We hebben 117 gasten online

Deel 28 Oorlog door de Eeuwen heen

Gepost in Serie Oorlog door de eeuwen heen

De slag bij Agincourt 1415

Het tijdperk van de ontdekkingen

Voor de tegenwoordige mens lijken de Westeuropese prestaties van de vijftiende tot de achttiende eeuw op het terrein van de aardrijkskundige ontdekkingen, de wetenschap en de technologie een ware revolutie, vooral vergeleken met de verworvenheden van de eeuwen daarvoor. Het is bovendien opmerkelijk dat deze revolutie zich in West-Europa voltrok met weinig of geen invloed van enig ander bekend deel van de wereld. Zij vond plaats op een tijdstip dat Europa van buiten werd bedreigd door vijandelijke legers en van binnen werd belaagd door interne problemen als de gesel van oorlog, ziekten, religieuze scheuringen, economische depressie, zwak politiek leiderschap en bevolkingstekorten.

In het midden van de vijftiende eeuw toonden vele grote denkers weinig optimisme over Europa's toekomst. En toch, in datzelfde jaar nam het lot van Europa een keer ten goede. Uiteindelijk zou de loop der wereldgeschiedenis hierdoor voorgoed van koers worden veranderd.Vele jaren hadden Westeuropeanen, vooral de bewoners van de kustgebieden, gedroomd van het bereiken van het oosten over zee. Daarnaast wensten zij `het land te leren kennen dat was gelegen voorbij de Canarische Eilanden en de Kaap genaamd Bojador' (voor de zuidkust van het huidige Marokko).

Wereld van 1500-1800

Tot de 15de eeuw vond alle handel met het oosten over land plaats. De zijden stoffen, katoenen lakens en specerijen (peper, kaneel, kruidnagels, suiker, gember, foelie, duivelsdrek) uit het oosten kwamen met kamelen vanuit India en verder weg gelegen landen naar het westen. Zij werden vervolgens door Venetianen of Genuezen van de Levant naar West-Europa verscheept. Poedergoud uit Guinea en andere delen van Afrika werd eveneens met kamelen naar het Middellandse Zee-gebied overgebracht, waar handelaren het kostbare metaal ruilden voor goederen uit West-Europa. In de 15de eeuw liep de handel in het oosten van het Middellandse Zee-gebied wat terug tengevolge van de Ottomaanse Turken die de scheepvaart door piraterij schade berokkenden. Tengevolge daarvan werden andere routes gezocht om zijden stoffen, specerijen en goud te kunnen blijven aanvoeren.

De Portugezen en later ook de Spanjaarden gingen onbekende gebieden verkennen in de hoop nieuwe handelsgebieden te ontsluiten, het terrein van de islam terug te dringen door missie en geïsoleerde landen te vinden waar andere christenen leefden. In het midden van de 15de eeuw bevonden de Portugezen zich in een goede positie om hun lang verbeide dromen te realiseren. Tot die tijd waren loodsen niet gauw geneigd zich ver uit het zicht van de kust te wagen, omdat men dan op bijzonder primitieve navigatiemiddelen moest vertrouwen.

Na 1450 maakte een nieuw, beter begrip van de oude geografie en astronomie de toepassing van nieuwe navigatiemethoden mogelijk. Bovendien namen zeelieden vanaf die tijd verfijndere navigatie-instrumenten mee, zoals het kwadrant en het astrolabium, die al lang door astronomen te land waren gebruikt.

Maar nog belangrijker was de komst van steviger schepen, allerlei zeilen om bij verschillende winden te gebruiken, nieuwe zeiltechnieken en scheepsartillerie. Dat alles gaf de Portugezen de mogelijkheid verder te gaan dan de gebruikelijke grenzen.

Prins Hendrik de Zeevaarder (1394-1460), belichaamde de kruisvaardersgeest van de Portugese ontdekkers in de 15de eeuw. Hij was een genereus ondersteuner van onderzoek op het terrein der kosmografie, astronomie, cartografie en zeiltechnieken. Hendrik wist fondsen bijeen te krijgen met behulp waarvan bijna elk jaar goed voorbereide expedities konden worden ondernomen.

De Portugezen maakten een snelle opmars bij de ontdekking van nog niet in kaart gebrachte gebieden door gebruik te maken van het nieuwste wetenschappelijke onderzoek en nieuwe zeilmethoden. Portugals agressieve ondernemingen op het gebied van ontdekkingsreizen en het stichten van een groot rijk begonnen reeds in 1415 met de verovering van Ceuta in Noord-Afrika.

Toen de Portugezen eenmaal vaste voet hadden gekregen in Afrika, rukten zij zelfs verder zuidwaarts op langs de Afrikaanse kust tot in onbekende gebieden. Tussen 1418 en 1419 trokken zij opnieuw voorwaarts en bereikten Madeira. Zij voeren de Atlantische Oceaan op tussen 1427 en 1431 en brachten de Azoren in kaart. In 1433 zeilde Gil Eannes voorbij Kaap Bojador.Verdere ontdekkingen volgden. Na elke succesvolle onderneming keerde een rijke buit - bestaande uit goudstof en negerslaven — naar Portugal terug. In het begin van de jaren veertig der 15de eeuw begonnen de Portugezen Afrikaanse slaven naar Europa te verschepen, hoewel de markt voor slaven daar niet bijzonder groot was.

Toen de Portugezen verder langs de Afrikaanse kust waren doorgedrongen, richtten zij handelsposten en forten op die ervoor moesten zorgen dat de aanvoer van goud, specerijen en andere kostbare goederen ongehinderd kon plaatsvinden. Omstreeks 1460 bereikten de Portugezen eindelijk Guinea, het legendarische goudland. Zij begonnen in dit land onmiddellijk naar rijkdommen te zoeken. In 1472 passeerden zij de evenaar. Vervolgens zetten zij hun ontdekkingen verder zuidwaarts voort.

Het Portugese vermogen om grotere hoeveelheden goederen dan hun concurrenten af te leveren brak al snel het monopolie van islamitische handelaren die met hun kamelen niet hetzelfde aantal konden transporteren en niet zo snel konden opschieten als zeilschepen die de kortste route van de Afrikaanse kust naar Portugal en de andere Europese markten voeren.

Een parel in de kroon

Tegen het einde van de 15de eeuw leverde de Portugese investering in de vloot zijn geld op. Toen werden namelijk de belangrijkste ontdekkingen gedaan. In 1487 werd Bartolomeus Diaz (1450-1500), langs de Afrikaanse kust zeilend, door een storm voorbij de zuidpunt van Afrika gedreven. Daarna zeilde Diaz naar het oosten en hij ontdekte land, dat hij `Goede Hoop' noemde omdat hij toen verwachtte Indië te zullen vinden, waarnaar reeds vele jaren vruchteloos was gezocht.

