We hebben 225 gasten online

Het Joodse Praag

Gepost in Geschiedenis Joden

HET JOODSE PRAAG

VROEGER EN NU

Oorspronkelijke bronnen vertellen ons dat de joden zich, sinds de jaren negenhonderd, zouden gevestigd hebben aan de voet van de Praagse Burcht (nu de wijk Mali Strana). Toen bestond Praag enkel uit de Burcht, de oevers van de rivier en een geheel van handelsgemeenschappen. Juist die ligging trok joodse kooplieden en inwijkelingen aan, komende uit twee regio's. De joden, afkomstig uit Byzantium, hebben zich in de omgeving van de Dugnístraat gevestigd. Enige tijd later hebben de joden, afkomstig uit het Westen, hun eigen stad gesticht op het grondgebied van het oude Praag. Deze stad, later „getto" genoemd, was al van de XIe tot het begin van de XIIIe eeuw, een vast geheel van woningen. Deze plaats zal later de joodse stad worden. Ongeveer waar nu de straten Kaprova en Pafízská liggen, naar de oevers van de Vltava toe. Bij de stichting van de Oude Stad, rond de jaren 1250, stelde men de juridische statuten van de joodse gemeenschap vast. Het getto werd van het christelijk gedeelte van de stad gescheiden door een muur waarvan `s nachts de poorten gesloten werden.

Het is zo dat de joodse stad een gesloten enclave is geworden temidden van de Oude Stad. De grenzen veranderden evenwel regelmatig ten voordele van de ene of andere partij. De voornaamste assen van het getto bleven onveranderd, met name de Sirokástraat oost-west georiënteerd, doorkruist door de Rabfnská-, Belesova- en Zlatástraat, noord-zuid georiënteerd. Deze laatste drie straten zijn in de XIXe  eeuw verdwenen om vervangen te worden door de as van de Maiselovastraat. Gedurende eeuwen werden deze hoofdaders verbonden met een net van korte en smalle straatjes die op de poorten van het getto uitliepen. Er waren zes poorten, de laatste is pas verdwenen in 1822, toen telde het getto nog 31 straten en steegjes, 12 doorgangen en 2 pleinen.

Eeuw na eeuw groeide het aantal huizen, straten en synagogen in Praag, gelijktijdig met de vermaardheid van de joodse gemeenschap. Door de macht van de vorst, die een relatieve zekerheid en voorspoed verzekerde, werd een traditionele elite van intellectuelen aangetrokken. Het is daar dat vanaf de XIe eeuw de beroemde Talmudschool gesticht werd. In de school  werd, in het begin van de XVIe  eeuw de eerste    Hebreeuwse drukkerij, ten noorden van de Alpen, opgericht. Wijze professoren en rabbijnen kwamen hier de erediensten opdragen. Het aantal inwoners steeg voortdurend en vanuit de joodse straat is een stad ontstaan, beheerd door haar eigen wetten, gezag en primaat. In 1142 verwoestte een brand de eerste gekende synagoge aan de voet van de Burcht (tijdens de invasie van Konrad van Znojmo).

De joodse kolonie werd overgebracht naar de rechteroever van de Vltava. De Oude School, in de huidige Dugnístraat, werd ingericht als een afgescheiden enclave van de oorspronkelijke joodse kolonie. De Oud-Nieuwsynagoge werd gebouwd op het einde van de jaren 1200.

In de XVIe  en XVIIe  eeuw bouwden private joodse geldschieters verschillende heiligdommen. Men beëindigde de werken van de andere synagogen: de Pinkassynagoge (1535), de Vysokásynagoge (1568) en de Maiselsynagoge (1592). Op het einde van de XVI e de eeuw werd de bouw beëindigd van de Nová (Nieuwe) synagoge, later Wechslersynagoge genoemd. In 1613 kwam de Cikánsynagoge klaar. In 1627 en 1694 zijn respectievelijk de Velkodvorská- en de imposante barokke Klausensynagoge afgewerkt.

De joden hadden hun eigen administratie, maar zoals in andere Europese landen genoten zij zekere voorrechten en een bepaald juridisch statuut. Volgens zeer verschillende decreten genoten zij al dan niet van de bescherming van de koning. Zij werden beschouwd als rechtstreeks onderworpenen, te weten leenmannen van de koning. Hij mocht vrij over hun eigendommen beschikken, ze in pand geven en zelfs pogroms verdragen in vervanging van de geannuleerde kredieten. Waarschijnlijk waren de pogroms in Praag niet zo veelvuldig als elders in Europa.

Zij waren daarom niet minder wreed. Er was geen gebrek aan uitvluchten om een pogrom te beginnen: de doortocht van de kruisvaarders, de hongersnood, epidemieen of de woede van fanatieke christelijke predikanten.

Eén van hevigste pogroms had plaats op 18 april 1389. Hij kostte het leven aan 3000 mensen, het getto werd volledig geplunderd en in brand gestoken. De joden die gevlucht waren in de Oud-Nieuwsynagoge ontsnapten niet aan het drama. De bloedsporen op de muren van deze synagoge zijn lange tijd getuige geweest van de wreedheid van de bloeddorstige christenen. Dit vreselijk gebeuren speelde zich af onder de regering van Wenceslas IV. Avigdor Kara, één van de weinige overlevenden van het drama, vermeldt de wreedheid van deze pogrom in zijn geschriften.

