We hebben 165 gasten online

De Romeinen en de Romeinen in Nederland Deel 3

Gepost in Praktische opdrachten

romeinse rijksgrens in leidsche rijn

Het was een dag in 1997, de opgravingen waren nog niet zo lang bezig, toen archeologen in Leidsche

Rijn op de bovenkant van een plank stuitten. Daaronder bleek nóg een plank te zitten, daaronder ook.

Al gauw werd duidelijk dat hier een schip lag.

Een 'wereldvondst' noemen archeologen het, in eik geval het gaafste Romeinse schip dat ooit ten

noorden van de Alpen is ontdekt. Maar jarenlang ontbrak het geld om het op te graven, dus werd

besloten het te laten liggen. De nieuwbouw in Leidsche Rijn veranderde de zaak. De huizen- en

stratenhouwers veroorzaakten stromingen van zuurstofrijk grondwater naar het vaartuig, dat

daardoor gevaar liep te gaan rotten. Het rijk stelde geld beschikbaar voor de opgraving.

Nu ligt het schip er open en bloot bij in een grote, witte tent. De zijkanten zijn duidelijk te zien.-

planken aan elkaar geklonken met ijzeren nagels, typisch Romeins. Aan de binnenkant van deze

hoordplanken zitten de L- vormige spanten die de zijkanten met de bodem verbinden.

Terwijl archeologen naast het schip gleuven graven om de samenstelling van de grond te

onderzoeken, wordt het vaartuig aan de binnenkant verstevigd met latwerk en piepschuim.

Volgende maand wordt het gelicht - er wordt een soort kooiconstructie omheen gebouwd -

en overgebracht naar het Nederlands Instituut voor Scheeps- en onderwaterarcheologie

(NISA) in Lelystad. Daar wordt het geconserveerd door langdurig impregneren met

polyethyleenglycol, dat het vocht uit het hout drijft.

'Het schip is niet gebruikt als waterkering, zoals andere Romeinse schepen in Nederland,

maar moet zijn vergaan', vertelt NISA-archeoloog drs. André van Holk.

'Het is plotseling verlaten met achterlating van de inventaris, die we vooral in het

achterschip hebben gevonden: talrijke gereedschappen voor houtbewerking, een

notenhouten kastje, een kist, een pen, een mes, de deurtjes naar de overdekte verblijven

op de achtersteven.' Van Holk- 'Het schip is 2,7 meter breed, smaller dan andere Romeinse

schepen. Voor transport van zware goederen was het minder geschikt. Vee zou wel gekund

hebben, of voorraden. En mensen, misschien soldaten.'

romeinse boot leidsche rijn

Archeologen leggenin de Utrechtse nieuwbouwwijk Leidsche Rijn een Romeins schip uit de

2de eeuw bloot

OVER DE LEIDSCHE GRENS

De Romeinse rijksgrens in Nederland was niet alleen een defensief schild, maar vooral een

corridor voor transport. Dat blijkt uit opgravingen in de Utrechtse nieuwbouwwijk Leidsche

Rijn. Resten van wegen en torens plus een vrij gaaf schip zijn de stille getuigen. Door Eric

Nendriks

Er loopt een pad van houtstrooisel door het gras van Leidsche Rijn, de nieuwe Utrechtse

wijk in aanbouw. 'Precies onder dit pad liep tweeduizend jaar geleden de Romeinse grensweg,

richting kusT, zegt gemeentelijk archeoloog drs. Erik Graafstal. 'Langzamerhand wordt duidelijk

hoe die grenszone er hier uit zag. En dat deze heel anders was inge- richt dan vaak nog wordt

gedacht.'

Over een lengte van drie kilometer zijn de laatste jaren kleine delen van de grensweg opgegraven.

Resten van drie wachttorens zijn gevonden en vele 'voorzieningen voor het wegonderhoud ontdekt.

Als klap op de vuurpijl leiden de archeologen afgelopen maanden een 25 meter lang schip uit de

2de eeuw (zie hierboven) bloot.

En terwijl het gewroet en gegraaf nog stug doorgaat, zijn de archeologen al bezig met de

theorievomiing over dit deel van de Romeinse rijksgrens. Tot de val van het Romeinse rijk liep

die grens dwars door Nederland, globaal langs de oude loop van de Rijn. Het was een linie van

legerplaatsen, verbonden door een patrouilleweg, bedoeld om smokkelhandel en infiltraties tegen te gaan.

'Maar uit onze vondsten blijkt dat de grenszone veel meer was dan een defensief schild', zegt

Graafstal. 'In feite hebben we hier te maken met een bundel van transportwegen. Niet alleen de weg,

maar juist ook de rivier werd intensief gebruikt voor vervoer van oost naar west.

