We hebben 209 gasten online

Sobibor en de Endlösung ´opdat wij niet vergeten´ Deel 2

Gepost in Endlösung

SOBIBOR DE MOED DER WANHOOP

HERINNERINGEN AAN EEN ´ONMOGELIJKE OPSTAND´

oorspronkelijk  verschenen in NRC Handelsblad van 13 oktober 1984 door Dunya Breur

Dit artikel kwam tot stand in nauwe samenwerking met Jules Schelvis, één van de Nederlandse overlevenden van de transporten naar Sobibor. De samenstellers spraken met in totaal drieëntwintig overlevenden

HET VERNIETIGINGSKAMP

Sobibor is een Pools gehucht dichtbij de tegenwoordige Russische grens, maar in 1942 lag het midden in Polen, ten noord-oosten van Lublin en ten zuiden van Brest-Litowsk, aan de spoorlijn, van Chelm naar Wlodawa. In het diepste geheim werd hier met behulp van Joodse en Poolse dwang. arbeiders een vrij groot kamp gebouwd, dat eind april 1942 klaar was. Bij duizenden zijn hier Joodse families uit Oostenrijk, Duitsland, Frankrijk, Tsjecho-Slowakije, Polen en Nederland per trein heen gebracht, en meestal dezelfde dag nog in de gaskamers om het leven gebracht. De gaskamers waren volgens een nieuw systeem met klapdeuren gebouwd en konden enorme aantallen mensen bevatten.De meeste transporten kwamen per trein, maar velen kwamen, ´ook te voet, op boerenkarren of in vrachtwagens. Slechts bij de joden uit Polen zelf was iets bekend´ wat er in deze kampen gebeurde; de Poolse transporten waren dan ook veel zwaarder bewaakt dan die uit andere landen.

Na de oorlog schatte men op basis van de capaciteit en het aantal treinwagons dat nauwgezet bijgehouden was, het aantal slachtoffers in Sobibor op 250.000. Met de transporten te voet of per boerenkar waar verscheidene overlevenden ons over vertelden - is geen rekening gehouden.

Een kwart miljoen doden is dus een te lage schatting. Van sommige transporten werd een aantal jongeren. uitgezocht om het werk in het kamp te doen. De SS noemden hen Arbeitsjuden en liet hen tijdelijk in leven. De meisjes moesten breien, strijken, kleren sorteren, bedienen in de SS kantine en meer van dergelijke werkzaamheden.

De jongens en mannen moesten hout hakken voor de verbranding van de lijken, barakken bouwen, schoenen repareren, uniformjassen vervaardigen en al het verder voorkomende werk verrichten. Vanwege de onvoorstelbare hoeveelheden goederen die de doden achterlieten, waaronder geld, sieraden, goud, horloges en andere´kostbaarheden werden er ook enkele goud- en zilversmeden uitgezocht die voor de SS daaruit runentekens, monógrammen, boorde- knoopjes en dergelijke moesten smeden.

Het waren deze ´Arbeitsjuden´ die steeds weer probeerden te vluchten. Met degenen die in het afgesloten gedeelte van het kamp ,waar de gaskamers lagen moesten werken hadden ze geen enkel kontact. Deze mensen werden volstrekt van de andere ´geisoleerd´ gehouden, op verschillende tijdstippen vermoord en steeds weer, door selecties van nieuwe transporten vervangen.

Nederlanders vormden maar een klein gedeelte van de kampbevolking, de meeste´ Arbeitsjuden´ waren Polen. In de periode van, begin maart 1943 tot eind juli van datzelfde jaar zijn vanuit Westerbork negentien treinen naar Sobibor vertrokken, met een totaal aantal van 34.313 Nederlandse Joden. Er zijn naar schatting in het kamp Sobibor ongeveer 1000 Nederlanders geselecteerd voor werk in Sobibor of in andere Poolse kampen als Trawniki, Dorohucza, Poniatov en Lublin. .´

Onder die 34.000 was De Pressér -  Appel, de jonge vrouw van Jacques Presser, die in de trein op weg naar haar ouders met een vals persoonsbewijs was gepakt. Onder hen was ook Emanuel Ouerido, waar van de naam nog in zijn uitgeverij voortleeft. Onder hen was ook de schilder Max van Dam, zoon van een Winterswijkse wethouder, die toen hij al veilig was in Zwitserland weer naar Nederland terugkeerde om te trachten ook zijn vriendin en haar dochtertje nog in veiligheid te brengen.En onder hen was de Nederlandse Marine onder - officier Jacobs, die in Sobibor nog een mislukte poging tot opstand en ontsnapping heeft gedaan.

Per 10.000 gedeporteerden overleefden er 5,5. In vergelijking met, Auschwitz: daar overleefden er van de 62.000 Nederlanders 1152 dus 186 per 10.000. Uit Nederland hebben slechts twee vrouwen een langer verblijf in Sobibor overleefd: Selma Wijnberg en Ursula Stern, die in de jaren ´30 naar Nederland was gevlucht. Veertien vrouwen en drie mannen zijn, teruggekomen van de transporten naar Sobibor. Zij waren er maar enkele uren, hebben nog kunnen zien dat bun verwanten zich uit moesten kleden voor de ´douche´en wisten behalve de naam van Sobibor niets. Pas naderhand is hen duidelijk geworden in wat voor kamp zij even waren geweest.

In oktober 1943 wisten uit het vernietigingskamp Sobibor enige honderden gevangenen te ontsnappen. Dankzij Russische krijgsgevangenen werd de opstand met militaire precisie voorbereid en uitgevoerd.

Een exacte reconstructie van de verbazingwekkende opstand in Sobibor aan de hand van de herinneringen van de overlevenden. De vlucht door het mijnenveld.

Door Dunya Breur

OP 22 september 1943 arriveerde in bhet vernietigingskamp Sobibor een trein uit de Russische stad Minsk met ongeveer tweeduizend mensen. Onder hen bevond zich een groep Russische krijgsgevangenen die bij een medisch onderzoek herkend waren als - besneden - Joodse mannen en geselecteerd voor deportatie en vernietiging. Uit deze groep van circa honderd militairen werd een nieuw contingent arbeitsfähige mannen uitgezocht. De vorige groep bestaande uit 72 Nederlandse mannen was namelijk even tevoren doodgeschoten. Het betrof een represaillemaatregel voor de ontvluchtingspoging van de Nederlandse marine onderofficier Jozef Jacobs die door verraad was mislukt. Jacobs werd gegrepen en langdurig gemarteld maar onthulde niet wie zijn medeplichtigen waren. De enige die aan het daaropvolgende bloedbad ontkwam was de schilder Max van Dam die een schilderij van de SS sergeant Karl Frenzel nog niet had voltooid. Korte tijd later werd hij eveneens doodgeschoten.

Het feit dat het nieuwe contingent Arbeitsfuden militairen waren zou onverwachte gevolgen hebben. Deze mannen kwamen immers, in tegenstelling tot de meeste van hun voorgangers en lotgenoten, zonder vrouw, kinderen, ouders of verdere verwanten in het kamp aan. Hen bleef bespaard wat de andere Arbeitsjuden hadden moeten doorstaan.Die hadden dagen nodig om de schok en hun ongeloof te boven te komen dat op de dag van hun aankomst ieder die hen lief was werd vermoord, en zij de enigen waren die van hun familie overgebleven. Zij waren vaak moreel geheel lamgeslagen en volvoerden automatisch wat hen werd opgedragen, in het zekere besef dat hun einde niet anders zou zijn dan dat van hun familieleden.

Ontzag

In de zomer van 1943 had zich niettemin een klein verzetsgroepje gevormd rond de Pool Léon Feldhendler, zoon van een rabbi uit Lublin. Zij beraadslaagden in het geheim over een ontvluchtingsplan en waren goed op de hoogte van alle vorige - mislukte - pogingen. Ofschoon ieder die ziek werd al snel naar de gaskamers van kamp 111 verdween, en de levensomstandigheden in het kamp van dien aard waren dat men snel ziek kon worden, waren er toch. in de loop der maanden gevangenen die al vrij lang in leven bleven. Zij konden op hun werk niet gemist worden en bezaten vaardigheden die de SS nodig had. Zo was er in het kamp vrij veel bekend gebleven over gebeurtenissen die eerder plaats vonden en deze werden met zorg aan nieuw - aangekomenen doorgegeven.

