We hebben 495 gasten online

Meerkeuzevragen Middeleeuwen

Gepost in Meerkeuze vragen

 

1) De tijd van steden en staten is:

 

a)       800-1000

b)       1000-1300

c)        1300-1500

d)       1000-1500

 

2) Het Byzantijnse Rijk is:

 

a) Het West-Romeinse Rijk

b) Het Russische Rijk

c) Het Oost-Romeinse Rijk

d) Het Rijk der Mammelukken

 

3) Het Oosters Schisma is:

 

a)       Afscheiding van de Protestanten

b)       Oosterse Kerk accepteerde alleen het gezag van de patriarch van Constantinopel

c)        Oosterse Kerk accepteerde alleen het gezag van de paus van Rome

d)       Westere Kerk accepteerde alleen het gezag van de patriarch van Constantinopel

 

4)De Investituurstrijd gaat over:

 

a)     De wereldlijke macht van de Paus

b)     De wereldlijke macht van de keizer

c)     De strijd wie het hoogste  gezag op aarde toekwam

d)     De strijd wie de bisschoppen mocht benoemen

 

5) Wat was GEEN nadeel van het leenstelsel:

 

a)     Het leenstelsel werd erfelijk

b)     De bezittingen werden versnipperd

c)     De leenmannen gingen hun eigen weg

d)     De leenmannen dienden in het leger van de keizer

 

6) In het Concordaat van Worms in 1122 werd vastgelegd dat:

 

a)     Een bisschop zowel een wereldlijk als een geestelijke taak had

b)     Een keizer/koning zowel een wereldlijke als een geestelijke taak had

c)     Een bisschop alleen een wereldlijke taak had

d)     Een koning/keizer alleen een wereldlijke taak had

 

7) De Hervormingsbeweging van de abdij van Cluny ontstond:

 

a)     Tegen de grote invloed van de keizer op de Kerk

b)     Tegen de zucht naar rijkdom, genot en macht van de priesters, bisschoppen en pausen

c)     Tegen de ontduiking van het celibaat

d)     Tegen de benoemingen van bisschoppen door de keizer

 

Welke van de beweringen zijn juist:

 

a)     a.b.c.d

b)     a.b.c.

c)     b.c.d.

d)     a.c.d.

 

8) Keizer Karel de IV vaardigde in 1356 de Gouden Bul uit:

 

a)     Daarbij erkende hij de macht van de Paus

b)     Daarbij kregen de zeven aanzienlijkste vorsten het alleenrecht de keizer te kiezen

c)     Daarbij kregen de zeven aanzienlijkste vorsten voortaan het alleenrecht de Paus te kiezen

d)     Daarbij kregen de zeven aanzienlijkste vorsten het recht de keizer af te zetten

 

9) De Term kruistocht werd NIET gebruikt voor:

 

a)     Het veroveren en /of bevrijden van de heilige plaatsen

b)     Militaire offensieven zoals de Reconquista  in Spanje

c)     Oorlogen tegen niet christelijke volken zoals de heidense staten in Oost-Europa

d)     De Investituurstrijd

 

10) Wat was het resultaat van de Eerste Kruistocht:

 

a)     Er kwam een einde aan het Oosters Schisma

b)     De stichting van de Kruisridderstaten in Palestina

c)     Het beëindigen van de Reconquista

d)     De plundering van Constantinopel

 

11)  Het drieslagstelsel is:

 

a)     Een manier om een drievoudige opbrengst van de landbouw te bereiken

b)     Met drie slagen werd men tot ridder geslagen

c)     De productiviteit van de landbouw nam met 1/6 toe

d)     De productiviteit van de landbouw nam met 1/3 tot

 

12) Wat is JUIST: In de twaalfde eeuw gingen de vorsten zich nadrukkelijk met het stichten van steden bezighouden vanuit:

 

a)     Politiek-militaire redenen

b)     Sociaal-economische redenen

c)     Centralisatie-politieke redenen

d)     Militair-strategische redenen

 

12)         De Hanze was:

 

a)     Een stedenbond van de Lage landen

b)     Een bondgenootschap tussen Brugge en Amsterdam

c)     Oorspronkelijk een machtige stedenbond van Duitse en Baltische handelssteden

d)     Een handelsonderneming uit Italië

 

13)         Het Oostzeegebied werd in de veertiende eeuw belangrijk omdat:

 

a)     Het een belangrijke voedselleverancier voor de steden werd

b)     Van daaruit zuivelproducten werden aangevoerd

c)     Door de daar gehouden jaarmarkten

d)     De stedelijke ontwikkeling als eerste opkwam

 

14)         ‘Stadslucht maakt vrij betekent’:

 

a)     Er geen oorlog werd gevoerd

b)     Verschafte een horige de vrijheid

c)     Waren door de stadsmuren beter beveiligd

d)     Er geen belastingen hoefden te worden betaald

15)         Schepenen zijn:

 

a)     De bemanning van een fluitschip

b)     Bestuurders van een domein

c)     Bestuurders van een stad

d)     Bestuurders van een graafschap

 

16)         Het Gemeen is:

 

a)     Stedelingen die niet tot het Patriciaat hoorden

b)     De leden van een stadsbestuur

c)     Patriciërs met een bepaald inkomen

d)     Rijke handelaren die een plek in het stadsbestuur wilden

 

17)         Bij de Guldensporenslag:

 

a)     Wonnen de Leliaarts

b)     Wonnen de Klauwaarts

c)     Nam de invloed van de Patriciërs toe

d)     Nam de invloed van de Ridders toe

 

19)  Door de Guldensporenslag kregen de

 

a)     De Patriciërs meer macht

b)     De Ambachtslieden meer macht

c)     Kreeg Filips de Schone meer macht 

d)     Patriciërs en ambachtslieden meer macht     

 

20)     Waar streefden de Bourgondische Hertogen naar:

 

a)     De macht in Frankrijk in handen te krijgen

b)     Uitbreiding van hun macht richting Italië

c)     Stichting van een nieuwe staat gelegen tussen Frankrijk en het Duitse Rijk

d)     De versnippering in allerlei staatjes tegengaan                    

 

21)     De Honderdjarige Oorlog van 1337-1453 werd gevoerd door:

 

a)     Bourgondië en Duitsland

b)     Duitsland en Frankrijk

c)     Engeland en Frankrijk

d)     Engeland en Duitsland

 

 

22)      Een Rijksdag is:

 

a)     Vergadering van Duitse Keurvorsten, bisschoppen en graven en vertegenwoordigers van de steden

b)     Vergadering van de Bourgondische hertogen

c)     Vergadering van de bisschoppen binnen het Bourgondische Rijk

d)     Vergadering van de Franse hertogen met Filips de Goede

 

23)     De Tijd van de Ontdekkers en Hervormers was:

 

a)     1500-1600

b)     1600-1700

c)     1700-1800

d)     1500-1700

 

24)     Bartolomeus Diaz werd vooral bekend door het feit dat hij:

 

a)     Als eerste langs Kaap de Goede Hoop zeilde

b)     Als eerste rond Kaap Hoorn zeilde

c)     Voor de Portugezen Madeira veroverde

d)     Als eerste de Stille Oceaan overstak

 

25)     Door het verdrag Van Tordesillas (1494) werd vastgelegd dat:

 

a)     Portugal het alleenhandelrecht met Afrika had

b)     Spanje het alleenhandelrecht met Afrika had

c)     Portugal de heerschappij over Azië had

d)     Nederland de heerschappij over Azië had

 

26)      Magalhaes was:

 

a)     Een Portugese zeevaarder

b)     Een Spaanse zeevaarder

c)     Een Nederlandse zeevaarder

d)     Een Italiaanse zeevaarder

 

27)      Een OT kaart:

 

a)     Diende om de route op zee te bepalen

b)     Diende om de route op land te bepalen

c)     Paste in de Bijbelse opvatting over hoe de aarde er uit zag

d)     Was gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek

 

28)     Een Protolaankaart werd gebruikt door:

 

a)     Bedevaardgangers

b)     Handelaars

c)     Zeevaarders

d)     Reguliere geestelijken

 

