We hebben 194 gasten online

Sobibor en de Endlösung ´opdat wij niet vergeten´ Deel 1

Gepost in Endlösung

 

 

Inleiding

Maatregelen tegen Joodse Nederlanders

Sobibor als vernietigingskamp

Het vernietigingskamp Sobibor        

Sobibor de moed der wanhoop. Herinneringen aan een ´onmogelijke opstand´

Vijf overlevenden van Sobibor : Alexander Petsjerski; Stanislaw Szmajzner; Samuel Lerer; Regina Zielinski en Jules Schelvis

Verslag van een Ooggetuige

Confrontatie met de beulen van Sobibor

De waarheid volgens kampbeul Frenzel

Gebruikte bronnen bij de samenstelling van ´Sobibor en de Endlösung ´opdat wij niet vergeten´

Inleiding

De laatste tijd verschijnen er steeds meer berichten over het feit dat tijdens de Tweede Wereldoorlog uit  Nederland meer dan 100.000 Joden werden weggevoerd en niet meer terugkeerden uit de hel van de Endlösung.

Hoe kon dat plaatsvinden vraagt men zich af en men kijkt dan naar b.v. Denemarken waar men er in slaagde de ruim 7.500 Joden in veiligheid te brengen.

In een artikel in de NRC van 15 februari 2005 poogt J.C.Blom, directeur van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie, een analyse te geven waardoor het kwam dat de bezetter er in Nederland in slaagde om meer dan 100.000 joden weg te voren naar de vernietigingskampen en er uiteindelijk de dood vonden.

Blom noemt een aantal factoren:

Ten eerste een gedurende de eerste jaren over het algemeen zeer gezagsgetrouw en coöperatief gedrag van zowel de Nederlandse autoriteiten als de bevolking. En omdat de joden relatief zo sterk geïntegreerd waren in de Nederlandse samenleving, gold dat ook voor hen.

Ten tweede de aanwezigheid van een perfecte bevolkingsregistratie, waar de bezetter goed gebruik van kon maken.

De combinatie van die twee en de gretigheid van de daders had een geoliede deportatiemachine tot gevolg. Eichmann was daar zeer tevreden over. Zo tevreden dat, toen in het voorjaar van 1943 de deportaties uit België en Frankrijk stokten, alleen voor Nederland het proces boven verwachting doorging.

Juist in die tijd reden 19 treinen naar Sobibor, waar ruim 34.000 Joden uit Nederland werden vermoord. Tot zover Blom.

Sobibor was een van de vernietigingskampen ´( naast Treblinka en Belzec)  die door de zogenaamde Aktion Reinhard door de Nazi´s werden opgezet om de tijdens de Wannsee conferentie ´( januari 1942)  besloten ´Endlösung der Judenfrage´te kunnen uitvoeren.

In Sobibor was men al in de herfst van 1941 begonnen met de voorbereidingen tot de bouw van dit vernietigingskamp. Drie maanden na  de ´Wannseeconferentie´ werd Sobibor in gebruik genomen.

Sobibor is een Pools gehucht dichtbij de tegenwoordig Oekraïnse grens en ligt aan  de spoorlijn Chelm - Wlodawa in Oost Polen.

Maatregelen tegen Joodse Nederlanders

In Nederland woonden bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog 140.000 Joden. Binnen twee maanden na de bezetting van ons land vaardigden de Duitsers de eerste maatregel tegen de Joodse Nederlanders uit: op 1 juli werden alle joden uit de luchtbescherming ontslagen. En dit ging stap voor stap verder: op 31 juli werd het rituele slachten verboden, op 18 oktober moesten alle ambtenaren een bewijs van Árische raszuiverheid´ tekenen en op 4 november werden alle Joodse ambtenaren ontslagen.

Op 10 januari 1941 trad de meldingsplicht en registratie van Joden in werking. Op 12 februari besloten de Duitse bezetters dat er in Amsterdam een Joodse Raad moest komen; deze raad moest alle Duitse instructies aan de Joden doorgeven en ervoor zorgen dat die instructies stipt werden uitgevoerd.

De vervolging van de Joden door middel van razzia´s leidde in februari 1941 tot de Februari Staking. Het was een reactie op een razzia waarbij 400 Joden waren gearresteerd en weg werden gevoerd.

