad, de zogenaamde podestàq. Het was zijn taak orde en gezag te herstellen voor een bepaalde tijd (gemiddeld zes maanden). De magistraat-krijgsmannen waren meestal condottieri, leiders van huurlegers. Met hun troepen slaagden ze erin de rust in een stad te doen weerkeren.

Aan het inschakelen van deze podestà kleefde evenveel voor-als nadelen. Sommige militaire leiders vestigden een tijdelijk bewind, anderen echter probeerden een langdurig gezag over een stad te verkrijgen. Na verloop van tijd ontstond in de meeste steden een regeringsvorm die bekend staat als de signoria (stadstaat), een oligarchisch systeem waarbij de hoogste gezagdrager, de signore, werd bijgestaan door een aantal getrouwe adviseurs.

Dit politieke systeem, opgezet volgens het principe van ragione di stato (staatsraison), ontaardde al snel in een tirannie. In elke stad probeerde de signore zijn positie erfelijk opvolgbaar te maken. Aan het begin van de vijftiende eeuw werden bijna alle stadstaten geregeerd door één enkele familie. In Florence bijvoorbeeld waren de Medici aan de macht en in Milaan de Sforza.

De enige grote stad die een uitzondering op de regel vormde was Venetië. Net als een aantal kleinere steden behield deze stad een republikeinse staatsvorm.In de vroege renaissance leek Italië een mozaiëk van kleine onafhankelijke staten. In het midden van de vijftiende eeuw domineerden er vijf politieke eenheden: de republieken van Venetië en Florence, het hertogdom Milaan, de pauselijke staat en het koninkrijk Napels. Deze vijf grootmachten trachtten hun gezag en gebied uit te breiden ten koste van de kleinere omliggende steden. Ze beseften dat meer arbeidskrachten, meer bezit en grotere politieke verbanden onontbeerlijk waren voor het behoud van politieke macht.

Elk van de vijf begreep dat het eigen bestaan afhing van de mogelijkheid de macht over een van de andere concurrerende staten te vergroten. Alle vijf staten streefden ernaar de machtigste te worden. Een vloedgolf van onbetrouwbare tijdelijke allianties en langdurige moorddadige oorlogen overspoelde Italië. De eerste helftvan de vijftiende eeuw was een periode van voortdurende twisten en ongelimiteerd machtsmisbruik. De inwoners van de steden waren overgeleverd aan de luimen van samenzweerders en aan huurtroepen die voor de bescherming enorme bedragen eisten. De ene tiran was nog niet verdreven of de andere stond al weer klaar. Ze wisselden elkaar af als dag en nacht.

De vrede van Lodi in 1454 maakte een einde aan de chaos. De ondertekenaars van dit vredesverdrag — Venetië, Florence en Milaan - beloofden elkaar niet aan te vallen en elkaars grenzen en invloedssferen te respecteren. Veertig jaar lang zou het relatief rustig blijven op het Italiaanse schiereiland.Het fenomeen van steeds wisselende bondgenootschappen dat zowel vóór als ná 1454 floreerde, wordt door sommige historici gezien als een waardevolle politieke innovatie. Voor het eerst in de geschiedenis werd er bewust een strategie ontwikkeld om een politiek machtsevenwicht te garanderen.

Of deze tactiek werkelijk zo nieuw was, valt te betwijfelen. Het valt echter niet te ontkennen dat zij enorme impulsen gaf aan het ontstaan van een nieuwe stijl diplomatie. De bekwaamheid van politieke redenaars, schrijvers en onderhandelaars bereikte een ongekend hoog niveau. Ook ontstonden er bureaucratische instituten die in staat waren schier eindeloze correspondenties te voeren en bergen documentatie te verwerken. Op het gebied van de buitenlandse politiek tenslotte wisten de ambtenaren van de Italiaanse stadstaten dank zij een zeer geavanceerd en geraffineerd beleid opmerkelijke resultaten te behalen.

Milaan

Al in de tiende eeuw begon Milaan grote invloed uit te oefenen op het omringende gebied; tegen de veertiende eeuw domineerde de stad heel Lombardije. Het rijke achterland met zijn landbouw en veeteelt vormde hiervoor een sterke economische basis. In tegenstelling tot haar rivalen lag Milaan op een centrale plaats in Italië en ver van de zee. In het noorden grensde de stad aan de Alpen, in het zuiden reikte haar macht tot aan de grenzen van Florence, Venetië en Genua. Veel kleine steden stonden onder het gezag van Milaan. De dreiging die van deze stad uitging baarden Florence en andere aangrenzende stadstaten dikwijls zorgen. Na enkele democratische experimenten kwam Milaan in 1277 onder het bewind van de familie Visconti. Deze familie behield vrijwel ononderbroken de macht tot 1447. Gian Galeazzo (1378-1402) was de meest fameuze telg uit het geslacht der Visconti's. Hij kwam aan de macht in 1385. Nadat hij zijn heerschappij had versterkt door een huwelijk met de dochter van de Franse koning, begon hij aan de verovering van de omliggende steden en gebieden. Hij drong door tot in Padua, Pisa en Vicenza. Wanneer hij niet voortijdig was overleden, zou hij zelfs met zijn troepen Florence hebben belegerd.

