We hebben 115 gasten online

Ambtenaar in oorlogstijd deel 1 Wennen aan de bezetter

Gepost in Endlösung

Het ambtelijk apparaat maakt onder de Duitse bezetting een enorme groei door. De SG’s overwegen collectief ontslag, maar treden niet af ‘daar een algemene chaos op elk gebied hier het enige gevolg van zou zijn’.

Door: René Zwaap | bron PM voor beslissers van de overheid

 

In mei 1940 veranderde het college van secretarissen-generaal, achtergelaten door de naar Londen uitgeweken koningin en haar ministers, in het hoogste Nederlandse bestuursorgaan onder Duitse bezetting. De topambtenaren kwamen in een uiterst delicate positie, waarin zij moesten balanceren tussen ambtelijke loyaliteit en collaboratie.
In een terugblik op de roerige dagen van mei 1940 na de Duitse inval op 10 mei, schrijft de toenmalige secretaris-generaal van het ministerie van Handel, Nijverheid en Scheepvaart Hans Max Hirschfeld in zijn memoires: ‘Het meest opvallend was de indruk van volkomen verslagenheid, welke de minister-president maakte. Niet alleen van de minister-president ging geen leiding uit. Afgezien van een enkele uitzondering, maakte het geheel der gezagsdragers een uitermate zwakke indruk, men was totaal overrompeld.’
Hirschfeld fungeert in die van angst en paniek doortrokken dagen als gastheer van de Nederlandse regering, die door de bedreiging van Duitse bombardementen op het Plein in Den Haag is ondergebracht in de schuilkelders van zijn departement aan de Bezuidenhoutseweg 30. Wat zich daar precies afspeelde is nog altijd in mysteriën gehuld; Hirschfeld verbood zijn ambtenaren uitdrukkelijk ook maar één woord te spreken over deze episode. Zelf deed hij er, behalve die summiere passage in zijn gedenkschriften, ook het zwijgen toe.
De ontreddering onder de kabinetsleden moet enorm zijn geweest. Het Nederlandse leger wordt, mede door een tekort aan munitie, in mum van tijd onder de voet gelopen. De Duitse parachutistenlandingen op de Moerdijk en in de Rotterdamse Waalhaven maken de Waterlinie, waar de Nederlandse verdedigingsstrategie op gebasseerd is, in één klap waardeloos. De vaderlandse luchtmacht is al na één dag strijd weggevaagd. De enige verbinding van het kabinet met de buitenwereld is een telefoonlijn met de Nederlandse gezant in Londen.
Het is op de Bezuidenhoutseweg dat de ministers in hun schuilkelder te horen krijgen dat koningin Wilhelmina het besluit heeft genomen uit te wijken. De ministers besluiten haar te volgen. Minister Max Steenberghe, de directe baas van Hirschfeld, is aanvankelijk van plan in Nederland te blijven om als intermediair tussen de ambtelijke Nederlandse top en de Duitse bezetter te fungeren, maar wordt door premier De Geer gemaand ook te vertrekken. Steenberghe draagt de regeringsbevoegdheid van het kabinet over aan generaal Henri. G. Winkelman, opperbevelhebber van de militaire strijdkrachten, die zo de directe superieur wordt van het college van secretarissen-generaal, die de opdracht krijgen wél in Nederland te blijven.