De volgende periode, de Hussieten revolutie, was even ongunstig voor een goede relatie tussen de joodse gemeenschap en de christenen. De joden toonden een zekere sympathie tegenover de Hussietische gedachten. Vooral parabels en uittreksels uit het oude testament werden regelmatig gebruikt door de Hussietische predikanten. Zij werden door de joden dan ook geduld bij het beleg van 1420 aan de heuvel van Vysehrad. Desondanks werden zij niet gespaard van de overdreven gewelddaden van het Praagse plebs. Kronieken uit die tijd wijzen ons op de gebeurtenissen van 1422 en 1448.

Tijdens de tweede helft van de jaren 1500 kende de joodse gemeenschap een zekere rust, ondanks het verlies van zijn financieel monopolie en andere verplichtingen. De Habsburgse koningen eisten meer en meer geld voor hun oorlogen tegen de Turken, voor hun hofhouding, voor de bouwwerken aan het koninklijk hof en voor hun politieke ambities in het kader van het Heilige Germaanse Rijk. Daarvoor openden zij steeds meer kredieten bij de joodse bankiers en geldschieters.

Mordechaj Maisel, een invloedrijk joods bankier met een legendarische rijkdom, was gekend door de grote sommen geld die hij geleend had aan keizer Rudolf II. Maisel heeft hiervan handig gebruikt gemaakt en ook zijn geloofsgenoten hiervan laten meegenieten. De koning bevestigde hun verworvenheden alsook nieuwe gunsten en voordelen die de officiële veiligheid van de Praagse joden versterkte. Maisel, primaat van de joodse gemeenschap, heeft dankzij zijn ijver voor de bouwkunst zijn stempel gedrukt op het getto. Hij is de oprichter van het joods stadhuis waarvan het huidige uitzicht teruggaat naar de restauratie in laat — barokke stijl. Toen werd een torentje boven de noorder gevel toegevoegd. Het uurwerk, met Hebreeuwse cijfers, draait in de omgekeerde zin van een normaal uurwerk. Het symboliseert vandaag de wijk Josefov en schijnt de tijd achterna te hollen, naar de periode van het getto. In 1908 werd het stadhuis verhoogd en uitgebreid met een vleugel langs de Maiselovastraat. Hierin is momenteel een zeer goed koosjer restaurant ondergebracht. Vlakbij liet Maisel de Hoge synagoge (Vysoká) bouwen, hij is tevens de bouwheer van de (oorspronkelijk private) Maiselsynagoge.

Samen met zijn vriend, de rabbijn Jehuda Löw ben Bezallel, hebben ze de Talmudschool gesticht. Zij waren aangetrokken door de renaissance wetenschappen

Tijdens de renaissance in Praag bestond er nog een andere man, tragisch beroemd, de bankier Jakub Bassevi. Zijn enorme rijkdom was waarschijnlijk de vrucht van financiële transacties bij bestellingen voor het leger — „lange munt" — genoemd en speculaties op in beslag genomen eigendommen tengevolge van de slag bij de Witte Berg. Hij stond aan de zijde van Albrecht van Waldstein en van andere edelen en rijken.

Tweemaal is de joodse bevolking uit het land gezet, in 1541 en in 1744. Deze lichtzinnige beslissingen zijn altijd ten nadele geweest van de handel en de financiën. Onder druk van de joden zelf waren de inwoners en de adel van Praag telkens verplicht op hun beslissing terug te komen. Al hebben de joden altijd een voorname rol gespeeld in de Praagse economie, hun situatie verbeterde er niet op. De ontwikkeling van de joodse wijk heeft praktisch de evolutie van de andere wijken gevolgd. Omwille van de territoriale beperkingen voor de joden waren enkel herstellingen, verbouwingen en herbouwen toegelaten, maar zeker niet het oprichten van nieuwe gebouwen op eventuele „bouwgronden". Naargelang de stijging van de joodse bevolking zag men zich steeds meer en meer opeen gedrongen en bedreigd door epidemies, waaronder de pest. Gedurende de pestepidemie van 1680 werd een nieuw kerkhof opgericht vlakbij de huidige Fibichovastraat in de Zizkovwijk. Sedert 1787 werd dit kerkhof het voornaamste van Praag. De opeengedrongen huizen en krotwoningen waren een gemakkelijke prooi voor het vuur en door zijn lage ligging werd de wijk ook regelmatig overstroomd. Alleen de hervormingen, ingevoerd door Jozef lijn verband met de „verlichte eeuw" legden de basis voor de economische bloei. Zij hebben het leven en het statuut van het getto grondig veranderd en de verplichte afzondering van de joodse gemeenschap verbroken. Deze onverschrokken koning heeft evenwel het decreet van 1727, ingevoerd door Karel VI, op het aantal toegelaten joodse families in Bohemen en Moravië, niet ingetrokken. Enkel de oudste zoon van elk joods gezin had het recht te huwen, de anderen moesten emigreren.

Tienduizenden joden vestigden zich op een beperkte oppervlakte van enkele huizenblokken. Dit duurde zelfs tot na 1796 toen sommige joodse families zich in de Oude Stad mochten vestigen.

Het is slechts in de jaren 1800, dankzij de hervormingen van de toenemende liberalisatie, dat de afzondering stilaan afnam. In de joodse gemeenschap traden stilaan grondige verschuivingen op zoals integratie door huwelijk en samenwonen. De meesten onder hun spraken de beide landstalen, het Tsjechisch en het Duits. Naargelang hun voorkeur voor de ene of de andere taal, sloten zij zich steeds meer aan bij ofwel de Tsjechische of bij de Duitse burgerij.