29)     De naamgever van Amerika was:

 

a)       Colombus

b)       Magalhaes

c)       Vespucci

d)       Mercator

 

30)     De Grondlegger van het Humanisme is:

 

a)     Erasmus

b)     Petrarca

c)     Mercator

d)     Leonardo da Vinci

 

 

31)     ‘Lof der Zotheid’ werd geschreven door:

 

a)     Leonardo da Vinci

b)     Mercator

c)     Erasmus

d)     Petrarca

 

32)     Waarvoor vreesde Erasmus NIET:

 

a)     Dat de bestudering van de Oudheid kan leiden tot een terugval in het heidendom

b)     Voor het Judaïsme

c)     Een scheiding van de Kerk

d)     De Nederlandse Statenvertaling

 

33)     De Contrareformatie werd opgezet door:

 

a)     Luther

b)     Calvijn

c)     Erasmus

d)     Concilie van Trente

 

34)     Het boek ‘Christianae religionis institutio’ ‘Onderricht in het Christendom’ werd geschreven door:

 

a)     Calvijn

b)    Luther

c)     De Paus

d)    Erasmus

 

35)     Met Predestinatie wordt bedoeld:

 

a)     Dat de verlossing van de mens voorbestemd is

b)    Dat iedere gelovige het ‘eeuwig leven’ zal bereiken

c)     Dat de verlossing alleen zou plaatsvinden als men zich bekeerde tot het protestantisme

d)    Dat de verlossing alleen zou plaatsvinden als men zich bekeerde tot het katholieke geloof

 

36)     Michel Servet :

 

a)     was een navolger van Calvijn

b)    gaf leiding aan de contra-reformatie

c)     ontkende dat God uit drie personen bestond

d)    Was een navolger van Luther

 

37)     Welke opmerking is JUIST:

 

a)     Calvijn vond dat de Kerk de wet voorschreef

b)    Luther vond dat de kerk de wet voorschreef

c)     Calvijn vond dat de vorst besliste over de Kerk

d)    Luther vond dat de wereldlijke macht een middel was waarmee God

       mensen in contact kon brengen

 

38)     De Inquisitie was:

 

a)     Rechtbank van de keizer van Duistland

b)    Rechtbank van de Lutheranen

c)     Rechtbank van de Calvinisten

d)    Rechtbank van de Katholieken

 

39)     Welke bestuursinstelling hoort niet bij de centralisatiepolitiek van Karel V:

 

a)     De Raad van Financiën

b)    De Raad van een efficiënte belastinginning

c)     De Geheime Raad

d)    De raad van Beroerten

 

40)     Granvelle was:

 

a)     adviseur van de landvoogd(es)

b)    adviseur van Filips II

c)     adviseur van Willem van Oranje

d)    adviseur van de Staten Generaal

 

41)     De landvoogd was:

 

a)     Plaatsvervanger van Filips II in de Nederlandse gewesten

b)    Voorzitter van de Staten Generaal

c)     Voorzitter van de edelen

d)    Voorzitter van de Inquisitie

 

42)     Welke opmerking is JUIST:

 

a)     de Beeldenstorm ontstond in de Nederlanden

b)    de beeldenstorm had politieke, economische en godsdienstige oorzaken

c)     de beeldenstorm ontstond door godsdienstige oorzaken

d)    de beeldenstorm ontstond door economische en godsdienstige oorzaken

 

43)     De tiende penning was:

 

a)     een onderscheiding die werd uitgereikt aan de adel voor betoonde moed

b)    een belasting van 10% op de verkoop van roerende goederen

c)     een belasting van 10% op de verkoop van onroerende goederen

d)    een stedelijke belasting geheven door de landvoogd om het leger te kunnen betalen.

 

44)     Zet in de juiste historische volgorde 1) De Pacificatie van Gent; 2) De Unie van Utrecht; 3) Smeekschrift der edelen; 4) Het ‘Bloedplakkaat’ van Karel V

 

a)     1,2,3,4

b)    2,3,4,1

c)     4,3,1,2

d)    3,4,2,1

 

45)     Met de Acte van Verlatinghe:

 

a)     werd de Republiek opgericht

b)    besloten de Noordelijke gewesten alleen verder te gaan

c)     besloten de zuidelijke gewesten zich aan te sluiten bij Filips II

d)    zwoeren de Noordelijke gewesten Filips II af als vorst

 

46)     De tijd van Regenten en Vorsten was:

 

a)     1500-1700

b)    1500-1600

c)     1600-1700

d)    1500-1800

 

47)     Wanneer ontstond de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden:

 

a)     1588

b)    1609

c)     1621

d)    1648

 

 

 

 

 

48)     Welk kenmerk hoort NIET tot de tijd van de Regenten en Vorsten:

 

a)     Het streven van vorsten naar absolute macht

b)    De wetenschappelijke revolutie

c)     Handelskapitalisme en het begin van de wereldeconomie

d)    Het leenstelsel

 

49)     Onder ‘Moedernegotie’ verstaan we:

 

a)     De handel in zuivelproducten

b)    De specerijenhandel met Oost-Indië

c)     De Graanhandel met de Oostzeelanden

d)    De handel van de Republiek met het absolutistische Frankrijk

 

50)     ‘Drapeniers’ zijn mensen die:

 

a)     in de textielnijverheid werkzaam zijn

b)    in een maniefactuur werkzaam zijn

c)     werkzaam zijn in de akkerbouw

d)    het gehele productieproces van de textiel beheersten

 

 

51)     Wat is JUIST:

 

a)     De VOC had naast staatsrechtelijke bevoegdheden ook een handelsmonopolie

b)    De VOC had alleen een handelsmonopolie

c)     De VOC had alleen staatsrechtelijke bevoegdheden

d)    De VOC had het alleenhandelrecht in specerijen

 

52)     Veel Antwerpse bankiers en handelaars vluchtten naar de Republiek in 1585 omdat:

 

a)     Ze voor hun leven vreesden door de Spaanse Furie

b)    Antwerpen in Spaanse handen viel

c)     De Schelde door de Republiek werd opengesteld

d)    Ze vervolgd werden voor hun geloofsovertuiging

 

53)     De ‘Staatsgezinden’ vonden dat:

 

a)     Het hoogste gezag aan God toekwam

b)    Het hoogste gezag door de stadhouder moest worden uitgeoefend

c)     Het hoogste gezag door de Gewestelijke Staten en de Staten-Generaal moest worden uitgeoefend

d)    Het hoogste gezag door de adel en de steden moest worden uitgeoefend

 

54)     ‘De Fronde’ was:

 

a)     Een opstand van de gewesten tegen Johan de Wit

b)    Een opstand tegen Mazarin

c)     Een opstand tegen het absolutistisch bewind in de Republiek

d)    Een opstand tegen het absolutistisch bewind in Frankrijk

 

55)     De Hugenoten werd hun vrijheid ontnomen door:

 

a)     ‘De Fronde’

b)    Het mercantilisme

c)     Herroeping van het Edict van Nantes

d)    Het protectionisme

 

56)     1672 werd het rampjaar voor de republiek genoemd. Dat kwam NIET door:

 

a)     De oorlogsverklaring van Frankrijk en Engeland aan de Republiek

b)    Doordat stadhouder Willem III koning van Engeland werd

c)     De oorlogsverklaring van Munster en Keulen aan de Republiek

d)    De successen van admiraal De Ruyter die een invasie vanaf de Noordzee voorkwam

 

57)     Wie is in het volgende overzicht een vooraanstaand Nederlandse verlichtingsfilosoof:

 

a)     Simon Stevin

b)    Leeghwater

c)     Antonie van Leeuwenhoek

d)    Baruch de Spinoza

 

58)     de ‘Generaliteitslanden’ werden bestuurd door:

 

a)     De Staten-Generaal

b)    Filips II

c)     De VOC

d)    Willem van Oranje

 

59)     Welke bewering is FOUT

 

a)     Armenianen worden ook Remonstranten genoemd

b)    Gomaristen worden ook Contraremonstranten genoemd

c)     Remonstranten hadden tot 1616 de overhand in de meeste stadsbesturen

d)    Stadhouder Maurits en Oldenbarnevelt steunden de Remonstranten

 

