We hebben 211 gasten online

Deel 26 Oorlog door de Eeuwen heen

Gepost in Serie Oorlog door de eeuwen heen

De slag bij Agincourt 1415

Deel 2 De ontwikkelingen in Brittannië

In Engeland behield de monarchie, ondanks de zogenaamde Rozenoorlogen (1455-1487)- een troonopvolgingsstrijd tussen de huizen van York en Lancaster – haar machtspotentie. (Zie deel 25 Oorlog door de Eeuwen heen).

Toen Hendrik Tudor bij Bosworth Field Richard III (1483-1485) versloeg en doodde en als Hendrik VII (1485-1509) koning werd, herwon de monarchie snel haar kracht.

Richrad III

Richard III

Hoewel de Tudors het nooit hebben aangedurfd om het parlement geheel buiten spel te zetten en hoewel het gezag dientengevolgde nooit geheel onbeperkt was, kan men toch van ‘Tudors absolutisme’ spreken. Hun macht stond niet ter discussie.

Tudor time

Hendrik VIII en de reformatie in Engeland.

Henry, de tweede zoon en derde kind van Henry VII en Elizabeth van York, werd geboren in Greenwich Palace op 28 juni 1491. Hij werd op de leeftijd van 3 jaar in 1494 benoemd tot graaf van York en speelde een prominente rol in de huwelijksceremonie van zijn broer Arhtur, Prins van Wales en Catherina Van Aragon. Vijf maanden later, bij de dood van Arthur door 'the sweating sickness' werd hij op 18 februari 1503 benoemd tot Prince of Wales. Henry volgde een goede opleiding van toonaangevende leermeesters. Hij leerde talen en was een gewaardeerd muzikant en toen hij zijn vader in April 1509 opvolgde werd hij gezien als de best voorbereide prins van die tijd. Atletisch en makkelijk in de omgang, leek hij treffend op zijn grootvader, Edward IV, zowel in persoon als in karakter.

Een van de eerste stappen die hij als koning nam was in het huwelijk treden met zijn schoonzus, Catherina van Atagon, die weduwe was. Het huweijk werd voltrokken op 11 juni 1509.

Hendrik VIII
Hendrik VIII

Drie jaar na zijn troonsbestijging, in 1512 heropende Hendrik VIII de oorlog met Frankrijk en won de slag van de Spurs, met hulp van Oostenrijkse huurlingen.

De Schotten maakten van de afwezigheid van Henry VIII in het buitenland, gebruik om Engeland binnen te vallen, waar Catherina als regent regeerde, maar werden snel verslagen bij Flodden Field, waar Henry's zwager James IV (de man van zijn zuster Margaret) de bloem van de Schotse edelen versloeg op 9 september 1513.

Slag bij Flodden Field

De slag bij Flodden of Flodden Field was een strijd in Northumberland, in het noorden van Engeland op 9 september 1513 tussen een Schots invasieleger onder leiding van Jacobus IV van Schotland en een Engels leger onder leiding van Thomas Howard, 2de hertog van Norfolk.

Jacobus IV van Schotland

Jacobus IV van Schotland 1473-1513

De slag eindigde met een bloedige nederlaag van de Schotten. Het was de grootste strijd tussen beide landen, in termen van aantal deelnemers.

Als gevolg van de Oorlog van de Liga van Kamerijk, onderdeel van de Italiaanse Oorlogen, viel Engeland in 1513 Frankrijk binnen. Ook tegenover Schotland had de nieuwe koning van Engeland Hendrik VIII een enigszins vijandige houding aangenomen, vanwege de opkomende macht van Schotland. Schotland had via een oud verbond relaties met Frankrijk en ook de eerdere Engelse overwinningen in het grensgebied zaten nog vers in het geheugen. Jacobus zocht daarom steun bij Lodewijk XII van Frankrijk, verklaarde op 11 augustus Engeland de oorlog en viel met een groot leger Engeland binnen. Hendrik had hier echter rekening mee gehouden en de verdediging van Engeland reeds in handen van Thomas Howard, graaf van Surrey, gegeven. Deze had nog voor Richard III in de Slag bij Bosworth gevochten en had ervaring met hopen. Helaas ook evenveel jaren met hopen; hij was immers reeds 70 jaar en kon, door zijn jicht, nog nauwelijks lopen.
Op 18 augustus vertrok Jacobus vanuit zijn hoofdstad Edinburgh in de richting van de grens.

