We hebben 260 gasten online

Ambtenaar in oorlogstijd deel 3 'Wat thans geschiedt, is ondraaglijk'

Gepost in Endlösung

In het derde en laatste deel van de serie ‘Ambtenaar in oorlogstijd' aandacht voor de medewerking die het Nederlandse ambtelijke apparaat gaf aan de Jodenvervolging. De weigering van de Hoge Raad om de anti-Joodse maatregelen van de bezetter te toetsen -resulteerde erin dat de Nederlandse ambtenarij medeschuldig werd aan de holocaust.

Door: René Zwaap bron PM voor beslissers van de overheid

 

‘Gij, Hoog Edel Gestrenge Heeren, zijn thans de beheerders van onze departementen van Algemeen Bestuur en gij hebt daardoor op U genomen de taak - ook en vooral in bezettingstijd - naar vermogen te waken en te zorgen voor het wel en wee van het Nederlandse volk in al zijn geledingen. Daarom meen ik ten deze de hulp van uw College te mogen inroepen. Den dooden is niet meer te helpen; gered kan echter wat overgebleven is; gespaard, wat niet weggevoerd is; de onophoudelijke overvallen en de daaraan verbonden stijgende onrust kunnen een eind nemen. Wat thans geschiedt, is ondraaglijk.'

Met die woorden besluit mr. L. Visser, ex-president van de Hoge Raad, op 14 september 1941 een brief aan het College van Secretarissen-Generaal. Visser wijst op het verontustend hoge sterftecijfer onder de 380 Joodse mannen van tussen de 20 en 35 jaar die een half jaar eerder, bij de eerste razzia in Amsterdam (op 22 februari 1941) bij wijze van represaille zijn gearresteerd en naar concentratiekamp Buchenwald en vervolgens Mauthausen gedeporteerd. Wanneer Visser, die zelf vanwege zijn Joodse afkomst is -ontslagen bij de Hoge Raad, zijn brief schrijft, blijken al vijftig van deze mannen overleden. Vrijwel tegelijkertijd zijn 103 jonge Joodse mannen in Twente opgepakt en naar Mauthausen afgevoerd. Van hen is binnen enkele maanden de helft overleden. ‘De gehele uitroeiing dier ongelukkigen is een kwestie van enkele weken,' schrijft Visser, die een beroep doet op de SG's om hun invloed aan te wenden bij General Kommisar Sicherheitswesen Rauter, op wiens last de -razzia's hebben plaatsgevonden.

De oproep van Visser aan de SG's haalt weinig uit, zo blijkt uit de notulen van het College van SG's. De topambtenaren benaderen Rauter en vragen hem om verzachting van het regime voor de gedeporteerde Amsterdammers. Ook opperen zij bij monde van hun voorzitter of er niet misschien werkkampen voor Joden in Nederland kunnen worden geopend. Maar het mag niet baten en de SG's laten het er verder bij zitten. Begin maart 1942 laat Rauter de SG's weten dat er ‘geen overleg meer plaatsvindt over Jodenkwesties'. Zoals in het SG--beraad van 5 maart 1942 wordt medegedeeld: ‘De Joden vallen naar Duitse opvatting buiten de rechtsbedeling van het Nederlandse volk. Het Jodenvraagstuk wordt als vraagstuk van politionele aard beschouwd.' Even -verder in de notulen: ‘Verwacht wordt dat in 1942 Joden van andere nationaliteiten van hier worden weggevoerd. Wellicht ook Nederlandse Joden.'

Zielsschok


Het grote gebaar waar Visser om vraagt, blijft uit. Voor de ex-president van de Hoge Raad, die op 17 februari 1942 zal overlijden aan een hartaanval, is het de zoveelste bittere teleurstelling. Een jaar eerder, in -november 1940, heeft hij machteloos moeten toezien hoe zijn collega-raadsleden akkoord gingen met zijn ontslag als president op grond van zijn Joodse afkomst, om vervangen te worden door de -Deutschfreundliche J. van Loon. Even teleurstellend voor hem is het als de Hoge Raad weigert over te gaan tot toetsing van door de Duitse bezettingsautoriteiten uitgevaardigde (en door het College van SG's bekrachtigde) maatregelen aan het internationale Landsoorlogsreglement. Volgens een uitspraak van de Hoge Raad uit 1941 is ‘een door de bezettende macht genomen maatregel van wetgevende aard te beschouwen en aan een zodanig kracht van wet hebbend voorschrift kan onder de huidige omstandigheden het karakter van wet in de zin der Nederlandse wetgeving niet worden ontzegd'. Met die omzichtig geformuleerde uitspraak zette het hoogste rechts-college van het land zichzelf vrijwillig buitenspel en viel in feite de gehele rechterlijke macht in handen van het bezettingsapparaat. Er waren andere mogelijkheden -geweest: de Hoge Raad in Noorwegen trad collectief af op grond van het feit dat de Duitse maatregelen in strijd waren met de Noorse Grondwet en de president van die raad zou vervolgens optreden als leider van het Noorse verzet. In Nederland kozen de hoogste rechters, net als de meeste hoge ambtenaren op de departementen, voor aanblijven en een politiek van samenwerking met de bezetter ‘om chaos te voorkomen'. Voor Visser was dit een zware klap. ‘De zielsschok, die deze laffe houding hem gegeven heeft, heeft hem zwaarder getroffen, dan wat hem later persoonlijk trof,' zo vertelde iemand die hem in zijn laatste dagen had gekend.