Na de dood van Gian Galeazzo wisten de Visconti's de stad nog ruim veertig jaar te regeren. Maar bij het overlijden van Filippo Maria Visconti (1447) was het met hun macht gedaan. Milaan kende slechts drie jaar een republikeinse staatsvorm. Al in 1450 diende een nieuwe familie zich aan die de stad bijna honderd jaar zou regeren.

Francesco Sforza 1401-1466

Francesco Sforza 1401-1466

Francesco Sforza, een uiterst kundig en politiek pragmatisch condottiere (1450-1466), was de eerste machthebber uit deze familie. Onder de Sforza's beleefde Milaan een periode van voorspoed en interne vrede. Aan dit bewind kwam een einde in 1535 toen de stad werd ingenomen door de troepen van Karel V. Vanaf die tijd was de stad overgeleverd aan de Habsburgers en dan met name aan de Spaanse tak.

Milaan was een van de beste voorbeelden van wat de staatkunde ten tijde van de renaissance vermocht. Politiek vernuft, militaire kracht, een verstandige huwelijkspolitiek en een goed functionerend ambtelijk controleapparaat stonden aan de basis van haar macht. De Milanese alleenheersers ondervonden wel eens problemen bij het handhaven van hun gezag, maar ze waren hierin over het algemeen succesvoller dan despoten van andere stadstaten. Zowel de Visconti's als de Sforza's begrepen dat gebiedsuitbreiding een voorwaarde was voor het behoud van hun imperium.

Florence

Van allé Italiaanse renaissance-steden heeft Florence altijd het meest tot de verbeelding gesproken. De Florentijnen zelf hielden hun stad voor de meest kunstminnende van heel Italië. De stad bracht Dante (1265-1321) voort, de dichter van de Divina Comedia en andere invloedrijke geschriften. Ook Petrarca en Boccaccio behoorden tot de burgers van Florence. De staatkunde bereikte er een hoog niveau. Maar boven alles was de stad een centrum van handel, architectuur en beeldende kunst.Tegen het einde van de dertiende eeuw kreeg de republiek Florence een meer uitgebalanceerd karakter dan voorheen. In 1293 stelde de commune in de Verordening der gerechtigheid het lidmaatschap van een gilde verplicht voor deelname aan het stadsbestuur. Deze maatregel betekende een enorme overwinning voor de burgerij. De adel was hierdoor gedwongen in de handel te gaan om politieke invloed te verkrijgen.

De Florentijnse samenleving was in de Verordening van 1293 verdeeld in vier groepen: de `grote mannen' (politiek monddode adel), de grote gilden (arti maggiori), de kleine gilden (arti minori) en de ciompi (degenen die niet in de regering waren vertegenwoordigd). Het politieke systeem was preventief. Voorkomen diende te worden dat een groep of een individu teveel macht kreeg. Daarom werd een roulerend systeem ingesteld voor het bekleden van de hoogste ambten: de priorschappen. Om de twee maanden benoemde de raad negen nieuwe priors, die tezamen de signoria vormden. Zij had de uitvoerende politieke macht in Florence. Ook was er een comité ingesteld dat de voordrachten voor het priorschap en andere politieke functies moest controleren.

Op het gebied van de buitenlandse politiek streefde Florence drie doelen na. Allereerst had de stad een vrije toegang tot de zee nodig. Daartoe werd Pisa ingenomen. Deze stad lag aan de monding van de Arno, dichtbij de Middellandse Zee. Ten tweede wilde Florence door gebiedsuitbreiding haar eigen grenzen veilig stellen. Daarom veroverde zij verscheidene omliggende kleinere steden. En ten derde wenste de stad haar uitstekende diplomatieke en economische betrekkingen met de pauselijke staat en andere Europese monarchieën te behouden. Vooral de relatie met Rome werd gekoesterd. Florence dankte immers een groot deel van haar rijkdom aan haar rol als bankier van de paus.

Onder de bankiersfamilies van Florence namen de Medici omstreeks 1200 een onbeduidende positie in. Maar rond 1340 waren zij de grootste concurrent van de kapitaalkrachtige bankiershuizen Bardi en Peruzzi. Vooral onder Giovanni de Medici (1360-1429) nam het fortuin van de familie fabelachtige vormen aan. Giovanni slaagde erin zijn bank- en handelshuis tot het grootste van Europa te maken. Alleen al in de lakennijverheid gaf het werk aan circa 300 firma's met in totaal 10.000 arbeiders. Giovanni's zoon Cosimo (1389-1464) wist zijn vader in roem en rijkdom te evenaren. Desondanks werden hij en zijn familie in 1433 door toedoen van de rivaliserende familie Albizzi verbannen. Maar reeds een jaar later keerde Cosimo terug, machtiger dan ooit. Cosimo wist de controle over commerciële- en staatszaken te behouden hoewel hij zelden een officieel ambt bekleedde. Zijn begaafdheid kwam ook tot uiting in de door hem gevoerde buitenlandse politiek. In 1454 bracht hij een alliantie tot stand tussen Florence, Milaan en Napels. Dit verbond was onder meer bedoeld als antwoord op de politieke dreiging die uitging van het koninkrijk Frankrijk en van de republiek Venetië. Belangrijker was dat het de strijd tussen drie grote rivaliserende stadstaten beslechtte. Op de Vrede van Lodi volgde een periode van veertig jaar rust.