Opstelling van de legers

Toen hij de grens bereikte, had hij meer dan 40.000 soldaten bij zich. Hij stak de Tweed over nabij Norham en trad zo Engeland binnen. Hij vernietigde eerst een paar grensversterkingen en zette toen koers naar Flodden, ten zuidoosten van Branxton.
Hier sloeg hij een kampement op, liet zijn soldaten geulen voor zijn kanonnen graven en wachtte dan gewoon af tot de Engelsen zouden komen.Het Engelse legerHet Engelse leger arriveerde op 5 september in Bolton-in-Glendale. Het leger was verdeeld in 2 divisies met kleinere eenheden op de flank. De voorhoede werd aangevoerd door Howards zoon Thomas Howard jr. en telde zo'n 9.000 man. De flanken stonden onder bevel van Edmund Howard, Howards jongste zoon, en Marmaduke Constable. Ze hadden respectievelijk 3.000 en 1.000 onder hun bevel. Howard zelf had 5.000 man onder zijn bevel. Hij werd geflankeerd door Thomas Dacre (3.000) en Edward Stanley (3.000).

Het Schotse leger

Door desertie was het Schotse leger reeds verkleind tot 34.000. Hij verdeelde het leger in 5 eenheden; Uiterst links werd de eenheid van Alexander Home geplaatst, rechts van hen de piekeniers onder leiding van de graaf van Errol, centraal de koning zelf, rechts van hem de piekeniers van Bothwell en uiterst rechts de groep Hooglanders van Lennox. Elk van deze eenheden telde zo'n 4 tot 5.000 man. Alleen de eenheid van Jacobus telde zo'n 9.000 man.

De slag bij Flodden

Howard verwachtte een Schotse aanval, maar tot zijn ontzetting bleven de Schotten in hun stellingen wachten. Howard zag zich genoodzaakt een groot risico te nemen en stuurde zijn leger achter het Schotse om. Zo sneed hij de weg naar Schotland af maar hiervoor was kundig gebruik van het terrein nodig.
Terwijl de Engelsen nog bezig waren hun nieuwe posities in te nemen, stond Jacobus te popelen om in de aanval te gaan. Hij zette zichzelf in de voorste linie en beval de artillerie het vuur te openen. Dit gaf geen grote gebeurtenissen teweeg behalve dan dat de Engelsen het vuur beantwoordden. Door enkele voltreffers op de Schotse linies begonnen deze sneller op te rukken en werd de formatie verstoord. Het Engelse centrum werd uiteengeslagen en het was Darce die de Engelsen van een catastrofe behoedde.

Vervolgens raakten de piekeniers van Bothwell slaags met de voorhoede van Howard jr. Hier werd duidelijk dat de Engelse hellebaard efficiënter was dan de Schotse piek. Toch leidde Jacobus zijn mannen tot vlakbij de standaard van Howard maar kon door de hardnekkige verdediging niet verder oprukken. Wanneer de Engelsen oprukten langs de modderige flanken van Flodden Hill, begonnen de achterste delen van het Schotse leger zich terug te trekken. Voor de meeste Schotten was dit echter geen optie meer en zij werden allen afgemaakt.

Gevolgen

Toen de ochtend aanbrak, zagen de Engelsen pas hoe groot hun overwinning wel was. Ze namen de achtergelaten artillerie en vonden het lijk van Jacobus IV. De Schotten waren vernietigend verslagen en de adel werd gedecimeerd.


De Engelse overwinning belette de Schotten om minstens één generatie geen oorlog meer te voeren met Engeland. De Engelsen zelf waren echter niet in staat de overwinning om te zetten in meer resultaten. Een eeuw lang zouden er alleen schermutselingen plaatsvinden in het grensgebied.

De komende jaren zagen de opkomst van Thomas Wolsey. Hij werd aartsbisschop van York in 1514 en werd in 1515 door Paus Leo X benoemd tot kardinaal. Hij werd zeer invloedrijk en Henry steunde met betrekkelijk veel zaken op hem.

Kardinaal Wolsey

Kardinaal Thomas Wolsey

In 1520 publiceerde Henry, die zichzelf niet zag als een theoloog een boek Assertio Septem Sacromentorum (De verdediging van de zeven sacramenten) als reactie op de ideëen van Martin Luther, die steeds meer voedingsgrond in Europa kregen. Het boek werd aan de paus gepresenteerd, die daarop de koning een nieuwe titel verleende 'verdediger van het geloof'. De koning was dus zeer anti-luthers. Alle opvolgers van Henry zouden voortaan deze titel dragen , ondanks de religieuze veranderingen die nog zouden plaatsvinden.
 