Op het einde van de jaren 1800 kende de joodse stad een fatale crisis door ziekten, gebrek aan hygiëne en maatschappelijke problemen. In 1851 werd de joodse wijk als vijfde arrondissement aan de Stad Praag toegevoegd. Het werd Josefov genoemd ter ere van Jozef II. Er werden radicale veranderingen aangebracht aan de bebouwingen. Rijke joden verhuisden naar comfortabele appartementen in de betere en gezondere wijken van de stad. Zij lieten hun vorige woning aan de armeren, zonder onderscheid van godsdienst. De joodse gemeenschappen, gevestigd in de betere wijken en de voorsteden, lieten nieuwe synagogen bouwen waardoor zij niet meer afhankelijk waren van oudere tempels. Het oude getto veranderde van bevolking, zonder nochtans zijn uiterlijk te verliezen. Er waren nog altijd dezelfde smalle vuile straten en de donkere gangen, nog altijd dezelfde menigte mensen opgestapeld in kleine vervallen huisjes. Teneinde aan die ongezonde toestand te verhelpen begon de stad, in het begin van de jaren 1900, aan een grondige vernieuwing van de middeleeuwse, renaissance en barokke gebouwen, zowel in de joodse wijk als in de aanpalende wijken van de Oude Stad. Alzo verdween voor altijd de charme van de straatjes in het Praagse getto. Het saneren gold niet alleen voor de vervallen huizen maar ook voor de gebouwen die bewaard moesten blijven voor de komende generaties. Op de gesaneerde gronden werd een nieuwe wijk opgericht met eclectische en art nouveau gebouwen als een indrukwekkende getuige van een nieuw tijdperk. Slechts enkele oude gebouwen bleven gespaard alsook een gedeelte van de vroege stadsinplanting. Gelukkig, door toedoen van de Praagse culturele gemeenschap, zijn er enkele synagogen bewaard gebleven die als voorbeeld dienen onder de heiligdommen. De Oud-Nieuw-, de Pinkas-, de Vysoká- en de Klausensynagoge tekenen de evolutie en de geschiedenis ten tijde van de gotiek, de renaissance en de barok. Evenwel zijn de Wechslerova-, de Cikánova en de Velkodvorskásynagoge verdwenen. Enkele gebouwen van de joodse gemeenschap zijn niet meer origineel. Onder andere de Maiselsynagoge, herbouwd na een brand en het neo-romaans gebouw van de confrèrie van de begrafenisondernemers, opgetrokken op de plaats van de vroegere ceremoniezaal aan het Oude Joodse Kerkhof. Dit lokaal diende nog tot na de eerste wereldoorlog voor vergaderingen van de confrèrie en voor het voorbereiden van de begrafenisstoet naar het Nieuwe Joodse Kerkhof. De Spaanse synagoge daarentegen, gebouwd op de plaats van de Oude School, werd niet opgeknapt. De sanering heeft het integratieproces van de Praagse Joden in het culturele, wetenschappelijke en openbaar leven bevorderd. Hun inbreng in het Tsjechische milieu was vooral merkbaar aan de Duitse minderheid in Praag tot aan het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Symbolisch waren namen als Franz Kafka, Richard Weiner, Otokar Fischer, Otto Pick, Oskar Baum, Max Brod, Rudolf Fuchs, Alfred Fuchs, Karel Polácek, Jiri Orten, Otto Stross, Leopold Katz, Bohumil Bondy, Adolf Stránsky en vele anderen.

Deze duizendjarige symbiose werd onderbroken door het nazisme. Vanaf het begin van de bezetting heeft de joodse gemeenschap zich ingespannen voor een geordende verbanning. Een groot aantal joden kon langs verschillende wegen het land verlaten. Anderen zijn gebleven omdat zij geen middelen hadden om te vertrekken of omdat zij verkozen in het land te blijven. Zij werden gedecimeerd door deportaties en door de holocaust.

Sommigen onder hen, vooral diegenen die relaties hadden met niet joodse families, vonden onderdak en sloten aan bij de plaatselijke weerstand.

Alhoewel het grootste deel van de joden uitgeroeid is in de Duitse concentratiekampen zijn er velen gesneuveld aan het front. De Tsjechoslowaakse eenheid aan het Oostfront bestond in het begin uit zeventig procent joden. Ook aan het Westelijk front waren zij actief. Doctor Erich Kulka, een Tsjecho-Israelisch historicus, verhaalt in zijn publikaties dit heroïsch aspect van de joodse weerstand „De joden in het Tsjechoslowaaks leger van Svoboda" (1990) en „De joden in het westelijk Tsjechoslowaaks leger" (1992). Dit alles werd opgesteld aan de hand van getuigenissen van veteranen.

Een laatste bewijs van de koppigheid van de joodse gemeenschap was het opstellen van een plan om de joodse culturele erfenis te redden. Inderdaad, de synagogen in de provincies, de congregatiezalen, de bibliotheken met hun rijke verzamelingen waren met plundering bedreigd. Het plan bestond erin de nazi's te overtuigen een centraal joods museum op te richten met de noodzaak van een algemene inventaris van het gehele joodse patrimonium. De nazi's lieten alle waardevolle kunstschatten uit Bohemen en Moravië naar Praag overbrengen. Dankzij dit, toch wel gevaarlijk maneuver, zijn hierdoor vele kunstschatten bewaard gebleven. Deze worden nu tentoongesteld in het naoorlogs joods museum. Het fonds van dit museum werd in 1945 nog verrijkt met voorwerpen teruggevonden in het getto en het concentratiekamp van Terezín. Hieronder duizenden, zeer aandoenlijke kindertekeningen en werken van gedeporteerde artiesten. Deze collecties bevinden zich nu in verscheidene synagogen en tonen duidelijk het lot van het joodse volk en het humanisme van de joodse cultuur in Bohemen.