In ditzelfde jaar zonden de Portugezen Pedro da Covilha op een expeditie over land. Hij kwam langs Caïro en Aden en bereikte uiteindelijk India. De mogelijkheid Indië over zee te bereiken werd daardoor steeds meer een fascinatie. Tien jaar later zeilde Vasco da Gama (1460-1524) de ongeveer 7000 km lange route naar Indië en bereikte op 22 mei 1498 Calicut op de kust van Malabar. Te langen leste was de zeeweg naar Indië gevonden.

Vasco da Gama's expeditie was het resultaat van meer dan tien jaar van zorgvuldige voorbereiding. Zij leidde tot een winst die zestig maal groter was dan de oorspronkelijke opbrengst van de Portugese handelswaar die naar het oosten werd gezonden. Bij Da Gama's terugkeer riep koning Emanuel II zich op grootse wijze uit tot `Heer van de verove-ring, scheepvaart en handel van Arabië, Perzië en Indië.' Da Gama's volgende expeditie maakte de aanspraken van zijn koning waar: bepakt met wapens en handelswaar verpletterden zijn mannen alle weerstand van de goddeloze autochtone bewoners tegen de Portugese inbreuk op de specerijenhandel. Da Gama liet steden in as leggen en plunderen waar dat maar binnen zijn mogelijkheden lag: gevangenen werden verminkt en afgeslacht.

Da Gama vestigde een kwaadaardig patroon voor Europese expansie, dat de Europeanen verre van bemind zou maken bij de autochtone bewoners van de verre landen. De Portugezen drongen vanuit hun basis in India verder oostwaarts door. De sluwe gouverneur Alfonso de Albuquerque stichtte tussen 1509 en 1515 de hoofdstad van de Portugese territoria te Goa. In 1509 drongen de Portugezen tot de Straat van Malakka door, daarna tot Amboina en de Specerij-eilanden en vandaar werden expedities op touw gezet naar China. Jorge Alvarez bereikte in 1513 de Chinese havenstad Canton. In 1556 vestigden de Portugezen een handelscentrum te Macao, niet ver van Canton.

Zeilvaardigheid

Portugals monopolie ten aanzien van goud specerijen uit Afrika en India gaf het land al snel het voortouw ten koste van Venetië, haar belangrijkste handelsrivaal in het westelijke, Middellandse Zeegebied. Portugal werd overal bewonderd om haar nieuwe rijkdom gewaagde ondernemingen en zeilvaardigheid. In het begin van de jaren veertig van de 15de eeuw had Portugal reeds zijn eerste gouden munt geslagen, de crusado. Na verloop van jaren werd duidelijk dat Hendrik de Zeevaarders visie en steun en de koninklijke financiële hulp bij de expedities royaal zijn geld had opgeleverd. In 1484 werd een commissie bijeen geroepen door koning Johan II van Portugal (1481-1495), die een handboek uitbracht onder de titel Regimento do Astrolabio e do Quadrante. Hierin werden de meest geavanceerde navigatiemethoden aan zeelieden bekendgemaakt.

Portugese loodsen werden als de beste navigatoren van Europa beschouwd. In 1569 vond de Vlaamse cartograaf Gerard de Cremer (1512-1594), bekend geworden onder de naam Mercator, een methode om een juist beeld van de ronde aarde af te drukken op een vlak stuk papier. Daardoor werd het voor navigatoren mogelijk een koers uit te zetten door rechte lijnen te trekken. De bestudering van kaarten en het maken van kaarten namen toe, waardoor zeelieden met grotere precisie hun koers in kaart konden brengen en hun ontdekkingen konden identificeren. De ontwikkeling van de zandloper maakte het voor zeelieden mogelijk de scheepssnelheid met grotere precisie vast te stellen. Door aan een log een lange lijn vast te maken met een aantal knopen die alle even groot waren en dit geheel aan de achterzijde van het schip te binden konden zeelieden hun snelheid bepalen in nautische 'knopen'.

Andere problemen, zoals de bepaling van de lengtegraad, zouden tot in de 18de eeuw blijven bestaan, toen nauwkeurige tijdmeters werden uitgevonden die aan boord konden worden gebruikt. Maar de meeste beginselen van navigatie op lange afstanden waren aan het eind van de 15de eeuw aanwezig en daardoor werd het voor avontuurlijke mensen mogelijk verder te gaan dan de veilige en lang gerespecteerde grenzen van hun voorouders.

De Portugese successen in het oosten duurden vele jaren voort. Bases voor handel en de protectie daarvan werden gevestigd, onder meer te Goa, Aden en Hormuz. De door Portugese ontdekkers en handelaars voor het eerst betreden paden werden al snel routes voor missionaire activiteit, want één van de erkende redenen voor het doen van ontdekkingen was om te zien waar volken leefden die tot het `ware geloof' moesten worden bekeerd.

Tezamen met de ontdekkers trokken vele missionarissen op, van wie de beroemdste was de jezuïet Franciscus Xaverius (1506-1552). `Apostel van Indië en Japan'. In 1541 verliet hij Rome en trok naar het oosten. Tot zijn dood in 1552 werkte Xaverius tussen de oorspronklijke bewoners van Goa, Travancore en Malakka. Zelfs naar Japan reisde hij. Volgens zijn zeggen doopte hij ongeveer 7000 inlanders.

Amerka ca 1500 voor de europese expantie

Amerika ca 1500 voor de Europese expansie

Spaanse concurrentie

In de laatste jaren van de 15de eeuw kregen de Portugezen grote concurrentie van Castilië, dat zijn schepen geregeld dezelfde koers liet volgen. De Spanjaarden wilden ook graag Indië bereiken en zochten daarvoor naar een alternatieve, kortere zeeweg. Het belang van de kroon lag echter in de eerste plaats bij het verkrijgen van koninklijke controle over haar gebieden op het Iberisch schiereiland. In het exuberante klimaat van de vroegere jaren negentig van de 15de eeuw, toen de Spaanse reconquista op het punt stond om de Moren uit Granada en Zuid-Spanje te verdrijven, waren extra grote voordelen te verwachten van zo'n onderneming. Ferdinand en Isabella, het 'ka-tholieke koningspaar', gingen uiteindelijk in op het voorstel van de Genuees Christoffel Columbus (1451-1506). Columbus vroeg om schepen teneinde over de Atlantische Oceaan te varen, net als veel van zijn tijdgenoten ervan overtuigd dat een kortere route naar Indië kon worden gevonden door direct naar het westen te zeilen.

