We hebben 170 gasten online

‘SG’s tijdens bezetting hadden moeten aftreden’

Gepost in Endlösung

Lezers reageren op drieluik over Ambtenaar in oorlogstijd

‘SG’s tijdens bezetting hadden moeten aftreden’

De serie Ambtenaar in oorlogstijd, die PM de afgelopen drie edities publiceerde, heeft veel ambtenaren bewust gemaakt van de grenzen aan de ambtelijke loyaliteit. Verbazing, ongeloof en schaamte overheersen in de reacties op de wijze waarop het College van SG’s in oorlogstijd collaboreerde met de Duitse bezetter.

Door: Chris van de Wetering |

 

De rol van de SG’s tijdens de Tweede Wereldoorlog, de ambtelijke rugdekking die de Nederlandse industrie kreeg voor wapenleveranties aan de Duitsers en de sabotage na de oorlog van bestraffing van economische collaboratie, hebben veel ambtenaren bij het rijk geschokt. De driedelige reconstructie in PM van de rol van de ambtenarij tijdens de oorlog is gelezen met ‘een mengeling van ongeloof, schaamte en begrip’, zo typeert raadsadviseur Paul de Goede van de Raad voor het Openbaar Bestuur zijn eigen reactie in eerste instantie, maar na herlezing van de verhalen neemt hij het woord ‘begrip’ graag terug. ‘Schokkend is een woord dat hier beter past,’ zegt hij. Vooral ‘de sfeer van groei en vooruitgang van uitbreiding van het apparaat en de opportunity om plannen die eerder op politieke bezwaren stuitten, eindelijk uit te voeren’, stuit hem tegen de borst.


Naast de rol van de SG’s in de eerste jaren van de oorlog, oogst ook het latere optreden van de ambtelijke top misprijzen. Aurél Kenessey de Kenese, beleidsadviseur bij de directie Energiemarkt van EZ, vond ‘de doofpot’ na de oorlog rond de collaborerende machinefabriek Werkspoor (onder meer om een mooie opdracht in Argentinië binnen te halen) ‘schokkend’. Teusjan Vlot, senior adviseur van de directie bestuursondersteuning van SZW, vindt het meewerken aan de ariërverklaring voor de ambtelijke dienst het meest ‘aangrijpend’. Peter Keet, coördinator Kennis op LNV, was vooral geschokt door de passages over het ontslag van mr. L. Visser, de Joodse president van de Hoge Raad, waarin naar voren kwam dat op hoog ambtelijk niveau al in 1941 bekend was dat veel uit Nederland gedeporteerde Joden de dood vonden. Beleidsadviseur Wim Wiersinga van LNV stoort zich aan ‘de slappe houding’ en vraagt zich bezorgd af ‘of de ambtelijke lijdzaamheid ons niet te veel in de genen zit’. ‘In Nederland wordt de ambtelijke dienstbaarheid wel erg sterk uitgelegd als dienstbaarheid aan de minister,’ zegt hij.

Oog voor het ‘prisoner’s dilemma’ van de ambtelijke top, zoals De Goede het typeert, is er wel bij de huidige generatie rijksambtenaren. ‘Met zijn allen ontslag nemen en de sleutels weggooien heeft natuurlijk ook niet veel zin en er is ook altijd wel iemand te vinden, die het werk toch doet,’ zegt De Goede. Ook Kennesey benadrukt dat aftreden voor een deel ook een ‘symbolische daad’ zou zijn. ‘Je staat zelf op straat en een NSB’er die misschien nog meer kwaad aanricht, is zo gevonden,’ denkt hij. Kennesey verwacht overigens niet dat de grote maatschappelijke ontsporing die de SG’s bij hun eigen aftreden vreesden, zich had voltrokken. Kenessey ziet deze vrees als een vrucht van ‘de overschatting van het belang van een persoon’. ‘Ook de SG’s waren vervangbaar,’zegt hij. Teusjan Vlot van SZW denkt dat het voor de top ook onmogelijk was ‘de handen schoon te houden’. ‘Het was schipperen tussen twee kwaden. De topambtenaren moesten het maar zien te rooien,’ zegt Vlot. Dat de SG’s er en passant ook een aantal ‘frustratiepunten’ waar ze met de politiek eerder niet uitkwamen, doordrukten, kan Vlot zich voorstellen.