Nadat in juni 1941de Joden een persoonsbewijs met de letter J was uitgereikt werden binnen een jaar ook in Nederland de Joden verplicht tot het dragen van de gele Davidsster. Op 26 juni maakten de Duitsers voor het eerst bekend dat de Joden zich gereed moesten houden om in Duitsland te werk te worden gesteld. In Amsterdam werden ze door Duitse en Nederlandse politieagenten opgehaald en naar de Hollandsche Schouwburg gebracht. Van daaruit werden ze naar het kamp Westerbork gebracht, in afwachting van het treintransport naar het oosten.

Zie voor gegevens  deze link Hollandsche Schouwburg

Overzicht van de genomen maatregelen tegen de Joden

1.       Men eiste een Ariërverklaring;

2.       Verplicht dragen van een Gele ster;

3.      Instelling van de JOODSE RAAD;

4.       Gettovorming in Amsterdam;

5.       Razzia’ s waarbij Joden werden opgepakt; in  reactie hierop ontstond de FEBRUARI STAKING in 1941. Uit woede werden 425 mensen door de Duitsers opgepakt en naar Mauthausen vervoerd waar men nu nog de plek kan zien waar men deze mensen in de steengroeve te pletter liet vallen.

6.       Alle joden werden uiteindelijk naar Westerbork vervoerd waar vanuit elke dinsdagochtend een trein vertrok richting de vernietigingskampen.

7.       Van de 120.000 joodse Nederlanders hebben het er maar ongeveer 8000 levend afgebracht en zijn de namen Auschwitz, Chelmo, Belzec, Sobibor en Treblinca  en talloze andere voor altijd in ons geheugen gegrift als die plaatsen waar mensen hun eigen soortgenoten fabrieksmatig ombrachten.

Zie voor verdere gegevens deze link over  Herinneringscentrum Kamp Westerbork

Sobibor als vernietigingskamp

Pas na de Tweede Wereldoorlog werd via het Rode Kruis bekend dat het volkomen onbekende Poolse plaatsje Sobibor een gruwelijke rol had gespeeld in de ´Endlösung der Judenfrage´. Iedereen in Nederland zal de naam Auschwitz kennen als plaats waar 65.000 Joodse Nederlanders niet in het minst door het feit dat jaarlijks de Auschwitz herdenking in Amsterdam wordt gehouden.

Naar  Sobibor zijn niet minder dan 34.313 Nederlandse Joden gebracht en daarvan hebben er zover bekend het maar 19 overleefd. Er zijn kortom te weinig mensen die het verschrikkelijke ervaringen konden navertellen.

Het was Dr. Elie A. Cohen die in 1979 een boek schreef:´ De negentien treinen naar Sobibor´

´omdat niemand anders het doet. Uit rechtvaardiging tegenover de geschiedenis. Tegenover de 34.000 Nederlandse Joden. Er is geen Sobibor -  comité en ik kan niet verdragen dat aan Sobibor geen aandacht wordt geschonken.

HET VERNIETIGINGSKAMP SOBIBOR        

Deze summiere gegevens over Sobibor zijn ontleend aan het boek  Vernietigingskamp Sobibor van Jules Schelvis. In de jaren tachtig en begin jaren negentig van de vorige eeuw heeft hij een diepgaand, uitgebreid en gedocumenteerde studie van het kamp gemaakt, dat resulteerde in het bovenvermelde boek, dat prof. dr. Loe de Jong bij het  verschijnen in 1993 in Westerbork karakteriseerde als ‘de enige wetenschappelijke studie over het kamp. Ik zou’, zo vervolgde hij ‘als ik nog professor was, zijnwerkstuk zonder enige aarzeling als dissertatie aanvaarden’.        

Sobibor, gelegen in Oost-Polen aan de spoorlijn Chelm-Wlodawa, ligt op 6 kilometer afstand van het dorp met dezelfde naam. Het behoorde met Belzec en Treblinka tot de drie vernietigingskampen die de Duitsers in het kader van de Aktion Reinhardt, voor de uitvoering van de Endlösung der Judenfrage lieten bouwen. Naast deze drie functioneerden in Polen ook nog als vernietigingskampen Chelmno in de omgeving van Lodz en Auschwitz-Birkenau. Het laatste kamp, dat in tegenstelling tot Sobibor over de hele wereld bekend is, was deels werk-, deels vernietigingskamp. Nadat er in Birkenau al in 52 transporten 46.555 joden uit Nederland waren aangekomen, van wie het overgrote deel werd vergast, werden vanuit Westerbork van 2 maart 1943 tot 20 juli 1943, 34.313 joden naar Sobibor gevoerd, het toentertijd nog onbekende oord des doods. Slechts 15 vrouwen en 3 mannen hebben tenslotte de oorlog overleefd.