Cosimo had het geluk opgevolgd te worden door een competente zoon. Piero leidde de familiezaken van 1464 tot 1469. Hij op zijn beurt werd opgevolgd door twee begaafde zonen: Giuliano, die regeerde van 1469 tot 1478 en Lorenzo de Prachtlievende (il Magnifico) wiens bewind eindigde in 1492. Beiden kregen op instigatie van hun moeder een superieure opvoeding, waaraan ze hun liefde voor intellectueel vermaak, schilder- en dichtkunst, Toscaanse taal en Platoonse filosofie dankten. Op het gebied van de binnen- en buitenlandse politiek traden zij in de voetsporen van hun voorgangers.

De eerste serieuze aanval op het regime van de Medici kwam van de concurrerende bankiers-families de Riaro en de Pazi. Een samenzwering werd — mogelijk met medeweten van paus Sixtus IV — op touw gezet om Giuliano en Lorenzo te vermoorden. Tijdens de paasviering van 1478 pleegden huurlingen een aanslag op de Medici-broers. Giuliano kwam om het leven, Lorenzo wist echter te ontsnappen. Hij stelde de beide vijandelijke families aan dergelijke wrede vervolgingen bloot, dat de paus besloot hem te excommuniceren. Het conflict tussen Lorenzo en de Romeinse curie dat hierop volgde liep echter met een sisser af. Het bestuur van Florence werd door Lorenz aan strakke banden gelegd. Hij beval de installatie van een Raad van Zeventig, die formeel het oppergezag kreeg over de stad; in de praktijk werd de raad gedomineerd door de Medici. De heerschappij van Lorenzo was echter tanende. In Londen, Lyon en Brugge kregen de banken van de Medici gevoelige klappen te verwerken. De pauselijke boekhouding, altijd een belangrijke inkomstenbron, was inmiddels uit handen van de Medici gesteld. Bovendien hadden de overvloedige schenkingen aan kunstenaars het familiekapitaal enorm gereduceerd. De welstand van de familie en die van Florence ging zienderogen achteruit. De belastingen werden opgedreven en Lorenzo werd ervan beschuldigd te leven op de kosten van de burgers. Uiteindelijk brak een periode aan van algemene depressie.

In 1491 werd Savonarola (1452-1498), een jong dominicaner priester, gekozen tot prior van het invloedrijke dominicanenklooster San Marco in Florence. In deze positie trok hij de aandacht van verscheidene religieuzen en van vele rijke mannen en vrouwen in de stad. Zijn profetische woorden en persoonlijkheid maakten grote indruk. Savonarola riep op tot boetedoening en predikte een puriteinse leer. Naast de kerk, de samenleving, de paus en de curie moest Lorenzo het ontgelden in zijn preken. Savonarola hekelde de persoonlijke losbandigheid en de economische en buitenlandse politiek van de vooraanstaande telg uit de Medici-familie. Op zijn sterfbed verkreeg Lorenzo de absolutie van Savonarola; Florence was nu aan de beurt om boete te doen.

Koning Karel VIII

In de herfst van 1494 trok de Franse koning Karel VIII met zijn troepen Italië binnen. de aaqnleiding van de invsie vormde het verbond dat de hertog van Milaan, Lodovico Sforza, met de Franse koning had gesloten. Karel maakte als erfgenaam van de Anjous aanspraak op het koninkrijk Napels. Ook wilde hij heimelijk Milaan inlijven bij de Franse monarchie. Doordrongen van de ernst van de situatie vormden de Italiaanse staten in 1495 een `Heilige Liga', bestaande uit Venetië, de pauselijke staat, het koninkrijk Napels en zelfs het hertogdom Milaan. De Fransen werden gedwongen terug te keren, maar reeds vijf jaar later volgde een nieuwe aanval op Italië, nu door de Franse koning, Lodewijk XI. Zijn opzet Napels te veroveren, mislukte. Milaan bracht hij echter onder Frans gezag.

Savonarola was een van de weinige Italianen die profiteerde van de Franse invasie. Inspelend op de anti Medici-stemming en de oude republikeinse tradities wist hij, geholpen door de Fransen, de macht in de stad over te nemen. Van 1494 tot 1498 heerste in Florence een theocratische dictatuur. Savonarola riep de burgers op berouw te tonen over hun weelderige en zondige leven. IJdele zaken als dure kleren, juwelen en kunstvoorwerpen dienden te worden verbrand, de oligarchie moest worden afgeschaft en de volksregering ingesteld. Maar Savonarola maakte met zijn extreme puriteinse bewind meer vijanden dan vrienden. Mede op instigatie van Florentijnse burgers deed de paus de dwarse priester in 1497 in de ban. Zijn positie werd onhoudbaar. In 1498 werden Savonarola en twee aanhangers tenslotte in het openbaar opgehangen en verbrand.