Aanwijzingen


Koningin en kabinet vertrekken op 13 mei naar Engeland. 14 mei wordt Rotterdam gebombardeerd en is de Nederlandse militaire weerstand tegen de Duitsers definitief gebroken. Diezelfde dag komen de SG’s bijeen en krijgen zij van secretaris-generaal van ­Defensie Cornelis Ringeling te horen dat de capitulatie aanstaande is. De volgende dag ondertekent generaal Winkelman in Rijsoord de capitulatie. Inmiddels hebben de SG’s de verzegelde enveloppen opengemaakt waarin zich de ‘Aanwijzingen’ bevinden. Met het oog op een vijandelijke Duitse bezetting had het derde kabinet-Colijn al in mei 1937 een instructie uitgevaardigd voor bestuursambtenaren voor het geval Nederland zou worden bezet. Deze ‘aanwijzingen betreffende de houding, aan te nemen door de bestuursorganen van het rijk, de provinciën, gemeenten, waterschappen, veenschappen en veenpolders, alsmede door het daarbij in dienst zijnde personeel en door het personeel in dienst bij spoor- en tramwegen in geval van een vijandelijke inval’, waren opgesteld door een viertal hoofdambtenaren van de departementen van Defensie en van Binnen- en Buitenlandse Zaken.
Tot mei 1940 waren deze instructies het grootste geheim van politiek Den Haag, ze zaten in een verzegelde envelop en zelfs leden van het kabinet-De Geer, onder wie minister-president De Geer en minister van Justitie Gerbrandy, waren er onbekend mee. De Aanwijzingen vermaanden de ambtenaren hun ambt voort te zetten in het geval van een bezetting, en gaven tevens aan hoe men zich te gedragen had. Citaat uit de Aanwijzingen: ‘De reden dat ambtenaren in functie blijven, is deze, dat dit in het belang is van de bevolking; het nadeel, dat zij daardoor mede het belang van de bezetter dienen, is in het algemeen geringer dan het grotere nadeel, dat voor de bevolking zou voortvloeien uit het niet meer functioneren van het eigen bestuursapparaat. Indien echter de ambtenaar, door in functie te blijven, zodanige diensten aan de vijand zou bewijzen, dan deze groter kunnen worden geacht dan het nut, dat voor de bevolking aan zijn aanblijven is verbonden, dan zal hij zijn post moeten verlaten.’
Volgens de Aanwijzingen hadden de ambtenaren de taak de Nederlandse burgers te instrueren zich in de geest van de instructies te gedragen. Daarin waren de Aanwijzingen zeer specifiek. Verboden werd ‘rechtstreekse deelneming’ van Nederlandse burgers aan de krijgsverrichtingen. ‘Daaronder moet zeker worden gerekend, en is dus ongeoorloofd, o.a. het werken in munitiefabrieken, in werkplaatsen voor de vervaardiging van militaire kleding en uitrusting e.d.; het graven van loopgraven, het aanleggen van versterkingen van welke aard dan ook (waaronder ook te rekenen het maken van versperringen en het doen van opruimingen ter verbetering van het schootsveld); het vervoer van troepen of van munitie in het algemeen voor zuiver militair materieel.’ Volgens Artikel 17 van de Aanwijzingen was geoorloofd: ‘Het herstellen van wegen, bruggen, gebouwen, transporten van niet-specifiek militaire aard, en dergelijke werkzaamheden, welke geacht kunnen worden in het belang van het maatschappelijk leven van de bevolking te zijn, ook al zou de vijand daarvan mede profiteren voor zijn oorlogsvoering.’ Maar verder mocht de Nederlandse burger – en dus ook de ambtenaar – niet gaan, zo werd duidelijk aan het laatste punt van de Aanwijzingen: ‘Alle inwoners zonder onderscheid behoren ervan doordrongen te zijn, dat het verrichten van ongeoorloofde werkzaamheden een daad is van verraad tegenover hun eigen land, dus moreel verwerpelijk en bovendien strafbaar (…) terwijl ieder, die aan de werkzaamheden zou moeten meewerken, dit beslist moet weigeren, wat daarvan ook de gevolgen mogen zijn.’