Wat er, in het kort, aan Sobibor vooraf  ging

Al snel na de inval van het Duitse leger op 1 september 1939 annexeerde Hitler het veroverde Westelijke deel van Polen en werd het Generaalgoevernement ingesteld. Het omvatte de oostelijk districten Warschau, Radom, Lublin en Krakau.. Voor de vernietiging van het joodse ras in Europa, zoals Hitler het in zijn toespraken noemde, was het Generaalgoevernement van groot belang. Daar woonden de meeste joden van het continent, het lag ver weg van West-Europa en door het in Polen virulent antisemitisme hoefde de bezetter nauwelijks of geen rekening te houden met weerstand van enige betekenis. Het gezag over het Generaalgoevernement werd opgedragen aan Hans Frank, een van de verderfelijkste anti­semieten, met zijn plaatsvervanger Arthur Seyss-Inquart, de latere Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandse gebied.

Reinhardt Heydrich, die door de hoogste Duitse politiechef en Reichsführer-SS Heinrich Himmler werd belast met de uitvoering van de Aktion Reinhardt, een morbide organisatie, berichtte kort na de inval in Polen zijn chefs hoe de richtlijnen luidden om de Endlösung der Judenfrage te effectueren. ‘Alle te nemen maatregelen’, zo schreef hij, ‘moeten streng geheim worden gehouden.’

Himmler werd tevens belast met de terugkeer van rijks- en volksduitsers naar de op Polen veroverde gebieden. Hij moest daarvoor woongebieden vrijmaken om daar zijn landgenoten uit Oost-Europa te kunnen vestigen. Om dat mogelijk te maken moesten eerst de joden van het platteland worden verdreven, ze op te sluiten in grote getto’s, om ze in een later stadium naar de vernietigingskampen te voeren.

In het gebied dat als uitvloeisel van het Duits-Russische Pact van 1939 na de inval van het Sovjetleger eind december 1939 in Oostelijk Polen onder Stalins controle kwam te staan, leefden ongeveer 1.200.000 joden. Een kwart miljoen uit het nieuwgevormde Generaalgoevernement kon nog bijtijds naar het sovjetgebied vluchten.

Nog vóór de Wannseeconferentie van 30 januari 1942, waar door hoge Duitse functionarissen werd besproken  – en door Eichmann vastgelegd – op welke wijze de Endlö­sung moest plaats vinden, stond het lot van de joden die zich binnen het machtsbereik van de nazi’s bevonden, vast. Op 14 oktober 1941 werd de reeds genoemde Aktion Reinhardt in het leven geroepen waar één van de meest rabiate nazi’s, Odilo Globocnik, verant­woordelijk voor was. Zijn doel was de vernietiging te organiseren van meer dan anderhalf miljoen joden in Belzec, Sobibor en Treblinka.

De plaats van het kamp Sobibor lag schuin tegenover het stationnetje met dezelfde naam, ten zuiden van het enkelspoor Chelm-Wlodawa. Het lag in een dun bevolkt gebied temidden van wouden en moerassen, op korte afstand van de grens met de Sovjet-Unie. Om het reguliere personen- en goederenverkeer niet te belemmeren werd tegenover het stationnetje de bestaande rails uitgebreid tot drie sporen. Vanaf het meest westelijke spoor werd een vierde afgetakt dat binnen de dubbele afrastering van het kamp kwam te liggen. De ernaast gelegen uit zand en aarde bestaande wal, de Rampe, was 120 meter lang,  zodat dit spoor maximaal 11 wagons en een locomotief kon bevatten.