Het koningspaar hoopte de Portugezen te overvleugelen in het oosten, zag mogelijkheden de lege schatkist van de kroon te vullen, het katholieke geloof in nieuwe landen te verbreiden en het offensief tegen de islam gaande te houden.

Columbus sloot een overeenkomst met de koning waarin deze plechtig beloofde dat Columbus de titel Groot-Admiraal zou ontvangen en één tiende van de winst die de reis zou opleveren. Hij vertrok uit Palos op 3 augustus 1492 met 90 man in drie middelgrote schepen. Hij bereikte de Bahama's (wellicht Watling Island, of volgens recent onderzoek nog waarschijnlijker Samana Cay) op 12 oktober. Columbus noemde het eerste eiland San Salvador en voer vervolgens zuidwaarts naar Cuba en Hispaniola (tegenwoordig respectievelijk Haïti en de Dominicaanse Republiek).

Columbus' terugkeer naar Spanje met wat goud en enige indianen deed de verwachtingen ten aanzien van rijkdom en veroveringen hoog stijgen. In totaal maakte Columbus nog drie andere reizen naar de Nieuwe Wereld, op zoek naar rijkdom en gebiedswinst. Op zijn derde reis ontdekte Columbus de monding van de rivier de Orinoco in het tegenwoordige Venezuela. Hij meende dat hij hier de Indische eilanden had gevonden. Columbus was er tot aan zijn dood in 1506 rotsvast van overtuigd dat hij werkelijk Azië had bereikt via de westelijke zeeweg.

Zoals viel te verwachten alarmeerden Columbus' ontdekkingen de Portugezen, die altijd bevreesd waren voor Spaanse invallen in hun wateren. Zij stelden dat zij recht hadden op alle door Columbus ontdekte landen, omdat die vielen onder de bepalingen van het Verdrag van Alcacovas (1480) volgens welk de Canarische Eilanden aan Castilië kwamen en West-Afrika, Guinea en de eilanden in de Atlantische Oceaan aan Portugal.

Caribies gebied 1492-1550

Het Spaanse koningspaar vroeg daarom aan paus Alexander VI (1492-1503), ook een Spanjaard en iemand die zeer veel te danken had aan Ferdinand en Isabella, om de betwiste gebieden te verdelen tussen de twee landen. Bij vier gelegenheden vaardigde Alexander VI een pauselijke bul uit waarin hij Spanje exclusieve rechten op de nieuwe landen toekende. Elk nieuw document ging weer verder dan het vorige. De derde van deze bullen, Inter Caetera Divinae (4 mei 1493), trok een denkbeeldige demarcatielijn van het noorden naar het zuiden. Het uiterste punt lag 100 zeemijlen (dat is ongeveer 500 km) ten westen van de Azoren en de Kaapverdische Eilanden. Alles achter deze lijn viel toe aan de Spaanse monarchen. De vierde bul, Dudum sequidem, was zelfs nog royaler, want zij kende Spanje toe `alle eilanden en vasteland dat was gevonden of zou worden gevonden, tijdens ontdekkingsreizen naar het westen en zuiden, of dat nu was in westelijke, zuidelijke of oostelijke streken of in Indië.' Toen de Portugezen echter uiteindelijk Indië bereikten door rond Afrika oostwaarts te varen moest de bepaling omtrent Indië worden beperkt tot het westelijk halfrond.

In het volgende jaar (1449) tekenden de Spanjaarden en de Portugezen het Verdrag van Tordesillas, volgens hetwelk de demarcatielijn 270 graden westwaarts werd opgeschoven. Portugal kreeg daardoor het land in bezit dat nu Brazilië word genoemd.In het kielzog van Columbus volgden verscheidene expedities om de nieuwe landen te ontdekken voor God, goud en de roem van Spanje. In 1501 ontdekte de Florentijn Amerigo Vespucci (1451-1512) onder Spaanse vlag varend de kust van Zuid-Amerika. Hij zeilde voorbij Rio de la Plata naar de kust van Patagonië en werd daardoor de eerste ontdekkingsreiziger die inzicht kreeg in de enorme grootte van het zuidelijke continent.

In 1504 publiceerde Vespucci zijn Mundus novus ('De Nieuwe Wereld'), waarin hij aandacht besteedde aan de zuidelijke landmassa van het westelijk halfrond, die hij zelf tussen 1501 en 1502 had ontdekt. Al snel werd Vespucci's voornaam verbonden met deze nieuwe zuidelijke wereld, en uiteindelijk met het gehele halfrond: `Amerika'.

Centraal Amerika 1515

Tegen 1508 was Columbus' oorspronkelijke ontdekking, Hispaniola, geheel onder Spaanse controle en werd het eiland een uitvalsbasis voor verdere ontdekkingsreizen in West-Indië. In 1513 passeerde Vasco Nunez de Balboa (1475-1517) de landengte van Panama. Hij werd de eerste Europeaan die de Stille Oceaan te zien kreeg. Enige jaren later vestigde Srpanje een nederzetting op de landengte van Panama aan de zijde van de Stille Oceaan.

 

Slecht zes jaar later, in 1519, vertrok Ferdinand Magalhaes (1480-1521) om een weg naar Azië te ontdekken door rond Zuid-Amerika te zeilen en daarna op de Stille Oceaan de koers westwaarts te zetten. Hoewel deze expeditie tal van tegenslagen kende en Magalhaes stierf in een gevecht met inboorlingen op de tegenwoordige Filippijnen, wisten de overlevenden van de reis (15 van de 280) ten slotte terug te keren in Spanje. Het uitzicht op het vinden van een eenvoudige route via het westen naar Azië was verloren gegaan.

De Spanjaarden realiseerden zich desalniettemin reeds snel dat Amerika zelf een buitengewoon rijk continent was. Zij verloren weinig tijd alvorens munt te slaan uit de nieuw ontdekte rijkdommen.

In het kielzog van de ontdekkers ontstonden Spaanse nederzettingen in de Nieuwe Wereld aanvankelijk om bases te hebben voor verdere ondernemingen en vestigingen en voor de exploitatie van de grondstoffen van deze nieuwe landen. Tot de eerste nieuwe koloniën behoorden Santo Domingo (in de tegenwoordige Dominicaanse Republiek), dat werd gebruikt als belangrijkste basis voor tochten door het Caribisch gebied tot in Florida, Mexico, Panama, Yucatan, Guatemala en Nicaragua. Andere belangrijke Spaanse nederzettingen te Santiago de Cuba (gesticht in 1514) en Havanna (1519) werden voorname handelshaven.Na de eerste ontdekkers, zoals Columbus kwam ook een nieuw type mensen in Amerika aan, die behoorden tot de grootste risiconemers aller tijden. Deze mensen waren de veroveraars of conquistadores.