Uit zijn achttienjarig huwelijk met Catharina van Aragon (een tante van Karel V) werden 6 kinderen geboren maar enkel een ziekelijk meisje Mary overleefde de kindertijd.
Toen duidelijk bleek dat Catherina, die vijf en een half jaar ouder was dan Henry, onmogelijk nog kinderen kon baren op 40-jarige leeftijd zocht Henry naar een oplossing. Henry die ontzettend graag een mannelijke nakomeling wilde hebben en zelfs dacht om zijn niet-wettelijke zoon Henry Fritz Roy, graaf van Richmond tot zijn erfgenaam te maken, maar de jongen was te controvertioneel, en Henry liet de optie vallen.
De enige oplossing scheen hem toen het huwelijk met Catherina te ontbinden. Omdat hij vreesde zonder opvolger te blijven, verzocht Hendrik paus Clemens VII zijn huwelijk te ontbinden, zodat hij opnieuw kon trouwen. Mede onder druk van Karel V weigerde de paus in te stemmen met de scheiding.
 
Wolsey's pogingen mislukte na verschillende jaren met de Kerk in Rome te hebben onderhandeld en leverde hem de toorn op van Anna Bolyn, die had gedacht koningin van Engeland te worden. Ze bereikte dat Wolsey als Chancellor werd ontslagen. Een meer verdergaande consequentie was dat Henry brak met de kerk van Rome en zelf zijn eigen kerk, de kerk van Engeland stichtte.
De Engelse koning besloot daarom andere middelen aan te wenden om zijn doel te bereiken. In 1531 riep hij de geestelijkheid bijeen en liet zich benoemen tot Supreme Head van de Engelse Kerk. Geheel onafhankelijk geworden van Rome ontbonden de Engelse geestelijken het eerste huwelijk van de koning en zegenden ze zijn tweede huwelijk met Anna Boleyn in(zie afbeelding).
 
Anne Boleyn
Anna Boleyn
Drie jaar later aanvaardde ook het parlement de koning als hoogste kerkelijke gezagdrager. Hendrik kende zichzelf het recht toe bisschoppen te benoemen en kerkelijke landerijen en goederen te vorderen.
Hoe extreem de maatregelen van de koning ook waren, ketterijen waren het niet. Hendrik achtte zijn besluiten uit politiek oogpunt noodzakelijk, het was geenszins zijn bedoeling de katholieke leerstellingen te ondermijnen. Zo bleek bij de afkondiging van de 'Zes Artikelen' (Bloedig Statuut) die tot doel hadden het katholieke gezag en de katholieke doctrines opnieuw te bekrachtigen.
Toch betekende de formele breuk met Rome een stimulans voor het protestantisme in Engeland.
 
Tijdens de regering van Hendriks zoon Eduard VII was er betrekkelijke godsdienstvrijheid voor de protestanten. Dit was vooral te danken aan de invloed van Thomas Cranmer (1489-1556), de aartsbisschop van Canterbury. Zijn Book of Common Prayer legde de basis voor de hervorming van de Engelse kerk.
Na de dood van Eduard VII volgde een periode van onderdrukking voor het protestantisme. Zijn opvolgster, Maria Tudor (dochter van Hendrik VIII en Catharina van Aragon), liet talloze hervormingsgezinden terechtstellen, onder wie Thomas Cranmer.
Aartsbisschop Thomas Cranmer
Thomas Cranmer
De koningin, die al snel de bijnaam de bloedige kreeg, wist uiterlijk althans het katholicisme te herstellen. Maar haar fanatieke dwepen met het katholieke geloof riep enorm verzet op. Haar huwelijk met de tien jaar jongere, in Engeland zeer gehate, Spaanse koning Filips II, werd door velen als een belediging ervaren.
Filips II en Maria Tudor

Filips II en Maria Tudor

Het beleid van Maria Tudor was volslagen in strijd met de politieke en godsdienstige realiteit. De meeste Engelse katholieken waren vertrouwd met het gedachtengoed van de Reformatie. Ze moesten noch van Spanje, noch van Rome veel hebben. De adel was rijk geworden dank zij de confiscatie van kerkelijke goederen en landerijen. En een groot deel van de clerus kon zich heel goed verenigen met de gereformeerde geloofspraktijk. Ondanks Maria's felle anti-protestantse bewind behield de reformatie haar aantrekkingskracht. Maria's opvolgster, haar halfzuster Elizabeth I (1558-1603), voerde een gematigde politiek. Zij laveerde behendig tussen katholieke en calvinistische extremisten.
Elisabeth I
Elizabeth I
Geleidelijk maar doelbewust draaide Elizabeth Maria's godsdienstpolitiek terug. In 1559 legden adel en geestelijkheid de Suprematie-eed af. Engeland kreeg een protestantse kerk met een koninklijk regeerder. Elizabeth werd Supreme Governor van de kerk. Bisschoppen, vicarissen, dekens en parochiegeestelijken stonden allen onder haar gezag. Pogingen van de jezuïeten om Elizabeth van de troon te stoten liepen op niets uit. Een katholiek complot om haar te vervangen door Maria Stuart, de Schotse koningin, had evenmin succes. Ook de excommunicatie van Elizabeth door Pius V in 1570 kon haar macht niet breken.
Filips II probeerde in eerste instantie Engeland te beheersen door een weloverwogen huwelijkspolitiek. Nadat de koningin hem had afgewezen, veranderde hij van tactiek. Zelfs na de ondergang van de Spaanse Armada in 1588, zette de Spaanse koning zijn vruchteloze oorlog tegen Engeland voort.
 