'Dat transport was de échte functie van het gebeuren hier, Een ondoordringbaar scherm was het

bepaald niet. Onnodig trouwens, want vooral in het westen van Nederland, ook langs de rijksgrens,

lagen ontoegankelijke veengebieden, waar niet zo gauw mensen doorheen liepen.

' In Leidsche Rijn volgde de grens een kronkelige zijtak van de Rijn. Waar de ondergrond stevig

genoeg was, sneed de weg rivierbochten af, op andere plaatsen liep hij op (zandige) stroom- ruggen

dichterbij het water. Aanvankelijk liep de weg laag over de grond, vijf meter breed en bedekt met

grind. Maar geregeld waren er overstromingen. Daar werd de weg dan opgehoogd, beschoeid met

eikenhouten palen, planken enlof basalt die van elders werden aangevoerd.

Graafstal: 'Die weg vergde veel onderhoud en daartoe ontstond geleidelijk een aaneenschakeling

van voorzieningen. Zo hebben" we de resten van een loskade gevonden: een platform waar de

bouwmaterialen voor het onderhoud konden worden uitgeladen. Ook blijkt er een rnoerasbrug te

zijn geweest, waarover water van een gezwolleri rivier kon weglopen naar het moerassige veengebied

erachter, zodat de weg niet overstroomde.'

De vondst van de wachttorens resten van palen en verkleuringen in de grond verheugde de

archeologen in het bijzonder. Wachttorens werden door de Romeinen op regelmatige afstanden

langs de rijksgrens neergezet, maar ze waren tot dusver vrijwel alleen bekend van plaatsen

waar de grens niet langs een rivier liep'. Het tracé tussen Rijn en Donau in Duitsland bijvoorbeeld,

of de Muur van Hadrianus in Brittannië. Bij riviergrenzen zijn er nauwelijks overblijfselen van

aangetroffen.

'Dus was niet bekend of ze ook op regelmatige afstanden langs de Rijngrens stonden',

zegt Graafstal. 'Daar zijn dus nu wél aanwijzingen voor. En kijk: ze staan aan de rivier,

soms op meer dan honderd meter afstand van de weg. Het heeft er alle schijn van dat ze

vooral bedoeld waren om het rivierver- keer in de gaten te houden. Om verdachte schepen

te signaleren bijvoorbeeld, en de aanwezigheid daarvan aan elkaar en aan de legerplaats hier

vlakbij door te geven met rook- en vuursignalen.

' Maar wat bezielde de Romeinen om zoveel tijd en moeite te steken in al dat onderhoud en

die bewaking van een transportcorridor door een afgelegen, drassige uithoek van het rijk?

Volgens Graafstal zou het weleens te maken kunnen hebben met de verovering van Brittannië.

In het jaar 43 voegde keizer Claudius Brittannië definitief toe aan het-Romeinse rijk. De weg-

riviercombinatie in midden-Nederland was mogelijk een essentiële verkeersader voor de aanvoer

van manschappen en voorraden naar de Noordzee en de overkant daarvan.

Graafstal: 'En er zijn onlangs in Woerden en Alphen aan den Rijn aanwijzingen gevonden dat

de eerste militaire bouwwerken hier al rond het jaar 40 werden aangelegd. Was dat ter voor

bereiding van de invasie van Britttannië?

'In elk geval is er het krankzinnige verhaal over keizer Caligula (37-41), voorganger van

Claudius, die zijn artillerie opstelde op het strand en zijn mannen daar schelpen liet verzamelen als

"buit van de zee". Misschien is dat verhaal minder vreemd dan het lijkt.'

ROMEINS VAREN

ringen om roespanen vast te maken reconstructietekening

Foto van een gedeelte van het schip. Twee ijzeren ringen aan stuurboordzijde van het schip,

mogelijk dienend als dol voor roeispanen. Daaronder een reconstructietekening van een deel

vanhet in Leidsche Rijn gevonden Romeinse schip.

Een gezellig roefje, een kombuis: voor het eerst is de opbouw van een Romeins schip terugge-

vonden. Het was waarschijnlijk een trekschuit.

Theo Toebosch NRC 17/18 mei 2003 wetenschap en onderwijs

EEN GROTE witte bouwtent staat in een weiland aan de rand van de nieuwbouwwijk Veldhuizen

in Leidsche Rijn. Bij eerdere vondsten in Leidsche Rijn, een Romeinse weg, houten palen van een

Romeinse wachttoren, ging het nog om vondsten waar het publiek met visuele middelen geholpen

moest worden om iets van de opwinding van de archeolo- gen te begrijpen. Wat in de tent ligt

spreekt voor zichzelf. Hier ligt een natte mini-uitvoering van Pompeï, een vrijwel gaaf Romeins

schip, dat ter plekke is gezonken - met alles nog aan boord.