Na de oorlog zijn slechts enkele joden naar Praag teruggekeerd om er zich definitief te vestigen. Het merendeel van de overlevenden was ongerust over de onzekere toekomst in het land. De joodse emigratie is nog aangegroeid in de 50-er jaren, na de vervolgingen en de politieke processen.

Nochtans, de meeste joden hebben weerstand geboden en een uitzonderlijke bijdrage geleverd voor het behoud van het kultureel leven in stad en land, evenals aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang. Ondanks hun beperkt ledental hebben zij de voortzetting van de historische tradities verzekerd. Heden leven er ongeveer 3500 joden in Tsjechië, waarvan een duizend in Praag. Praag is tevens de hoofdstad van de Tsjechische Federatie van Joodse Gemeenschappen, de Praagse religieuze gemeenschap en vele andere joodse verenigingen en organisaties.

 

 

 

 

De Asjkenazische Diaspora

Gepost in Geschiedenis Joden

 

In het middeleeuws Hebreeuws werd Duitsland met de bijbelse naam Asjkenaz aangeduid en de joden die daar woonden heetten asjkenaziem. Verdrijvingen en vervolgingen konden aan het joodse leven daar geen volledig einde maken, maar de economische en culturele toestand was slecht. De joden werden uit de steden geweerd en verspreidden zich daarom over de kleinere plaatsen en dorpen. Er was een aanhoudende emigratiestroom in oostelijke richting naar Polen, dat hen sinds de 13de eeuw had aangetrokken vanwege de speciale voorrechten die hun daar werden verleend. Deze stroom werd tijdens de omwentelingen van de Reformatie nog omvangrijker.

De asjkenazische immigranten in Polen waren zo talrijk dat zij (net zoals de sefardiem in Turkije) hun taal en hun godsdienstige cultuur oplegden aan de daar reeds aanwezige joden. Als middenklasse tussen de feodale aristocratie en de boeren vervulden zij een belangrijke economische rol en zij beheersten het grootste deel van de binnenlandse en internationale handel. Klassenhaat noch godsdienstige onverdraagzaamheid kon hun veiligheid ondermijnen en zij deelden in de welvaart en de culturele rijkdom van de Poolse renaissance van de 16de en de 17de eeuw. In samenwerking met de heersers ontwikkelden zij een sterk intern zelfbestuur dat uniek was in de joodse diaspora. De `Raad van de Vier Landen' (Groot-Polen, Klein-Polen, Podolië en Wolhynië; in Litouwen bestond een aparte raad) oefende verstrekkende, quasi- parlementaire macht uit.

Deze gouden eeuw van de Poolse joden kwam abrupt en gewelddadig ten einde tijdens de kozakkenopstand in 1648. Een van de doelen van de leider daarvan, Bogdan Chmielnicki, was het uitroeien van het jodendom in de Oekraine. Een groot aantal joden werd gedood, gedoopt of op de vlucht gejaagd. Volgens joodse kroniekschrijvers werden er meer dan 100 000 ter dood gebracht en werden 300 gemeenschappen vernietigd. De slachtingen lieten een diepe wond na in de harten van de Poolse joden en sommige asjkenazische joden worden tot op de dag van vandaag achtervolgd door het beeld van de uitzinnige kozakken. In de joodse mythologie heeft dit een plaats gekregen die gelijk is aan die van de kruistochten en de verbanning uit Spanje. De slachtingen van Chmielnicki waren slechts een voorproefvan het geweld dat daarna regelmatig over de Poolse joden zou losbarsten, met als dieptepunt de vernietiging door de nazi's. Het onmiddellijke gevolg ervan was een geleidelijke westwaartse volksverplaatsing, aanvankelijk naar Duitsland en op den duur ook naar de nieuwe centra waar de Portugese joden zich als pioniers hadden gevestigd.

Niet alle joden verlieten Polen, de joodse bevolking daar begon zelfs dramatisch toe te nemen zodat aan het begin van de 19de eeuw ruimde helft van alle joden ter wereld in Polen woonden. Toch werd de asjkenazische diaspora een blijvend en overheersend element op de kaart van de joodse wereld.

Intussen was er in de toestand in Duitsland een verbetering opgetreden. Hoewel de joden nog steeds uit veel plaatsen werden geweerd, was een aantal kleinere staten begonnen hun opnieuw toegang te verlenen. Tijdens de Dertigjarige Oorlog(1618-1648) werden de joden toegelaten in verscheidene grote steden en de tot dan toe aanwezige tendens van verspreiding over het platteland begon te keren. De verstedelijking nam in de daaropvolgende eeuwen zeer uitgesproken vormen aan.

De oorlog bood kleine handelaren met contacten in het leger de mogelijkheid om zich te verrijken en tot laat in de 18de eeuw was de wapenhandel een kenmerkende joodse activiteit in geheel Europa en zelfs in Noord-Amerika. De talrijke Duitse hoven met hun uitbundige gewoonten boden ook kansen aan financiers en handelaren in luxe artikelen. Sommige van deze `hofjoden' (Hoff juden) waren, eind 17de en begin 18de eeuw, uitzonderlijk rijk en machtig. Dergelijke personen vormden een uitzondering, maar door hun gevestigde positie in de Duitse samenleving baanden zij de weg voor een grotere mate van sociale acceptatie van de joden als zodanig (al versterkten zij wellicht tegelijkertijd weer anti-joodse vooroordelen). Zij verzamelden grote groepen joden om zich heen die zich steeds meer assimileerden met de overheersende cultuur.

asjkenasische diaspora

Maar intussen raakten de Duitse gemeenschappen overvol door immigratie, en de overdadige levensstijl van de hofjoden stak schril af tegen de armoede en de overbevolking van de Judengassen .De asjkenazische diaspora verspreidde zich geleidelijk in westelijke richting.