Spaans-Engelse Oorlog 1585-1604

Spaanse Armada

In 1580 kon Filips II Portugal annexeren dankzij een opvolgingscrisis in dat land, waarmee hij zijn enorme koloniale rijk nog eens fors uitbreidde en daarmee zijn inkomsten vergrootte. Nadat de Nederlandse stadhouder Willem van Oranje in 1584 was vermoord, begon Engeland de Nederlanden openlijk te steunen in hun opstand tegen het Spaanse gezag. De Nederlandse Staten-Generaal boden haar na de moord op Willem van Oranje in arren moede als naburige protestantse vorstin de soevereiniteit aan en zij stuurde haar vertrouweling Robert Dudley, graaf van Leicester, naar de Republiek als haar vertegenwoordiger, maar dat werd geen succes. Bovendien sloot Engeland een tegen Spanje gericht verbond met het islamitische Marokko. Dit alles, gecombineerd met de Engelse kaperij tegen de Spaanse koloniën resulteerde in 1585 in de Spaans-Engelse Oorlog (1585-1604). In 1586 werd de Spaanse vertegenwoordiger verbannen uit Engeland wegens zijn betrokkenheid bij een complot tegen Engeland. Deze oorlog leidde tot Engelse interventie in de Franse Hugenotenoorlogen aan protestantse zijde, terwijl Spanje de Franse katholieken steunde. Uit vrees voor meer katholieke complotten werd door het parlement al in 1584 de Wet op Samenzweringen aangenomen. Die wet bepaalde dat een ieder die geassocieerd werd met een complot tegen de koningin van troonopvolging werd uitgesloten. Er werd nog een complot ontdekt door Elizabeths minister Sir Francis Walsingham, het zogenaamde Babingtoncomplot.

Troonaanspraak van Maria Stuart

De Schotse katholieke koningin Maria Stuart, een verre nicht van Elizabeth, had haar al jaren dwarsgezeten met een eigen aanspraak op de Engelse troon, op grond van het testament van Maria Tudor, daarbij gesteund door Frankrijk. In haar eigen land had zij zich echter onmogelijk gemaakt, in het bijzonder door rampzalige keuzes van twee opeenvolgende huwelijkspartners, zodat zij in 1567 naar Engeland moest vluchten. Aanvankelijk werd zij met respect behandeld, maar omdat zij haar aanspraak handhaafde, werd zij in 1568 onder arrest geplaatst. Er werden aanwijzingen gevonden van betrokkenheid van Maria bij het Babingtoncomplot. Zij moest terechtstaan voor een rechtbank van veertig edelen, onder wie ook katholieken. De minister van Justitie, Sir John Popham, was aangewezen als voorzitter. Maria Stuart ontkende de beschuldigingen, maar het mocht niet baten. Ze werd schuldig bevonden en werd onthoofd in Fotheringhay Castle in Northamptonshire op 8 februari 1587.

In haar testament bleek Maria Stuart haar aanspraak op de Engelse troon te hebben overgedragen aan de Spaanse koning Filips II. Die vond steun bij de paus voor deze aanspraak en zette zijn plannen door om Engeland binnen te vallen. Sir Francis Drake vernietigde in 1587 een deel van de Spaanse vloot bij Cádiz, waardoor Filips plannen werden vertraagd.Spaanse ArmadaMet de Spaanse Armada (armada is Spaans voor 'gewapende' vloot) wordt meestal de 'Onoverwinnelijke Vloot' (Armada Invencible) bedoeld waarmee de Spaanse koning Filips II tijdens de Spaans-Engelse Oorlog (1585-1604) probeerde Engeland binnen te vallen in het voorjaar en de zomer van 1588.

Pas in juli 1588 zeilde de Spaanse Armada, een enorme oorlogsvloot van 130 schepen met meer dan 30 000 manschappen in de richting van Het Kanaal. Het plan was om vanuit de Zuidelijke Nederlanden een invasieleger over te zetten onder leiding van de geduchte veldheer Alexander Farnese, de hertog van Parma. Het land was daarmee in dodelijk gevaar. Als zo'n groot Spaans leger voet aan wal kon krijgen, zou Engeland daar geen noemenswaardig verweer tegen hebben.