Aanwijzingen


Een niet meer functionerend eigen bestuursapparaat zou desastreus zijn, zo werd gedacht door de SG’s, maar het dienen onder de Duitsers hield het risico in dat de ambtenarij met de bezetter ging meewerken. In de Aanwijzingen die het derde kabinet-Colijn in 1937 had opgesteld in geval van een vijandelijke bezetting werd de afweging van belangen bij de ambtenaren zelf gelegd. Als de ambtenaar zodanige diensten aan de vijand zou bewijzen, dat deze nadeliger waren dan het nut dat voor de bevolking aan zijn aanblijven was verbonden, dan moest de ambtenaar zijn post verlaten, schreven deze instructies voor.
‘Dit dilemma vloeit ook voort uit ons democratische systeem, waarin de politiek de ambtenarij het mandaat verstrekt,’ verklaart De Goede . ‘De instituties van de staat zijn instrumenten van de democratie, maar het apparaat werkt voor elk gezag. Wie aan de knoppen draait, bepaalt. Welke grens je daarbij als ambtenaar zelf in acht neemt, is moeilijk te trekken. Dat is een kwestie van schipperen, maar grenzen zijn er natuurlijk wel. Moet je het ziekenfondsstelsel herstructureren, zoals in oorlogstijd gebeurd is? En hadden we de structuren die is oorlogstijd zijn opgebouwd, niet allemaal moeten afbreken?’ vraagt hij zich af.
De SG’s voerden onder meer een wijziging van de Woningwet door en ze kwamen tot gemeentelijke herindelingen, de financieringsmethoden ten bate van provincies en gemeenten werden herzien, en dat waren allemaal maatregelen dus die buiten het mandaat vielen dat de SG’s via de Aanwijzingen hadden meegekregen. Het is vooral de voortvarendheid waarmee de ambtelijke top met het eigen wensenlijstje aan de slag ging die op kritiek stuit.


De Goede: ‘Het zijn sterke benen die de weelde dragen, maar als je dan leest dat de SG’s forse salarisverhoging kregen, betere arbeidsvoorwaarden en een plan opstelden om te professionaliseren en uit te breiden, begin je je toch af te vragen of het algemeen belang wel de reden tot aanblijven was. Ik kan me voorstellen dat als je een dergelijke worst krijgt voorgehouden, al snel een vorm van cognitieve dissonantie optreedt: de gevaren van samenwerken raken uit het zicht en het algemeen belang gaat vanzelf samenvallen met het eigen belang. En natuurlijk, het gaat om overleven, maar moet je daarbij de risico’s voor lief nemen? Je krijgt hier toch wel de indruk dat het wel erg om het eigen hachje en de kansen voor de bedrijfsvoering ging, terwijl er natuurlijk toch ook een keuze was. Ze hadden natuurlijk wel ontslag kunnen nemen.’


Kenessey de Kenese is van mening dat de SG’s hadden moeten aftreden. ‘Zodra je iets niet kunt verenigen met je geweten of als het in strijd is met de instructie die je gekregen hebt, zou je ontslag moeten nemen,’ vindt hij. ‘Je bent gehouden aan je ambtseed die voorschrijft dat je als ambtenaar niet in strijd met de grondwet en verdragen handelt. Als koningin en regering naar Londen vertrekken vervalt daarmee de ambtsbelofte. Dat betekent niet dat je niet naar kantoor komt. Wel dat je eigen geweten op het spel staat en dat je je zo goed mogelijk houdt aan de instructie van het laatste legitieme gezag.’
Het besluit om de directie van Werkspoor niet te vervolgen voor economische collaboratie vindt Kenessey de Kenese opmerkelijk. ‘In oorlogssituaties verwacht je zwakte en lafheid, maar na de oorlog zou je meer ethiek en bezinning verwachten. Ze hadden toch, denk ik dan, eerst de opdracht binnen kunnen halen om daarna alsnog tot vervolging van de directieleden over te gaan.’
Peter Keet van LNV keek ervan op dat de ambtelijke top in een vroeg stadium al wist hoe hoog het aantal mensen was dat stierf na deportatie. ‘Dat gedeporteerde Joden later rechtstreeks uit het station de gaskamers in zouden worden gestuurd gaat je voorstellingsvermogen te boven. Veel ambtenaren hebben dat eerst niet geweten en vervolgens niet geloofd.’ De Goede: ‘De Jodenvervolging stond in 1940 niet in de krant, maar Mein Kampf laat zich lezen als een beleidsvoornemen dat gewoon werd uitgevoerd,’ reageert De Goede. ‘De ambtelijke top was als internationaal georiënteerde elite op de hoogte van die visie. Ze kon niet zeggen: ”Wir haben es nicht gewusst”.’