De komst van de Russische krijgsgevangen werd snel verder verteld. Enig nieuws uit de buitenwereld was in Sobibor bekend, en de afloop van de slag bij Stalingrad op 3 februari van dat jaar had velen hoop gegeven op een keerpunt in de oor!og. De legers van het DuitseHerrenvo/k waren blijkbaar niet steeds en niet overal onoverwinnelijk. Misschien kwam het front wel naderbij.

Kregen velen van de in het kamp werkzame ´Arbeitsjuden´nieuwe hoop en moed door dit net gearriveerde Russische transport, Feldhendler en de zijnen werden bang en bezorgd. Zij vreesden dat de Russen snel tot handelen zouden willen overgaan en op hun eentje een ontvluchting zouden wagen. De gevolgen voor de rest van het kamp zouden vreselijk zijn. .

Al vrij snel zocht Feldhendler, die goed Russisch sprak contact met de man die het hoogste in rang was en kennelijk enig gezag had: Alexander Petsjerski (34) uit Rostow aan de Don, luitenant in het Russische leger. Een gesprek´met hem vond op de tweede dag na zijn aankomst plaats. Feldhendler bezwoer Petsjerski zijn mannen in de hand te houden en zei hem wat de vermoedelijke gevolgen van individuele acties zouden kunnen zijn liquidatie van de anderen. Petsjerski . begreep dat Feldhendler waarschijnlijk gelijk had, en hij was  diep geschokt toen hij begreep wat er in dit kamp, dat hij aanvankelijk voor een dwangarbeiderskamp had aangezien, met de mensen gebeurde. Hij merkte bij de anderen het ontzag voor de Russen op, en ook het vertrouwen dat men in hen had. De luitenant merkte tevens dat het kamp hoopte op een overval door de partizanen. Van dit laatste zou geen sprake zijn, naar hij onmiddellijk begreep: de partizanen zouden hun leven niet wagen om de gevangenen te bevrijden nu de risico´s zo gigantisch groot waren (een mijnenveld, wachttorens; 250 man bewaking en veertig zwaar bewapende SS-ers). Bovendien wist Petsjerski dat het Russische leger nog zeer ver van Sobibor verwijderd was.

Hulp van buitenaf was uitgesloten.

Al snel vroeg Feldhendler aan Petsjerski toe te willen treden tot het illegale comité dat beraadslaagde over een massale ontsnapping. Een van de problemen was elkaar te ontmoeten zonder dat dit op zou vallen. Petsjerski stelde voor hem in contact te brengen met een meisje dat geen Russisch sprak, waarbij Feldhendler of een ander dan voor het oog als tolk zou kunnen dienen. Tegelijkertijd zou men over praktische zaken kunnen overleggen zonder dat het meisje begreep waar het over ging. Men bracht hem in contact met Loeka, een Duits meisje dat met haar ouders al voor de oorlog naar Nederland was gevlucht.

Hij liet zich door Feldhendler en de andere nauwkeurig informeren over de ligging en de breedtevan de mijnenvelden, de plattegrond van het kamp en de wapens van de SS-ers en de bewakers. Bij de gevangenen was vrij veel kennis over dergelijke Zaken aanwezig, omdat zij het kamp destijds hadden aangelegd. Zo vond Feldhendler al gauw een man die indertijd gewerkt had bij het leggen van de mijnen. Die kon antwoord geven op de volgende vragen: Hoe breed was het mijnenveld, hoeveel meter lagen de mijnen van elkaar, lagen ze in carré - vorm of om en om en waren de mijnen overal in dezelfde mate gelegd? .

In dit stadium van de voorbereidingen hoorde Petsjerski dat enkele van zijn landgenoten ook bezig waren met een plan tot ontvluchting. Snel riep hij één hunner, Arkadij Weispapier bij zich, en beval hem af te wachten. Deze ontstak in woede en zei: ´Terwijl jij met die meid zit te keuvelen moeten wij zeker rustig blijven wachten tot we worden afgemaakt? . Petsjerski zat in een´moeilijk parket: in het illegale comité had men elkaar geheimhouding bezworen en hij kon. moeilijk de instructies die hij anderen gaf zelf met voeten treden. Hij bracht zijn hogere militaire rang in het geding en zei dat hij ieder die zijn instructies niet zou opvolgen eigenhandig zou vermoorden. Bij de plek waar men had willen vluchten zette hij iemand neer om het zaakje in de gaten te houden. Volledige geheimhouding was in dit stadium van levensgroot belang.

Ontvluchten uit dit zwaar bewaakte kamp leek Petsjerski overigens een onmogelijke zaak. Hij begreep echter dat alle gevangenen maar tijdelijk in leven werden gelaten, en dat allen de gaskamer of de kogel wachtte. Hij zag de hoop die hun komst bij de andere gevangenen had opgewekt, en hij wist uit het leger dat mensen dan soms tot méér in staat zijn dan voor mogelijk wordt gehouden.

De beslissende wending kwam toen de Russische luitenant een van die eerste dagen dicht in debuurt van de gaskamers kwam. Petsjerski zat in een ploeg die barakken moest bouwen bij Kamp IV, en hoorde in de verte rumoer van vrouwen en kinderen, hondengeblaf, zweepslagen en bevelen van SS-ers. Plotseling hoorde hij de angstschreeuw van een kind: ´Mama!!´. De rest verstond hij niet, maar dit woordje wel. Hij hoorde in de verte het gegil van vele vrouwenstemmen, hoe het tenslotte minder werd en wegstierf. Op dat moment besefte hij: wij hebben het recht niet om weg te lopen. Het stoppen van deze moorden was belangrijker, dát was hun taak. Een vlucht zou wel niet lukken, Maar het in de val lokken en doden van al was het maar één of twee van deze moordenaars, was haalbaar.

Hij overlegde die nacht weer met Sjlomo Leitman, een Poolse jood en communist, die samen met hem in Minsk gevangen had gezeten. Leitman sprak Pools, Jiddish en Russisch. Petsjerski alleen maar Russisch, een taal die de meeste gevangenen niet beheersten. Men onderhield zich met elkaar, in het Jiddish, Pools of Duits. Leitman kende de Duitsers wat beter; twee karaktertrekken waren hem opgevallen Pünktlichkeit en hebzucht. In enkele nachten was het plan gereed: de leiding van de SS zou één voor één in de barakken van de ambachtslieden worden gelokt, onder het voorwendsel dat de maat moest worden genomen voor laarzen of een jas. Onder de geroofde goederen bevonden zich soms kleren van uitstekende kwaliteit en de ambachtslieden deden wel vaker pogingen bij de SS in het gevlei te komen. Niet de werklieden zouden hen dan doden, want die hadden zoiets nog nooit gedaan, maar speciale ploegjes van twee man van wie één in elk geval een Rus zou zijn, die door Petsjerski werd aangewezen. ´Ik kende onze eigen mensen´, aldus Petsjerski ruim veertig jàar later, ´één hand , die beefde, en de hele opstand zou mislukt zijn. Het lot van honderden mensen hing hiervan af.´

Bijlen

Een grote handicap was dat de opstand zonder wapens moest gebeuren. De gevangenen beschikten slechts over de bijlen waarmee de barakken werden gebouwd en de messen die in de schoenmakerij en kleermakerij werden gebruikt. De SS zag er scherp op toe dat zij de enigen waren die toeging hadden tot de wapens. Ook de Oekraïense bewakers vertrouwden zij niet. De-zen kregen elke dag slechts een klein en afgepast aantal kogels tot hun beschikking. En zelfs als er gevangenen wapens zouden bemachtigen: op de Russen na konden zij er niet mee omgaan. De meeste gevangenen kwamen immers uit de burgerbevolking en hadden nooit wapens gedragen of gehanteerd. De opstand moest dus met messen en bijlen gebeuren.