Spaanse gebieden in Amerika

Spaanse aventuriers.

Velen van hen behoorden tot de lage adel (hidalgos) van Estremadura. het westelijk deel van Castilië. Vanwege de wet der primogenituur — volgens welke het landbezit aan de oudste zoon toevalt — konden deze mensen niet delen in de familie-erfenis en daarom gingen zij zelf op jacht naar roem en fortuin.

Spaans Amerika 1609

Staten in de Nieuwe Wereld

In 1519 zette de conquistador Hernan Cortes 1485-1547) vanuit de Spaanse basis van koers naar Mexico, teneinde dat land onder controle krijgen. Cortes zag zich tegenover zeer grote moeilijkheden gesteld bij zijn pogingen het rijk der Azteken, met meer dan één miljoen inwoners, te verslaan. Merkwaardig genoeg echter werd Cortes geholpen door een voorspelling waaraan de Azteken geloofden: een priester genaamd Quetzalcoatl, die eeuwen eerder was vertrokken, zou in zijn land terugkeren. En toevallig zou dit net gebeuren ten tijde van Cortes verschijning aldaar. De leider der Azteen, Montezuma, dacht eerst dat Cortes de priester-God zelf was en overlaadde hem met geschenken en prachtige offerandes. Cortes liet zich hiermee echter niet bevredigen: hij wilde immers het land veroveren. Door bewaam uitgevoerde onderhandelingen met stammen die waren onderworpen aan de Azteken, wist Cortes na een tijdje voldoende mankracht bijeen te brengen om de hoofdstad der Azteken, Tenochtitlan (nu Mexico City), aan te vallen en Montezuma gevangen te nemen. Korte tijd later stierf de leider der Azteken. Na de overwinning hernoemde Cortes het veroverde land `Nieuw Spanje'.

Cortes indrukwekkende overwinning werd twaalf jaar later gevolgd door een even verbazingwekkende verovering uitgevoerd door eenzelfde meedogenloze avonturier van lage geboorte, Francisco Pizarro (1470-1541), die in 1530 uit Panama vertrok om het grote rijk van de Inca's in Peru te onderwerpen.

Spaans America 1530

Pizarro's kleine leger van 180 man trotseerde woeste gebergten, enorme afstanden en onbekende gevaren en liep het bolwerk van de Incaleider Atahualpa, de stad Cajamarca, snel onder de voeet. Kort daarna kwam de conquistador Diego de Almegro Pizarro te hulp met een legeracht van 200 man. Samen marcheerden zij naar de grote hoofdstad van de Inca's, Cuzco, die zij innamen in november 1533. Daarop plunderden de Spanjaarden de rijkdommen, vermoordden de leiders en claimden het nieuwe land voor Spanje.

Spaanse veroveringen 1513-1543

In 1535 vestigde Pizarro zijn hoofdstad te Lima. Zijn gebied werd bekend als `Nieuw Castilië'. Pizarro's ondernemingen werden gevolgd door die van andere conquistadores, die voortdurend op zoek waren naar rijkdom en roem. Sommigen gingen door met het maken van veroveringen tot in Ecuador en Chili, hoewel zij in het laatste land hevige tegenstand ondervonden van de Azoucan-indianen.

Hernando de Soto (: 14991542) leidde expedities in verafgelegen gebieden van Tampa Bay, noordwaarts in de richting van de Appalachen en westwaarts naar de Mississippi. Francisco Vasquez Coronado (± 1500-1554) ontdekte de landen ten noorden van de Rio Grande en de rivier de Pecos.

De Spanjaarden kregen vaak te maken met grote moeilijkheden bij het vestigen van hun heerschappij over de Inca's en het handhaven van de interne rust. De conquistadores wisten hun heerschappij echter te handhaven. Kort na de overwinningen van Cortes en Pizarro werden koloniale regeringen — zogenaamde onderkoningschappen — gevestigd in Mexico en Peru. Zij werden gecontroleerd door de korte tijd tevoren op last van de Spaanse monarchie gecreëerde Raad van Indië. Twee enorme gebieden waren veroverd voor Europa's belangrijkste monarch, Karel V. Tot ver in de 17de eeuw zou de rijkdom van deze nieuwe landen Spanje een strategische positie laten innemen als voornaamste militaire en politieke macht van Europa.

Zelfs vóór de veroveringen van Cortes en Pizarro haalde Spanje winst uit Amerika. Hispaniola was het eerste gebied dat goud opleverde, nadat de Spanjaarden de inlandse bevolking hadden bevolen in de plaatselijke mijnen te gaan werken. Toen Columbus op dit eiland kwam, woonden er ongeveer één miljoen vreedzame Arawaken. Binnen drie decennia echter was de bevolking bijna uitgeroeid ten gevolge van bloedvergieten, uithongering, de slechte arbeidsomstandigheden voor de inlanders in de mijnen en besmettelijke Europese ziekten, vooral pokken en mazelen, waartegen de inlanders niet immuun waren.

Om een oplossing te vinden voor dit gebrek aan man-kracht importeerden de Spanjaarden negerslaven uit Afrika, die gewend waren in tropische omstandigheden te werken. Weldra zouden de slaven onmisbaar worden door de ontwikkeling van grotere suikerplantages in het Caraïbisch gebied.

De slavenhandel ontwikkelt zich toen Europa zijn gebieden op het westelijk halfrond steeds meer uitbreidde, beloofde de slavenhandel zeer lucratief te worden voor handelaren die konden voorzien in alternatieve arbeidskrachten voor de al te kwetsbare inlandse bevolking van Mexico en West-Indië. Volgens kenners zijn in de 16de eeuw ongeveer 900.000 slaven naar de Nieuwe Wereld overgebracht; voor de 17de eeuw kan dit aantal worden geschat op bijna 3 miljoen. Om een maximale winst te verkrijgen, ketenden slavenhandelaren hun menselijke lading onder het scheepsdek in onmenselijke verblijven. Geschat wordt dat in de 17de eeuw bijna een kwart van alle slaven stierf tijdens de reis. In de 18de eeuw nam het aantal slachtoffers af tot tien procent, omdat de prijs van slaven toen steeg. Van de 16de tot de 19de eeuw had geen enkel land een blijvend monopolie in de slavenhandel. De Portugezen en Spanjaarden waren de eersten die slaven transporteerden; in de 17de eeuw werd hun voorbeeld nagevolgd door de Nederlanders en de Engelsen. Kooplieden uit andere landen — Duitsers, Fransen, Denen — speelden ook een rol.