De executie van Savonerola 1498

Hanging and burning of Girolama Savanarola in Piazza della Signoria in Florence in 1498. Anonymous painting from 1498, in the Museo di San Marco, Florence.

Na de dood van Savonarola maakte Florence opnieuw verscheidene crisissen door. De externe bedreigingen kwamen van de Franse koning, Lodewijk XII, en van de beruchte zoon van de paus, Cesare Borgia. Geen van beiden zou echter daadwerkelijk in actie komen tegen Florence. Intern maakte de stad een constitutionele crisis door, die pas werd opgelost toen de republiek in 1502 Piero Soderino tot permanent staatshoofd benoemde. Gesteund door de in Italië steeds machtiger geworden Fransen zou hij aanblijven tot 1512. Onder zijn leiding wist Florence iets van haar oude luister te herwinnen. De stad verkreeg opnieuw de controle over Pisa. Het was overigens in deze periode dat de jonge politieke filosoof Machiavelli in dienst van Florence verscheidene missies ondernam naar het Franse hof en naar Romeinse curie.

Het lot van Florence was verbonden met dat van Frankrijk. In 1512 versloeg het leger van`Heilige Liga' — waarvan Florence geen deel maakte — de Franse troepen. Voor Florence brak nu een moeilijke periode aan. De stad behield echter haar onafhankelijkheid. Drie jaar later volgde wederom een Franse invasie, die eindigde met de inname van Milaan door de Franse koning Frans I.

Na het vertrek van de Fransen wisten de Medici hun gezag over Florence terug te krijgen. De publiek werd niet volledig opgeheven, maar wel werd aan haar instellingen alle macht ontnomen. Met uitzondering van een kort republikeins intermezzo in de jaren 1527-1529 werd Florence opnieuw volgens een beproefd Italiaans model geregeerd. De Medici zouden de volgende twee eeuwen de dienst uitmaken

De pauselijke staat

Kaart Pauselijke staat

Kerkelijke staat

De Kerkelijke Staat werd uitgebreid via genereuze overdrachten door koning Pepijn en diens zoon Karel de Grote. In ruil voor militaire bijstand werd Karel de Grote in 800 door de Paus tot keizer gekroond. De keizer werd geacht de Paus en diens bezittingen te beschermen. Het pausdom vond een krachtige en nieuwe beschermer in de persoon van Otto I van Duitsland, die in 962 door Paus Johannes XII tot keizer werd gekroond. Het Kerkelijke gebied was niet zo zeer een hecht geheel van bezittingen als wel een allegaartje van rechten en bevoegdheden. De Gregoriaanse hervormingsbeweging liet de pausen niet veel tijd om van hun goederen in Midden-Italië een sterk geheel te maken, en hun tegenstanders zagen kans bij de steden dar afvalligheid aan te wakkeren. het was de verdienste van Innocentius III (1198-1216) dat hij orde op zaken wist te stellen, eerst in zijn eigen stad Rome, daarna in heel Midden-Italië, het hertogdom Spoleto en de mark Ancona. De pauselijke zeggenschap daar bleef beperkt, en dat gold nog sterker op de pentapolis, maar nu had het pausdom eindelijk een grote, reële machtsbasis in Italië.

Ten tijde van de Renaissance was er weinig verschil tussen de pausen en de wereldse vorsten. Net als de laatstgenoemden waren de pausen uit op politieke macht en aanzien. Eenmaal gekozen door een college van kardinalen was een paus in theorie onaantastbaar. De politie ambities van de opvolgers van Sint Petrus werden alleen geremd door personele en fianciële belemmeringen. De pausen streden openlijk met vorsten, hertogen en republieken om nieuwe gebieden, politieke invloed en rijkdom. En al was Rome militair dikwijls de mindere van andere stadstaten, haar geestelijke autoriteit was een geducht wapen. Als plaatsbekleder van Christus had de paus in elk christelijk land een enorm geestelijk gezag. De pauselijke excommunicatie en het interdict waren effectieve politieke dwangmiddelen. Een heel koninkrijk, hertogdom of een andere staatundige eenheid kon als gevolg van de pauselijke ban de toegang tot de christelijke genademiddelen worden ontzegd. Een wereldse vorst die opstond tegen de paus riskeerde derhalve het zieleheil van zijn hele rijk.

In de veertiende eeuw vormde de pauselijke staat geen bedreiging voor de politieke stabiliteit van Italië. Van 1305 tot 1378 resideerden de pausen in het zuid-Franse Avignon. Na de verplaatsing van de pauselijke zetel naar Rome was de politieke positie van de pausen in Italië allesbehalve benijdenswaardig. Pas toen het grote schisma (1378-1417) was opgeheven en Martinus V tot nieuwe paus was gekozen, kon Rome een rol van betekenis gaan spelen in de Italiaanse politiek. Martinus V en zijn opvolgers moesten echter opereren in uiterst precaire omstandigheden. Rome en de pauselijke staat waren altijd moeilijk te regeren geweest. Er bestond een lange traditie van adellijke samenzweringen tegen het pauselijk gezag.