De ploegjes van twee zouden dus ten .tonele verschijnen als timmerlieden met bijlen, onder het voorwendsel een tafel te moeten repareren. Anders zouden de SS ers en de gevangenen die niet in het complot zaten argwaan krijgen. Ook zou er paniek uit kunnen breken. Een complicerende factor was bovendien het grote aantal honden en paarden in het kamp, wier geblaf en gehinnik de SS voor onraad zou kunnen waarschuwen. Een ander probleem was dat vrijwel niemand van het complot af mocht weten, en toch iedereen massaal in beweging moest komen om te ontsnappen. Uit een oogpunt van solidariteit en praktische haalbaarheid was daartoe besloten: een massa sprint was de enige manier om de mijnenvelden het hoofd te kunnen bieden. Misschien was er dan een kans dat een enkeling het er levend af zou brengen.

´Ik sterf liever in de strijd dan in de gaskamer´ hield Petsjerski zijn medestrijders in het illegale comité voor, en die leuze werd door hen overgenomen. De enige weg om massaal te kunnen vluchten was tijdens een avondappel, als alle gevangenen aantraden om geteld te worden. De meeste SS-ers gingen zich dan opknappen of naar de kantine en zouden dus niet direct gemist worden door hun collega´s. Een van de Kapo´s (gevangenen die toezicht uitoefenden op anderen) vermoedde iets en had contact gezocht met de illegale leiding. Ofschoon men aanvankelijk het risico te groot vond de Kapo erbij te betrekken, werd na enig overleg besloten het toch maar te doen. Het leek de enige manier om een regulier appel te organiseren.

Verraden?

De man, een Pool, Brzecki geheten, zou op de bewuste dag om half vijf het signaal geven voor het appel, en vervolgens zou men onder zijn leiding gezamenlijk het kamp uit marcheren. Ook de Kapo´s, eveneens joden, waren namelijk bang geliquideerd te worden. Om half 4 zou Petsjerski aan de verschillende moordcommando´s een teken geven. Zij moesten vanaf 4 uur met tussenpozen van een Kwartier de belangrijkste SS-´ers doden en hun lijken direct aan het oog te onttrekken. Inmiddels zouden de telefoondraden worden doorgeknipt en de uiteinden ervan goed verstopt. Ook het prikkeldraad van de omrastering´ zou op drie verschillende, van te voren bepaalde, punten worden doorgeknipt. Men hoopte dat door de ontstane verwarring er voldoende tijd zou zijn om te vluchten en het bos te bereiken. De Russen, die dan hopelijk gewapend waren, zouden de bewakers voor hun rekening nemen en ontwapenen, en proberen de wapenopslagplaats te overvallen. Een aantal gevangenen kreeg de opdracht te zorgen dat ook uit de andere delen van het kamp men deze keer deel zou nemen aan het appel in Kamp I. Uit Kamp II moesten daartoe 150 vrouwen en meisjes gehaald worden. Er was een heel nauwkeurig tijdschema opgesteld waaraan iedereen zich precies diende te houden.

 Op 13 oktober, de dag die voor de opstand was vastgesteld marcheerden s´ochtends enkele tientallen zwaar bewapende Duitse Wehrmacht soldaten het kamp binnen. Was de opstand die ophanden was verraden? Men wist het niet, het plan werd een dag uitgesteld. De Duitse soldaten werden voor één nacht in het kamp ingekwartierd. Uit niets bleek dat het plan was uitgelekt en de volgende dag vertrokken zij weer. De illegale kampleiding kwam er niet achter wat de reden was van deze inkwartiering. Het moet een toevallige samenloop van omstandigheden geweest zijn die echter wel veel vergde van hun koelbloedigheid en vertrouwen in de opstand. Op 14 oktober waren er geen redenen het plan uit te stellen.

Kampcommandant Reichleitner was, evenals zijn rechterhand Wagner al enkele dagen met verlof; het was zaak de opstand ten uitvoer te brengen voor zij weer terug zouden zijn. Er moest snel worden gehandeld.

Om half vier gaf Petsjerski het afgesproken teken. Alexander Sjoebajef uit Dagestan wachtte samen met een ander plaatsvervangend commandant Niemann op. Petsjerski stelde zich op on -der het afdak van de barak waar hij de laatste tijd werkzaam was geweest, in afwachting van de berichten of alles volgens plan verliep. Hij moest op elk moment kunnen ingrijpen als er iets mis ging.

Tegen vieren traden Arkadij Weispapier en Jehuda Lerner de kleermakerij binnen, voorzien van bijlen. De chef van de kleermakerij wist wat er zou gaan gebeuren, de anderen niet. Weispapier en Lerner verwachtten twee SS-ers, de een om 4uur, de ander om kwart over 4. Zij kenden hun namen niet. De chef van de kleermakerij toonde hen de te repareren tafel, en liet hen daar.. Stipt op tijd arriveerde de SS-er Graeschütz. De chef van de werkplaats liep op hem toe met het kledingstuk, de SS- er legde zijn uniformjas af en zijn koppelriem. Weispapier en Lerner maakten een omtrekkende beweging tot zij achter hem waren. Weispapier sloeg als eerste met de bijl; . de SS-er schreeuwde. Lerner gaff hem de laatste slag.

De kleermakers keken in ontzetting toe wat er gebeurde. Angstig drongen zij naar de deur om te ontvluchten. Weispapier pakte het wapen en de papieren van de SS-er. Gezamenlijk sleepten zij het lichaam weg naar een gereedliggende stapel vodden en bedekten het.

Even later arriveerde de tweede SS-er, Klatt. ´Wat is hier aan de hand´ zei hij, bij de aanblik van de kleermakers die bijna over hem struikelden. Klatt liep naar de stapel vodden waar nog een stukje arm van zijn voorganger te zien was, en bukte zich. Op dat moment sloeg Weispapier weer toe, en Lerner eveneens. De kleermakerij was nu een totale chaos. Nadat ze het tweede lichaam onder dezelfde stapel vodden hadden verstopt, rende Weispapier naar buiten om Petsjerski te melden dat de opdracht was volbracht.

Op andere plaatsen was het eveneens volgens plan gegaan. AIexander Sjoebajef had Niemann gedood en had Petsjerski zijn revolver gebracht met de woorden: ´Hier Sasja, pak aan, het eerste wapen is voor jou´.

Op tal van plaatsen had men zo goed mogelijk meegeholpen. Samuel Lerer, twintig jaar oud en afkomstig uit Zólkiewka, trachtte de paarden rustig´ te houden. Kurt Thomas, een Tsjech die werkte bij het sorteren van de kleren in Kamp II, had opdracht gekregen een Kapo zoveel mogelijk te schaduwen. Het leek hem eigenlijk niet nodig want de man voerde niets in zijn schild, maar hij hield het toch de gehele dag stipt vol. Meir Ziss, een zestienjarige jongen uit Lublin, die dagelijks bij een kuil stond waarin hij de paspoorten, foto´s en brieven van de gedeporteerden verbrandde, moest die dag een bericht overbrengen van Kamp I naar Kamp II. In zijn enthousiasme had hij gemeld dat er in Kamp I al drie SS-ers gedood waren, wat nog niet waar was, maar hij hoopte ermee de vechtlust van Kamp Il te verhogen.

Reginá Feldmann, een negentienjarig meisje uit het Poolse Siedliszsze had iets van de opstand vermoed, en naaide in de zoom van haar:bloesje een trouwring en wat ´kostbaarheden in om zich buiten het kamp in leven te kunnen houden. Toen zij werd opgehaald om naar het appel in Kamp I te komen had zij dat bloesje aan. Sjlomo Alster, een 35-jarige man uit Chelm, slaagde er met andere timmerlieden in de centrale poort te forceren zodat de mensen gemakkelijker weg konden komen. Stanislaw Szmajzner, een tengere zeventienjarige Poolse goudsmid, bemachtigde twee geweren en besloot er één nooit meer af te geven. Het was het eerste geweer dat hij in zijn leven vasthield.