Scheepswerven


In zijn memoires noemt Hirschfeld de Aanwijzingen ‘in grote lijnen wel bruikbaar’, maar ‘wat het meer concrete beleid betreft, waren de hoofdambtenaren in de toekomst aangewezen op hun gezonde verstand en hun nationale geweten’. In werkelijkheid is de geest van de Aanwijzingen nog voor het verstrijken van 1940 geheel vervlogen. Op 17 mei 1940 spreekt Hirschfeld de Duitse consul-generaal Benzler, waarbij hij namens de secretarissen-generaal verklaart dat ze bereid zijn ‘op meest loyale wijze met de Duitse bezettingsautoriteiten samen te werken.’ De Aanwijzingen zullen door de SG’s ‘ruim worden uitgelegd’, aldus Hirschfeld tegenover Benzler. De SG’s gaan in de clinch met generaal Winkelman over de vraag of Nederlandse scheepswerven in Schiedam het werk aan militaire opdrachten – onderzeeboten, torpedojagers en mijnenvegers – die de Nederlandse regering had gegeven, mogen hervatten ten dienste van de Duitsers. Winkelman is mordicus tegen omdat hij dit ziet als hulp aan de vijand, maar Hirschfeld, aangespoord door de werfdirecteuren, weet het er toch door te drukken. Het resultaat is dat Winkelman bij de Duitsers in ongenade valt en uit zijn functie wordt gezet. Korte tijd later wordt hij afgevoerd naar Duitsland.
Op 29 mei stellen de Duitsers de fanatieke Oostenrijkse nazi Seyss-Inquart aan als Reichskommissar van de bezette Nederlandse gebieden. De SG’s blijven bevoegd zelfstandig wetgevend en bestuurlijk op te treden, maar de Rijkscommissaris heeft wel de bevoegdheid alles te herroepen. Als een SG het niet eens is met een beslissing van Seyss-Inquart, staat het hem vrij zijn ontslag in te dienen zonder repercussies. Obstructie wordt echter niet getolereerd. Een van de eerste beslissingen van Seyss-Inquart is het verhogen van de salarissen van de SG’s, van 8.000 naar 14.000 gulden per jaar, waarmee ze evenveel gaan verdienen als een minister. De ambtenaren vinden de riante verhoging van hun honorarium pijnlijk, maar accepteren hem toch. In feite voelen ze zich ook minister. Ze komen drie keer per week bijeen en tonen hernieuwde daadkracht. Zo introduceren de SG’s een ontslagverbod en verkorten ze de werkweek van 42 naar 38 uur. Er is een onderstroom van enthousiasme te bespeuren bij de hoogste ambtenaren over de kansen die de Duitse bezetting biedt. Het Nederlandse ambtenarenapparaat groeit als nooit te voren. Zowel bij het rijk, als bij de provincies en de gemeenten komen meer mensen in dienst. Soms is er sprake van een groei van meer dan 70 procent. Alleen al Hirschfeld heeft als SG meer dan 50.000 ambtenaren onder zich, een astronomisch, nooit eerder gezien getal binnen de Nederlandse verhoudingen.
De SG’s zijn bevrijd van de partijpolitiek nu de ministers gevlucht zijn en de Tweede Kamer en de Senaat op non-actief zijn gesteld. Ze gaan over tot wijzigingen van de Woningwet, voeren gemeentelijke herindelingen uit, wijzigingen de financieringsmethoden ten bate van provincies en gemeenten. Het zijn maatregelen die buiten het mandaat vallen dat de SG’s krachtens de Aanwijzingen hebben gekregen. Als er sprake is van gewetensbezwaren dan blijkt dit nergens uit. Tevreden rapporteert Seyss-Inquart aan Hitlers kanselarij dat door het aanblijven van de SG’s het mogelijk is het Nederlandse ambtelijke apparaat ‘nach und nach in die Hände zu bekommen’. Doordat de handel met Duitsland enorm is toegenomen, stroomt het geld binnen.