Buiten Rome werd het wereldse gezag van de paus evenmin aanstonds aanvaard. De pauselijke staat grensde in het noorden aan Florence en Venetië en in het zuiden aan het koninkrijk Napels. Overal in dit gebied regeerden lokale machthebbers die niet gewend waren verantwoording af te leggen aan een hogere autoriteit. Steden als Bologna en Perugia wensten evenmin het pauselijke gezag als vanzelf te aanvaarden. Onder het bewind van Nicolaas V (1447-1455) begon het herstel van de pauselijke macht in de territoria buiten Rome. De definitieve onderwerping van deze gebieden aan Rome was het werk van Cesare Borgia (1475-1507), de zoon van paus Alexander VI (1492-1503).

De militaire kwaliteiten van Borgia waren groot. Hij veroverde onder meer Romagna, het noordoostelijke deel van de pauselijke staat. Het bezit van dit gebied was voor Rome van groot strategisch belang, vooral tegenover Venetië dat trachtte haar territoriale macht uit te breiden ten koste van de pauselijke staat.

De ondergang van Cesare Borgia was even onverwacht als zijn opkomst. Tijdens de dood van zijn vader lag hij ziek te bed. Deelname aan het conclaaf voor de keuze van een nieuwe paus was uitgesloten. De verwachting was dat de kardinalen Cesare Borgia tot paus zouden kiezen. Maar het tegendeel gebeurde. In plaats van Cesare Borgia benoemden zij iemand uit een andere Romeinse adellijke familie. Deze stierf echter na een paar dagen. Daarna werd de tiara op het hoofd geplaatst van een gezworen vijand van de Borgia's: Giuliano della Rovere. Als paus zou hij bekend worden onder de naam Julius II (1503-1513). Cesare Borgia bleef geen andere keuze dan Rome te ontvluchten. Dank zij zijn militaire inspanningen was het gezag van Rome in de pauselijke staat gevestigd. Rome had de beschikking over voldoende legers en middelen om in het noorden haar rivalen de baas te blijven.

Aan het begin van de vijftiende eeuw bezat Rome een goed gecentraliseerd staatsapparaat en een uitgebreid domein. De paus was een factor van betekenis geworden in de Europese politiek. Zijn geestelijke gezag kwam echter steeds vaker ter discussie te staan. Tijdens het pontificaat van de twee Medici-telgen, Leo X (1513-1521) en Clemens VII (1523-1534) brak in Duitsland de reformatie uit. Na de dood van Leo benoemden de kardinalen de Nederlander Adriaan Floriszoon Boeyens tot opperherder van de kerk. Hij koos de naam Adrianus VI (1522-1523). De Nederlandse paus wilde de Romeinse curie hervormen, de christelijke vorsten verenigen, het Turkengevaar uitschakelen en de ketterij van Luther vernietigen. Zijn hervormingsprogramma was echter geen lang leven beschoren. Na zijn overlijden viel het pontificaat opnieuw toe aan een Medici, Clemens VII.

Een dramatische gebeurtenis was nodig om de Romeinse curie tot veranderingen te bewegen. De plundering van Rome in 1527 door de troepen van Karel V (Sacco di Roma) opende de ogen van een groot aantal geestelijken. Zij begrepen dat een radicale hervorming van de kerk even onafwendbaar was als noodzakelijk. Het hervormingsproces zou echter moeizaam op gang komen en tientallen jaren in beslag nemen.

Kerkelijke staat 2

De Pauselijke Staat werd niet direct aangetast door de godsdienstoorlogen. De staat, die door de paus als tijdelijk vorst werd geregeerd en die hem en zijn hof een basis bood vanwaar hij zijn spirituele macht kon uitoefenen, gaat terug tot de tijd van keizer Constantijn (gestorven 337); hier zijn de grenzen van zijn grootste omvang gegeven (kaart 2 Pauselijke Staat), inclusief Avignon en omgeving. In 1791 werd dit laatste gebied door Frankrijk geconfisqueerd en met Napoleons invasie in Italië verdween de rest van de Pauselijke Staat.

In 1815 werd hij tijdens het Congres van Wenen hersteld - met uitzondering van Avignon. In 1859 stelden enkele provincies van de Pauselijke Staat zich onder de heerschappij van Victor Emmanuel, koning van Piedmont, die begin 1861 de hele staat, met uitzondering van Rome en omgeving, had bezet. Rome werd door Franse troepen beschermd, maar toen deze zich in 1870 terugtrokken, ging ook dit gebied deel uitmaken van het nieuwe koninkrijk Italië, en was de Pauselijke Staat verdwenen. In 1929 werd de staat Vaticaanstad gesticht, de kleinste soevereine staat ter wereld, als residentie van de paus.

Venetië

Venetië werd gesticht in de vijfde eeuw. Ten tijde van de kruistochten was de stad reeds een belangrijk centrum voor handel en scheepvaart. In 1388 sloten de Venetianen een overeenkomst met de Turken die van kapitaal belang was voor de ontwikkeling van de stad. Venetië verkreeg bij dit akkoord toestemming om te varen op het oosten. De stad werd hierdoor het grootste handelscentrum van het oostelijke deel van de Middellandse Zee. De Venetianen uit de vijftiende eeuw keken tevreden terug op hun eigen geschiedenis, die werd gekenmerkt door vrede en voorspoed. Zij waren trots op hun levensstijl, hun rijkdom en hun ordelijke politieke organisatie. De stad dankte haar welvaart voor een groot deel aan haar ideale geografische ligging. Maar ook de werklust en de vindingrijkheid van de bevolking droegen bij tot haar economische succes. De Venetianen begrepen dat een burgerlijk-aristocratische regering de beste garanties bood voor de bevordering van de handel en zeevaart. Met veel geduld, wijsheid en berekening ontwikkelden zij hun republikeinse constitutie.