Wachttorens .

 Caïm Engel, een zeven en twintigjarige Poolse soldaat uit Lodz zocht .meteen de Nederlandse Selma Wijnberg op, zoals ze hadden afgesproken. In het kamp werden ´zij ´bruid en. brudegom´genoemd, een voorspelling die is uitgekomen.

Chaim Engel en Selma Wijnberg

Zij vluchtten uiteindelijk samen en overleefden samen. Op de appèlplaats, waar de mensen naar toe stroomden, heerste verwarring. Brzecki blies op zijn fluit en schreeuwde dat de mensen in het gelid moesten gaan staan. Dat gebeurde niet, de 150 vrouwen uit Kamp II waren in Kamp I aangekomen en ieder drong zich naar voren. Iedereen voelde dat de situatie anders was dan anders. Haast alles was volgens plan verlopen, maar een enkeling was te overmoedig geweest. Petsjerski was gemeld dat ook in de garage SS-ers gedood waren. Dit was niet volgens plan, men had categorisch verboden SS-ers te doden op een vooraf niet afgesproken plaats;- nu kon hét dus elk moment ontdekt worden. Als er alarm zou worden geslagen en bewakers vanaf de wachttorens op de ongewapende  mensen zouden schieten was alles verloren. Er was geen seconde te verliezen. In de onzekere situatie klom Petsjerski ergens op en schreeuwde zo hard hij kon: ´Eruit mensen! Eruit! Hoera!´. 

Daarop ontstond totale chaos; onder gejoel en geschreeuw wierp ieder zich op de uitgang. EenDuitser die op zijn fiets kwam zien wat er mis was werd onder de voet gelopen en gedood. Petsjerski holde zo snel hij kon naar een barak, waar nog mensen in zaten, en schreeuwde hen toe mee te komen.´Er zijn altijd mensen die op het laatste moment niet durven´ verklaart hij nu. Petsjerski rende weer in de richting van de SS -kantine waar, zoals hij wist, de omrastering was doorgeknipt. Er klonken schoten.

Met zijn rug tegen de muur van de kantine stond de SS-er Frenzel, een mitrailleur in zijn handen, op de vluchtenden te schieten.

Petsjerski schoot drie keer op hem met zijn revolver, van een afstand van ongeveer 50 meter. Hij raakte hem niet. en rende toen achter de anderen aan in de massale vlucht naar buiten.

Achter de SS-kantine bleken inderdaad minder mijnen te liggen dan elders. Volgens de getuigen die wij spraken hebben toen ongeveer 3 à 400 mensen kunnen ontsnappen. Men rende en rende in de richting van het bos. ´

Edith, de Nederlandse vriendin van Kurt Thomas, werd getroffen in haar buik. ´Ren, Kurt, ren´ , was het laatste dat zij riep. Ook op Regina werd geschoten, zij ontkwam.

Uiteindelijk kwamen 158 gevangenen om in het mijnenveld. De rest wist het open veld rond hetkamp over te steken en bereikte de bosrand. In het kamp bleven, de lijken van 13 gedode SS-ers. en een onbekend aantal Oekraïense bewakers achter. Vrijwel onmiddellijk na de ontsnapping vermoordden de Duitsers de gehele achterblijvende kampbevolking. Bij de klopjachten met honden in de omliggende bossen waarbij ook van vliegtuigen gebruik werd gemaakt, werden nog eens 160 gevangenen gepakt en gedood. Met de opstand van de gevangenen was het lot van Sobibor bezegeld. Op bevel van SS werden 30 gevangenen uit Treblinka gehaald die het kamp inclusief gaskamers met de grond gelijk maakten. Ook zij werden daarop doodgeschoten.

De ontsnapte gevangenen, waaronder zich een onbekend aantal Nederlanders bevond, leden in de maanden die volgden op de, opstand een hachelijk bestaan. Velen zijn beroofd, verraden en alsnog gepakt. Anderen wisten zich aan te sluiten bij partizanen of doken onder bij Poolse boeren. Van één vrouw is bekend: dat ze naar Duitsland ontkwam en onder een andere naam een betrekking als dienstmeisje vond. Na de oorlog zagen enkelen elkaar terug in Berlijn: het merendeel emigreerde uiteindelijk naar Italië, Israël, de Verenigde Staten, Brazilië, Australië en Canada. Van deze groep zag niemand ooit een van de Russen terug die de opstand leidden en organiseerden. In totaal overleefden meer dan veertig mensen de opstand van de ter dood veroordeelden in  Vernichtungslager Sobihor.

Dit artikel kwam tot stand in nauwe samenwerking met Jules Schelvis, één van de Nederlandse overlevenden van de transporten naar Sobibor. De samenstellers spraken in totaal met drieëntwintig overlevenden.

Vijf overlevenden van Sobibor

Stanislaw Szmajzner

Geboren in de Oekraïene (USSR) in 1909, woonde vanaf 1915 in Rostov aan de Don. In 1941 werd hij luitenant in het Rode Leger, werd krijgsgevangen gemaakt door de Duitsers en kwam in 1942 in Minsk terecht. Daar bleek bij een medische inspectie dat hij Joods was. Op 22 september 1943 werd hij naar Sobibor overgebracht. Drie weken na zijn komst leidt hij de opstand. Hij weet te vluchten en zich aan te sluiten bij Russische partizanen.

Na de oorlog werkte hij als ambtenaar en deed in zijn vrije tijd veel aan toneel en muziek. Ook hield hij lezingen op scholen over de oorlog en schreef in 1957 een verslag van de opstand voor het Joods Historisch Instituut in Warschau, dat ook in het Nederlands vertaald is door het RIOD.

Geboren in 1927 in Pulawy (Polen); leerde op jeugdige leeftijd goudsmeden. Pulawy werd al in 1939 ´Judenfrei´ gemaakt; alle bewoners werden naar het getto van Opole overgebracht, vanwaar zij in 1942 naar Sobibor werden vervoerd.

Stanislaw was toen 15 jaar en hield zichzelf in leven door het maken van sieraden en gereedschap.

Bij de opstand weet hij te ontvluchten, de Russen gaan hun eigen weg en de Poolse Joden, waarmee Stanislaw daarna optrok, werden door anti-semitische Poolse partizanen beroofd en vermoord. Met twee anderen weet hij Russische partizanen te bereiken. In 1947 zou hij vanuit Polen naar Israël emigreren, maar belandt in Brazilië. Daar opent hij een juwelierszaak en bouwt in het oerwoud een ranch. Die verkoopt hij in 1967, verhuist naar Goiania, waar hij een papierrecyclingfabriek begint. .

Szmajzner schreef ook een boek over de opstand en maakte deel uit van een organisatie die in Brazilië nazi´s tracht op te sporen. Hij was betrokken bij het opsporen van de Sobibor beul Wagner en de eerste commandant van Sobibor Stangl. Hij is begin 1989 overleden.

Alexander Petsjerski

Geboren in de Oekraïene (USSR) in 1909. woonde vanaf 1915 in Rostov aan de Don. In 1941 werd hij luitenant in het Rode Leger. werd krijgsgevangen gemaakt door de Duitsers en kwam in 1942 in Minsk terecht. Daar bleek bij een medische inspectie dat hij Joods was. Op 22 september 1943 werd hij naar Sobibor overgebracht. Drie weken na zijn komst leidt hij de opstand. Hij weet te vluchten en zich aan te sluiten bij Russische partizanen.

Na de oorlog werkte hij als ambtenaar en deed in zijn vrije tijd veel aan toneel en muziek. Ook hield hij lezingen op scholen over de oorlog en schreef in 1957 een verslag van de opstand voor het Joods Historisch Instituut in Warschau. dat ook in het Nederlands vertaald is door het RIOD.

Samuel Lerer

Geboren in Zolkiewka (Polen). In mei 1942 wordt hij door de SS met zijn hele familie naar Sobibor gebracht. In het kamp verzorgt hij de paarden en heeft daardoor meer bewegingsvrijheid. Na de opstand duikt hij onder bij een boer en verstopt zich negen maanden in het hooi.