60)     ‘de Jure Belli ac Pacis’ ( ‘Over het recht van oorlog en vrede’) werd in 1625 geschreven door:

 

a)     Christiaan Huygens

b)    Antonie van Leeuwenhoek

c)     Baruch de Spinoza

d)    Hugo de Groot 

 

1)     D                                       

2)     C

3)     B

4)     C

5)     D

6)     A

7)     A

8)     B

9)     D

10)  B

11)  C

12)  A

13)  C

14)  A  

15)  B

16)  C

17)  A

18)  B

19)  B

20)  C

21)  C

22)  A

23)  A

24)  A

25)  C

26)  B

27)  C

28)  C

29)  C

30)  B

31)  C

32)  D

33)  D

34)  A

35)  A

36)  C

37)  A

38)  D

39)  D

40)  A

41)  A

42)  B

43)  B

44)  C

45)  D

46)  C

47)  D

48)  D

49)  C

50)  D

51)  A

52)  B

53)  C

54)  D

55)  C

56)  B

57)  D

58)  A

59)  D

60) 

 

 

 

 

 

 

 

Meerkeuzevragen 20e eeuw

Gepost in Meerkeuze vragen

 

 

1    Hieronder volgen twee uitspraken:

      I    Het merendeel van de bevolking en hun regeringsleiders stortten zich in 1914 vol                 3

 enthousiasme in het militair conflict dat zou uitgroeien tot de Eerste Wereldoorlog.

      II   In 1939 was bij de bevolking en hun regeringsleiders – Duitsland uitgezonderd – bij

            het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog van enig enthousiasme geen sprake en  

            overheerste de angst.

      A   Uitspraak I en II zijn juist.

      B   Uitspraak I is juist en II is onjuist.

      C   Uitspraak I is onjuist en II is juist.

      D   Uitspraak I en II zijn onjuist.

 

2    In welke zin staat de staatkundige positie van Elzas-Lotharingen goed beschreven?

      A   Dit gebied was en bleef tot het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog bezit van  

            Frankrijk.

      B   Tot 1871 was het Frans bezit, daarna kwam het tot 1919 in Duitse handen.

      C   Het gebied was Duits bezit en werd bij het Verdrag van Versailles aan Frankrijk

            toegewezen.

      D   De Duitsers bezetten dit deel van Noordoost-Frankrijk bij het uitbreken van de Eerste

            Wereldoorlog en hielden dit tot het einde van de Tweede Wereldoorlog in handen.

 

3    Zowel tijdens als na de Eerste Wereldoorlog was er sprake van een sterke inflatie.

      Wat is geen verklaring voor het ontstaan van de inflatie?

      A   De overheid had tijdens de oorlog veel extra geld in omloop gebracht om de

            oorlogsindustrie draaiend te kunnen houden.

      B   Door de onbeperkte duikbotenoorlog liep de aanvoer van grondstoffen en voedsel

            terug, met oplopende prijzen als gevolg.

      C   Veel mannen gingen het leger in en vrouwen namen hun banen over.

      D   De Duitse regering betaalde de stakende arbeiders in het Ruhrgebied uit met extra voor

            dit doel bijgedrukt geld.

 

4    Hieronder volgen twee uitspraken.

      I    Lenin zag tijdig in dat de grote ommezwaai, waarbij de macht en de bezittingen eerlijk

            verdeeld zouden worden, niet in één keer gemaakt kon worden en zette met de NEP

            een pas op de plaats.

      II   Stalin was veel rechtlijniger dan Lenin en eiste van iedereen onvoorwaardelijke

            toewijding aan de communistische leer.

      A   Uitspraak I en II zijn juist.

      B   Uitspraak I is juist en II is onjuist.

      C   Uitspraak I is onjuist en II is juist.

      D   Uitspraak I en II zijn onjuist.

 

5    Hieronder volgen twee uitspraken:

      I    Hitler is de uitvinder van het systematisch gebruik maken van propaganda als een                            

       machtsmiddel.

      II   Hitler was een grootmeester in het improviseren.

      A   Uitspraak I en II zijn juist.

      B   Uitspraak I is juist en II is onjuist.

      C   Uitspraak I is onjuist en II is juist.

      D   Uitspraak I en II zijn onjuist.

 

6    Waarom is het bombarderen van steden een goed voorbeeld van ‘totale oorlogvoering’?

      A   Met het bombarderen van steden werd de oorlog voortaan niet alleen ter land en op

            zee, maar ook in de lucht uitgevochten.

      B   Met het bombarderen van steden werd de oorlogvoering beperkt tot het stedelijk

            gebied en bleef het platteland voortaan ongemoeid.

      C   Door het bombarderen van steden werd voortaan ook de burgerbevolking bewust een

           doelwit en niet meer uitsluitend de militairen.

      D   Door het bombarderen van steden werd het moreel van de soldaten van het getroffen

            land verhoogd.

 

7    In welke zin staat het proces van toenemende terreur tegen joodse burgers in de goede        

      chronologische volgorde?

      A   Criminalisering / Onderdrukking / Isolering / Deportatie / Moord.

      B   Criminalisering / Deportatie / Isolering / Moord / Onderdrukking.

      C   Isolering / Deportatie / Criminalisering / Onderdrukking / Moord.

      D   Onderdrukking / Moord / Isolering / Deportatie / Criminalisering.

 

8    Hieronder volgen vijf concrete gebeurtenissen met betrekking de jodenvervolging.

      1.   Na de inval in Polen worden de joden vogelvrij verklaard.

      2.   Hitler schrijft in Mein Kampf over ‘het joodse vraagstuk’.

      3.   Voor de jodenvervolging wordt de term Holocaust gebruikt.

      4.   Tijdens de Wannsee-conferentie wordt de organisatie van de Endlösung geregeld.

      5.   In Auschwitz worden naar schatting anderhalf miljoen joden om het leven gebracht.

      Wat is de chronologische volgorde van de gebeurtenissen?

      A   4 – 2 – 5 – 1 – 3.

      B   2 – 1 – 4 – 5 – 3.

      C   1 – 2 – 5 – 3 – 4.

      D   2 – 4 – 1 – 3 – 5.

 

9    Wie bedoelde Churchill toen hij sprak over ‘de enige vent in de Nederlandse regering’?

      A   Wilhelmina.

      B   Colijn.

      C   Gerbrandy.

      D   Winkelman.

 

10  Hieronder volgen twee uitspraken:

      I    Na de bezetting van Nederlands-Indië door Japan, maakte de bezetter serieus werk van

            Het minimaliseren van de invloed van de westerse beschaving in dit gebied.

      II   De bevolking van Nederlands-Indië was teleurgesteld in de Japanse bezetter omdat

            politieke onafhankelijkheid niet kwam en economische afhankelijkheid bleef.

      A   Uitspraak I en II zijn juist.

      B   Uitspraak I is juist en II is onjuist.

      C   Uitspraak I is onjuist en II is juist.

      D   Uitspraak I en II zijn onjuist.

 

11  Hieronder volgen twee uitspraken:

      I    De gebeurtenissen in de maanden die volgden op de Conferentie van München lieten   

            zien dat met Hitler goede afspraken gemaakt konden worden en dat hij niet aanstuurde

            op oorlog.

      II   De gebeurtenissen in de maanden die volgden op het sluiten van het Molotov - Von            

           Ribbentroppact (het niet-aanvalsverdrag tussen Duitsland en de Sovjet Unie) lieten 

            zien dat met Hitler goede afspraken gemaakt konden worden en dat hij niet aanstuurde

            op oorlog.

      A   Uitspraak I en II zijn juist.

      B   Uitspraak I is juist en II is onjuist.

      C   Uitspraak I is onjuist en II is juist.

      D   Uitspraak I en II zijn onjuist.

 

12  Welke uitspraak past niet bij de isolationistische politiek van de Verenigde Staten?

      A   Laat de Europeanen hun eigen rotzooi opruimen!

      B   Europa voor de Europeanen en Amerika voor de Amerikanen.