Wanneer Spaanse schepen de haven van Sevilla binnenliepen kwamen de tastbare voordelen van het mercantilisme aan het licht. De Spaanse monarchie oefende de striktst mogelijke controle uit over monopolies, of dat nu zilver, goud, slaven of suiker betrof. Alleen Spaanse kooplieden kregen toestemming tot handeldrijven, en alle verschepingen moesten plaatsvinden in de haven van Sevilla aan de Guadalquivir-rivier. Later werd de beter toegankelijke haven van Cadiz aan de Atlantische kust gekozen als handelscentrum. Goud — de koopwaar waaraan de hoogste prijs werd toegekend — werd meestal verkregen uit de opeengehoopte schatten van de Azteken en de Inca's, en ook een beetje uit goudwasserij. Toch werd het enigszins schaars na de eerste plunderingen van de conquistadores.

Zilver bleek het metaal te zijn dat het meest overvloedig aanwezig was. Het werd meestal gedolven. Beroemd onder de nieuwe zilvermijnen in de Nieuwe Wereld waren die te Zacatecas en Guanjuato bij Mexico City; maar veruit de beroemdste was de Cerro Rico van Potosi in Bolivia (ontdekt in 1545) die de voornaamste zilverleverant ter wereld werd. Potosi was gesitueerd op bijna vijf kilometer boven zeeniveau. De mijn telde een bevolking die qua aantal overeenkwam met de grootste Europese steden uit die tijd. Dankzij de slavenarbeid van de indianen en de werkzaamheden van een groot contingent Duitse mijnexperts konden de rijke zilveraders van Potosi worden benut met behulp van de nieuwste Europese vondsten op het gebied van metallurgie en delving, die algemeen bekend waren geworden door het boek van de Duitser Georg Agricola (1490-1555), getiteld De re metallica (1556).

Door de introductie van het nieuwe proces van kwik-amalgamatie, leverde de zilverberg van Potosi al snel enorme hoeveelheden zilver die onmiddellijk de plaats van goud als het belangrijkste exportprodukt van de kolonie overnamen.In de tweede helft van de 16de eeuw werden grote hoeveelheden zilver (en soms goud) naar de haven van Sevilla in Spanje verscheept. Het hoogtepunt van deze ontwikkeling lag tussen 1580 en 1620, toen ongeveer 10.000 ton ongemunt goud en zilver Europa binnenstroomde.

Rond 1590 ontving Spanje bijna een half miljoen pond zilver per jaar. Deze verbazingwekkende toename van nieuw geld op de Europese wisselmarkten leidde tot drastische prijsstijgingen — de `prijsrevolutie' - die in het begin snelle groei van de handel stimuleerden, maar ook leidden tot een enorme inflatie. Na elke aankomst van ongemunt goud en zilver stegen de prijzen. De koning had het recht van elke verscheping van ongemunt goud en zilver zijn `koninklijke vijfde deel' (quinto real) te nemen. Het nieuwe geld bleef echter niet lang binnen de Spaanse koninkrijken.

Spaans America 1635

Vanwege de kortzichtige belastingpolitiek van de Spaanse monarchie ging het fortuin van de koning vrijwel onmiddellijk over in handen van personen die buiten de grenzen in dienst waren van Spanje, of dat nu was in het leger of in de dienstverlenende sector, in de Nederlanden, Duitsland, de pauselijke staten, Milaan, Napels, Sicilië enz.

In de 16de en 17de eeuw nam de hoeveelheid contanten in Europa enorm toe, niet alleen door import van ongemunt goud en zilver, maar ook door de opening van zilvermijnen in Europa. Rond 1650 was de toevoer van ongemunt zilver in Europa verdrievoudigd, en het cijfer van de aanvoer van ongemunt goud was toegenomen met één vijfde. De invoering van de Portugese crusado, de Spaanse gouden escudo en de zilveren reaal, de Franse louis d'or en het zilveren pond (livre), de Engelse gouden guineas (1663-1813) en zilveren shillings vergemakkelijkte kapitaalvorming en investeringen en stimuleerde de handel. De nieuwe munten voorkwamen echter niet dat Europa voor anderssoortige economische problemen kwam te staan, die voortkwamen uit prijsstijgingen van basisprodukten (zoals voedsel), bankroet enzovoort.

Verovering en vergroting

De Spaanse kolonisatie in de Nieuwe Wereld volgde op voorspelbare wijze de vanouds bekende patronen uit het moederland. De inlandse bevolking werd het Spaanse regeringssysteem, de Spaanse wetten, taal, onderwijs en cultuur opgedrongen. De Spanjaarden waren de eersten die universiteiten oprichten in de Nieuwe Wereld: in 1551 vestigden zij een universiteit te Lima in Peru; en in 1636, het jaar waarin de Engelse puriteinen Harvard te Cambridge grondvestten, had Spanje al vijf universiteiten in zijn nieuwe gebieden. De nieuwkomers vonden dat zij nieuwe gebieden voor hun land moesten veroveren, en verwachtten dat deze rijkdom ten behoeve van de verdere vergroting van Spanje zouden opleveren.

Inlanders werden beschouwd als veroverde volken, die voor hun veroveraars moesten werken in de land- of mijnbouw. Sommige conquistadores leken op Spaanse grandes met hun grote stukken land en feodale belastingrechten, hoewel de kroon in de Nieuwe Wereld veel grotere controle over haar gebieden behield dan over die in Spanje zelf. Het geïmporteerde feodale systeem, bekend als de encomienda, stond indianen toe hun eigen land te bezitten, maar de heer kon arbeid van hen eisen, tot een maximum van vier dagen per week. Het is een feit dat vele landheren de indiaanse rechten en tradities respecteerden; zij gaven hun het recht zaken voor het gerecht te brengen en in bepaalde gevallen stonden zij hun zelfs toe lagere ambtelijke functies te vervullen. Maar de feiten wijzen er wel op dat het leven van de veroverde volken in de praktijk verre van idyllisch was. Vaak leefden de inlanders in erbarmelijke omstandigheden, en werd weinig acht geslagen op de koninklijke voorschriften, volgens welke de rechten van de inlanders moesten worden gerespecteerd.