De indeling van Sobibor bestond uit vijf sectoren:

Lager 1, de slaap- en werkbarakken voor de joden en de appèlplaats;

Lager 2, de administratie, de uitkleedplaats, afgifte- en sorteerbarakken, moestuin, pluimveehouderij en bakkerij;

Lager 3, de gaskamers, massagraven en de onderkomens voor joden die daar moesten werken. Dit deel van het kamp was met prikkeldraad gescheiden van de andere sectoren. Tussen de Lagers 2 en 3 lag een korte start- en landingsbaan;

Vorlager, de aankomstplaats, de Rampe, de woonbarakken van de SS en de Oekraïense bewakers, de voorraadkamers, keuken, casino, garage en de wapenkamer;

Lager 4 of Nordlager. Himmler gaf begin juli 1943 opdracht een deel van het vernietigingskamp in te richten als werkkamp voor buitgemaakte sovjet-munitie. Daarvoor werden in hoog tempo barakken en bunkers gebouwd. Eind augustus 1943 werd dit gedeelte in gebruik genomen met werkjoden uit Lager 1.

DE GASKAMERS IN BELZEC EN SOBIBOR

In oktober 1941 werd begonnen met de bouw van de kampen Belzec en Sobibor. Op 17 maart 1942 kwamen in Belzec de eerste transporten uit Lublin en Lemberg aan. Daar  waren in één van de barakken vier ruimten ingericht, drie als gaskamer van 8 bij 4 meter en één als voorportaal. De barak had dubbele houten met zand gevulde wanden, zodat het geschreeuw van de slachtoffers in de kamers niet of nauwelijks tot de buitenwereld kon doordringen. Om de ruimten vlug te kunnen schoonmaken was de binnenkant met zink bekleed. Na enig experimenteren vond het doden plaats door uitlaatgassen van een motor uit een buitgemaakte sovjettank. Door een buizenstelsel werden de verbrandingsgassen de kamers in gevoerd.

De gaskamers in Sobibor waren identiek aan die van Belzec. Na enige proefvergassingen werden ze begin mei 1942 in gebruik gesteld. De capaciteit bleek in de ogen van de SS al spoedig te klein te zijn. Zij veroorzaakte een flessenhals in de vernietigingsprocedure. Tijdens de periode juni-oktober 1942,  vonden herstelwerkzaamheden plaats aan de verzakkende rails tussen Chelm en Sobibor. Van deze gelegenheid werd gebruikgemaakt de gaskamers te vervangen door een uit steen opgetrokken groter gebouw.

In verklaringen voor de rechtbank in het Duitse Hagen schilderde de SS’er Erich Bauer hoe hij zorg droeg voor het starten en laten lopen van een 200 PK-motor uit een buitgemaakte sovjet-pantserwagen. Hij vertelde hoe Oekraïeners en werkjoden de mensen de gaskamers induwden en de luchtdichte deuren afsloten. Toen pas, aldus Bauer, werden de mensen wantrouwig. Maar er was geen weg terug. De mensen die dachten dat er water uit de douchekoppen zou stromen hoorden alleen maar sissende geluiden. Er ontstond gebrek aan zuurstof. Hij verklaarde dat het vergassen 20 tot 30 minuten duurde, dat de werkjoden de lijken daarna uit de gaskamers haalden, onderzochten op gouden tanden en kiezen en ze vervolgens in massagraven wierpen.

Na de komst van een baggermachine in het najaar van 1942 werden de lijken opgegraven en verbrand op kruislings gelegde rails boven nieuw gegraven kuilen.

Himmler wilde zich ervan overtuigen dat de vernietigingsmachine in Sobibor naar zijn wensen functioneerde. Hij bezocht het kamp op 12 februari 1943. Alles werd die dag voorbereid om het vernietigingsproces zo ‘ordelijk’ mogelijk te laten verlopen.

Na afloop heeft hij een aantal leidinggevenden van de Aktion Reinhardt  in rang bevorderd.

DE SS EN DE BEWAKERS

Begin 1942 werd het personeel voor de Aktion Reinhardt aangewezen. Het waren betrouwbare nationaal-socialisten, die behoorden tot de geheime organisatie T4, een afkorting vanTiergartenstrasse 4 in Berlijn, waar de Kanzlei des Führers was gevestigd. Aan hun werk mocht geen ruchtbaarheid worden gegeven; het werd als Geheime Reichssache gekwalificeerd. Vrijwel allen hadden in Duitsland al ervaring opgedaan met het vergassen van mensen door het massaal plegen van ‘euthanasie’ op geesteszieken en gehandicapten in zogenoemde Heil- und Pflegeanstalten.