      C   De Verenigde Staten is de politieman van de wereld.

      D   Zolang de handel niet in gevaar komt, bemoeien we ons zo weinig mogelijk met het              buitenland.

 

13  Welke zin geeft het best de situatie in Rusland aan het begin van de Tijd van de

      Wereldoorlogen    weer?

      A   Rusland was hard op weg om zich in democratische richting te ontwikkelen.

      B   Op industrieel gebied was Rusland goed vergelijkbaar met Duitsland.

      C   Rusland werd geregeerd door een tsaar met absolutistische trekken.

      D   Na de geslaagde revolutie werd de communistische heilstaat gerealiseerd.

 

14  In welke zin horen de namen / begrippen bij elkaar?

      A   Lenin – Vijfjarenplannen – USSR.

      B   Stalin – Goelag – Vijfjarenplannen.

      C   Mussolini – Fasces – Antisemitisme.

      D   Hitler – Il Duce – Mars naar Rome.

 

15  Waarom was de propaganda van Hitler zo effectief?

      A   Hitler wist het bestaan van de concentratiekampen zo goed geheim te houden.

      B   Hitler voedde de jeugd via het Jungvolk, de Hitlerjugend en de Bund Deutscher Mädel  

            tot kritische volgelingen op.

      C   Hitler beïnvloedde de Duitsers niet alleen op directe wijze, maar ook op veel

            gecamoufleerde manieren.

      D   Hitler vergrootte zowel in het binnen- als in het buitenland het vertrouwen in zijn

            politiek door het afschaffen van de censuur.

 

16  Wat is een gevolg op lange termijn van het gebruik van de atoombom op de twee Japanse

           steden Hiroshima en Nagasaki?

      A   In de decennia na het gebruik van de atoombom werden er in deze twee steden veel            

           misvormde kinderen geboren.

      B   Met de daaropvolgende capitulatie van Japan kwam de Tweede Wereldoorlog

            definitief ten einde.

      C   Het gebruik van de atoombom werd voortaan als een oorlogsmisdaad beschouwd.

      D   De vernietigende kracht van de atoombom was zo groot dat door deze wetenschap

            landen er van weerhouden werden nog ooit een oorlog te beginnen.

 

17  Hieronder volgen twee uitspraken:

      I    De joden, Sinti en Roma behoorden volgens Hitler tot de Untermenschen.

      II   De Slavische en Germaanse volken behoorden volgens Hitler tot de Übermenschen.

 

A   Uitspraak I en II zijn juist.

      B   Uitspraak I is juist en II is onjuist.

      C   Uitspraak I is onjuist en II is juist.

      D   Uitspraak I en II zijn onjuist.

 

18  In het boek wordt gesteld dat de Tweede Wereldoorlog voor Nederlanders een referentiekader is om zaken te beoordelen, met name wat ‘goed’ is en wat ‘fout’ is. Welke uitspraak over goed / fout in de oorlog is juist?

      A   De groep mensen die ‘fout’ was, bedroeg ongeveer de helft van de bevolking en 

            bestond vooral uit NSB’ers.

      B   De groep mensen die ‘goed’ was, bedroeg ruim de helft van de bevolking en bestond

            vooral uit verzetsmensen.

      C   Het optreden van de Duitse bezetter was zo mild dat het achteraf ondoenlijk is om een

            grens tussen ‘goed’ en ‘fout’ te trekken.

      D   De groep mensen die achteraf als ‘goed’ of ‘fout’ beoordeeld kan worden, is klein (5 à

            10 procent); de rest paste zich aan de omstandigheden aan.

 

19  Wat is geen beperking van bewegingsvrijheid voor Nederlanders tijdens de bezettingsjaren?

      A   De arbeidsinzet.

      B   De zwarte handel.

      C   Het persoonsbewijs.

      D   De avondklok.

20  Hieronder volgen zes gebeurtenissen die met Nederlands-Indië in de periode 1940-1945 te

       maken hebben:

      1.   Capitulatie van Japan.

      2.   Internering van Nederlanders in speciale wijken (en later kampen).

      3.   Inval van Japan in Nederlands-Indië.

      4.   Uitroepen van de Republiek Indonesia.

      5.   Instelling van een speciale Commissie tot Onderzoek van de Onafhankelijkheid.

      6.   Atoombom op Hiroshima en Nagasaki.

      Zet deze gebeurtenissen in de goede chronologische volgorde.

      A   2 – 3 – 6 – 5 – 1 – 4.

      B   5 – 6 – 3 – 2 – 4 – 1.

      C   3 – 2 – 5 – 6 – 1 – 4.

      D   3 – 2 – 4 – 6 – 5 – 1.

21  Welke zin is juist?

      A   In 1945 is voor het eerst het idee geboren om een overkoepelende organisatie van

            staten op te richten voor het behoud van de wereldvrede.

      B   In 1945 kreeg de Verenigde Naties de uitdrukkelijke opdracht mee om zich tot een

            mondiale militaire organisatie te ontwikkelen.

      C   De in 1945 opgerichte Verenigde Naties is een poging om een naoorlogse wereldorde

            op basis van vrijheidsidealen te grondvesten.

      D   Evenals de Volkenbond kwam de Verenigde Naties tot stand zonder de inbreng van de                             

            Verenigde Staten.

 

22  Hieronder volgen 5 gebeurtenissen die te maken hebben met de geschiedenis van

      Duitsland:

      1.   De oprichting van de DDR.

      2.   In de buurt van de vroegere grens tussen Oost- en West-Berlijn werden mijnenvelden          

            aangelegd en uitkijktorens gebouwd.

      3.   Inwoners van het Oostblok vluchtten via West-Berlijn naar het westen.

      4.   De oprichting van de BRD.

      5.   De bouw van de muur om de leegloop van het oosten tegen te gaan.

      In welke zin staan de gebeurtenissen in de goede chronologische volgorde?

      A   5 – 3 – 1 – 2 – 4.

      B   4 – 1 – 3 – 5 – 2.

      C   3 – 2 – 4 – 5 – 1.

      D   2 – 1 – 5 – 4 – 2.

 

23  Met de dekolonisatie van Afrika waren de problemen voor dit continent niet opgelost.

      Integendeel. In welke zin worden geen nadelige gevolgen van de koloniale periode voor

       veel Afrikaanse landen   genoemd die na de dekolonisatie aan het licht kwamen?

      A   Uitbarstingen van etnische haat vanwege willekeurig getrokken grenzen.

      B   Economische afhankelijkheid van het westen.

      C   De gedwongen uittocht van veel blanke kolonisten.

      D   De gebrekkige politieke scholing van de inheemse bevolking waardoor een

            onbekwaam bestuur aan de macht kwam.

24  Hieronder volgen twee uitspraken:

      I    De problemen in het Midden-Oosten zijn voor een belangrijk deel het gevolg van niet

            met elkaar in overeenstemming te brengen beloften die min of meer gelijktijdig

            gedaan werden.

      II   De problemen in het Midden-Oosten ontstonden met het uitroepen van de staat Israël.

      Wat is waar?

      A   Uitspraak I en II zijn juist.

      B   Uitspraak I is juist en II is onjuist.

      C   Uitspraak I is onjuist en II is juist.

      D   Uitspraak I en II zijn onjuist.

25  Er is veel kritiek op het lage democratische gehalte van het Europese bestuur. Welk

      argument kunnen critici niet aanvoeren?

      A   Het Europees Parlement heeft te weinig macht.

      B   Het Europees Parlement wordt om de vijf jaar door de burgers van de lidstaten

            gekozen.

      C   De Ministerraad heeft te veel invloed op het beleid.

      D   De Europese Commissie is zowel belast met de voorbereiding als met de uitvoering

            van het beleid.

26  Wat is geen element in de verklaring voor de snelle welvaartsgroei die in West-Europa na   

      de Tweede Wereldoorlog optrad?

      A   De goede opleiding en de sterke motivatie van de arbeiders.

      B   De bereidheid om flink de handen uit de mouwen te steken.

      C   Het uitgebreide pakket van sociale voorzieningen.                                      

      D   De financiële injectie dankzij het Marshallplan.