Nazificatie
In oktober 1940 beginnen de Duitsers met de nazificatie van het Nederlandse bedrijfsleven. De Commissie tot Ordening van het Bedrijfsleven moet leiden tot een geleide economie, en staat zwaar onder invloed van de NSB, de nationaal-socialistische beweging van Nederland. Inmiddels is er ook een fanatieke Nederlandse nazi toegetreden tot het college van SG’s, Meinoud Rost van Tonningen, die ook al tot president van de Nederlandsche Bank is benoemd en aast op de positie van Hirschfeld. Rost van Tonningen komt uiteindelijk niet verder dan een nieuwe functie van secretaris-generaal voor Bijzondere Economische Aangelegenheden.
In ruil voor hun nieuwe status zijn de SG’s bereid ver mee te denken met de bezetter, zo blijkt uit de notulen van het SG-beraad zoals die bewaard zijn gebleven in het archief van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) te Amsterdam. Niettemin krijgen twee SG’s snel hun ontslag. SG Cornelis Ringeling krijgt zijn congé nadat de Nederlandse Artillerie Inrichting, een staatsbedrijf, tegen zijn wil munitie aan de Duitsers gaat leveren. Zijn collega Trip van Financiën treedt zelf af wanneer de Duitsers de deviezengrens tussen Nederland en Duitsland opheffen en Nederland de facto economisch wordt ingelijfd bij het Duitse rijk. Maar wanneer de Duitsers de eerste anti-joodse maatregelen lanceren, blijven ontslagen, al dan niet vrijwillig, opmerkelijk genoeg uit.
Eind augustus 1940 lanceren de Duitsers het verbod om joden aan te nemen of te bevorderen. SG Karel Frederiks van Binnenlandse Zaken en zijn collega Aarnout Snouck Hurgronje van Buitenlandse Zaken – tevens voorzitter van het college van SG’s – proberen de Duitsers op andere gedachten brengen. ‘Er bestaat, gelijk meermalen werd uiteengezet, in Nederland geen Judenfrage, gelijk wellicht wél in andere landen, en is het verschil tussen Joden en andere Nederlandse staatsburgers in strijd met veeljarige tradities,’ schrijven zij aan de Duitse Generalkommissar für Verwaltung und Justiz Friedrich Wimmer.
Als de Duitsers toch voet bij stuk houden, overwegen de SG’s even collectief ontslag omdat ‘verdere samenwerking met het Duitse gezag onmogelijk is’, maar uiteindelijk weet voorzitter Snouck Hurgronje het tij toch te keren. ‘Aftreden zou in de eerste plaats voor de Nederlandse belangen rampzalig zijn, daar een algemene chaos op elk gebied hier het enige gevolg van zou zijn,’ aldus de voorzitter van het SG-beraad. De SG’s besluiten aan te blijven en begeven zich zo op een hellend vlak. Uit pure plichtsbetrachting worden zij steeds nadrukkelijker betrokken bij de uitvoering van de antisemitische agenda van het Derde Rijk. Wanneer de Duitsers even later een niet-Jood-verklaring verplicht stellen voor ambtenaren, zijn de SG’s druk in de weer met de praktische uitvoering ervan, ook al zijn ze binnen de met de Duitsers gemaakte afspraken vrij om ontslag te nemen als een maatregel hen niet zint.
SG van Onderwijs, Kunst en Wetenschappen Hendrik Jan Reinink merkt in de notulen van het SG-beraad van 11 oktober 1940 op dat ‘sommige ambtenaren om principiële redenen weigeren de negatieve verklaring te ondertekenen’. Reinink is van mening ‘dat hierop ontslag moet volgen, aangezien deze ambtenaren niet willen voldoen aan een hen gegeven opdracht. De vergadering stemt hiermee in’.
Op 16 december 1940 lijkt het wel alsof de SG’s al hun eerdere gewetensbezwaren hebben laten varen, getuige deze passage in de SG-notulen: ‘Aan een van de departementen doet zich het geval voor, dat een arische ambtenaar uit principiële overwegingen weigert de verklaring omtrent zijn afstamming af te leggen. De SG van het betreffende departement zal een onderzoek naar de afstamming van bedoelde ambtenaar doen instellen. Aan ambtenaar zal als disciplinaire straf een ambtelijke berisping worden gegeven.’ Terwijl de SG’s bij andere Duitse maatregelen, zoals hun eigen salarisverhoging, aan de Duitse bezetter vragen of deze maatregel krachtens een Duitse verordening kan worden ingevoerd – die dus niet door hen hoeft te worden ondertekend – nemen zij de uitvoering van de eerste anti-Joodse maatregelen wel voor hun bestuurlijke verantwoordelijkheid, zodat uiteindelijk het hele Nederlandse overheidsapparaat een instrument kan worden voor Hitler’s holocaust. •

Ambtenaar in oorlogstijd deel 2 Economie belangrijker dan ethiek