De eerste commandant in Sobibor  was Franz Stangl, afkomstig uit één van deEuthanasieanstalten. In augustus 1942 werd hij commandant van het vernietigingskamp Treblinka. Zijn opvolger in Sobibor werd Franz Reichleitner. Ze waren beiden Oostenrijkers, evenals de meest gevreesde SS’er Gustav Wag­ner, die met Karl Frenzel de dagelijkse leiding in het kamp had. Andere misdadigers waren Vallaster, Graetschus, Gomerski, Groth en Floss. In totaal behoorden 27 SS-mannen tot de vaste bezetting, waarvan er meestal 17 à 18 in Sobibor aanwezig waren. Hun zwepen, geweren en pistolen lagen los in de hand. Hun honden waren minstens zo gevreesd als hun bazen. Himmler hield de SS’ers voor dat ze gehard moes­ten zijn voor het werk wat ze deden. Hij zei: ‘Het is een nooit geschreven en nooit meer te schrijven bladzijde in onze roemrijke geschiedenis.’

De bewaking vergde aanzienlijk meer manschappen. Daarvoor werden voornamelijk  Russische krijgsgevangenen gerekruteerd en getraind in het oplei­dingskamp Trawniki. Ofschoon ze uit verschillende delen van de Sovjet-Unie afkomstig waren werden ze door de werkjoden Oekraïeners of, met een scheldnaam, karaloechies, kakkerlakken genoemd. Ze volgden ieder bevel van de SS zonder aarzelen op. Voor de werkgevan­genen, Arbeits­juden, zoals de Duitsers ze noemden, waren ze minstens zo gevreesd als de SS’ers.

VERTREK EN AANKOMST

Gedurende de periode 2 maart tot 20 juli 1943 vertrokken, steeds op dinsdagmorgen, 19 deportatietreinen vanuit het doorgangskamp Westerbork in Drenthe naar Sobibor. Ieder transport werd vanuit Westerbork aan de autoriteiten in Berlijn, Lublin, Krakau, Den Haag en Amsterdam per telex gemeld.

De tocht van 1 juni 1943, waar de schrijver van dit artikel deel van uitmaakte duurde 72 uur. Hij, zijn vrouw en haar gezinsgenoten, die op 26 mei tijdens de grote centrumrazzia in Amsterdam waren gevangengenomen, werden onder de meest erbarmelijke omstandigheden, met gemiddeld 65 personen, onder wie baby’s, grijsaards en zieken, in een overvolle veewagen naar het oosten gevoerd. Onderweg kregen ze voedsel noch drinken. Hun behoeften deden ze in een houten tonnetje in een hoek van de wagon. Kort voor aankomst werden de murwgemaakte mensen door intimidatie van begeleidende bewakers gesommeerd voorwerpen van waarde af te geven.

Op het rangeerterrein naast het kamp aangekomen werden maximaal elf wagons het kamp ingereden, omdat de gaskamers niet meer dan 300 mensen konden bevatten, ongeveer de helft van de 700 die in de 11 wagons zaten. Het uitladen door werkjoden van het zogehetenBahnhofskommando gebeurde niet zachtzinnig. De SS’ers schreeuwden schnéller, schnéller en sloegen onbarmhartig op de mensen in. Toch wekte de eerste aan­blik van het kamp geen argwaan omdat de barakken die ze zagen ­op Tiroler huisjes leken, met gordijntjes voor de ramen. Nadat de nieuw­komers in de eerste fase van het bestaan van het kamp hun bagage aan de Rampe hadden moe­ten achterlaten werden ze naar een met prikkeldraad omzoomd veld ge­bracht waar ze door een SS-man werden toegesproken. Hij zei dat iedereen moest werken, behalve ouden van dagen en kinderen. ‘Omdat u lang in de trein hebt gezeten zijn hygiënische maatregelen nood­zakelijk. Daarom moet u zich uitkleden om in het verderop gelegen badhuis te douche­n. Uw kleren worden bewaakt. Goud en geld geeft u daar bij de kiosk af. Het nummer dat u wordt toeroepen moet u goed onthouden zodat u straks uw eigendommen gemakkelijk terug kunt vinden. Er is zeep en één handdoek voor twee personen. Vervolgens werden de naakte mensen langs een 300 meter lang pad gevoerd dat met dennentakken was doorvlochten. De vrouwen gingen eerst nog een barak binnen waar hun haren werden afgeknipt. Nog steeds had men er geen vermoeden van wat hun te wachten stond.