Eind 18de eeuw waren er ongeveer 20 000 joden in de Elzas (in tegenstelling tot de tendens in Duitsland waren zij daar verspreid over een groot aantal kleine centra), wellicht bijna net zoveel in Engeland (ook hier opvallend verspreid, al woonde de meerderheid in Londen) en opmerkelijk genoeg zelfs nog meer alleen al in de stad Amsterdam. De joodse gemeenschap daar was al een eeuw lang de grootste in West-Europa en op dit moment vermoedelijk de omvangrijkste van welke stad ter wereld ook.

Heel weinig asjkenaziem behoorden tot de toplaag van financiers, juweliers en importeurs; de meesten leidden een zwoegend en moeizaam bestaan als kleine handelaren of halfgeschoolde arbeiders. Ondanks een geleidelijk proces van acculturatie bleven de asjkenaziem op sommige plaatsen tot ver in de 19de eeuw Jiddisch spreken.

De gemeenschappelijke taal bevorderde de integratie van nieuwe golven immigranten en maakte contacten met andere asjkenazische gemeenschappen mogelijk. Zij bevorderde ook, samen met andere culturele verschillen, het onderscheid tussen asjkenaziem en sefardiem. Terwijl de asjkenazische minderheden in de landen rond de Middellandse Zee zich in het algemeen assimileerden met de sefardische gemeenschappen, was er in de noordelijke Europese centra, zoals Amsterdam en Londen waar de asjkenaziem de overgrote meerderheid vormden, weinig vermenging van de twee groepen.

Gemengde huwelijken werden afgekeurd, vooral door de sefardiem, die ervan overtuigd waren een hoogwaardiger cultuur te bezitten en die misschien een diep gevoel van volkszuiverheid hadden als gevolg van de moeilijke jaren op het christelijke Iberische schiereiland. Afzonderlijke synagogen en gemeenschapsorganisaties bleven naast elkaar bestaan. Op den duur werden sommige barrières afgebroken en de verschillen leidden slechts heel zelden tot gevoelens van vijandschap, maar de afstammelingen van de twee groepen zijn nog steeds verknocht aan hun afzonderlijke verleden.

Bron: Atlas van de Joodse Wereld Auteur Nicholas de Lange Uitgeverij Agon ISBN 9051570791 

 

De Sefardische Diaspora

Gepost in Geschiedenis Joden

 

De verbanning van de joden uit Spanje in 1492 geldt als een van de meest ingrijpende gebeurtenissen uit de joodse geschiedenis. Spanje was het laatste christelijke land waar nog grote groepen joden leefden (misschien 200 000 of meer, de conversos niet meegerekend) en in een zekere mate van welstand verkeerden. Het verbanningsedict werd uitgevaardigd in het zojuist veroverde Alhambra van Granada op 30 maart 1492 en voor of op 31 juli hadden zij allen de doop aanvaard of waren in ballingschap gegaan.

Het grootste deel, naar schatting meer dan 100 000, nam de gemakkelijkste weg en vluchtte naar Portugal. Dat was geen verstandige beslissing, want vijf jaar later werden alle joden in Portugal onder druk van Spanje onder dwang gedoopt en speelden zich tonelen van afschuwelijk geweld af.Italië nam een aantal Spaanse ballingen op, maar was wegens de politieke omstandigheden geen veilige vluchtplaats.

Delen van het land (waaronder Sicilië met zijn grote en oude joodse gemeenschap) waren Spaans bezit en ook daar gold dus het verbanningsedict. Niet lang daarna werden ook andere gebieden Spaans. En in het noorden werd de vijandschap aangewakkerd door de Contrareformatie.

De beste kansen voor de vluchtelingen lagen buiten de christelijke wereld. Sommigen vestigden zich, tijdelijk of permanent, in Marokko en andere delen van Noord-Afrika, waar zich al een eeuw lang joden hadden gevestigd die voor christelijke vervplgingen gevlucht waren. Hier was het lot hun niet gunstig gezind. De moslimbevolking was vijandig en de afzonderingsregels werden met harde hand toegepast.

Alleen in het Ottomaanse rijk waren de joden werkelijk welkom. Elia Capsali, een rabbijn uit Kreta, wiens familie gastvrijheid bood aan de verjaagde joden die door Candia trokken, werd bewogen tot het schrijven van een zeer lovende-kroniek over de Ottomanen. Hij beschrijft hoe de Titrken de spot drijven met de dwaasheid van de Spaanse koning die het Ottomaanse imperium verrijkt, terwijl hij het zijne laat verarmen. Bij de Ottomanen was geen van de christelijke (of zelfs de islamitische) vooroordelen aanwezig.

De Spanjaarden (bekend als 'sefardiem', afgeleid van de bijbelse naam voor Spanje, Sefarad) werden zeer goed behandeld omdat zij vaardigheden meebrachten waar grote behoefte aan was: medische en technische kennis, commerciële en politieke deskundigheid. Zij vestigden zich in alle belangrijke steden en bouwden daar de puinhopen van hun verwoeste leven en cultuur weer op. Saloniki werd al spoedig een overwegend joodse stad en het was grotendeels aan de joodse ondernemingszin te danken dat het zich ontwikkelde tot de belangrijkste handelshaven van het oostelijke Middellandse-Zeegebied.

sefardische diaspora

Toen Egypte en Palestina in 1517 onder Ottomaans gezag kwamen, trokken ook deze streken joodse immigranten aan. De sefardiem overheersten, met hun Spaanse taal en cultuur, de joodse gemeenschappen van het rijk. Maar er kwamen ook vluchtelingen aan uit andere landen.