Net als in het Portugese rijk, volgden missionarissen in het kielzog van de Spaanse conquistadores. Vele geestelijken stonden zeer kritisch tegenover de nietsontziende exploitatie van de indianen door hun landgenoten en pleitten ervoor hen op menselijke wijze te behandelen. De dominicaan Antonio de Montesinos was een van degenen die de kolonisten van Hispaniola verwijten maakten over wreedheden begaan tegen de inlanders. Zijn berispingen werden op luide wijze herhaald door Bartolomé de las Casas (1474-1566), die zelfs verslagen van deze onrechtmatige handelingen presenteerde aan keizer Karel V (en later aan Filips II). Hoewel Las Casas zich de woede van zijn landgenoten op de hals haalde. wist hij het Spaanse geweten wakker te schudden. Koninklijke voorschriften verboden in 1530 en opnieuw in 1542 dat de indianen onder welke omstandigheden dan ook tot slaven zouden worden gemaakt. Na 1560 was er vrijwel een einde gekomen aan het gebruik van indiaanse slaven.

Hoewel het waar is dat de Spanjaarden (en de Portugezen) de inlandse bevolking en hun geïmporteerde slaven ernstig mishandelden verschilde hun aanpak in West-Indië van die van de Britten en Fransen, die het menselijke wezen of de onsterfelijke ziel in deze levende goederen nooit erkenden. Terwijl de Spanjaarden en de Portugezen in Brazilië het bestaan van een ziel in de inlanders toegaven, hun slaven in de kerk doopten en hun zelfs in enkele gevallen loon uitbetaalden, zagen de Engelsen en de Fransen geen reden hen anders te behandelen dan als beesten. In tegenstelling tot het grootste deel van de Spaanse katholieke Geestelijkheid stelden de Engelse protestantse geestelijken weinig belang in het beïnvloeden van het geweten van hun kudde.

Concurrentie voor Spanje

Zoals Spanje zich richtte op ontdekkingsreizen over zee na de reconquista en de consolidatie van zijn gebied, zo maakte de speurtocht naar rijkdom dat ook andere Europese landen zich richten op hetzelfde doel. Na de bloeitijd van Portugal en Spanje kwam die van Frankrijk, de Nederlanden en Engeland, die elk aanspraak maakten op overzeese bezittingen. Iedere verovering bracht nieuwe handelsmogelijkheden, hetgeen tot gevolg had dat elk land jaloers de rivaliserende Europese mogendheden in de gaten hield.

Terwijl de Portugezen en Spanjaarden de doorvaarroutes naar het oosten zochten en gaandeweg aanspraak maakten op grote stukken land op het westelijk halfrond (in het Caribisch gebied en in Zuid-Amerika), stuurde Frankrijk ontdekkers naar Noord-Amerika op zoek naar een noordwestelijke doorgang.

In 1524 zeilde de Florentijnse navigator Giovanni de Verrazano (1485-1528) onder Franse vlag langs de Noordamerikaanse kust van Florida naar de tegenwoordige haven van New York en de monding van wat de Hudson-rivier genoemd zou worden.

Tussen 1534 en 1541 maakte Jacques Cartier een vervolg op Verrazano's expedities. Hij bereikte Newfoundland. de Fundybaai en Labrador en voer de St. Lawrence-rivier op naar La Chine Rapids (ter hoogte van het huidige Montreal). Aanvankelijk waren pogingen om de streek te koloniseren echter niet succesvol.

De Fransen kregen pas een bolwerk in deze regio in de 17de eeuw na verdere ontdekkingstochten door Samuel de Champlain (1567-1635), die het handelscentrum te Quebec vestigde in 1608, de pels-handelsroutes door Frankrijks nieuwe territoria openlegde en de eerste gouverneur van Canada werd. De jezuïet Jacques Marquette en zijn metgezel Louis Joliet voeren in 1673 over de Grote Meren en maakten een lange tocht over de rivieren de Fox en de Wisconsin en drongen door in de vallei van de Mississippi die zij zuidwaarts afvoeren tot aan de monding van de Arkansas.

In 1682 bereikte een andere ontdekkingsreiziger, Robert Cavelier, Sieur de La Salle (1643-1687), de Golf van Mexico. Op de kaart was het Franse territorium nu in ieder geval imposant, zich uitstrekkend van de Atlantische Oceaan, langs de St. Lawrence tot aan de streek van de Grote Meren en zuidwaarts langs de Mississippi tot aan de Golf van Mexico.Hoewel de Fransen kampten met een chronisch tekort aan kolonisten, waren hun experimenten in Nieuw-Frankrijk over het algemeen succesvol. In 1642 werd Montreal gesticht. Boerderijen strekten zich van de monding van de St. Lawrence westwaarts uit langs de vruchtbare oevers van de rivier. De steden Quebec, Three Rivers en Montreal werden belangrijke overslaghavens, waar goederen uit Frankrijk werden uitgeladen en grote hoeveelheden pelzen werden ingeladen ter verkoop in Frankrijk en voor export naar andere Europese landen. In 1699 vestigden de Fransen een kolonie in Louisiana (genoemd naar koning Lodewijk XIV) en in 1718 stichtten zij de stad New Orleans.

De Engelsen

Terwijl de Fransen zich concentreerden op het onderzoeken van de gebieden rond de St. Lawrence en daarna van de valleien van de Ohio en de Mississippi, deden de Engelsen pogingen om de streken te koloniseren waarop de Spanjaarden geen acht hadden geslagen in het Caribisch gebied en langs de Atlantische kust van Noord-Amerika (van het tegenwoordige South Carolina tot aan New Hampshire).

De eerste kolonie, in mei 1607 gesticht te Jamestown (Virginia), werd op succesvolle wijze bestuurd door kapitein John Smith (1580-1631). Andere kolonies in Noord-Amerika volgden. De meeste vroege Engelse kolonisten kwamen niet naar de Nieuwe Wereld om er rijkdom te zoeken, maar om te ontsnappen aan religieuze vervolging. In november 1620 bereikten Puriteinse pelgrims, zeilend met de `Mayflower', Plymouth Rock in Massachusetts. Tenminste tot 1684 behielden de kolonisten van Massachusetts een regering die los stond van de Engelse kroon.

In de jaren tussen 1630 en 1642 stroomden verscheidene groepen kolonisten, in totaal misschien wel 16.000 personen, de Massachusetts Bay kolonie binnen. Later is dit gebeuren bekend geworden onder de naam Great Migration.De Engelsen besteedden net als de Portugezen veel tijd aan verbetering van de navigatiemiddelen. In 1597 werd het Gresham College in Londen opgericht om de studie van navigatie, astronomie, geometrie en wiskunde te bevorderen. De docenten van het Gresham College werkten samen met officieren van de Engelse marine, kapiteins ter koopvaardij en scheepsbouwers.