 

27  In de jaren zestig en zeventig traden gelijktijdig twee processen op: secularisering en      

      individualisering. Welke uitspraak is onjuist?

      A   Secularisering en individualisering hebben niets met elkaar te maken.

      B   Secularisering is een gevolg van individualisering.

      C   De individualisering en secularisering zijn versterkt door de opkomst van de tv.

      D   Secularisering en individualisering zijn versterkt door de toename van de welvaart.

 

28  Op welk terrein vonden in de jaren zestig geen belangrijke veranderingen plaats?

      A   Seksuele revolutie.

      B   Emancipatie van vrouwen.

      C   Democratisering van het onderwijs.

      D   Internet.

 

29  Wat wordt bedoeld met een ‘clash of civilizations’?

      A   Een botsing tussen de cultuur van de ‘ouderen’ en de ‘jongeren’

      B   Een botsing tussen de cultuur van ‘oost’ en ‘west’.

      C   Een botsing van de beschaving van het ‘westen’ en de ‘moslimwereld’.

      D   Een botsing van de beschaving van ‘de oude wereld’ en ‘de nieuwe wereld’.

 

30  Een berucht kenmerk van de apartheid in Zuid-Afrika waren de pasjeswetten. Wat hielden

     die in?

      A   De zwarten waren uitgesloten van het kiesrecht.

      B   De zwarten mochten alleen in bepaalde gebieden komen als ze daar werkten (en dit op              

           vertoon van een ‘pasje’).

      C   De zwarten mochten niet komen op bepaalde plaatsen die met borden voor hen

            verboden waren, zoals scholen, loketten en banken in parken.

      D   De zwarten mochten geen lid worden van bepaalde politieke bewegingen, zoals het

           ANC.

 

31  Wat was voor de Amerikanen geen motief om het Marshallplan te lanceren?

      A   De wens om de armoede in Europa te verminderen.

      B   De overtuiging dat zo de voorsprong in de wapenwedloop behouden kon blijven.

      C   De hoop om zo de populariteit van het communisme af te remmen.

      D   De verwachting dat een hersteld Europa weer in staat zou zijn meer Amerikaanse

            producten te kunnen kopen.

 

32  Waar werd de Berlijnse Muur gebouwd?

      A   Op de grens van de BRD en de DDR.

      B   Op de grens van de BRD en West-Berlijn.

      C   Op de grens van West- en Oost-Berlijn.

      D   Op de grens van de DDR en Oost-Berlijn.

 

33  Hieronder volgen 5 gebeurtenissen die met het Indonesische nationalisme te maken

      hebben:

      1.   Nederlands-Indië werd door Japan bezet.

      2.   Oprichting van de Partai Nasional Indonesia (PNI).

      3.   Nederlanders werden in kampen geïnterneerd.

      4.   Soekarno en andere leiders van de PNI werden door de Nederlanders in kampen

            opgesloten.

      5.   De leiders van de PNI  riepen de Republik Indonesia uit.

      In welke zin staan de gebeurtenissen in de goede chronologische volgorde?

      A   1 – 3 – 5 – 2 – 4.

      B   4 – 1 – 3 – 5 – 2.

      C   3 – 2 – 4 – 5 – 1.

      D   2 – 4 – 1 – 3 – 5.

 

34  Voor de problemen in het Midden-Oosten zijn veel landen verantwoordelijk. Welk land

       draagt directe verantwoordelijkheid voor de problemen die daar tussen 1920 en 1950

       ontstonden?

      A   Groot-Brittannië.

      B   Duitsland.

      C   Saoedi-Arabië.

      D   Libanon.

 

35  Wat behoort niet tot de resultaten van de samenwerking tussen de Europese landen?

      A   De opening van de binnengrenzen en afschaffing van de douanerechten.

      B   Financiële steun aan achtergebleven regio’s.

      C   De vorming van de Verenigde Staten van Europa.

      D   De invoering van een gemeenschappelijke munt.

 

36  Wat zijn geen kernbegrippen om het Nederland van de jaren vijftig te typeren?

      A   Soberheid en zuinigheid.

      B   Loonsverhogingen en loonexplosie.

      C   Geleide loonpolitiek en spaarzaamheid.

      D   Grootschalige industrialisatie en urbanisatie.

 

37  Op cultureel gebied traden er grote veranderingen op. Op 4 januari werd op tv in een

       satirisch    programma de volgende tekst uitsproken.

      ‘De gelovigen van deze religie belijden hun eredienst in hun miljoenen kerken, in de grote

       e  kleine steden, in de rijke en in de arme buurten, overal waar de zending komt. Van alle 

        kerken en kapellen wenkt het kruis dat zegt tot de wereld: Wie kijke kan die kijke, hier is

        het licht, hier vindt gij de ontvangst, hier ziet gij het aanschijn van het Beeld. Want het

         Beeld is tot de mens gekomen en heeft de mens gevormd naar zijn evenbeeld.

      Elke avond verzamelen mensen zich rond het altaar en ontsteken het Heilige Beeld. Er zijn er slechts weinigen die hun plicht verzaken en - in plaats van het Beeld te dienen - zich overgeven aan zondige bezigheden als daar zijn lezen, spelen of zelfs praten. Neen, de miljoenen en miljoenen gelovigen kunnen niet genoeg krijgen van de Blijde Boodschap: in den beginne was het Beeld en het Beeld was goed.’

 

      Dat deze tekst uitgesproken kon worden (waartegen overigens veel geprotesteerd werd) is

      een voorbeeld van de culturele veranderingen in deze jaren. Van welk veranderingsproces

      is deze tekst een goed voorbeeld?

      A   Secularisering.

      B   Individualisering.

      C   Pluriforme samenleving.

      D   Multiculturele samenleving.

 

38  Veel jongerengroepen trokken in de jaren zestig en zeventig de straat op om te

      protesteren. Waartegen werd toen niet geprotesteerd?

      A   De oorlog in Vietnam.

      B   De militaire dictaturen in Chili en Argentinië.

      C   De terreurdreiging door moslimextremisten.

      D   De rassendiscriminatie in Zuid-Afrika.

 

39  De jaren negentig van de vorige eeuw zijn ‘optimistisch’ te noemen. Welke factor speelde

      daarbij geen rol van betekenis?

      A   Het probleem in het Midden-Oosten werd definitief opgelost.

      B   De Berlijnse Muur verdween, en daarmee voor een groot deel de spanning tussen Oost

            en West.

      C   De wereldeconomie maakte een periode van grote bloei door.

      D   Tal van al lang bestaande problemen werden opgelost, zoals de rassenscheiding in

            Zuid-Afrika.

 

40  Hieronder volgen twee uitspraken:

      I    Het blanke bewind in Zuid-Afrika kwam mede ten val door verzet van inwoners van

            het eigen land.

      II   Het blanke bewind in Zuid-Afrika kwam mede ten val door boycotacties van de rest

            van de             wereld.

      A   Uitspraak I en II zijn juist.

      B   Uitspraak I is juist en II is onjuist.

      C   Uitspraak I is onjuist en II is juist.

      D   Uitspraak I en II zijn onjuist.

 

41 Wat was geen onderdeel van de uitgangspunten van het Atlantisch Handvest ?

 

a.       het zelfbeschikkingsrecht van  volkeren

b.      de vrije toegang tot de zeeën

c.       de oprichting van een militair samenwerkingsverband

d.      internationale geschillen zouden niet meer gewapenderhand uitgevochten moeten worden.