In de Venetiaanse republiek had de handelsaristocratie het in feite voor het zeggen. De staat kende vier invloedrijke organen. De instantie met de meeste leden was de Grote Raad, hierin hadden twee- tot driehonderd afgevaardigden van de voornaamste families van de stad zitting. Deze groep bediscussieerde de belangrijkste besluiten van de staat. Dan kwam het College, of het kabinet, dat de administratie regelde. Zeer gevreesd was de zogenaamde Raad van Tien, een soort inquisitie-comité dat tot taak had staatsvijandige elementen op te sporen en uit te schakelen. De uitvoerende macht berustte bij de doge en zijn signoria, samen met de Raad van Tien vormden zij de Raad van Zeventien. De doge stond aan het hoofd van de staat, hij werd gekozen voor het leven. Later kreeg deze functie vooral een representatieve en ceremoniële waarde.

Formeel was Venetië een republiek. Toch hadden alleen leden van patriciërs-families toegang tot de belangrijke politieke functies. De zetels in de Grote Raad waren erfelijk en stonden slechts open voor een beperkt aantal aanzienlijke families. Voor mensen van minder voorname afkomst bleven alle politieke kanalen gesloten. De zorg om het behoud van hun macht maakte de Venetiaanse patriciërs conservatief. Om hun vooraanstaande posities te handhaven, riepen zij allerlei controlerende instanties in het leven. Op politiek niveau stelden zij de Raad van Tien in.

Maar ook op economisch gebied werden verscheidene ambten uitgevonden ter bescherming van de aristocratische belangen. Venetië was de eerste staat die ambassadeurs aanstelde in buitenlandse plaatsen waar de stad handel dreef en zaken deed. Veel van deze ambassadeurs schreven rapporten voor hun Venetiaanse superieuren. Deze zogenaamde relazioni zijn nog altijd waardevolle bronnen. Ze bevatten allerlei informatie over de politieke, sociale en culturele omstandigheden van de vijftiende en zestiende eeuw.

Venetië beschikte over een uitgebreide handels- en oorlogsvloot. In de vijftiende eeuw raakte de republiek telkens in conflict met het steeds machtiger wordende Ottomaanse rijk. Diverse malen vonden er zeeslagen plaats tussen de Venetianen en de Turken. De ernstigste oorlog duurde zestien jaar en eindigde met een complete nederlaag van Venetië. Het verdrag van Constantinopel bepaalde dat de Venetianen voortaan moesten betalen voor de vaart op de Zwarte Zee. Deze tegenslag leidde echter niet tot een economische achteruitgang van stad. Het verlies van markten in het oostelijke Middellandse Zeegebied werd gecompenseerd door de opening van nieuwe marken in het westen.

Venetië trachtte op het Italiaanse vasteland de rijke, voor een deel agrarische gebieden van Noord-Italië in bezit te nemen. Zij moesten de stad verzekeren van een voedselvoorraad. Diverse steden met hun achterland werden veroverd of door diplomatiek overleg onder het gezag van Venetië gebracht. De snelle expansie van de stad baarde de andere Italiaanse grootmachten enorme zorgen. In 1508 vormde een aantal van hen samen met onder meer Fankrijk de Liga van Kamerijk. Dit tegen Venetië gerichte verbond maakte een einde aan de Venetiaanse opmars in Noord Italië. De stad behield haar onafhankelijkheid, maar ze verloor een groot deel van haar buitengebied. In 1511 sloot Venetië zich aan bij de `Heilige Liga' die onder leiding van de oorlogvoerende paus Julius II `alle barbaren' ofwel de Fransen uit Noord Italië verdreef. Mede door dit succes wist Venetië haar positie op het Italiaanse vasteland enigermate te herstellen.

In de zestiende eeuw was Venetië gedwongen omzichtiger met haar machtige Italiaanse buurstaten om te springen dan voorheen. De republiek kon het zich niet permitteren in het binnenland onnodig vijanden te maken. Zij had al problemen genoeg op de Middellandse Zee met de steeds machtiger Turken. Afbeelding oorlogsvloot van de Heilige Liga

oorlogsvloot heilige Liga 1571

De oorlogsvloot van de Heilige Liga, die in 1571 onder leiding van Don Juan tegen de Turken slag leverde voor Lepanto (Messina), bestond uit 208 galeien en zes galjasen (koopmansschepen met geschut). Meer dan de helft van deze vloot kwam uit Venetië.

Dankzij de fatale klap die de Ottomaanse vloot werd toegebracht, kwam een eind aan de Turkse aanvallen op meditairrane schepen en havens. Daarnaast raakte Venetië in een langdurig conflict met Spanje. In de stad zelf bleef de aristocratische orde gehandhaafd.