Tijdens het midden en het einde van de 17de eeuw stelde de Engelse regering belang in de grote handelsmogelijkheden die de Nieuwe Wereld bood. In 1651 en 1660 werden de Acten van Navigatie uitgevaardigd, die voorschreven dat alle verkeer naar en van de koloniën moest worden uitgevoerd in Engelse schepen en alleen via Engelse havens. Deze voorschriften vormden de basis van het economische systeem bekend als het mercantilisme. De koloniën werden nu vrijwel geheel afhankelijk van het moederland. Engelse handelaars konden voor een flinke som gelds van de koning patenten of monopolies kopen voor het leveren van Engelse goederen aan de kolonisten. Voor de Engelse handelaren en de koning leverden de nieuwe technologieën, wetgeving en verkoop van handelsrechten rijke inkomsten op in de Nieuwe Wereld: pelzen uit Nieuw-Engeland, tabak uit Virginia en suiker uit West-Indië stroomden Engeland binnen, waardoor eens schaarse goederen bijna standaardartikelen werden, waar grote vraag naar was. Zij brachten nieuwe rijkdom naar het moederland. Toen de koloniën zich tegelijkertijd met hun markten uitbreiden, ontstond er behoefte de toevoerwegen over zee en de landen zelf nauwkeurig te controleren.

De VOC en de WIC

Tegelijkertijd met de Engelsen, die aanvankelijk hun overzeese gebieden slechts langzaam exploiteerden, opereerden de Nederlanders met grote snelheid en met een duidelijk doel voor ogen. Opmerkelijk is dat de Nederlandse ondernemingen op touw werden gezet door particulier initiatief, met behulp van maatschappijen met aandeelhouders, zonder tussenkomst van de regering.

Centraal Amerika 1650

De Nederlanders stichtten in 1602 de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC), een maatschappij met aandeelhouders die allereerst f 6.500.000 bijeenbrachten om hun ondernemingen te kunnen beginnen. De VOC haalde al snel grote winst binnen toen Nederlandse ontdekkingsreizigers en kooplieden naar Ceylon zeilden, naar Java en naar Suriname.

In 1652 vestigde de VOC de Kaapkolonie in Zuid-Afrika, die zij vooral gebruikte als basis voor schepen om naar de Specerij-eilanden te zeilen: De basis voorzag passerende schepen van voedsel en wijn, die afkomstig waren van boerderijen waar uit Azië en West-Afrika geïmporteerde slaven te werk waren gesteld. In de loop van de tijd zorgde de behoefte aan vers vlees en andere goederen voor een grote expansie van de Nederlanders in het gebied van Zuid-Afrika.De Nederlanders namen echter ook het westen op de korrel.

In 1608 voer de Engelsman Henry Hudson, zeilend voor de Nederlanders, heen en weer voor de kust van Noord-Amerika met de `Halve Maan' op zoek naar de illusoire noordwest-passage naar het oosten. Hudson, de vruchteloosheid van de onderneming inziend, gaf de zoektocht echter op en legde in plaats daarvan aan bij Sandy Hook (in het huidige New Jersey); daarna zeilde hij de rivier op die nu zijn naam draagt.

In 1621 richtten de Nederlanders de West-Indische Compagnie (WIC) op, die zich moest gaan bezighouden met de Noordamerikaanse handel in pelzen en later in slaven. In 1626 kocht Peter Minuit het eiland Manhattan van de indianen. Daar en te Albany vestigden de Nederlanders kleine kolonies voor de handel en de bescherming daarvan langs de Hudson. Onder het leiderschap van Peter Stuyvesant (1592-1672) bleven de Nederlanders in de streek Nieuw-Nederland (d.i. New York) tot 1664, toen zij zich overgaven aan de Engelsen.

Van alle koloniale machten zou Engeland het bekwaamst blijken zowel in het vasthouden als in het vergroten van de overzeese bezittingen. Engeland wist Spanje zelfs vele overzeese havens afhandig te maken, wanneer het land daar militaire en commerciële belangen bij had. Met zijn superieure vloot had Engeland weinig moeite bij het verkrijgen van gebiedswinst en handelmonopolies.

Centraal America 1690

De Vrede van Utrecht in 1713 gaf de Britten het asientorecht, een monopolie op de slavenhandel. Daarmee had Groot-Brittannië de Spanjaarden en de Nederlanders bijna verdreven. De groeiende maritieme kracht van de Britten maakte al snel dat Spanje zijn eigen koloniën niet meer van voldoende goederen kon voorzien. Britse kapers en oorlogsschepen namen onophoudelijk Spaanse schepen buit, van tijd tot tijd de Spaanse bron van ongemunt goud en zilver afknijpend, waardoor dit koninkrijk vaak in onstabiele economische omstandigheden verkeerde. Door de levering van goederen aan Spaanse koloniën te blokkeren werd smokkelen en andere manieren van woekerwinsten behalen steeds aantrekkelijker voor een groeiende horde van Britse vrijbuiters.

In elke nieuwe kolonie werden bestuurssystemen en sociale organisaties opgericht die sterk leken op die van het moederland. Spanje creëerde twee nieuwe onderkoninkrijken in de Nieuwe Wereld waardoor het totale aantal van zulke bestuursgebieden in het gehele koninkrijk op negen kwam. Elke nieuwe afdeling kopieerde de ambten, legde veelal dezelfde eisen op, oefende dezelfde rechtspraak uit, bevorderde dezelfde godsdienst en kweekte over het algemeen dezelfde cultuur aan als die werd gevonden door geheel Spanje.

De Fransen plaatsten op dezelfde wijze in Nieuw-Frankrijk te Quebec een plaatselijke gouverneur, terwijl de Nederlanders in Nieuw-Nederland en de Engelsen in de Amerikaanse koloniën hun eigen politieke en sociale structuren importeerden. Maar het regeren van de kolonisten uit de Oude Wereld bleek iets geheel anders dan het opleggen van de Europese zeden aan de inlanders. In de meeste gevallen lieten de eerste kolonisten zich weinig gelegen liggen aan de behandeling van de inheemse bevolking. De Spanjaarden gebruikten de inlanders waar dat mogelijk was, zoals in Nieuw-Spanje en Nieuw-Castilië, als goedkope arbeidskrachten die in de zilvermijnen konden werken; alleen de verontwaardiging van de missionarissen voorkwam andere schanddaden.

De Atlantische wereld in 1713

De Atlantische wereld in 1713

In Noord-Amerika deden de puriteinen weinig om de indianen het evangelie bij te brengen, waarschijnlijk omdat zij ervan overtuigd waren dat een dergelijke onderneming weinig kans van slagen had. In plaats daarvan leefden zij met hen samen, handel drijvend wanneer dat goed uitkwam, maar toen de behoefte aan land van de kolonisten steeds groter werd, dreven zij hen steeds verder weg van hun geboortegrond.