Twee archeologen van de gemeente Utiecht, die de weg en de toren hebben opgegraven, staan

in de tent. De opgraving van het schip is niet hun werk, maar dat van André van Holk, de specialist

van het NISA (Nederlands instituut voor Scheeps- en onderwaterarcheologie). Maar dit is iets dat

ze als archeoloog waarschijnlijk nooit meer meemaken. Ze hebben zich daarom vrijgeroosterd van

hun eigen werk en hebben Van Holk vriendelijk aangekeken om ook een weekje mee te kunnen graven.

Het priegelwerk op de hurken en de pijn in de knieën nemen ze op de koop toe.

'TOK'

Het schip is al in 1997 gevonden. Bij toeval. De Romeinse weg was net een paar uur eerder ontdekt,

toen de graafmachinist opdracht kreeg om nog even vijf meter verder te kijken of de wegdaar doorliep.

Een droog klinkende 'tek' was genoeg om de graafmachine meteen stil te zetten. Na even voelen en

wat modder weghalen, was de conclusie snel getrokken. Ze wisten dat naast de weg, de Rijn had

gelopen, dus de opstaande houten rand die te voorschijn was gekomen moest een schipzijn.

Het NISA kwam er bij voor een snel proefonderzoek en die haalde uit de modder een gave

gereedschapskist met inhoud. De sensatie was compleet. in Nederlanil zijn tot nu toe ongeveer

vijftien Romeinse schepen gevonden. De bekendste zijn de zes van Zwammerdam (drie kano's

en drie grote vrachtschepen),die begin jaren zeventig bij Alphen aan den Rijn zijn ontdekt. Maar

al die schepen waren ooit bewust tot zinken gebracht, onder andere om als fundering van een

havenuitbreiding te dienen. De vondst van de gereedschapskist in Leidsche Rijn was een aanwijzing

dat dit schip, toen het zonk, nog in bedrijf was. Te vergelijken met een tijdscapsuIe, net als Pompeï,

waar de uitbarsting van de Vesuvius de tijd had stilgezet.

Toch was opgraven niet de eerste reactie van de archeologen. Opgraven betekent een kennisbron

vernietigen. Daarom laten archeologen sinds enige jaren waar mogelijk alles liggen waar het ligt. Voor

toekomstige generaties zeggen ze, die andere vragen dan zij hebben en wie ze de gelegenheid willen

geven de bron zelf te raadplegen. Daarbij nemen ze voor lief dat ze zelf geen kennis van die bron

kunnen nemen en tonen ze een op vallend en onvoorwaardelijk vooruit gangsgeloof. Later, zeggen ze,

zullen er betere, want niets vernietigende onder- zoeksmethoden uitgevonden worden. Aan niet

opgraven zit ook nog een ande re kant: het bespaart tijd en geld, midde len die ingezet kunnen worden

voor vindplaatsen die wel door onmiddellij ke vernietiging worden bedreigd.

Bij het schip werd al snel duidelijk dat het toch niet ongestoord kon blijven lig gen. Door bouwen in de

omgeving zou zuurstofrijk grondwater bij het schip komen en het hout aantasten. Toch duurde het nog

even voordat de opgra- ving kon beginnen. Eerst moest worden uitgevochten wie de benodigde twee

miljoen gulden - de euro was nog niet ingevoerd - zou gaan betalen. De ge meente Vleuten-De Meern

kon en wilde niet alles betalen en daarom was het wachten tot OCenW 1,2 miljoen gulden subsidie gaf.

EERSTE PAAL

Begin maart was het zo ver en werd de eerste paal geslagen voor een stalen damwand rondom het schip.

Al na een paar dagen graven werden de vermoedens bevestigd. Hier, op een plek waar de Rijn vroeger

dertig meter breed en twee meter diep was, lag inderdaad een van de gaafst bewaard gebleven

romeinse schepen. Gaver dan de vijf transport schepen van Mainz, die in de jaren tachtig zijn gevonden,

en completer dan de schepen die vorig jaar in Pisa zijn opgegraven. Aan de achterkant stond de roef

(de kajuit) nog 1,20 meter hoog overeind. ook de inventaris was nog intact. Voor het eerst kregen

archeologen een verrassende indruk van het leven aan boord van een Romeins rivierschip. Al het houtwerk

bleek met zorg gemaakt en bewerkt. Deurtjes gaven toegang tot de kajuit van vijf vierkante meter. Met een

stang kon de ruimte worden afgesloten. Tegen de voorste wind stond een bank dan wel bed met gedraaide

poten. Boven het bed vormden splitjes met zwartgebrande driehoekjes een soort kast. Verder was er nog

een notenhouten kastje met parallelle groefjes. Op de deurtjes zat een ijzeren slot. Uit het kastje kwamen

een schaar, een krijtje, een stylus (kraspen), een muntje, een mes en twee halfronde stokjes.