De secretarissen-generaal hebben op het moment dat Visser zijn brief aan hen richt hun kruit al verschoten. Voor hen was het moment van buigen of barsten al een jaar eerder gekomen. Op 30 -augustus 1940 bespreken de SG's een brief van Generalkommissar für Verwaltung und Justiz Wimmer, waarin een verbod wordt aangekondigd om Joden in overheidsdienst aan te nemen of te bevorderen. De Duitsers willen geen publicatie van die maatregel. De SG's hebben hun bedenkingen. Niet alleen bestaat in Nederland ‘geen Jodenvraagstuk', zo constateren zij in hun eerste reactie, ook uitvoeringstechnisch zijn er bezwaren: ‘Bij de uitvoering zal een zo grote kring moeten worden betrokken, dat hieraan ongetwijfeld algemene bekendheid zal worden gegeven, hetgeen niet zal nalaten de stemming van de bevolking te prikkelen.'
Op 4 september 1940 deelt voorzitter van het College van SG's A.M. Snouck Hurgronje mee dat het verbod op benoemingen van Joden in overheidsdienst in strijd is met artikel 5 van de Grondwet, waarin staat dat ‘iedere Nederlander tot elke lands-bediening -benoembaar' is. Dat was het aangewezen moment dat de SG's hadden kunnen besluiten af te treden. Op 3 september schrijven Snouck Hurgronje en SG Binnenlandse Zaken K.J. -Frederiks een brief aan Wimmer, waarin zij -stellen dat zij de Duitse instructies om geen Joden in overheidsdienst meer aan te nemen ‘met levendig leedwezen' hebben ontvangen. ‘Bovendien bestaat er, gelijk meermalen werd uiteengezet, in Nederland geen Judenfrage, gelijk wellicht wél in andere landen, en is het verschil maken tussen Joden en andere Nederlandse staatsburgers in strijd met veeljarige Nederlandse tradities. U heeft ons mede-gedeeld, dat het niet in de bedoeling lag aan de gegeven instructies publiciteit te geven. Wij moeten er echter op wijzen, dat het voor een richtige uitvoering ervan noodzakelijk zoude zijn zovele instanties met de voorschriften in kennis te stellen, dat zulks praktisch met -publiciteit gelijk zal staan. Wij vrezen, dat bij het Nederlandse volk, aan welks breed lagend gemaakte onderscheid vreemd is, het begrip voor de noodzakelijkheid ervan zal ontbreken.'