Franse missionarissen in Noord-Amerika keken echter goedaardiger aan tegen de inlandse bevolking en deden zelfs pogingen de indianen te bekeren. Vaak gaven zij hen ook onderwijs. Zoals Spanje had Frankrijk zijn verbintenis met het rooms-katholieke geloof in de tijd van de reformatie behouden. In 1622 richtte de paus de Congregatie voor de Bevordering van het geloof op, die bekering als een prioriteit beschouwde. Franciscaner en Dominicaner missionarissen reisden naar India, China en de Nieuwe Wereld. In India, de Filippijnen en China sprongen missieposten, scholen en seminaries als paddestoelen uit de grond. Zij moesten zorgen voor de bekering van de inlandse bevolking. De zusters Ursulinen stichtten in Quebec de eerste school voor meisjes in Noord-Amerika, en namen zowel Franse als indiaanse leerlingen op.

De commerciële successen van deze koloniale ondernemingen maakten grote indruk op de leiders van de Europese landen. Tegen het midden van de 17de eeuw was er een strijd op gang gekomen om koloniën, niet alleen in Europa, maar over de gehele wereld. Europese oorlogen werden ook gevoerd in de Nieuwe Wereld. Landen vielen elkaars overzeese bezittingen aan; door de weg naar de koloniën af te snijden werd de economie van de vijand schade berokkend. De overwinnaar in deze oorlog was uiteindelijk het land dat de zeeën beheerste, maar veel was nodig om dat te bereiken. Naast een toegewijde buitenlandse politiek, moest de succesvolle koloniserende macht gebruik maken van de laatste technieken op het terrein van navigatie, oorlogvoering en zelfs landbouw. Het werd steeds duidelijker dat succes bij het opbouwen van een wereldrijk een gezamenlijke inspanning op vele fronten vereiste, en dat de prijs in handen zou vallen van die landen die aanzienlijke risico's durfden te nemen en forse geldelijke verplichtingen waagden aan te gaan voor zowel hun vloten als die takken van wetenschap en technologie die deze vloten effectieve instrumenten van buitenlandse politiek zouden maken.

Latijns Amerika rond 1800 voor de onafhankelijkheid

Latijns Amerika rond 1800 aan de vooravond van de onafhankelijkheid.

Verandering in de oorlogvoering

De Europese ontdekkingen en veroveringenin de Nieuwe Wereld zouden niet zo ver zijngekomen zonder de grootschalige ontwikkelingen in de zeiltechniek. De uitvinding van nieuwe typen zeilen bijvoorbeeld maakte het manoeuvreren gemakkelijker. Maar deze nieuwe steun zou toch niet veel hebben betekend, als de Europeanen niet bases hadden kunnen vestigen in hun nieuw ontdekte gebieden of niet wegen hadden gevonden om hun scheepvaartroute te beveiligen.

Aan de nieuwe zeiltechnieken voegden de Europeanen nieuwe gevaarlijke werktuigen toe voor hun tegenstanders, met name vuurwapens. De Portugese verovering van de Indiase kust en hun superioriteit ten opzichte van de Arabische vloten kwamen door hun voortreffelijke vuurkracht. Als eerste plaatsten zij een simpel kanon op de bak van het scheepsdek. Dit leidde al snel tot het vinden van een manier om meer en zwaardere stukken artillerie aan boord van hun schepen neer te zetten.

Tussen 1500 en 1588, het jaar van de vernietiging van de Spaanse Armada, nam het aantal stukken geschut aan boord der schepen flink toe. Cortes' en Pizarro's veroveringen in Amerika werden enorm gesteund door kanonnen en musketten die waren meegenomen om te gebruiken in de slagen met de Azteken en Inca's.Terwijl conquistadores bezig waren inlandse beschavingen aan Spanje te onderwerpen, waren specialisten op het terrein der militaire tactiek de kunst der oorlogvoering aan het veranderen. Daarmee brachten zij tevens grote politieke en sociale veranderingen teweeg.

De produktie van munitie op grote schaal stimuleerde de vervaardiging van grotere stukken artillerie. Grote kanonnen en geavanceerde wapens waren duur: koningen en keizers konden het voor hun eigen legers over het algemeen betalen, maar de lagere adellijken, die tot dan toe volgens traditie vrij grote eigen legers hadden onderhouden niet. Naast de hoge kosten van nieuwe stukken artillerie kwamen de buitengewoon grote uitgaven voor het uitrusten, inkwartieren en betalen van steeds grotere aantallen soldaten, die in opstand kwamen wanneer zij geen geld kregen. In korte tijd werden legers noodzakelijkerwijs een koninklijk monopolie. Het uiterlijk van de steden veranderde ook. Steden die waren gefortificeerd met hoge wallen en hoge kantelen waren opnieuw kwetsbaar geworden door beschieting met kanonskogels.

In de vroege 17de eeuw was de militaire tactiek ook veranderd. In de 16de eeuw was de Spaanse infanterie zowel innovatief wat betreft haar strategie als wat betreft haar tactiek. Spanjes legers bestonden toen uit zo'n 3000 tot 4000 soldaten, die geweren droegen, kruisbogen en pieken — zeer effectieve wapens tegen een cavalerieaanval van goed bewapende ridders. Elk leger had tien tot twaalf van zulke carrés die konden worden opgesteld om het maximale effect te sorteren. In de vroege 17de eeuw waren echter de zwakheden van deze tactiek aan de dag gekomen.

De Nederlanders gebruikten een nieuwe tactiek tegen de zwaarbewapende Spaanse legers in hun Opstand tegen Spanje. Zij offerden logge kracht op voor flexibiliteit en snelheid, zij wisten hun sterke tegenstanders aan te vallen wanneer dezen niet op hun hoede waren en berokkenden hun grote schade. In de Dertigjarige Oorlog verfijnde koning Gustaaf Adolf van Zweden deze aanpak verder en hij bouwde het sterkste leger in Europa op. Als onderdeel van deze tactiek voerde de Zweedse koning een nieuw lichtgewicht kanon in dat op het slagveld van plaats naar plaats kon worden gebracht.

Het effect van nieuwe militaire strategieën was in 1588 ook zichtbaar op zee tijdens het treffen tussen de Spaanse Armada en de snellere Engelse schepen. In de 17de eeuw konden Engelse schepen trots de Spaanse scheepvaart schade berokkenen, of naar vrije wil onaangetast voor Spaanse kusten heen en weer varen en vuren op onbeschermde steden en dorpen.Doordat nationale legers en vloten veel grotere aantallen soldaten en zeelieden vergden kwam de moderne oorlogvoering duidelijk in zicht.

Zie voor deel 29 Oorlog door de Eeuwen heen: Deel 29 Oorlog door de Eeuwen heen