 

42    De Trumandoctrine werd afgekondigd n.a.v. de situatie in:

 

a.       Berlijn

b.      Korea

c.       Griekenland

d.      Oost-Europa

 

43 Als Stalin het heeft over economisch imperialisme van de VS, dan bedoelt hij vooral :

   

a. de Trumandoctrine

b. de containmentpolicy

c. het Marshallplan

d. de Amerikaanse luchtbrug

 

44 Welke concessie deed de VS na afloop van de Cubacrisis

            

a. zij accepteerden de raketbases op Cuba

b. zij trokken raketten terug uit Turkije

c. zij hieven de blokkade van Cuba op

d. zij accepteerden de Berlijnse muur

 

 

45 Geef de juiste chronologische volgorde aan

 

a. Balfourdeclaration, Sykes-Picot verdrag, Verdelingsplan VN, Mandaatgebieden

b. Sykes-picotverdrag, Balfourdeclaration, Mandaatgebieden, Verdelingsplan VN

c. Mandaatgebieden, Sykes-Picot verdrag, Balfourdecalration, Verdelinsplan VN

d. Verdelingsplan VN, Sykes-Picot verdrag, Mandaatgebieden, Balfourdecalration.

 

 

46. Kies  de juiste chronologische volgorde

 

a. EEG, EGKS, Eurotom , Europese Gemeenschap, EU

b. Europese Gemeenschap, Eurotom, EGKS; EEG., EU

c. EGKS, Eurotom, EEG, Europese Gemeenschap, EU

d. EU, Europese Gemeenschap, Euratom, EEG, EGKS

 

47. Kies de juiste chronologische volgorde

 

a. Hongaarse Opstand, Praagse Lente, Vrije verkiezingen in Polen, Val Berlijnse Muur

b. Val Berlijnse muur, Hongaarse Opstand, Vrije verkiezingen in Polen, Praagse lente

c. Vrije verkiezingen in Polen, Praagse lente, Hongaarse Opstand, Val Berlijnse muur

d. Praagse lente, Hongaarse Opstand, Val Berlijnse muur, Vrije verkiezingen in Polen

 

48. Kies de juiste chronologische volgorde

 

a.       Akkoord van Munchen, Niet aanvalsverdrag Duitsland-Rusland, Ansluss Oostenrijk, inval in Polen

b.      Ansluss Oostenrijk, Akkoord van Munchen, Niet aanvalsverdrag Duitsland-Rusland, inval in Polen

c.       Inval in Polen, Niet aanvalsverdrag Duitsland-Rusland, Ansluss Oostenrijk, Akkoord van Munchen

d.      Niet aanvalsverdrag Duitsland –Rusland, Inval in Polen, Ansluss oostenrijk, Akkoord van Munchen

 

49. Kies de juiste chronologische volgorde

 

  1. Stalin, Lenin, NEP, collectivisatie van de landbouw, burgeroorlog, Nicolaas II
  2. Lenin, Stalin, NEP, burgeroorlog, Nicolaas II, collectivisatie van de landbouw
  3. NEP, burgeroorlog, Nicolaas II, collectivisatie van d elandbouw, Stalin, Lenin
  4. Nicolaas II, Lenin, burgeroorlog, NEP, Stalin, collectivisatie van de landbouw

 

50. Kies de juiste chronologische volgorde

 

  1. Verdrag van Brest Litowsk, Verdrag van Versailles, bezetting Ruhrgebied, instorting Wall Street
  2. Instorting Wall Street, Verdrag van Versailles, bezetting Ruhrgebied, verdrag van Brest/Litowsk.
  3. Verdrag van Brest-Litowsk, bezetting Ruhrgebied, instorting Wall Street, verdrag van Versailles
  4. Bezetting Rurgebied, verdrag van Brest-Litowsk, , instorting Wall Street, Verdrag van Versailles

 

 

 

 

Antwoorden

 

1                A                          41    C

2                B                          42    C

3                C                          43    C

4                A                          44    C

5                B                          45    B

6                C                          46     C

7                A                          47    A

8                B                          48    B

9                A                          49    D

10              A                          50    A

 

 

11              D                         

12              C                         

13              C                         

14              B                         

15              C                         

16              A

17              B

18              D

19              B

20              C

 

21              C                         

22              B                         

23              C                         

24              B                         

25              B                         

26              C

27              A

28              D

29              C

30             B

 

31              B                         

32              C                         

33              D                         

34              A                         

35              C                         

36              B

37              B

38              C

39              A

40              A

 

Meerkeuzevragen Dekolonisatie en Koude Oorlog in Vietnam

Gepost in Meerkeuze vragen

Meerkeuzevragen  Dekolonisatie en Koude Oorlog in Vietnam

vietnam veteraan postzegel vietnam monumentvietnamoorlog helicopter

1 Vier gebeurtenissen:


1 De oprichting van de Volkenbond.
2 De machtsovername van de communisten in Rusland.
3 De oprichting van de Verenigde Naties (VN).
4 De Tweede Wereldoorlog breekt uit.

Welke chronologische volgorde is juist?

a)     2, 1, 4, 3

b)    3, 2, 4, 1

c)     1, 3, 2, 4

d)    4, 2, 1, 3

2) Hoe verklaar je dat de Volkenbond minder krachtdadig en succesvol was dan de Verenigde Naties?

    a) De Verenigde Staten beschouwden zich als leider van de Volkenbond; andere landen konden  

       daar niet mee leven.

   b) De wereldrevolutie van Lenin maakte een effectief optreden van Volkenbond onmogelijk.

   c) De Volkenbond had een veel te klein leger om effectief conflicten te bezweren

   d) De Verenigde Staten deden niet mee aan de Volkenbond; in de Verenigde Naties speelden ze een leidende rol.

3) Toch speelden ook de Verenigde Naties weinig klaar. Wat was daarvan de dieperliggende

    oorzaak?

a)     De permanente leden van de Veiligheidsraad hadden geen vetorecht

b)    De Veiligheidsraad telde teveel leden en was daardoor besluiteloos.

c)     De Tweede Wereldoorlog

d)    De Koude Oorlog.

4) Wat was zowel oorzaak als gevolg van de Koude Oorlog?

 a) De militaire nederlaag van Duitsland in 1945.

 b) De dood van president Roosevelt.

c) De Marshallhulp van de Verenigde Staten aan West-Europa.

d) De politiek van Vreedzame Coëxistentie

 

5) Welke landen lagen na 1945 binnen de invloedssfeer van de Sovjet-Unie?

 a) Griekenland, Roemenië en Polen.

 b) Bulgarije, Denemarken, Wit-Rusland.

 c) Tsjecho-Slowakije, Polen, Oost-Duitsland.

 d) Hongarije, Roemenië, Turkije.

 

6) Wat is een goed voorbeeld van de Amerikaanse containmentpolitiek?

 a) De Amerikaanse annexatie van West-Duitsland.

 b) De Amerikaanse steun aan Turkije.

 c) Het werpen van atoombommen op Japan.

 d) De schepping van het IJzeren Gordijn.

 

7) Ook de Sovjet-Unie voerde een soort containmentpolitiek. Waarmee zou je dat kunnen illustreren?
 

 a) Met het Russische streven naar een veiligheidscordon van 'bevriende' satellietstaten.

 b) Met het Russische streven naar een wereldrevolutie.

 c) Met de stichting van de communistische Volksrepubliek China in 1949.

 d) Met de militaire interventie van de Sovjet-Unie in Vietnam.

 

8) Vier oorzaken van de wapenwedloop. Welke is het meest INDIRECT?

 a) De overwinning van de Sovjet-Unie op Duitsland tijdens de Tweede Wereldoorlog.

 b) De tactiek van 'wederzijdse afschrikking'.

 c) De atoombommen die in 1945 op Japan werden geworpen.

 d) De eerste geslaagde kernproef van de Sovjet-Unie in 1949.

 

9) Welke Aziatische landen waren kolonies van Frankrijk?

 a) Thailand en Birma.

 b) Korea en Cambodja.

 c) Laos en Cambodja.

 d) Laos en Maleisië.

 

10) Wat was de MINST belangrijke oorzaak van het dekolonisatieproces in Azië?
 

 a) Het nationalisme.

 b) De Tweede Wereldoorlog.

 c) De dood van Stalin in 1953.

 d) De Koude Oorlog.

 

11) Stalin had aanvankelijk weinig oog voor het dekolonisatieproces in Azië. Wat was daarvan een belangrijke oorzaak?

a)     Hij geloofde niet dat het communisme in het sterk agrarische Azië kans zou maken.

b)    Stalin was bang dat ingrijpen in Azië onvermijdelijk zou leiden tot een oorlog met China.

c)     Ook de Verenigde Staten bleven geheel afzijdig in Azië. Stalin zag daarom geen reden om in Azië in te grijpen.

d)    Als communist had hij geen principiële bezwaren tegen het kolonialisme.