Met de invasie wilde Filips II de protestantse Engelse koningin Elizabeth I ten val brengen en zelf de Engelse troon in bezit nemen. De Spaanse handelsvloten en vooral de zilver- en goudtransporten uit Amerika werden regelmatig aangevallen door Engelse en Nederlandse kapers en piraten, meestal in directe opdracht van de Engelse hoge adel en kroon en met gebruik van uitgeleende Engelse oorlogsschepen. Daarbij verleende Elizabeth in het begin van de Tachtigjarige Oorlog geheime steun aan de opstandelingen in de Nederlanden. Toen Filips zich in 1580 door een militaire interventie op de Portugese troon zette, verwierf hij daarmee de zeemacht die nodig was om Engeland effectief te bestrijden.

Al op 9 augustus 1583 suggereerde de Spaanse admiraal Álvaro de Bazán een ambitieus plan voor de invasie van Engeland met een vloot van 556 schepen en 94.000 opvarenden; de kosten, begroot op 3,8 miljoen dukaten, kon de Spaanse schatkist echter niet dragen. Op 30 augustus 1585 begon Elizabeth de Nederlandse Republiek openlijk te steunen met het Verdrag van Nonsuch. Daarna werd de Engelse kaper Francis Drake uitgezonden voor een plundertocht langs de Spaanse noordkust. Hoewel er nooit uitdrukkelijke oorlogsverklaringen zouden volgen, beschouwde Filips zich hierna in staat van oorlog met Engeland.

Alessandro Farnese, de bevelhebber van de Habsburgse troepen in de Nederlanden, kwam nu met een veel goedkoper plan om Engeland binnen te vallen: hij zou zijn leger van 34 000 man samentrekken bij Duinkerken, waarna het in één nacht op zevenhonderd schuiten overgezet kon worden, beschermd door slechts 25 oorlogsbodems. Dat vond Filips echter veel te gewaagd en hij begon eigenhandig beide plannen te combineren: een middelgrote oorlogsvloot, zelf vergezeld van een klein landingsleger, moest Farneses grote leger convoyeren naar Engeland.Gedurende 1586 en begin 1587 werden er langzaam voorbereidingen getroffen voor de expeditie. Het kostte veel moeite voldoende vrachtschepen bijeen te brengen zonder de Spaanse handel te schaden. De Spanjaarden huurden daarom veel buitenlandse vaartuigen, onder andere 23 urcas uit Ragusa, of namen ze botweg in beslag.

Filips aarzelde eerst sterk of hij de hele onderneming wel zou doorzetten. Een groot probleem was dat Elizabeth de katholieke Schotse ex-koningin Maria Stuart gevangen hield. Na een overwinning zou hij er niet aan ontkomen haar recht op de Engelse troon als achterkleindochter van Hendrik VII van Engeland te honoreren. Maria was echter ook de moeder van de Schotse koning Jacobus VI en de dochter van de Franse prinses Marie de Guise. Vaak is het zo voorgesteld dat anti-protestantse overwegingen een doorslaggevend motief zouden hebben gevormd bij de invasieplannen. In feite prefereerde Filips echter een protestantse Elizabeth boven een Schots-Engels-Frans machtsblok dat een veel grotere bedreiging zou kunnen opleveren.

Op 18 februari 1587 werd Maria Stuart echter onthoofd. Ze had in haar testament haar aanspraak op de Engelse troon overgedragen op Filips II. Nu een geslaagde invasie hemzelf koning van Engeland zou maken en hij die de schijn kon geven van een bestraffing van het onrecht de "katholieke martelares" aangedaan, begon Filips meer haast te zetten achter de operatie, nadat hij in de zomer van 1587 van een ernstige longontsteking hersteld was. Farnese, nu hertog van Parma geworden, voelde juist steeds minder voor het plan. Filips wilde al in de winter van 1588 aanvallen, maar het bleek hem dat De Bazán er niet in geslaagd was de vloot op tijd gevechtsklaar te maken.

De Armada bestond uiteindelijk uit 137 schepen, waarvan 129 bewapend. Slechts 28 daarvan waren gespecialiseerde zware oorlogsbodems: twintig galjoenen of oudere kraken die groot genoeg waren om als vlaggenschip van een eskader te dienen, vier galeien en vier galjassen. Daarnaast waren er 34 lichte pinassen. Het slechtst bewapend waren de 28 pure vrachtschepen of hulken, daaronder de Ragusaanse urcas, die geen kanondek hadden. Het restant bestond uit 39 koopvaarders, kraken die men omgebouwd had tot oorlogsschip door het aanbrengen van extra geschut en het opbouwen van hoge voor- en achterkastelen.