Sommige vluchtelingen konden door hun bijzondere verdiensten voor de Ottomaanse staat iets terugdoen voor de gastvrijheid waarmee zij ontvangen waren. Josef Nasi, hertog van Naxos (ca. 1515-1579) en Salomon Eben-Ajisj, hertog van Mytilene (ca. 1520-1603), beiden afkomstig uit Portugal, en Salomon Asjkenazi (1520-1603) behoorden tot de meest vooraanstaande diplomaten uit hun tijd en oefenden grote invloed uit op de internationale betrekkingen.

De Portugese emigranten waren christelijke bekeerlingen die bij aankomst in een vrijer land het christendom vaarwel zegden. De algehele bekering van 1497 had vele duizenden joden een mantel van christendom omgehangen die zij onwillig droegen en die zij graag weer wilden afleggen. Gespannen wachtten zij op een gelegenheid om te ontsnappen.

Veel van de belangrijkste joodse centra uit later tijden hebben hun ontstaan te danken aan groepen Portugese 'nieuwe christenen', o.a. Londen, Amsterdam, Hamburg en New York. Tegen het begin van de 17de eeuw bevonden zich kleine vestigingen in alle belangrijke handelscentra en zij speelden een doorslaggevende rol bij de ontwikkelingen de expansie van handel en bankwezen in Europa.

Als (nominale) christenen bevonden zij zich dank zij hun rijkdom en deskundigheid in een positie om zich in de hoogste kringen van de samenleving toegang te verwerven. Geleidelijk aan wisten zij op veel plaatsen vrijheid van eredienst te verkrijgen. Zij waren zo de pioniers voor de joodse vestiging en integratie in de westerse wereld. Hun komst legde de basis voor de meer grootschalige immigratie van joden uit Duitsland en Polen.

Hoewel zij in aantal al snel door deze nieuwe immigranten werden overvleugeld, behielden de Portugezen hun eigen identiteit en hun godsdienstige tradities. Veel van hun synagogen zijn tegenwoordig nog altijd in gebruik.

Bron: Atlas van de Joodse Wereld Auteur Nicholas de Lange Uitgeverij Agon ISBN 9051570791 

 

De wortels van de jodenhaat

Gepost in Geschiedenis Joden

 

Toen in het Romeinse Rijk christenen aan de macht kwamen, begon meteen een hetze tegen joden.

Dirk Vlasblom NRC 19 december 2009

In het jaar 388 na Christus verwoestte een meute christenen, aangevoerd door de plaatselijke bisschop, de synagoge van Callinicum, een Grieks-Romeinse stad in het noorden van Syrië. Dit tot woede van keizer Theodosius I, dezelfde die acht jaar eerder het christendom had uitgeroepen tot staatsgodsdienst van het Romeinse Rijk. Hij gaf opdracht om de synagoge te herbouwen op kosten van de bisschop, want de joodse gemeenschap viel vanouds onder de bescherming van de Romeinse wet. Dit was aanleiding voor Ambrosius, bisschop van Milaan, om Theodosius een brandbrief te schrijven. De keizer, schreef hij, staat in de kerk, niet boven de kerk en hier was Gods glorie in het geding. Wat stak er voor kwaads in verwoesting van een huis van verraad en goddeloosheid, waar Christus dagelijks wordt beledigd?

Christelijke kerkvaders schreven al sinds de tweede eeuw tirades tegen de synagoge, een metafoor voor alle aanhangers van het joodse geloof in het Romeinse Rijk. Amerikaanse historici doen die vertogen tegenwoordig af als ideologische constructies. Zij zien meer overeenkomsten dan verschillen in het gedachtegoed van christenen en joden en beweren dat de soep niet zo heet gegeten werd als ze door theologen werd opgediend. Leonard Rutgers, godsdiensthistoricus en archeoloog, bestrijdt deze optimistische voorstelling van zaken. Onlangs verscheen zijn boek Making Myths - Jews in early Christian identity formation. Daarin beschrijft hij hoe in de loop van de vierde eeuw het verbale geweld van de kerkvaders oversloeg naar de straat.

MENINGSVERSCHIL

Rutgers is hoogleraar geschiedenis van de Late Oudheid in Utrecht. In de Faculty Club, een chique gelegenheid met fauteuils aan het Domplein, gaat hij in op zijn meningsverschil met de Amerikanen. Zij hebben een postmoderne interpretatie van de geschiedenis en die is louter gebaseerd op teksten. Wij werken, behalve met oude teksten, ook met archeologisch materiaal. We combineren geschreven bronnen en fysieke resten om ons een beeld te vormen van die tijd. Als ik in het veld sta in Apameia, Syrië, dan zie ik dat bovenop de resten van de synagoge een kerk is gebouwd. Daar is de soep kennelijk wél heet gegeten.

In de Late Oudheid - de 4de tot en met de 6de eeuw - werd het christendom de overheersende religie, zowel in het oosten als in het westen van het Romeinse Rijk. Rutgers: Monotheïstische religies die aan de macht zijn, hebben de neiging om andere godsdiensten uit te sluiten. Richtingen in het christendom, zoals arianen en nestorianen, die afweken van de orthodoxie die was vastgesteld op het Concilie van Nicaea (325) konden vrij gemakkelijk worden uitgesloten; dat waren ketters. Maar met het jodendom had men een probleem, want de wortels van het christendom zijn joods.