12) Welke twee begrippen passen op grond van hun rol in de Koude Oorlog NIET bij elkaar?

 a) Soviet Design' - Korea Oorlog

 b) Cordon Sanitaire - Duitse deling

 c) Taiwankwestie - VN-Veiligheidsraad

 d) Stalin - Vreedzame Coëxistentie

 

13) Wanneer was Vietnam kolonie van Frankrijk?

 a) Van 1897 tot 1962.

 b) Van 1930 tot 1959.

 c) Van 1882 tot 1956.

 d) Van 1833 tot 1945.

 

14) Welk begrip past NIET goed bij het Franse kolonialisme in Vietnam?

 a) Racisme.

 b) Democratisering.

 c) Wingewest.

 d) Prestige.

 

15) Welk zin is JUIST?

 a) De Franse assimilatiepolitiek had in Vietnam geen enkel succes.

 b) Zo'n dertig procent van de Vietnamezen bekeerde zich tot het katholicisme.

 c) Hanoi werd het 'Parijs van het Oosten' genoemd.

 d) De verschillen tussen het noorden en het zuiden van Vietnam bestonden al vóór de komst van Fransen.

 

16) Nog voordat hij oorlog tegen ze voerde, voelde Ho Chi Minh zich bedrogen door de Amerikanen.

      Bij welke twee gelegenheden deed zich dat 'bedrog' voor?

a)     In 1930, bij de Vietnamese volksopstand tegen de Fransen; in 1941, bij de Vietnamese opstand tegen de Japanners.

b)    In 1939, bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog; in 1950, bij het uitbreken van de Korea-oorlog.

c)     In 1919, tijdens de vredesbesprekingen in Versailles; in 1954-1956, bij de uitvoering van de Geneefse Akkoorden.

d)    In 1914, bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog; in 1945, bij het uitroepen van de Vietnamese onafhankelijkheid.

17) Wat sprak Ho Chi Minh zo aan in het communisme van Lenin?

 a) De onafhankelijke, moedige positie die Lenin tegenover het grote China innam.

 b) Lenin's dominotheorie: als één kolonie onafhankelijk werd, dan zouden de anderen vanzelf volgen.

 c) Lenin's tactiek: een voorhoede van beroepsrevolutionairen moest de revolutie tot stand brengen.

 d) Het atheïsme van Lenin: Ho was een fel tegenstander van het boeddhisme in zijn land.

 

18) Hoe zou je de Vietminh willen typeren?

 a) Als een echte communistische partij, zoals de communistische partij in de Sovjet-Unie.

 b) Als een typisch Vietnamese ideologie, waarin plaats was voor communistische denkbeelden.

 c) Als Ho Chi Minh's persoonlijke leger, dat waakte over zijn veiligheid en zijn macht moest vergroten.

 d) Als een nationalistische beweging, waarin het communisme op de achtergrond een grote rol speelde.

 

19) Welk jaar zien de Vietnamese communisten als het jaar waarin Vietnam onafhankelijk werd van de  Fransen?

a)     1941

b)    1955

c)     1962

d)    1945

20) Vier verschijnselen:

1 Tweede Wereldoorlog.
2 nationalisme
3 communisme
4 imperialisme

Welke verschijnselen kun je beschouwen als oorzaak van de Vietnamese onafhankelijkheidsstrijd tegen de Fransen?

 a) Alleen 2 en 4

 b) Alleen 1, 2 en 4

 c) Alle vier.

 d) Alleen 1 en 2.

21) Vier gebeurtenissen:

1 slag bij Dien Bien Phu
2 Het ondertekenen van de Geneefse Akkoorden
3 oprichting Vietminh

Welke chronologische volgorde waarin de gebeurtenissen geplaatst zijn, is juist?

 a) 2, 3, 1

 b) 1, 2, 3

 c) 3, 1, 2

 d) 2, 1, 3

 

22) Welk begrip past het BEST bij het doel van de Zuid-Oost Aziatische Verdrags Organisatie

      (ZOAVO)?

a)     Dominotheorie.

b)    Westers nationalisme.

c)     Guerrillatactiek.

d)    Geneefse Akkoorden.

23) Om welk land gaat het hier?

1 Het land ondertekent de Geneefse Akkoorden niet.
2 In 1956 blokkeert het land nationale verkiezingen in Vietnam.
3 Het land was voor een deling van Vietnam langs de 17e breedtegraad.

a) Frankrijk.

b) Verenigde Staten.

c) Vietnam.

d) Sovjet-Unie.

24) Kenmerken van de opbouw van Zuid-Vietnam en Noord-Vietnam in omstreeks 1960:

1 Fundamentele herverdeling van het land.
2 Vervolging van tegenstanders
3 Volkstribunalen.
4 Planeconomie.
5 Hulp van buitenlandse mogendheden.

Welke kenmerken zijn zowel van toepassing op Zuid- als op Noord-Vietnam?

 a) 1, 2 en 5.

b) 2 en 5

c) 2, 3 en 4

d) 2 en 3

25) Wat is een juiste omschrijving van de Vietcong?

 a) De communistische partij van Zuid-Vietnam.

 b) De militaire tak van het nationaal bevrijdingsfront in Zuid-Vietnam

 c) De militaire tak van het volksbevrijdingsfront in Noord-Vietnam.

 d) De communistische partij van Noord-Vietnam.

 

26) Waarom hielden de Noord-Vietnamezen hun steun aan de Vietcong geheim?

 a) De Amerikanen zouden anders misschien besluiten te vertrekken en Zuid-Vietnam in chaos

     achterlaten.

 b) De Amerikanen zouden anders misschien besluiten hun militaire steun aan Zuid-Vietnam op te

     voeren.

 c) De Zuid-Vietnamese bevolking zou nooit willen samenwerken met communisten.

 d) De Zuid-Vietnamese bevolking zou nooit hulp uit Noord-Vietnam accepteren.

 

27) Waarmee maakte de Vietcong zich geliefd onder arme boeren in Zuid-Vietnam?

  a) De Vietcong maakte een eind aan de Boeddhistische overheersing op het platteland.

  b) De Vietcong bouwde versterkte dorpen voor de boeren waar zij veilig waren voor de Amerikanen.

  c) De Vietcong verdeelde in het gebied waar zij de baas was de landbouwgrond onder de kleine boeren.

 d) De Vietcong steunde het boeddhisme met het bouwen van tempels en het sturen van priesters.

 

28) Waarom wilden de meeste boeren niet vrijwillig naar de versterkte dorpen verhuizen?

 a) Zij wilden hun eigen vruchtbare grond niet verruilen voor de droge akkers van de agrovilles.

 b) Zij voelden zich veiliger onder de bescherming van de landheren van wie zij hun land pachtten.

 c) Zij waren als boeddhisten gebonden aan de grond waar hun voorouders hadden geleefd.

 d) Zij wilden hun eigen stenen huizen niet verruilen voor de armoedige bamboehutten in de versterkte dorpen.

 

29) De bezorgdheid van president Kennedy om Vietnam werd vergroot door de opstelling van Sovjetleider Chroesjtjov. Welke bewering daarover is JUIST?

 a) De Sovjet-Unie concurreerde met China als 'vriend van alle onderdrukte volken'. [

 b) De Sovjet-Unie ging samenwerken met China om Vietnam van het imperialisme te bevrijden.

 c) Chroesjtjov wilde Vietnam veroveren om zo een ijsvrije haven voor de Sovjet-Unie te verkrijgen.

 d) Chroesjtjov zag Ho Chi Minh als rivaal voor het leiderschap over de communistische wereld.

 

30) Kennedy kon zich niet voorstellen dat de Verenigde Staten zich net als Frankrijk op het Vietnamese verzet zouden stukbijten. Waarom niet?

 a) Noord-Vietnam was door jarenlang oorlogvoeren zo verzwakt dat het geen partij meer was.

 b) De VS waren de machtigste natie op aarde en hadden nog nooit een oorlog verloren.

 c) Frankrijk had een zwak leger dat op eigen kracht nog nooit een oorlog gewonnen had.

 d) De VS waren bij een grote meerderheid van de Vietnamezen juist erg populair.