De bewapening bestond uit 2830 kanons voorzien van 123 790 kanonskogels en tweeduizend ton buskruit. Dat alles werd bemand door 8450 zeelui en 2088 galeislaven, versterkt door 19 295 soldaten — en daarvan bestond weer de helft uit ongetrainde rekruten, meestal werkloze landarbeiders, bedelaars en misdadigers die men in de weken tevoren geronseld had. Zo'n drieduizend edelen, geestelijken en ambtenaren waren ook aan boord, vergezeld van hun dienaren. Dit bracht het totaal aan opvarenden op ruim 35 000 man.

Route van de Spaanse Armada

De Spanjaarden hadden grote ruchtbaarheid gegeven aan de expeditie om hun tegenstanders angst aan te jagen. Ze publiceerden zelfs een speciaal pamflet met precieze informatie dat de lezer onder de indruk moest brengen van de grote sterkte van de strijdmacht. Inderdaad had zich toen nog nooit zo'n zwaar bewapende vloot op de Atlantische Oceaan gewaagd, met ongeveer 58.000 ton waterverplaatsing — binnen enkele generaties zou een dergelijke omvang overigens niets bijzonders meer zijn. Hoewel officieel de Grande y Felicísima Armada ("grote en allerfortuinlijkste oorlogsvloot") geheten, werd hij meteen de Invencible, de "Onoverwinnelijke" genoemd. In werkelijkheid waren de vlagofficieren en ook Filips zelf zich er heel wel van bewust dat de vloot in opzet al totaal verouderd was.In het midden van de 16e eeuw had zich een grote verandering in de scheepstechniek en -tactiek voorgedaan. Een nieuw scheepstype, het galjoen, met een rechte voorkant boven een verlaagde boeg, maakte het mogelijk een grote vuurkracht in de bewegingsrichting van het schip te concentreren. Door het vaartuig lager en langer te maken, met drie of vier masten, werd het sneller en toch wendbaarder. Een trager vijandelijk schip van het oudere kraak-type kon niet verhinderen dat een galjoen keer op keer op korte afstand zijn zwakste punt onder vuur nam. Een galjoen was extra gevaarlijk als het was uitgerust met een nieuw type kanon, de rechtop gegoten slang, of diens verkorte versie de kartouw, waarbij door de vloeistofdruk tijdens het gieten het brons of ijzer achteraan sterker werd zodat krachtiger drijfladingen gebruikt konden worden. Beide verbeteringen in combinatie maakten het kanon het beslissende wapen in het scheepsgevecht, terwijl het eerst voornamelijk een ondersteuningswapen bij het enteren geweest was.

De Spaans-Portugese marine had maar twintig galjoenen (die niet eens allen ingezet konden worden) en de Armada slechts 21 slangen en 151 lichtere halfkartouwen. De Engelse marine had 27 galjoenen, 153 slangen of kartouwen en 344 halfkartouwen; daarnaast zouden de Engelsen nog 170 andere schepen inzetten, de meeste daarvan privébezit, waaronder 83 in beslag genomen koopvaarders. Veel van de overige vaartuigen waren snelle en goedbewapende kaperschepen.

Gezien die feiten verwachtten de Spanjaarden niet de Engelse vloot tot een gevecht te kunnen dwingen en beslissend te verslaan. Maar, zo legde Filips in zijn gedetailleerde instructies aan Medina-Sidonia uit, dat was ook overbodig. Het ging er immers om het leger over te zetten. Indien de Engelsen dat wilden verhinderen zouden ze gedwongen zijn zelf te komen. Als de Spaanse vloot nu maar in een gesloten formatie bleef, zou zo'n aanval goed zijn af te slaan: dan konden de Spaanse schepen elkaar ondersteunen en zouden de Engelsen minder voordeel hebben van hun betere manoeuvreerbaarheid. En een entergevecht zouden de Spanjaarden zeker winnen, want hun schepen waren ware "zeekastelen", afgeladen met soldaten.Beide partijen gingen ervan uit dat een landing door Parma gevolgd zou worden door een snelle Engelse nederlaag. Parma's leger gold als het beste in Europa; de Engelsen daarentegen hadden helemaal geen staand leger. Elizabeth kon een beroep doen op de volksmilitie, de Trained Bands, maar die waren meestal slechts bewapend met handbogen en van de twintigduizend militieleden in Zuidoost-Engeland zouden in werkelijkheid maar een paar duizend op tijd tegen een vijandelijk leger opgesteld kunnen worden, mede doordat vele duizenden voor de vloot geronseld waren. Daarnaast had ze haar eigen koninklijke garde en beschikten de leden van de adel over hun persoonlijke wapenknechten. Bij elkaar leverde het geen samenhangend veldleger op dat enige kans had tegen Parma een slag te winnen. Terugvallen op sterke vestingsteden was ook al geen optie want die waren er niet. Londen had nog hoge middeleeuwse stadsmuren, zonder aarden wallen, die Parma's belegeringsartillerie snel zou slechten.