Na de oorlog blijft hij korte tijd in Polen, maar het anti-semitisme daar doet hem naar Berlijn vluchten. Daar, in 1949, ziet hij op straat de ´Gasmeister´ van Sobibor lopen; hij laat deze Bauer arresteren waardoor Sobibor eindelijk in de publiciteit komt.

In 1951 vertrekt Lerer naar de Verenigde Staten, waar hij in New Jersey een kruidenierszaak begint en later een taxi koopt. Tot kort geleden was hij taxichauffeur; nu rijdt hij in een grote luxe limousine, waarmee hij zakenmensen vervoert. Hij woont in Conassy, een buitenwijk van Brooklyn.

Regina Zielinski

Geboren in 1924 te Siedlisczcze in Polen.

Zij kwam vanuit het getto van Stav in Polen in Sobibor terecht. Daar werd ze met twaalf andere meisjes aangewezen om kleren te breien en te herstellen. Op

de tweede dag ontdekte ze wat er met haar familie gebeurd was: toen ze andere kleren kregen, herkende ze de schoenen van haar zus en de jas van haar moeder. Na de vlucht verbleef ze twee nachten met twee andere vluchtelingen bij een boer. Daar werden ze beroofd. Regina vluchtte verder via Chelm naar Lublin. Als ´katholieke Poolse´ reisde ze via Hannover naar Frankfurt, waar ze als kindermeisje bij een nazi-directeur in huis werd genomen. Aan het einde van de 40-tiger jaren emigreert Regina naar Australië, waar ze nog woont, in Sydney.

Jules Schelvis

Geboren in 1921 te Amsterdam. Was voor de oorlog al drukker van beroep.

Trouwde in 1941 en werd met vrouw en familie op 1juni 1943 naar Sobibor getransporteerd. Als enige van zijn transport, dat uit 3006 Joodse Nederlanders bestond, overleefde hij na een verblijf in negen kampen de oorlog. Jules Schelvis schreef diverse boeken over Sobibor; o.a. ´Binnen de poorten´en ´De geschiedenis van een transport´. Ook was hij nauw betrokken bij een proces in Duitsland tegen Karl Frenzel, één van de beulen van Sobibor. Hij maakte samen met Dunya Breur een video-documentaire van interviews met 12 overlevenden.

De Stichting Sobibor werd in 1999 opgericht door Jules Schelvis, overlevende van het vernietigingskamp Sobibor. Schelvis werd de eerste voorzitter/secretaris.

De stichting wordt voornamelijk gesteund door nabestaanden, vrienden en degenen die zich bij Sobibor betrokken voelen. Na de Tweede Wereldoorlog was er aanvankelijk weinig ruimte voor de overlevenden om hun verhaal te vertellen. De meeste Nederlanders hadden de hongerwinter achter de rug. Eenmaal van het Duitse juk bevrijd begon men zo snel mogelijk aan de wederopbouw. In die situatie probeerden de meeste overlevenden, onder hen Jules Schelvis, de gruwelijkheden te vergeten en hun leven nieuwe inhoud te geven. Toen hij begin jaren tachtig met de VUT ging en meer vrije tijd kreeg, begon hij over zijn oorlogservaringen te schrijven. Eerst verscheen in 1982 Binnen de poorten, een boek over zijn kampervaringen. In 1993 volgde Vernietigingskamp Sobibor, in Nederland en Duitsland ontvangen als een wetenschappelijk werk. Mede door deze uitgaven begon er grotere belangstelling te ontstaan voor Sobibor. Dat leidde in 1999 tot de oprichting van de Stichting Sobibor. Haar doel is ervoor te ijveren dat de herinnering aan dit vernietigingskamp blijft voortbestaan, een kamp waar ongeveer 33.000 joden vanuit Nederland door vergassing zijn vermoord. De herinnering kan op vele manieren gestalte krijgen. Het grootste project was de totstandkoming van een monument dat als titel kreeg Tekens in Westerbork.

Een steeds terugkerende activiteit zijn lezingen door Jules Schelvis in Nederland en Duitsland over Sobibor. Een volgende project was het initiëren van theaterproducties, zoals daar waren in 1995 Binnen de poorten en in 2004 De opstand in Sobibor.

De Stichting Sobibor  zal zich meer gaan richten op de jeugd. Zo heeft zij bijgedragen aan de realisatie van een DVD over de joodse kinderen in kamp Vught. Deze beoogt de jeugd aan de hand van het verhaal van joodse kinderen die in het kamp zaten, bewust te maken over onderwerpen als intolerantie, discriminatie en vervolging.

Onze samenwerking met het Duitse Bildungswerk Stanislaw Hantz steunt ons in het gezamenlijk vinden van nieuwe wegen. Een voorbeeld is een gezamenlijke educatieve reis naar de kampen van de Aktion Reinhardt in Oost-Polen.

VERSLAG VAN EEN OOGGETUIGE DOOR JULES SCHELVIS

 

Het transport waarmee ik uit Westerbork vertrok bestond uit 3006 personen, waaronder baby´s, zieken, gebrekkigen en ouden van dagen. Voor mij liepen op 1 juni 1943 op weg naar de tientallen gereedstaande goederenwagens de mannen, vrouwen en kinderen, met wie ik in de komende dagen het lot moest delen. In mijn nabijheid liep een jong gezin met een kinderwagen, waarin een baby lag te huilen. Ik liep hand in hand met mijn vrouw; we waren anderhalf jaar getrouwd. Zij was 20 jaar en ik 22. Achter ons liepen mijn schoonouders, mijn schoonzuster en beide zwagers. Vlak voor mij strompelden twee gebrekkige mensen die ondersteund werden door leden van de Vliegende Brigade, een dienst in Westerbork die allerlei opdrachten moest uitvoeren. Toen we bij de trein gekomen waren werden we met zachte dwang een wagon ingeduwd. De ouders van de baby hadden grote moeite de kinderwagen naar binnen te krijgen, omdat het perron niet op de goede hoogte was gemaakt. Voordat de wagon werd gesloten kregen we nog twee tonnetjes aangereikt. Een was met water gevuld; de andere om er onderweg onze behoeften in te doen.

Toen de haken aan de buitenkant gesloten waren en we weer een beetje normaal konden denken kwam iemand op het idee een telling te houden om minstens voor ons zelf vast te stellen met hoeveel we waren. We kwamen tot 62 personen en een kinderwagen. Omdat we in de laatste wagon waren terechtgekomen hadden we nog een beetje geluk. De andere wagons bleken aanzienlijk meer personen te bevatten, tot 80 aan toe. Wij stonden met onze brood- en rugzakken als haringen in een ton en hadden nauwelijks ruimte om onze benen te strekken.

De enige ventilatie zat aan de lange zijde van de wagon. Het was een klein rechthoekig raampje met aan de buitenkant een ijzeren traliewerk. Als je er op je tenen onder stond kon je net naar buiten kijken. Er waren geen voorzieningen getroffen, niet om te zitten en niet om te slapen. Zelfs geen beetje stro lag op de bodem. Geen spijker om iets op te hangen.

Nog voor de trein vertrok, werd er al druk gebruik gemaakt van de ton omdat velen hun zenuwen niet de baas konden. Binnen korte tijd verspreidde zich een ondraaglijke stank.

Omstreeks 10 uur hoorden we vanuit de verte een doordringend fluitsignaal. De trein zette zich in beweging. Er ging een schok door ons heen. Het begon nu pas goed tot ons door te dringen dat wij op weg naar Polen waren. Meer dan twee jaar hing dit zwaard van Damocles al boven ons hoofd. Nadat mijn vrouw Rachel en ik tevergeefs hadden geprobeerd onder te duiken, was er geen uitweg meer.

Wat stond ons in Polen te wachten?