Kop in het zand


Over de Nederlandse Grondwet geen woord meer. Wellicht wachten de SG's op een uitspraak in dezen van de Hoge Raad, maar deze steekt, net zoals zijzelf, de kop in het zand. Wanneer de Duitsers een paar maanden later komen met de verplichte Ariër--verklaring voor ambtenaren en verplicht ontslag voor Joodse ambtenaren, is er van principieel verzet geen -sprake meer. Het gaat nu alleen nog maar om -uitvoering. Op 12 september 1940 praten de SG's over het aanbod van de president van de Hoge Raad van Adel, die wel wil bemiddelen als het gaat om het checken of iemand al dan niet van Joodse afkomst is. SG van -Onderwijs, Kunst en Wetenschappen Reinink houdt de boot af: ‘Indien er al een Jodenprobleem in het leven wordt geroepen, is het weinig wenselijk om hiervoor een officiële instantie voor de onderzoekingen te creëren.' Op 11 oktober 1940 merkt Reinink -tijdens het SG-beraad op dat sommige ambtenaren ‘om principiële redenen weigeren om de negatieve verklaring [de zogeheten Ariër-verklaring-rz] te ondertekenen'. Hij is van mening, dat hierop ontslag moet volgen, ‘aangezien deze -ambtenaren niet willen voldoen aan een hen gegeven opdracht'. De vergadering van SG's stemt hiermee in.
De SG's denken nadrukkelijk mee met de bezetter. Op 16 oktober 1940 stelt SG Verwey van Sociale Zaken de vraag ‘of de bepalingen inzake de Joden ook van toepassing zijn op de benoemingen van leden van subcommissies, examencommisssies e.d. De vergadering is van mening dat zulks zeer zeker het geval is'. Op 4 november 1940 bespreken de SG's ‘het ontwerp aangifteformulier inzake de Jodenkwestie'. De ijver is evident, maar in het licht van het komende drama meer dan schrijnend: ‘De voorzitter stelt de vraag of de gedetailleerde opgave van degenen, die geacht worden van Joodse bloede te zijn, onderverdeeld in aantal grootouders, wel noodzakelijk is. De heer Frederiks is van mening, dat deze detaillering bij een eventuele selectie van Duitse zijde slechts gunstig zou kunnen werken.' Op 17 november 1940 buigen de SG's zich over het verzoek van Wimmer om een lijstje met ‘Ehren-Ariërs' aan te leggen, dat wil zeggen Joden die zich vanwege hun verdienstelijkheid mogen beroepen op een speciale ‘Arische' status en zo gevrijwaard blijven van de antisemitische maatregelen. ‘Iedere dienst onderzoekt voor zichzelf, wie als Ehren-Ariërs uit hoofde van onmisbaarheid in aanmerking komt.' De lijsten moeten ‘zo kort mogelijk' zijn, is de instructie.

Geen getto


Even lijkt het verzet op te vlammen als de Duitsers in februari 1941 laten weten dat zij in Amsterdam een Joods getto willen starten. De Amsterdamse -burgemeester Voûte krijgt opdracht om alle niet-Joden weg te halen uit de zogeheten Jodenbuurt: het gaat om 6.000 gezinnen met in totaal 24.000 personen, tegen 7.000 Joodse gezinnen van in totaal 28.000 personen. De SG's noemen dit voornemen ‘onaanvaardbaar' en de Amsterdamse burgemeester weigert zijn medewerking. Het getto komt er dan ook niet. Maar helaas krijgt die lijn van non-coöperatie geen verder gevolg. Wanneer de Duitsers enkele maanden later een lijst van Voûte willen met de adressen van alle Joodse Amsterdammers, krijgen ze die op een presenteerblaadje. Eind februari 1941 zijn de SG's al weer volop bezig met het puntjes op de i zetten van de Duitse -antisemitische politiek, die soms voor onverwachte complicaties zorgt. Uit de notulen van het SG-beraad d.d. 28 februari 1941: ‘Er zal een mededeling in de Staatscourant komen, dat Joods bloed bij bloedtransfusies voortaan alleen komt in Joodse lichamen. Dit is door de SG van het departement van Sociale Zaken aan het Rode Kruis medegedeeld. Het Rode Kruis heeft echter bezwaren, want verschillende bloedgevers hebben zich onder deze omstandigheden niet meer bereid verklaard zich voor bloedtransfusies ter beschikking te stellen.'
Op 5 maart 1941 blijkt alle verzet weggeëbd bij de SG's. ‘Aan de voorzitter van de maatschappij van Geneeskundigen is door de SG van het departement van Sociale Zaken meegedeeld, dat aan het verbod aan Joodse artsen om na 1 mei a.s. hun praktijk uit te oefenen niets meer te doen is. Verdere aandrang van genoemde maatschappij zou nutteloos zijn.' Ook een gemeenschappelijke brandbrief van de diverse christelijke kerkgenootschappen aan het College van SG's d.d. 5 maart 1941 sorteert weinig effect. De kerken doen ‘een dringende bede' aan het College van SG's om ‘te bevorderen, dat recht, waarheid en barmhartigheid ook in het huidige tijdsbestel de richtsnoeren zullen zijn voor het beleid der overheid'. De SG's doen een laatste poging van SG Frederiks in september 1942 om geen Nederlandse burgemeesters en agenten te betrekken bij de Jodendeportaties. In 1943 evacueren de Duitsers bijna alle departementen uit Den Haag en is het met het SG-beraad ook gedaan. ‘SG’s tijdens bezetting hadden moeten aftreden’