Parma hoopte de hoofdstad binnen acht dagen te bereiken; was ze eenmaal gevallen dan zou het Engelse verzet in elkaar storten want het noorden en westen van het land waren nog overwegend katholiek. Alle hoop van de Engelsen was dus gevestigd op de vloot.Op 26 april begon de vloot zich in te schepen en op 11 mei vertrok de Armada uit de haven van Lissabon. De voortgang was tergend traag. De snelheid was beperkt tot die van de langzaamste vrachtschepen, zelfs voor de wind niet meer dan drie knoop. Pas rond 14 juni bereikte men Finisterre, de noordwest-kaap van het Iberisch Schiereiland. Vandaar uit kon de oversteek naar Engeland beginnen, maar de vloot werd uiteengeslagen door een zware storm. Op 19 juni besloot Medina-Sidonia dat de toestand onhoudbaar was geworden en liet de vloot weer verzamelen in de haven van La Coruña, waar meteen vers water en voedsel kon worden ingeslagen. Op 19 juli, toen alle schepen zich opnieuw bij de hoofdmacht hadden gevoegd, stak de vloot weer in zee. Midden op de Golf van Biskaje aangekomen, werd de vloot op 25 juli weer overvallen door een storm, nu met veel ernstiger gevolgen, 4 zware orlogsbodems gingen verloren. Het aantal zware oorlogsbodems liep zo terug naar 23. Op 29 juli kwam de Engelse kust in zicht.Ondertussen had de Engelse vloot zich proberen voor te bereiden op de Spaanse aanval. Toen die niet kwamen opdagen — ze hadden immers door de storm moeten terugvallen op La Coruña — had gebrek aan proviand de Engelsen gedwongen op 22 juli terug te keren naar Plymonth. Elizabeth was zo optimistisch geworden door de tegenslagen bij de Spanjaarden dat ze eerst besloot de bemanningen van de meeste schepen maar weer te ontslaan. Een woedende Howard had haar althans van deze bezuinigingsmaatregel kunnen afbrengen, maar de voedselsituatie bleef slecht; de kruitvoorraden van de schepen waren standaard — maar dus slechts voldoende voor een paar dagen vechten; er was geen vervangingsvoorraad.Medina-Sidonia, onder druk van de andere commandanten, week op twee punten van Filips' instructies af. Hij ging niet snel door het Nauw van Calais en men ging proberen de Engelse vloot al in de haven van Plymounth te verrassen. Maar de Engelsen waren op de hoogte van de Spaanse Armada

Op 5 augustus bleek iedere landingspoging op de Engelse zuidkust was verijdeld en de Engelse vloot had zich duidelijk superieur betoond aan de Spaanse, die zich meestal in de verdediging had laten drukken. Slechts twee Spaanse schepen waren verloren gegaan en dat niet eens door toedoen van de Engelsen, maar door puur toeval; een toeval dat voor Engeland een totale nederlaag afgewend had, want zonder het kruit op die schepen buitgemaakt zou men al door de voorraden heen geweest zijn.

Die vrijdag en de volgende zaterdag zeilde de Armada ongehinderd verder om in de middag van 6 augustus voor anker te gaan op de rede van Calais, dertig kilometer van Duinkerken.Medina-Sidonia zond op beide dagen in totaal drie pinassen naar Parma, eerst om te vragen of vanuit Duinkerken niet een vijftigtal lichte schepen ter ondersteuning konden vertrekken en daarna om van het arriveren van de vloot kond te doen. Hij had van Parma nog geen enkel tegenbericht ontvangen, maar nam aan dat die met zijn leger en een hele vloot schuiten klaar lag voor snelle inscheping en overtocht.

Hoewel Parma beweerde een uiterste inspanning te zullen verrichten om de operatie tot een goed einde te brengen, waren zijn feitelijke maatregelen hiermee niet in overeenstemming; het had er meer van weg dat hij zijn leger er niet aan wilde wagen. Er waren maar weinig schuiten bijeengebracht en een bouwprogramma in Duinkerken zelf werd maar halfhartig uitgevoerd; zijn strijdmacht was ook niet in die plaats samengetrokken. Wel had hij een vloot verzameld van een drie dozijn lichte vaartuigen en zestien vrachtscheepjes maar die deden geen enkele poging de Nederlandse blokkadevloot uit te dagen.