Er waren al berichten uit Auschwitz en Sosnowitz bij de Joodse Raad binnengekomen, weliswaar met een minimum aan informatie, maar dat betekende toch dat men goed was aangekomen. De afzenders waren in staat geweest een briefje naar huis te schrijven. Dat sterkte onze hoop dat we misschien onze familie en vrienden zouden ontmoeten, als we tenminste naar dezelfde kampen gestuurd zouden worden. We waren vast besloten ons niet te laten ontmoedigen. Natuurlijk wist niemand van ons wat daar in het oosten precies zou gebeuren. Zoveel brieven of briefkaarten waren er nu ook weer niet gekomen.

Nadat we ongeveer 400 kilometer gereden hadden stopte de trein toen het al donker was geworden in de omgeving van Wittenberg. De schuifdeuren bleven gesloten. Die nacht zou er van slapen niets terechtkomen omdat we nog te vol waren van de situatie waarin we zaten. Toen in de ochtendschemer de trein vertrok en we weer in cadans kwamen van het rijden en stommelen, vielen sommigen in slaap. Mijn vrouw Rachel had zich in mijn armen gevlijd, zodat ze haar ogen een paar uurtjes kon dicht doen. Mijn altijd behulpzame schoonmoeder hielp zo goed en zo kwaad als het ging de jonge vrouw met het verschonen van de baby. Tot kort voor haar eigen deportatie had ze actief meegewerkt aan het helpen onderduiken van baby´s en kleine kinderen. Nu was ze zelf getuige van de deportatie van zo een hulpeloos mensje.

Aan het eind van de tweede dag stonden we urenlang stil in de omgeving van Berlijn. Spoorwegarbeiders sloegen met hamers tegen de assen van de wagons. Ze hadden grote aandacht voor het materieel. Naar de drieduizend Joden die erin zaten werd niet omgekeken.

Het was inmiddels donderdag geworden; de derde dag van de tocht. De somberheid van de nacht maakte ons geprikkelder dan we overdag al waren. Af en toe kon iemand een schaars verlicht naambord van een station waar we voorbijreden lezen of een bord: Räder müssen rollen für den Sieg!

Door het niet aflatende gedender van de ijzeren wielen en het passeren van wissels zaten we geen moment stil. Het maakte ons steeds nerveuzer. Als de trein een bocht nam tuimelde je tegen elkaar aan. In die staat was het niet meer mogelijk nog helder te denken. Toch probeerden we ons voor te stellen hoe het dáár zou zijn.

De door het noodlot bijeengebrachte mensen hadden zo lang mogelijk geprobeerd een beetje aardig tegen elkaar te zijn. Nu ontstonden er zonder aanleiding hoog oplopende ruzies. Chel en ik hadden een voortdurend pijn-in-de-buikgevoel, zoals bij de tandarts.

Die dag bereikten we de Poolse grens. Het begrip Polen, dat ons leven de laatste jaren had beheerst was nu werkelijkheid geworden. Toen we door Czestochowa reden dachten we dat we naar Auschwitz gingen, dat op ongeveer 100 kilometer afstand ligt. Maar we reden in oostelijke richting. Waarheen zouden ze ons dan wel brengen? ´s Avonds passeerden we Kielce en Radom. Alleen mijn schoonouders, die beiden in Polen geboren waren, kenden die steden van naam.

Diep in de nacht reden we voorbij Lublin. Toen de zon weer volop scheen - het was inmiddels vrijdag geworden en de vierde dag van de reis ving aan - werd het warm in de wagon en daardoor ging het nog meer stinken. Door oververmoeidheid waren we geheel onverschillig geworden. Het kon ons niet meer schelen waar we terecht zouden komen. We waren murw gemaakt. Wat ons nog bezig hield was de gedachte, dat we eens zouden uitstappen en frisse lucht krijgen.

Nadat we Chelm al een uur achter ons hadden gelaten stopte de trein midden tussen de velden. De bewakers die zich tijdens de tocht tamelijk kalm hadden gehouden begonnen nu te rennen en te schreeuwen. Hun houding was totaal omgeslagen. Of waren het anderen dan die met ons mee waren gegaan in Westerbork? De deur van de wagon werd opengeduwd, waarna een SS-man binnenkwam. Hij rukte een aantal horloges van de pols van mensen die het dichtst bij hem stonden.

Toen hij voldoende geroofd had sloot hij weer de deuren, waarna kort daarop de trein weer ging rijden. Nadat we een paar honderd meter achteruit hadden gereden kwam de trein opnieuw tot stilstand. We begrepen dat we nu snel onze bagage moesten oppakken, want dit kon het einde van de tocht zijn. Wij, die als laatste in Westerbork de wagon waren binnen gekomen reden nu als eersten een met rijen prikkeldraad omheind kamp in. Boven de poort van een nabijgelegen toegangsweg lazen we op een bord met grote letters:

SS-SONDERLAGER SOBIBOR

Vrijwel op het zelfde moment dat we tot stilstand waren gekomen werden de deuren door mannen in blauwe overalls en met zwepen in de hand opengegooid. Ze klommen in de wagon en begonnen, onder toezicht van SS-ers, onder voortdurend geschreeuw op ons in te slaan. Omdat ze half Duits, half Jiddisch spraken lieten ze merken dat ze Joden waren. Waar het niet snel genoeg ging kwamen de SS-ers een handje helpen. Ook zij hadden zwepen en sloegen er op los. Sommigen dreigden ons met hun pistolen. Er kon nu niet getreuzeld worden. Daarom zorgden we dat we zo snel mogelijk op de langszij gelegen aarden wal terecht kwamen. Achter ons hoorden we gekerm en gejammer van mensen die niet, of niet vlug genoeg op de been waren. Ze hadden zich niet zo snel kunnen herstellen van de ongemakkelijke houding die ze zo lang hadden moeten innemen. Hun benen waren stram geworden, maar daar had niemand een boodschap aan.

Zonder dat ons tijd werd gegund, werden we met zweepslagen voortgedreven. Mijn schoonvader die aan de buitenkant liep kreeg een geweldige slag over zijn rug. Chel en ik hielden elkaar stevig vast. We mochten niet door deze helse situatie uit elkaar worden gedreven. We keken elkaar even aan en ik zei: ´Zo is dus de ontvangst in Polen.´Maar de barakken waar we langs liepen gaven ons toch weer een beetje moed. Ze zagen er verzorgd uit met gordijntjes voor de ramen en er hingen bloeiende geraniums buiten. Een enkele leek meer op een Tiroler huisje dan op een barak. We durfden niet om te kijken en zien wat er achter ons gebeurde. Chel zei: ´Wat zal ik met mijn gouden horloge doen? Het wordt natuurlijk afgenomen.´ Ik antwoordde: ´Begraaf het. Het kan straks veel geld waard zijn.´ Onder het lopen zag ze een kuiltje, waar ze het vliegensvlug in stopte. ´Let goed op´ zei ze nog, ´waar het ongeveer ligt. Dan kunnen we het later, als we tijd hebben, proberen op te graven.´ Over een pad werden we naar een paar grote barakken gedreven die er heel anders uitzagen dan die langs de Rampe. Als opgejaagd vee werden we door de wijd openstaande deuren gedreven, waar ons tijdens het doorlopen bevolen werd alles wat we bij ons hadden, af te geven. Zo kwam onze bagage op grote hopen terecht. Ook mijn gitaar, waarmee ik zoveel plannen had en die ik met zorg in de wagon behoed had voor schade. Ontdaan van alles wat we eens vol zorg bijeen hadden gebracht, verlieten we de barak aan de andere kant. Hoe zouden we dat ooit weer terug krijgen, flitste het door mij heen.

Het zo ongeorganiseerd moeten afgeven van alles wat we bezaten had mij zo overrompeld dat ik niet direct in de gaten kreeg dat een SS-man de vrouwen een andere richting op stuurde. Opeens zag ik dat Chel niet meer naast mij liep. Het ging alles zo vlug in zijn werk dat ik haar niet had gekust of ´tot straks´ had toegeroepen. Ik wilde omkijken of ik haar nog vanuit de verte kon zien. Maar een SS-man snauwde mij toe dat ik voor mij uit moest kijken en verder was het ´Maul halten.´

Aan het eind van het pad stond een in smetteloos uniform gestoken SS-man. Hij monsterde iedereen die hem passeerde. Voor oudere mannen had hij geen belangstelling. Jongeren bekeek hij met enige aandacht. Mijn zwager Ab die voor mij liep werd door hem met zijn zweep aangewezen om zich wat verderop aan te sluiten bij een groepje dat op enige afstand stond. Hij zou 80 jonge mannen uitzoeken. Ik was daar niet bij.