"Iets passerachtigs", denkt Van Holk. In de kajuit lag ook een grote kist van 1,70 meter lang en veertig

centimeter breed en hoog. Met een stukje touw als enige inhoud.

Tegenover de kajuit was nog een ruimte, zonder deuren, dus voorlopig is het de vraag hoe je daar binnen

kwam. Via het dak? Van Holk weet het nog niet. in de ruimte lagen een grenen vloertje met brandplekken

en dakpannen. "Waarschijnlijk de kombuis met stookplaats." Na tien weken graven is het eikenhouten schip

bijna helemaal, 24,6 meter lang en 2,70 meter breed, van voor tot achter uitgegraven. Met zijn platte bodem

en met voor en achter een recht afgesneden, geleidelijk oplopende steven lijkt het een reuzenpunter. Een gat

ontbreekt, dus waarschijnlijk is het- op een door storm te onstuimige rivier? - vol water gelopen en daardoor

gezonken. Het schip heeft ook wel iets weg van de karretjes in een schroevendraaiende achtbaan: de

achterkant maakt slagzij naar links, terwijl de voorkant naar de andere kant helt. Vele grote ijzeren spijkers

houden de boel bij elkaar. "Typisch Romeins", weet van Holk, "die gebruikten geen houten pennen, maar

deden alles met ijzér."

Voorjaarringenonderzoek is het nog te vroeg, maar op grond van het gevonden aardewerk is Van Holk

zeker dat het schip uit 180 na Christus of net iets later dateert. De tijd van keizer Commodus, met onrust

aan de grens in de Lage Landen door invallen van Chaukische zeerovers en het begin van de bouw van stenen

forten langs die grens, ter vervanging van de oudere houten.

ZOOL

De vondst van een zool van een Romeinse soldatenschoen onderin het schip maakt duidelijk dat het schip in

militaire dienst was en dus alles te maken had met de Romeinse grens en zijn forten en wachttorens langs

de Rijn. Van Holk weet alleen nog niet waarvoor het schip werd gebruikt. De langere en bredere schepen

van Zwammerdam dienden waarschijnlijk voor bulktransport van stenen voor de bouw van forten. Twee

afgepunte houten paaltjes in het verder lege ruim acht Van Holk geen bewijs voor houttransport door

zijn verhoudingsgewijs smalle schip. "Dat hout kan makkelijk van elders met de rivier zijn meegevoerd en

ingespeeld." Hij houdt het voorlopig op bevoorrading ,van stukgoed voor bijvoorbeeld de wachtposten.

Vervoer van dieren sluit hij vanwege de lage en geleidelijk oplopende instap ook niet uit. Onderzoek van

grondmonsters uit het ruim geven hopelijk later meer duidelijkheid.

Nog een onopgelost probleem: hoe voeren de Romeinen met hun schepen op de rivier? Stroomafwaarts

ziet Van Holk geen problemen, dat was gewoon een kwestie van met de stroom meedrijven, maar

stroomopwaarts moet een ander verhaal zijn geweest. Rechts van de achtersteven zitten twee ijzeren ringen

(zie reconstructietekening en foto hierboven)die mogelijk voor roeispanen hebben gediend. Op vijf meter van de

voorsteven zit het gat waar de mast heeft gestaan. Stroomopwaarts zeilen met zo'n groot schip op een

meanderende rivier lijkt Van Holk moeizaam en gezien de plaatsing van de mast voorin het schip denkt hij dat het

om een jaagmast ging. Dat zou dan op trekken kunnen duiden. Dat de boot met zijn boeg stroomopwaarts is

gevonden, ondersteunt dat idee. Hij kan er nog even over nadenken. Volgend jaar juni moet zijn rapport af zijn.

in de tussentijd zal het schip bij het NISA in Lelystad in een bad met poly- ethyleenglycol worden geconserveerd.

Daarvoor moet er eerst een beschermende staalconstructie omheen, waarna het gelicht en op een dieplader

geladen zal worden. Donderdag 12 juni staat Van Melk met het zweet in zijn handen.

Meer informatie op www.romeinsschip.nl.

http://www.archeos.nl/schip/

http://www.archeos.nl/