Parma beklaagde zich erover dat de Armada de Engelse vloot niet had verslagen maar met zich had meegebracht had dat de veilige route waarover zijn in de beste omstandigheden nauwelijks zeewaardige schuiten hadden moeten varen nu vol lag met een driehonderd oorlogsschepen die zich opmaakten voor een nieuwe zeeslag. . In ieder geval moest de Armada eerst de Nederlandse blokkadeschepen verjagen.Nabij Grevelingen, tussen Duinkerken en Calais, werden op 8 augustus de Spaanse galjoenen uiteengejaagd door branders en daarna zwaar beschadigd door het geschut van de kleinere, maar wendbaardere Engelse schepen onder bevel van Charles Howar en Francis Drake. Nadat de wind ongunstig was gekeerd voor een invasie in Engeland, voer de vloot rondom de Britse eilanden terug naar Spanje, tot aan Schotland achtervolgd door Engelse schepen. Door hevige wind en stromingen sloegen daarbij nog veel schepen op de Ierse klippen te pletter.

Het is niet precies bekend hoeveel schepen van de oorspronkelijke 137 er in totaal uiteindelijk verloren gingen, maar dat aantal bedroeg minstens 39; een twintigtal is vermoedelijk op zee verloren gegaan zonder een spoor achter te laten. Van zeker 67 schepen is bekend dat ze Spanje of een veilige haven elders bereikten, een groot deel hiervan was zwaar beschadigd en werden bij aankomst afgeschreven. Minstens twee derde van de opvarenden kwam om. Het totale Engelse verlies aan schepen bedroeg nul.

Filips meende echter ook dat het falen een door God gezonden beproeving kon zijn, waarvan het doorstaan beloond zou worden door een uiteindelijke overwinning, als hij maar geduldig bleef volharden in pogingen Engeland te veroveren. Het gevolg waren de Tweede Armada van 1596 en de Derde Armada van 1597 die beide mislukten door slecht weer; na zijn dood was er de Vierde Armada van 1601. Spanje was door de nederlaag van 1588 dus nog bepaald niet uitgeteld als zeemacht; in feite zou haar marine tot het begin van de 17e eeuw in kracht toenemen. Ook is het niet waar dat Engeland na 1588 de dominante zeemacht bleef; onder Jacobus I van Engeland verviel de vloot weer.

Aan zijn pogingen Engeland met militair geweld uit te schakelen, kwam een eind in 1598, het sterfjaar van Filips II. Elizabeth wist tot haar dood de katholieken en de calvinisten in bedwang te houden. Op verstandige wijze was zij erin geslaagd haar bewind te consolideren.
De in 1603 overleden Engelse koningin Elizabeth I had nagelaten een opvolger te benoemen. In 1603 wierp de Schotse koning Jacobus VI zich op als erfgenaam van de Tudors. Hij benoemde zichzelf tot `koning van Groot-Brittannië' en droeg voortaan de naam Jacobus I (1566-1625). Zijn opvatting over het goddelijk koningschap, zijn belastingopleggingen, titel en ambtenverkoop en zijn provocaties van het parlement bezorgde hem al snel de bijnaam `Britse Salomon'.
Jacobus I
Jacobus I
De eerste protesten tegen zijn bewind kwamen van de puriteinen. Zij wilden de anglicaanse kerk zuiveren van roomse gebruiken en instellingen. Vooral de episcopale structuur was hen een doorn in het oog. Een gemeentelijke, synodale kerkelijke organisatie naar het voorbeeld van de Republiek en Genève was echter voor Jacobus onaanvaardbaar. Onder zijn bewind zouden dan ook vele puriteinen emigreren naar de Zeven Provinciën en naar kolonies in Nieuw Engeland.
De relatie tussen kroon en volk verslechterde in hoog tempo. De conflicten met de burgerlijke rechtbanken, de verkoop van privileges en handelsmonopolies tegen extreem hoge prijzen, de toenadering tot Spanje en het voortrekken van de katholieken deden de naam van het koningshuis geen goed. Een van de weinige successen waarop de koning kon bogen, was een nieuwe bijbelvertaling, bekend als de King James Version. Deze met goedkeuring van Jacobus gemaakte vertaling was het werk van diverse geleerden. Zij kwam tot stand tussen 1604 en 1611 en werd in alle kerken voorgeschreven. Jacobus overleed in 1625. Hij liet zijn kroon na aan zijn zoon, Karel I (1600-1649). Meer nog dan zijn vader zou deze het parlement en het volk bruuskeren.
 
 
Zie voor deel III ontwikkelingen in Brittanië Deel 27 Oorlog door de Eeuwen heen Deel 27 Oorlog door de Eeuwen heen