De zestiende eeuw was voor de Venetianen een soort gouden eeuw. Van de grote rijkdom werden privé-paleizen, openbare gebouwen en kathedralen gebouwd. Ook de kanalen en de talrijke openbare kunstwerken werden ervan bekostigd. Van de Italiaanse steden was Venetië zonder meer de bekoorlijkste. Het feit dat zij in de zestiende eeuw haar vooraanstaande economische positie begon te verliezen, deed daar niets aan af.

Napels

Napels

Dat de politieke kaart van Italië bont gekleurd was, bewees het bestaan van het feodale koninkrijk Napels, dat ook wel de Twee Siciliën werd genoemd. De geschiedenis van dit koninkrijk was nauw verweven met die van de pauselijke staat. In de dertiende eeuw werd de positie van de paus zowel in het noorden als in het zuiden van Italië ondergraven door de keizer van het Heilige Roomse Rijk. Om diens macht te breken riep de paus in 1250 de hulp in van Karel van Anjou, een broer van de Franse koning Lodewijk XI. Deze wist Napels onder het gezag van de Anjou's te brengen. Maar deze familie zou nooit populair worden in Zuid-Italië. Reeds in 1285 verdreven de Sicilianen de Franse overheersers van hun eiland bij een opstand die bekend zou worden als de Siciliaanse Vespers. De macht op Sicilië werd overgenomen door Peter III van Aragon. Anderhalve eeuw later moesten de Anjou's ook het veld ruimen in het andere deel van het koninkrijk Napels, dat eveneens ten deel viel aan het huis van Aragon. De volgende twee eeuwen zou het koninkrijk Napels geregeerd blijven door deze familie.

In 1503 toen Ferdinand van Aragon in het huwelijk trad met Isabella van Castilië werd Napels een deel van het koninkrijk Spanje.De politieke, sociale en economische veranderingen in Italië tussen 1350 en 1500 vormden de voorwaarden voor een culturele explosie die het aanzien van het westen en de hele wereld zou veranderen. De vroege urbanisatie; de rijkdom, verkregen door handel en industrie; de relatief progressieve organisatie van de Italiaanse stadstaten en de afwezigheid van remmende feodale grootmachten schiepen een gunstig klimaat voor de culturele renaissance, maar haar verklaren doen ze niet. Het dat rest om het fenomeen begrijpen zijn vage historische noties als `tijdgeest’en ‘de invloed van grote mannen'.

Italianen van de veertiende en vijftiende hadden dikwijls het gevoel geboren te zijn in een nieuw tijdperk. De duistere en barbaarse eeuwen waren voorbij. Nu brak het tijdperk van vernieuwing aan, waarin de klassieke Romeins-Griekse waarden opnieuw tot leven zouden komen. Aan het begin van de zestiende eeuw vond in de Italiaanse stadstaten zoiets als een collectief politiek zelfonderzoek plaats. De recente geschiedenis werd geanalyseerd en beschreven. De Italiaanse stadstaten hoopten zo de mislukkingen en de successen op politiek gebied te kunnen verklaren. Men vroeg zich vooral af hoe het mogelijk was dat Italië niet in staat was geweest de `barbaren uit het noorden' te weren. Zij waren nu oppermachtig in Noord- en Zuid-Italie: dat eiste een verklaring.

De Florentijn Niccoló Machiavelli (1469-1527) was een van de scherpste politieke waarnemers van de zestiende eeuw. In zijn geschrift De Vorst (1514) sneed hij de centrale vragen van zijn tijd aan. Dit inmiddels klassieke boek over de politieke theorie en praktijk is het beste wat de Renaissance op dit gebied heeft voortgebracht.

Economisch ging Italië in die tijd ten gronde door o.a. oorlogen en het verleggen van de wereldhandel naar de kusten van de Noordzee en de Atlantische Oceaan. Door het verval van Duitsland als economisch achterland kreeg Noord-Italië een flinke klap te verwerken. In feite hield alleen de Republiek Venetië zich staande in deze barre economische tijden.

In de 17e eeuw was de politieke opkomst van Savoye een belangrijke ontwikkeling want het zou in de achttiende eeuw in alle opzichten de sterkste staat van Italië worden. Na de Spaanse Successieoorlog kreeg hertog Victor Amadeus Sicilië toegewezen en nam meteen de titel van koning aan. In 1720 verwierf hij Sardinië in ruil voor Sicilië, dat aan Oostenrijk afgestaan werd. Ook in het zuiden van Italië zorgde de Spaanse Successieoorlog voor veranderingen. Oostenrijk kreeg Sardinië en Napels en in 1738 werden deze twee gebieden aan een vertegenwoordiger van het Spaanse Huis Bourbon geschonken. Voorwaarde was wel dat het Zuid-Italiaanse rijk nooit meer aan de Spaanse koning zou toevallen. Milaan was al in 1713 overgegaan in Oostenrijkse handen en de verenigde hertogdommen Parma en Piacenza behoorden sinds 1748 tot het Spaanse Huis Bourbon. Het mag duidelijk zijn dat er in de 18e eeuw van enige Italiaanse politieke of militaire macht, op Toscane na, weinig meer over was. In 1768 werd Corsica, lang Genuees bezit, aan Frankrijk overgedragen. Positief was alleen dat Italië zich op cultureel gebied weer wist te hertstellen, een ontwikkeling die zich in de 19e eeuw ook op staatkundig en maatschappelijk gebied zou voordoen.
In 1796 trok Napoleon Italië binnen en nam de denkbeelden van de Franse revolutie met zich mee.