Om de procedure nog sneller te laten verlopen werd na enige tijd een smalspoor aangelegd tussen de Rampe en Lager 3,  waarop lorries reden met ouden van dagen en degenen die niet in staat waren te lopen. 

De 34.313 joden uit Nederland die uit verschillende transporten kwamen werden, op ongeveer duizend na, op de dag van aankomst vergast. Dezen werden tewerkgesteld in het turfkamp Dorohucza, in Lublin-Majdanek of Lublin-Alter Flugplatz, óf als werkgevangenen in Sobibor zelf. Twee van de laatsten, Selma Wijnberg en Ursula Stern, overleefden de opstand, nadat zij een half jaar hebben moeten meehelpen de vernietigingsmachine te laten draaien. Van degenen die in Dorohucza of Lublin terechtkwamen overleefden 13 vrouwen en drie mannen de oorlog.

DE WERKJODEN

De nieuwkomers die voor werk in het kamp waren uitgekozen verkeerden in een bevoorrechte maar twijfelachtige positie. Ze waren weliswaar voor de gaskamers gespaard gebleven, maar het werken in het kamp bracht velen tot wanhoop, ondanks dat hun aanpassingsvermogen groter bleek dan ze voor mogelijk hadden gehouden. Indirect te moeten meewerken en te wéten dat op korte afstand dagelijks duizenden lotgenoten werden vermoord betekende een geweldige strijd met het geweten en maakte, ook in dit opzicht, hun leven tot een hel. Die wanhoop leefde in de eerste plaats bij degenen die in het voor anderen ontoegankelijke Lager 3moesten werken. Met hun gewisse dood, meestal na enige weken of maanden, namen ze het geheim mee in hun graf.

De werkjoden in de overige delen van het kamp wisten zeker dat aan het einde van de vrijwel dagelijkse komst van transporten de dood onontkoombaar was, getuige niet alleen de rook en de stank die uit Lager 3 opstegen, maar vooral de kleren en de schoenen van de slachtoffers die ze moesten sorteren. Er werd veel gesproken over de wijze waarop de dood was ingetreden. Dat bleef voor de  werkjoden in Sobibor een groot geheim. Men sprak over injecties, electrokuties of vergif. Maar niemand wist het precies.

Elke toegewezen taak, zoals onderdeel te zijn van het aankomstcommando, sorteercommando, waldcommando of andere commando’s was onderhevig aan strenge ongeschreven regels. Degene die zich daaraan niet hield werd gestraft of naar Lager 3gestuurd.

Het aantal werkjoden was, al naar de te verwachten aankomst van transporten, aan wisseling onderhevig. Op 14 oktober 1943, tijdens de opstand, waren er 650 in Sobibor, van wie on­geveer de helft uit Nederland afkomstig was. Onder hen bevonden zich, strikt gescheiden van de anderen, 50 in Lager 3.

De transporten

Vanuit Nederland zijn, op Polen na, verhoudingsgewijze de meeste joden gedeporteerd. Direct verantwoordelijk daarvoor waren  Rijkscommissaris Seyss-Inquart en SS-ObergruppenführerHanns Albin Rauter. Op 22 maart 1943 verkondigde deze in Den Haag, ‘dat alleen als het jodenvraagstuk is opgelost we van deze kwaal verlost zullen worden. Graag,’ zo zei hij, ‘wil ik met mijn ziel in de hemel boeten voor wat ik tegen de joden heb misdaan.’

2 maart 1105 personen waarvan geen overlevenden
10 maart 1105 personen waarvan 13 vrouwelijke overlevenden
17 maart   964 personen waarvan 1 mannelijke overlevende
23 maart 1250 personen waarvan geen overlevenden
30 maart 1255 personen waarvan geen overlevenden
6 april 2020 personen waarvan 2 vrouwelijke overlevenden
13 april 1204 personen waarvan geen overlevenden
20 april 1166 personen waarvan geen overlevenden
27 april 1204 personen waarvan geen overlevenden
4 mei 1187 personen waarvan geen overlevenden
11 mei 1446 personen waarvan 1 mannelijke overlevende
18 mei 2511 personen waarvan geen overlevenden
25 mei 2862 personen waarvan geen overlevenden
1 juni 3006 personen waarvan 1 mannelijke overlevende
8 juni 3017 personen waarvan geen overlevenden
29 juni 2397 personen waarvan geen overlevenden
6 juli 2417 personen waarvan geen overlevenden
13 juli 1988 personen waarvan geen overlevenden
20 juli 2209 personen waarvan geen overlevenden

DE OPSTAND

In de nazomer van 1943 deden geruchten de ronde dat het kamp zou worden opgeheven of misschien een andere bestemming zou krijgen. Ze werden gevoed door de sterk verminderde aanvoer van transporten. Ondanks de uitzichtloze situatie baarde het vooruitzicht van een mogelijke liquidatie grote zorgen, want als Sobibor zou worden opgeheven zouden de werkjoden hetzelfde lot ondergaan als dat van de laatste joden uit Belzec: een meedogenloze executie.