Samen met mijn schoonvader en kleinere zwager moest ik op een met barakken omringd veld gaan zitten. Het liep geheel vol toen steeds meer mannen uit volgende wagons daar aankwamen. Zo zaten tenslotte ongeveer 500 mannen te wachten op wat er verder te gebeuren stond.

Toen zag ik de SS-er die ik was gepasseerd het terrein oplopen. Met de handen op zijn rug slenterde hij zo te zien voldaan langs de rijen. Waarschijnlijk waren zijn gedachten bij het werk dat hij zojuist gedaan had. Wat hij wist, wist uiteraard niemand van de mannen die daar zaten. Toen hij bij mij in de buurt kwam sprong ik, spontaan als een schooljongen, op en stak mijn vinger omhoog. Ik verzocht hem een vraag te mogen stellen. Hij knikte toen hij van terzijde op mij neerzag. In mijn beste HBS-Duits deed ik het verzoek, mij bij de geselecteerde groep te mogen voegen. Eerst reageerde hij niet, keek een beetje in de verte en sloeg met zijn zweep een paar keer tegen zijn laars. Vol spanning wachtte ik zijn reactie af. Toen draaide hij zich om en vroeg of ik Duits sprak en gezond was. Hij verzonk een ogenblik in gedachten voor hij besloot mijn verzoek in te willigen. Toen riep hij: ´Na, los!´ en met een hoofdknik beduidde hij me, dat ik mij bij de apart staande groep moest aansluiten. Pijlsnel rende ik naar mijn zwager toe. Een Scharführer onderhield zich zo te zien ontspannen met de jongemannen. Een beetje verwonderd keek hij naar me toen ik mij meldde; de groep was immers al compleet. ´Du auch?´ riep hij. ´Nu zijn we met 81 man; eigenlijk één te veel.´

De SS-man beval ons ´Jetzt die Schnautze zu halten´en zei: ´Jullie zijn uitgezocht om in een ander kamp, hier niet ver uit de buurt, te werken. Iedere avond kom je in Sobibor terug om met je familie en vrienden te eten en je te vermaken. De anderen´, en hij wees in de richting van de plaats waar ik vandaan was gekomen, gaan nu douchen. Daarom zijn mannen en vrouwen gescheiden want je snapt wel dat gezamenlijk baden niet hoort. Alle anderen die vandaag zijn gekomen blijven hier.´

Intussen zag en hoorde ik dat een SS-man op het veld een toespraak hield, die ik vanaf de plaats waar ik stond niet goed kon volgen. Wel was duidelijk dat hij gezegd had dat iedereen zich moest uitkleden om naar het badhuis te gaan, want ik zag dat mannen daarmee een begin maakten. Hemden en schoenen waren al uitgetrokken toen onze SS-man ons in rijen van 5 liet aantreden. Onder zijn luid ´eins-zwo-drei-vier´-geschreeuw zetten wij ons in beweging in de richting van de uitgang. De SS-er deed een poging ons in stramme houding en in marstempo te laten marcheren. Hij had er geen voorstelling van hoe wij de afgelopen vier dagen gekreukeld hadden gezeten en hoe miserabel we er aan toe waren.

Op weg naar de trein moeten we de plek zijn tegengekomen waar Chel haar horloge verstopt had. Maar ik wist bij lange na niet meer waar dat was. Twee wagons en een locomotief stonden klaar langs de aarden wal. Niets herinnerde meer op die plaats aan de paniek die daar een paar uur tevoren geweest was.

Het was mij wel duidelijk geworden dat we moesten werken. Dus toch werken, zoals we steeds gedacht hadden. Arbeidskampen in het oosten, dat was ons altijd voorgespiegeld. En nu was het zover! Het was alleen nog de vraag wáár we zouden komen te werken. Dat zouden we binnen enkele uren aan de weet komen. De anderen, zo had ik wel begrepen, in Sobibor. Chel kon zich met de familie gaan voorbereiden op de eerste avond in het kamp. Ik was wel benieuwd naar het bijzondere aan Sobibor, want het werd immers aangeduid als Sonderlager?

DAT GEBEURDE IN SOBIBOR

Bij de allereerste transporten die in Sobibor aankwamen, werden door de SS telkens 50 jonge mannen uitgekozen om te helpen bij de ´afwikkeling´. Als laatst overgeblevenen werden ze, meestal nog diezelfde avond, gedood. Na enige tijd vond de SS-leiding dit systeem echter ondoelmatig. Daarom ging ze ertoe over Joodse mannen en vrouwen uit te kiezen die voor langere tijd moesten werken. Ze werden ´Arbeitsjuden´genoemd, om duidelijk te maken dat ze voor de kampleiding werkzaam waren. Er werd een apart gedeelte, Kamp I, ingericht om ze onder te brengen; het werd extra omgeven met prikkeldraad en een brede sloot en bewaakt door gewapende Oekraïners op wachttorens.

Uit deze groep werd onder meer het Bahnhofkommando gerecruteert dat onder bevel stond van de SS-Oberscharführer Frenzel. Hij kon over 5 SS-mannen, 12 Oekraïense soldaten en 20 werk joden in blauwe overalls beschikken.

Als een transport Sobibor naderde riepen de SS-mannen tegen elkaar: ´Es kommt wieder Salat´. Het commando werd gealarmeerd en moest bij de Rampe aantreden. Als de trein eenmaal stilstond kwam het herhaaldelijk voor dat de mensen niet zo snel uitstapten als de Duitsers wel hadden gewild.

Dan kregen de leden van het commando opdracht met hun zwepen de weerloze mensen uit de wagon te slaan. Het was geen uitzondering dat daarbij door de SS werd geschoten om ook maar het geringste verzet in de kiem te smoren. Soms werden in de wagons schoten afgevuurd. Deze brutaliteiten mochten ook weer niet té ver worden doorgevoerd, omdat de pas aangekomen Joden niet mochten gaan twijfelen of ze wel in een werkkamp waren aangekomen. Bij aankomst van vooral Poolse transporten kwam het toch vaak tot hartverscheurende tonelen, omdat de Joden uit Polen, die meestal uit de getto´s kwamen, al vaak brutaliteiten hadden meegemaakt en van het bestaan van vernietigingskampen afwisten. Erger verging het de zieken, ouderen en gebrekkige. Die moesten op de Rampe achterblijven, tot het moment waarop de anderen niet meer konden zien wat daar zou plaatsvinden. Dan werden ze op wrede wijze op lorries gegooid, tezamen met de achtergebleven doden uit de wagons. Tot een paar maanden na het in gebruik nemen van Sobibor werden ze naar de houten kapel gebracht, waar ze meedogenloos werden geëxecuteerd. Vanaf juni 1942 werden ze naar een plaats in Kamp III gereden, die werd aangeduid als ´Lazarett´ en daar aan de rand van een groeve doodgeschoten. Welke tonelen zich hebben afgespeeld laat zich hier niet beschrijven. Pas wanneer de mensen van de eerste serie wagons uit het zicht verdwenen waren moest het Bahnhof kommando deze en ook de Rampe in grote haast schoonmaken. Daarna reed de locomotief de lege wagons het kamp uit en haalde dan de volgende 8 of 9 van buiten het kamp. Het proces kon dan weer van voren af aan beginnen.

Behoudens de incidenten aan de Rampe mocht er verder niets op duiden wat er werkelijk in Sobibor stond te gebeuren. Tijdens de uiterst vluchtige contacten tussen de nieuw aangekomen mensen en de Joden van het Bahnhofkommando mocht niets gezegd worden over de afloop. ´Frenzel achttete peinlich darauf´, zo stelde het Schwurgericht in Hagen vast.