Italië 1796

Staatkundig werd Italië volledig op zijn kop gezet, Savoye (met Piëmonte) werd bij Frankrijk ingelijfd; in de Povlakte werden de Cis- en de Transpadaanse Republieken verenigd tot de Cisalpijnse Republiek; Genua werd de Ligurische Republiek; de Kerkelijke Staat werd de Romeinse Republiek; Napels (zonder Sicilië) werd de Parthenopeïsche Republiek en Venetië kwam bij Oostenrijk. In 1799 werd de Kerkelijke Staat hersteld en keerde er een Bourbon-koning naar Napels terug. In 1801 werd Toscane het Koninkrijk Etrurië en de Cisalpijnse Republiek tot Italiaanse Republiek gemaakt. In 1805 werd de Italiaanse republiek, uitgebreid met Venetië, tot Koninkrijk Italië onder Napoleon I Bonaparte uitgeroepen; Napels werd in 1806 een Frans vazalkoninkrijk onder Jozef Bonaparte en in 1808 vervangen door Joachim Murat; Genua en Parma werden bij Frankrijk ingelijfd. In 1807 annexeerde Frankrijk ook Etrurië en in 1808 de Kerkelijke Staat.

Italië 1810

In 1815 begon ook in Italië de Restauratie en de staatkundige indeling werd toen als volgt: het koninkrijk Sardinië/Genua, Toscane, Modena, Parma en Lucca (in feite Oostenrijkse vazalstaten), het onder directe Oostenrijkse soevereiniteit staande Lombardisch-Venetiaans koninkrijk, de Kerkelijke Staat, het koninkrijk der Beide Siciliën, het vorstendom Monaco en de republiek San Marino. Lucca kwam in 1847 bij Toscane. In al deze staten gingen de teruggekomen of nieuwe machthebbers tot een streng regime van onderdrukking en reactie over.

De Franse instellingen werden opgeruimd en het ancien régime werd in volle omvang hersteld. De ontwikkeling die onder invloed van de Franse ideeën en instellingen op gang was gekomen, liet zich echter niet meer tegenhouden. Het verzet tegen de bestaande orde bleef voortduren en kreeg al snel in het liberalisme een ideologische basis. Verdrijving van alle niet-Italiaanse heersers en de vorming van één nationale Italiaanse staat op moderne grondslag werden het gemeenschappelijk ideaal en deze beweging werd het Risorgimento genoemd. In 1820 en 1821 kwam het tot daadwerkelijk verzet van o.a. de Carbonari, een aantal genootschappen die in Italië, maar ook in andere landen, een grote rol speelden in de strijd om de vrijheid.

In 1830 deed de Julirevolutie haar invloed in Italië gelden en alleen met behulp van de Oostenrijkse wapens kon de status-quo hersteld worden.
In 1846 werd de liberale Paus Pius IX gekozen en vele vestigden hun hoop op hem. In het revolutiejaar 1848 werden in Napels, Toscane, Sardinië en de Kerkelijke Staat constituties uitgevaardigd, en in Milaan en Venetië braken revoluties uit, waarop Karel Albert van Sardinië de oorlog aan Oostenrijk verklaarde. De Sardijnen verloren echter bij Custozza in juli 1848 en er werd een wapenstilstand gesloten. De revolutie in Napels was intussen onderdrukt. In de Kerkelijke Staat deden kort daarna de radicalen met succes een greep naar de macht. Pius IX moest vluchten en op 9 februari 1849 werd de Romeinse republiek uitgeroepen.

Italiaanse staten 1858

In maart 1849 hervatte Karel Albert de strijd tegen Oostenrijk maar na de nederlaag bij Novara trad hij af voor zijn zoon Victor Emanuel II, die op 9 augustus vrede met Oostenrijk sloot. In april waren intussen de Fransen ten gunste van de paus de aanval op de Romeinse republiek begonnen. Eind augustus 1849 was overal in Italië weer de oude orde hersteld. Overal werden de constituties opgeheven, behalve in Sardinië (met koning Victor Emanuel), waar Cavour op de voorgrond trad, die, zowel gesteund als gedwarsboomd door Garibaldi, bereikte dat op 17 maart 1861 het onafhankelijke koninkrijk Italië kon worden uitgeroepen. Het koninkrijk omvatte geheel Italië, uitgezonderd San Marino en Venetië en het kerngebied van de Kerkelijke Staat. Monaco was door de gebiedsafstand van Sardinië aan Frankrijk in 1860 van het Italiaanse gebied afgescheiden.

Italiaanse eenwording 1859-1870

Zie voor Deel 25 Oorlog door de Eeuwen heen: Deel 25 Oorlog door de Eeuwen heen