In de eerste eeuwen van zijn bestaan heeft het christendom geprobeerd het joodse geloof te integreren. Dat gebeurde deels uit respect, deels uit zelfverdediging, want de Romeinse wet beschermde het jodendom als een oud geloof, maar duldde geen nieuwe religies.

Rutgers: In 64 stak keizer Nero Rome in brand en hij gaf de schuld aan de eerste christenen. Die stonden buiten de wet, want ze werden beschouwd als nieuwlichters. De eerste generatie kerkvaders ontwikkelde toen de theorie van Verus Israel. Zij stelden het christendom voor als het ware Israël, verbeteraar en opvolger van het jodendom.

De Bijbel biedt aanknopingspunten voor die voorstelling van zaken. Jezus zegt ergens in het Nieuwe Testament: Ik ben niet gekomen om af te rekenen met het jodendom, maar om het te completeren. En het Oude Testament werd door kerkvaders voorgesteld als een allegorische aankondiging van het nieuwe.

Onder keizer Diocletianus (303-306) was er nog een christenvervolging, maar daarna werden de bordjes definitief verhangen. In 313 besloot keizer Constantijn I het christendom toe te staan en in 380 werd het op last van keizer Theodosius staatsgodsdienst. Rutgers: Tegelijkertijd, zo blijkt uit het archeologische materiaal, ging het heel goed met de joodse gemeenschappen in het rijk. Op prominente plaatsen verrezen architectonisch opvallende synagogen. Toen ontstond een spanning in het zelfbeeld van de christenen. Aan de ene kant beschouwden ze zichzelf als het ware Israël, maar als ze uit het raam keken zagen ze een synagoge. Kerkvaders hebben toen geprobeerd om het jodendom ideologisch weg te schrijven. Onder verwijzing naar teksten uit het Oude en Nieuwe Testament maakten ze het uit voor alles wat lelijk is.

In de geschriften van de kerkvaders verschuift de betekenis van het woord synagoge. Van een fysiek trefpunt van gelovigen en een concrete plaatselijke gemeenschap wordt het een abstracte metafoor voor het volk van Israël, het jodendom in het algemeen. En dat wordt mikpunt van felle scheldkanonnades. Berucht zijn de preken van Johannes Chrysostomos, aartsbisschop van Constantinopel (347-407). Zijn Griekse naam betekent Gulden Mond, maar het was niet alles goud wat over zijn lippen kwam. Zo noemde hij de synagoge een theater van verwijfden, een afvalhoop van vagebonden, een woning van demonen en een plaats van afgoderij.

De anti-joodse retoriek van de kerkvaders varieerde in welsprekendheid, maar putte uit een vast repertoire. Zo werd gesuggereerd dat joden tijdens de eredienst de christenen vervloekten, anti-christelijke gebeden uitspraken en zelfs dat synagogen - historisch onjuist - haarden van vervolging waren. Daarbij verwezen ze graag naar het evangelie van Matteüs, waarin Jezus zei dat hij de apostelen uitzond te midden van de wolven en voorspelde dat zij gegeseld zullen worden in de synagogen.

De kerkvaders putten ook uit het Oude Testament. Zo vergeleken zij de twee vrouwen van Jacob, de zusters Lea en Rachel, met respectievelijk het jodendom en de zegevierende christelijke kerk. In bijbelse tijden, schreven zij, had de jongste altijd een streepje voor op de oudste. Onvermijdelijk hoogtepunt in het requisitoir tegen de synagoge was de kruisdood van Jezus, de executie van de Verlosser waarvan zij de joden de schuld gaven.

UITHOEKEN

Op den duur mondden deze scheldpartijen uit in fysieke agressie, zegt Rutgers. Aan het einde van de vierde en het begin van de vijfde eeuw worden er synagogen aangevallen. Dit valt in de eerste plaats op te maken uit de wetgeving: de keizer vaardigt de ene instructie na de andere uit om synagogen te beschermen en stuurt die naar alle uithoeken van het rijk. Als er niks aan de hand was, had hij dat niet hoeven doen. Je ziet het ook terug in het archeologische materiaal. De joodse gemeenschappen waren belangrijke minderheden in Romeinse steden en synagogen stonden vaak langs doorgaande wegen. Als ze eenmaal waren verwoest, bouwden christenen op de resten kerken, zoals ze ook kerken bouwden op heidense tempels. Zo bevestigden ze hun religieuze en maatschappelijke machtsovername.

Hoeksteen van Rutgers betoog is zijn stelling dat de ideologische woordenstrijd van de kerkvaders uiteindelijk de vorm aannam van militant anti-judaïsme. Maar hoe groot was eigenlijk de invloed van deze geletterde theologen op de in meerderheid analfabete gelovigen?

Rutgers: De kerkvaders vertrouwden hun exegese niet alleen toe aan het perkament, ze preekten ook in de kerk. En als eindeloos van de kansel wordt verkondigd dat de synagoge synoniem is met het Kwaad, dan kun je er donder op zeggen dat de luisteraars op den duur tot actie overgaan. Onderzoekers van de Vrije Universiteit hebben nagegaan welk effect verbale agressie heeft op een gehoor als er religie in het spel is. Het bleek dat wanneer verbaal geweld wordt gerechtvaardigd met een beroep op geloofsbeginselen toehoorders extra agressief worden. Wie tekeer gaat en daarbij verwijst naar religieuze waarden, kan zijn publiek in vuur en vlam zetten. De preken van de kerkvaders werkten wel degelijk opruiend.