De weg van de Rampe naar het terrein in Kamp TI werd in het hoofdstuk ´Verslag van een ooggetuige´ beschreven. Schelvis hoorde op afstand dat een SS-man een toespraak hield, maar kon, omdat hij te ver weg stond en zijn groep naar de uitgang werd gebracht, niet verstaan wat hij precies zei. We kennen nu de inhoud van de toespraak en de man die hem uitsprak. Dat was meestal de SS Unterscharführer Michel. ´U bent nu in een kamp gekomen waar u moet werken. De reis die u onder primitieve omstandigheden hebt gemaakt en het samenzijn met zoveel mensen gedurende lange tijd vereisen hygiënische maatregelen. Daarom moet u zich nu gaan uitkleden, waarna u onder de douche gaat. Uw afgegeven kleren, evenals uw bagage zullen bewaakt worden. Die moet u netjes bij elkaar houden, uw schoenen vooraan. Voorwerpen van waarde geeft u bij die kiosk verderop in bewaring. Het getal dat u wordt toegeroepen moet u goed onthouden om later uw spullen weer terug te kunnen krijgen.´

Vooral bij de uit Nederland en andere niet-Poolse gebieden afkomstige Joden schonk die toespraak vertrouwen. Soms werden postkaarten verstrekt om de nog in Nederland vertoevende familieleden en vrienden te laten weten dat ze behouden in een kamp waren aangekomen. Soms schreven ze, als Michel dat in zijn toespraak verwerkt had, dat ze naar de Oekraïne doorgestuurd zouden worden om daar te werken.

Als de mensen zich vervolgens hadden uitgekleed en hun waarde voorwerpen hadden afgegeven werden ze naakt, of het zomer of winter was, naar Kamp III gevoerd of gedreven. Er werd op toegezien dat de groep niet groter was dan de capaciteit van de gaskamers, die aanvankelijk 240 en later, na uitbouw, 480 mensen kon bevatten.

Terwijl de mannen zich op het veld moesten uitkleden werden de vrouwen direct naar een grote barak in de nabijheid van Kamp III gevoerd. Daar moesten ze zich uitkleden. Als dat gebeurd was moesten ze gaan zitten om zich door jonge manlijke zogenaamde kappers - ook werkjoden - het haar te laten afknippen. Daarna werden ze naar het ´badhuis´gebracht.

Zodra het veld waar de mannen gezeten hadden en de kappersbarak leeg waren werden ze door een speciaal commando vliegensvlug opgeruimd en schoongemaakt en de kleren weggehaald, waardoor de volgende groep geen argwaan kreeg. Als de laatste op weg waren naar Kamp III werd met het sorteren van alles wat de slachtoffers bij zich hadden begonnen.

Direct bij het betreden van Kamp III zagen de mensen een gebouw waarop een bord bevestigd was met het woord ´Bad´. De mensen werden in de compartimenten gedreven, die daarna hermetisch gesloten werden. Dan sloeg de tankmotor aan, die in een gebouwtje achter de gaskamers stond. Op het moment dat het gas begon te stromen beseften de Joden pas - als ze daarvoor nog de tijd hadden - dat ze in een onontkoombare val waren gelokt. Welke tonelen zich hebben afgespeeld gedurende ongeveer 20 minuten is uitvoerig beschreven in het vonnis van het al eerdergenoemde Schwurgericht.

Het Joodse werkcommando in Kamp lIl, dat geen enkel contact kon hebben met de overige sectoren in Sobibor, bestond uit gemiddeld 150 man. Het opende de deuren aan de achterzijde en bracht de lijken naar buiten. Een speciale groep was belast met het doorzoeken van de lichamen op goud en diamanten. Weer anderen moesten gouden tanden uittrekken. Daarna werden de lijken op lorries naar twee grote groeven gereden en verbrand. Zo verging het een kwart miljoen Joden.

DODEN EN OVERLEVENDEN

Vanuit het Drentse Westerbork vertrokken tijdens de oorlog drie-en-negentig treinen naar het oosten. Met Joden. Men heeft ook het aantal mensen dat vertrok geregistreerd. Dat waren er 107.000. Soms was het einddoel onbekend, maar dikwijls wist men dat de transporten in Auschwitz eindigden. Naderhand was bij de kampleiding in Westerbork bekend dat er ook transporten naar Theresienstadt en Bergen-Belsen plaatsvonden. Van Sobibor had praktisch niemand in de oorlog gehoord. Het enige wat daarover te vinden is, vermeldt dr. J. Presser in zijn boek ´De ondergang´, waar hij een zinsnede uit een verslag van de Joodse Raad citeert van 26 maart 1943: ´Enige laatste transporten schijnen niet naar Auschwitz te zijn gezonden, doch naar Sobibor\\\\\\\\\\\\\\\'. De schrijver H. Wielek vermeldde het kamp geheel niet in een kort na de oorlog verschenen boek. Toch vertrokken er vanuit Westerbork in de periode van 2 maart tot en met 20 juli 1943 19 transporten naar Sobibor. Het kunnen er misschien meer geweest zijn omdat 9 transporten die Auschwitz als bestemming hadden, daar niet zijn aangekomen maar vrijwel zeker naar een van de vernietigingskampen van de Aktion Reinhard zijn gevoerd. In totaal bevatten deze 9 transporten circa 10.000 mensen. Hoeveel daarvan in Sobibor zijn omgekomen is niet te achterhalen.

Met zekerheid is komen vast te staan dat 34.313 Joden met die 19 transporten in Sobibor zijn aangekomen. Van hen overleefden 15 vrouwen en 3 mannen de oorlog. Die stammen uit 5 transporten. Van de overige 14 transporten zijn geen overlevenden bekend.

Statistisch gezien overleefden er in Sobibor vanuit Nederland 51/4 per 10.000. Voor Auschwitz, dat zowel vernietigingskamp als werkkamp was, zijn dat 186 per 10.000.

Het totaal aantal Joden dat in de drie vernietigingskampen is vermoord tussen maart 1942 en 14 oktober 1943 bedraagt op zijn minst 1.600.000, waarvan in Sobibor, volgens de rechtbank in het Poolse SiedIce 250.000. Dit getal is op grond van getuigenverklaringen van destijds bij Sobibor dienst gedaan hebbende Poolse spoorwegbeambten gebaseerd. Voor het Schwurgericht in Hagen heeft professor Scheffler uit Berlijn op wetenschappelijke gronden vastgesteld dat in Sobibor ten minste 153.000 Joden zijn vergast. Hoewel ook Scheffler aanneemt dat er in totaal 250.000 Joden in Sobibor zijn vermoord, heeft hij voor 97.000 geen sluitende bewijzen kunnen vinden.

De Duitsers zelf en ook de werkjoden (hoe zouden ze) hebben geen administratie bijgehouden van het aantal slachtoffers in Sobibor, zodat we ons blijven baseren op de cijfers van Scheffler en Siedlce. Om een goed beeld te krijgen van de nationaliteiten en de verhoudingen volgen hier de aantallen van professor Scheffler:

75.000 uit Polen;

34.000 uit Nederland;

30.000 uit Tsjecho-Slowakije; 10.000 uit Duitsland en Oostenrijk;

2.000 uit Frankrijk;

2.000 uit de Sovjet-Unie.

Door de opstand hebben 40 mensen de oorlog overleefd. Hierbij komen nog 6 die in een vroeger stadium bij diverse vluchtpogingen zijn ontsnapt. Tot de genoemde 40 behoren twee vrouwen die met het zesde transport vanuit Westerbork zijn gekomen. Het zijn mevrouw Selma Engel-Wijnberg die nu met haar eveneens uit Sobibor ontsnapte man in de Verenigde Staten woont. En mevrouw Ursula Safran-Stem. Zij overleed een paar jaar geleden in Ashkelon in Israël.

 Zie voor deel 3 Sobibor en de Endlösung ´opdat wij niet vergeten´ Deel 3