Daarom had zich in het kamp in het geheim een kleine groep gevormd onder aanvoering van de charismatische Poolse Leon Felhendler om de mogelijkheden van een vlucht te beramen. Het bleef echter bij praten omdat er geen potentie aanwezig was om een ongetwijfeld ingewikkelde organisatie op touw te zetten. Dat veranderde toen op 22 september 1943 een transport joden uit Minsk aankwam onder wie ook krijgsgevangen joodse sovjetsoldaten  waren. Het was een kapitale fout om een gelijkgestemde groep gevangenen en nog wel militairen, naar een vernietigingskamp te sturen. Een van degenen uit de groep die voor werk werd uitgezocht was luitenant Alexander Petsjerski. Hij werd al snel door Felhendler gepolst om mee te denken. Hij ontwierp in korte tijd een vermetel ontsnappingsplan. Een essentieel onderdeel was, eerst zoveel mogelijk SS’ers uit te schakelen om dan, na het reguliere appèl, het kamp ordelijk te verlaten, waardoor de talrijke Oekraïeners op de wachttorens geen argwaan zouden krijgen.

Het kwam onder zijn en Felhendlers leiding op 14 oktober 1943 tot uitvoering, maar slaagde niet in zijn geheel. Toch konden 365 joden het kamp ontvluchten, van wie 47 de oorlog hebben overleefd. Degenen die in het kamp achterbleven vreesden, dat zij zich buiten het prikkeldraad in een vreemd  en vijandig land geen kans van overleven hadden omdat zij het Pools niet machtig waren. Of ze hadden niet genoeg lef.

Het was voor het eerst in de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog dat in een  vernietigingskamp door samenwerkend joods verzet en vernuft twaalf SS’ers en twee bewakers werden gedood.

Na de opstand werden, door ongeveer 300 joden die uit Treblinka waren gehaald, alle sporen van het kamp uitgewist, waarna ze werden gedood.

Op de totaalbalans van Sobibor staat een kwart miljoen joden, te weten uit

 

 

 

Nederland   34.000  
Protectoraat Bohemen/Moravië   10.000  
Slowakije   26.000  
Frankrijk   3.500  
Sovjet-Unie         10.000  
Duitsland   17.500  
Oostenrijk   6.000  
Polen   ca.  143.000
       
Totaal   ca.  250.000

 

Polen aan het begin van de 21e eeuw
Op wetenschappelijk gebied kan en wil Polen niet langer achterblijven. In november 2002 vond in Lublin een driedaagse conferentie plaats onder auspiciën van de presidenten van Polen en Duitsland. Het hoofdthema was de Aktion Reinhardt,  waar een aantal historici van naam en faam belangwekkende referaten hield.

Deze summiere gegevens over Sobibor zijn ontleend aan het boek Vernietigingskamp Sobiborvan Jules Schelvis. In de jaren tachtig en begin jaren negentig van de vorige eeuw heeft hij een diepgaand, uitgebreid en gedocumenteerde studie van het kamp gemaakt, dat resulteerde in het bovenvermelde boek, dat prof. dr. Loe de Jong bij het verschijnen in 1993 in Westerbork karakteriseerde als ‘de enige wetenschappelijke studie over het kamp. Ik zou’, zo vervolgde hij ‘als ik nog professor was, zijn werkstuk zonder enige aarzeling als dissertatie aanvaarden’.

De vijfde druk van het boek  is eind oktober 2004 verschenen. In 1998 is de Duitse versie verschenen bij Metropol Verlag in Berlijn. De tweede Duitse druk zag in 2003 het licht bij uitgever Reihe Antifascistischer Texte-Unrast-Verlag in Hamburg/Münster.

 Zie verder deel 2 Sobibor en de Endlösung ´opdat wij niet vergeten´ Deel 2