JUSTINIANUS

Niet alleen de gebedshuizen van de joden moesten het ontgelden, de wetgever bemoeide zich ook met de liturgie van de synagoge. In 553 vaardigde keizer Justinianus Novella 146 uit, een wet die van kracht zou blijven tot de val van Constantinopel in 1453. De wet ontraadt bezigen van het Hebreeuws en adviseert het gebruik van een Griekse bijbelvertaling.

Rutgers: Het gedachtegoed van de kerkvaders drong ook door in de wetgeving. Eigenlijk ging Novella 146 niet over wat er in de synagoge moest gebeuren. In feite probeerde de wetgever - lees: de keizer - het gebruik van het Hebreeuws onder controle te krijgen. Die taal hing als een dreigende wolk boven de christenen. De meeste kerkvaders beheersten het Hebreeuws niet, terwijl in disputen altijd werd teruggegrepen op de Bijbel. En als je die in de oorspronkelijke taal kon lezen, kon je zulke debatten altijd winnen. Het Hebreeuws was, kortom, een religieuze troefkaart van de joden en de keizer probeerde hun die afhandig te maken.

Toch zijn er aanwijzingen dat Novella 146 niet het beoogde effect had. Rutgers: De joodse gemeenschappen in de diaspora gebruikten, afgaande op de inscripties in hun catacomben, tot ongeveer 500 vooral Grieks en Latijn, maar toen vond een omslag plaats naar het Hebreeuws. Je kunt ook zeggen dat de wet eerder averechts heeft gewerkt. De twee gemeenschappen, christenen en joden, blijven langs elkaar heen leven. Als de christenen de confrontatie zoeken, gaan de joden zich nog meer concentreren op de eigen identiteit. In de Late Oudheid komt ook het rabbijnse jodendom op, met de Talmoed, een heel eigen corpus van geschriften. Die is geschreven in het Aramees, en de oudste laag in het Hebreeuws, en in grafinscripties van de vroege Middeleeuwen valt men terug op het Hebreeuws. Intussen groeit de joodse gemeenschap in de stad Rome. Door de hele Oudheid heen kun je hen blijven traceren. Hun joodse identiteit blijft in stand, terwijl andere bevolkingsgroepen binnen twee, drie generaties opgaan in de Romeinse maatschappij.

ANIMOSITEIT

Amerikaanse historici, zegt Rutgers, zien door hun aandacht voor en hun postmoderne relativering van oude teksten onvoldoende in dat de animositeit tussen christenen en joden al in de Late Oudheid heel scherpe vormen aanneemt. In de tweede helft van de vierde eeuw begint een lijn die zich voortzet in de Middeleeuwse jodenvervolgingen.

Rutgers: Er wordt altijd onderscheid gemaakt tussen anti-judaïsme en antisemitisme. Anti-judaïsme wordt omschreven als anti-joodse gevoelens op religieuze grondslag, terwijl het antisemitisme, dat pas in de negentiende eeuw opkomt, een racistische tendens is. Maar ik ben er van overtuigd dat het ene voedingsbodem is voor het andere. Op het moment dat men aan het anti-judaïsme een racistische invulling geeft, kan men een beroep doen op een collectief onderbewustzijn dat allang bestaat en dat door de kerk is geïnstitutionaliseerd. Als grote groepen van de bevolking denken dat alles wat joods is per definitie slecht is, kun je daar met het quasiwetenschappelijke verhaal van het antisemitisme op terugvallen.

POGROM

De jodenmoorden tijdens de Kruistochten, de uitzetting van de joden uit Spanje en Portugal, de Oost-Europese pogroms en, uiteindelijk, de twintigste-eeuwse Holocaust zijn, zo bezien, de escalatie van een proces dat in de vierde eeuw begint. Rutgers: Ik moet daar ter nuancering aan toevoegen dat er binnen het christendom steeds twee tendensen zijn geweest: respect voor en ontkenning van de joodse wortels. Die ontkenning kan tot de meest vreselijke agressie leiden, maar het vasthouden eraan heeft in de loop der geschiedenis ook geleid tot respect en bescherming.

Neem het Italië van de Renaissance. De joden werden in 1492 verdreven uit Spanje en in 1496 uit Portugal. Zuid-Italië - het Koninkrijk der beide Siciliën - viel destijds onder Spanje en ook daar moesten alle joden weg. Dat waren aanzienlijke gemeenschappen, zoals die van Palermo. Maar in de pauselijke staat, onder de autoriteit waarvan je het ergste zou verwachten, is dit niet gebeurd. Vanaf 1541, toen Zuid-Italië ze wegstuurde, mochten de joodse gemeenschappen van Rome en Ancona blijven bestaan. Ze zijn op een gegeven moment opgesloten in een getto, maar ze werden beschermd. De neiging om de joodse wortels te koesteren, hoe zwak ook, was blijven bestaan.

Bisschoppelijke scheldpartijen mondden uit in fysieke agressie tegen joden Leonard Rutgers studeerde archeologie en godsdienstgeschiedenis in Amsterdam, Rome, Wenen, Jeruzalem en de VS. Hij promoveerde in 1993 aan Duke University op de dissertatie The Jews of Late Ancient Rome. Hij is sinds 2003 als hoogleraar verbonden aan de Universiteit Utrecht en bekleedt daar de leerstoel Late Oudheid, de enige van Nederland. Met financiële steun van NWO doet hij onderzoek naar de interactie tussen joden, christenen en polytheïsten in de Oudheid. Rutgers kreeg internationale bekendheid door zijn onderzoek in de catacomben van Rome.