 

31) Welke bewering over de rol van Amerikaanse adviseurs in Vietnam (omstreeks 1963) is JUIST?

 a) Op papier moesten zij meevechten met het Zuid-Vietnamese leger, in werkelijkheid hielden ze zich afzijdig.

 b) Kennedy trok steeds meer Amerikaanse soldaten terug en verving deze door adviseurs.

 c) Kennedy zag niets in de adviseurs en verving een groot aantal van hen door echte soldaten.

 d) Op papier moesten zij het Zuid-Vietnamese leger trainen en adviseren, in werkelijkheid vochten zij vaak gewoon mee.

 

32) In 1964 nam in Amerika de roep om een diplomatieke oplossing voor Vietnam toe. Welke ontwikkeling speelde daar GEEN rol in?

 a) Vietnam leek niet meer te redden, de Vietcong beheerste een groot deel van Zuid-Vietnam.

 b) Vietnam verkeerde in chaos: er was geen stabiele regering, straatgevechten en studentenprotesten werden steeds heftiger.

 c)  De Vietcong beloofden dat er voor een verenigd Vietnam eerlijke, vrije democratische verkiezingen zouden komen.

 d) Het Zuid-Vietnamese leger was zwak, Vietnamese officieren leken minder toegewijd dan de Amerikanen zelf.

 

33) Welk verband was er tussen de binnenlandse politiek van president Johnson en zijn Vietnampolitiek?

 a) Er was geen verband, al probeerden Johnsons politieke tegenstanders te doen geloven van wel.

 b) Johnsons 'oorlog tegen de armoede' zou niet te betalen zijn als de VS een groot leger naar Vietnam zou sturen.

 c) Johnson durfde niet met Noord-Vietnam te onderhandelen uit angst de steun van de Amerikaanse kiezers te verliezen.

 d) Johnson moest in eigen land met de communistische dreiging afrekenen, in Vietnam was dat eigenlijk hetzelfde.

 

34) Welke rol speelde het Tonkin-incident in de Vietnamoorlog?

 a) Het gaf de regering volledige vrijheid om een oorlog te beginnen zonder dat formeel de oorlog werd verklaard.

 b) Het was een 'katalysator' (versneller), want direct hierna stuurden de VS grondtroepen naar Vietnam.

 c) Door dit incident nam het vertrouwen van de Amerikanen in hun politieke leiders scherp af.

 d) Het liet zien dat Noord-Vietnam over hoogwaardige wapens beschikte. Dat weerhield de VS van een directe confrontatie.

 

35) Wat hield operatie 'Rolling Thunder' in?

 a) Het systematisch bombarderen van Zuid-Vietnam.

 b) Het sturen van tanks en grondtroepen naar Noord-Vietnam.

 c) Het sturen van tanks en grondtroepen naar Zuid-Vietnam.

 d) Het systematisch bombarderen van Noord-Vietnam.

 

36) De Amerikaanse generaals in Vietnam klaagden dat ze moesten vechten 'met de handen op de rug'. Waardoor kwam dat?

  a) Het Amerikaanse leger mocht geen voet in Noord-Vietnam zetten en moest bij bombardementen belangrijke vijandelijke aanvoerroutes ontzien.

 b) Het Amerikaanse leger had te weinig manschappen en moderne wapens om succesvol oorlog te kunnen voeren.

 c) De Amerikanen in Vietnam mochten alleen adviseren, het vechten moesten ze overlaten aan het Zuid-Vietnamese leger.

 d) De Amerikaanse soldaten hadden opdracht de vijand op te sporen en gevangen te nemen, er moesten zo min mogelijk Vietcong gedood worden.

 

37) Wat was kenmerkend voor de strijdwijze van generaal Vo Nguyen Giap?

 a) Snelle, korte verrassingsaanvallen vanuit de jungle.

 b) Het snel samentrekken van grote aantallen soldaten om in open veld slag te leveren.

 c) Het snel verplaatsen van kleine eenheden per helikopter en motorboot.

 d) Nooit zelf het vuur openen, maar de vijand naar mijnenvelden en giftige bamboepunten lokken.

 

38) Wat was kenmerkend voor de manier waarop het Amerikaanse leger de Vietcong bestreed?

 a) De Amerikaanse tactiek wijzigde voortdurend en was mede daardoor weinig succesvol.

 b) Nooit zelf het vuur openen, maar de vijand in hinderlaag lokken.

 c) Luchtaanvallen met napalm en Agent Orange, grondtroepen alleen in de grote steden.

 d) De vijand opsporen en dan zoveel mogelijk slachtoffers maken.

 

39) Welke rol speelde het Tet-offensief in de Vietnamoorlog?

  a) Het overtuigde Noord-Vietnam ervan dat de oorlog door onderhandelen beëindigd moest worden.

  b) Het overtuigde de Amerikaanse regering ervan dat de oorlog niet te winnen was.

  c) Het gaf de Amerikanen definitief een militair overwicht.

  d) Het gaf de Vietcong definitief een militair overwicht.

 

40) Wat veranderde er na 1965 in de berichtgeving over 'Vietnam' in de Amerikaanse media?

 a) De opstelling van journalisten werd minder patriottisch en meer kritisch.

 b) De belangstelling voor de oorlog in Vietnam nam zienderogen af.

 c) De opstelling van journalisten werd minder kritisch en meer patriottisch.

 d) Het leger ging steeds meer controle uitoefenen op het nieuws dat over Vietnam werd gebracht.

 

41) Waarom kwam er vanuit het Amerikaanse congres weinig verzet tegen het Vietnambeleid van president Johnson?

 a) In het nieuws dat uit Vietnam kwam wees niets erop dat er problemen waren.

 b) De Republikeinen hadden een overweldigende meerderheid en zij waren voorstanders van harde aanpak van Johnson.

 c) Congresleden waren bang voor het verwijt dat ze de Amerikaanse soldaten in Vietnam afvielen.

 d) Het Congres interesseerde zich nauwelijks voor buitenlandse politiek en liet dat aan de president over.

 

42) Verschillende ontwikkelingen deden het vertrouwen in de Vietnampolitiek van president Johnson afbrokkelen. Welke hoort daar NIET bij?

 a) De hoorzittingen van senator Fullbright zaaiden twijfel over het nut van de oorlog en de Amerikaanse 'winstkansen'.

 b) De 'live-beelden' van het Tet-offensief maakten pijnlijk duidelijk dat de situatie in Vietnam minder rooskleurig was dan de regering wilde doen geloven

 c) Door de vreedzame coëxistentie verdween na 1966 de angst voor uitbreiding van het communisme over de wereld.

 d) Na de hoorzittingen van Fullbright waren er eindelijk ook uit de volksvertegenwoordiging zelf kritische geluiden te horen.

 

43) Wat bedoelde president Nixon met 'eervolle vrede'?

 a) Dat de VS na terugtrekking van zijn troepen alle tanks en vliegtuigen zou achterlaten voor het Zuid-Vietnamese leger.

 b) Dat vrede sluiten met Noord-Vietnam onmogelijk was, want communisten waren geen eervolle lieden.

 c) Dat de wereld in geen geval mocht denken dat de VS de oorlog verloren hadden en het vredesakkoord een vrij Zuid een nobel Amerikaans gebaar was.

 d) Dat de Vietcong de kans kreeg zich met wapens en al naar Noord-Vietnam terug te trekken.

 

44) Wat hielde Nixons politiek van Vietnamisering in?

 a) Toenemende controle van de regering op de berichtgeving vanuit Vietnam.

 b) Het sturen van steeds meer Amerikaanse soldaten en het verkleinen van de rol van het Zuid-Vietnamese leger.

 c) Terugtrekken van Amerikaanse soldaten uit Zuid-Vietnam en het Zuid-Vietnamese leger versterken.

 d) Het beperken van het slagveld tot Vietnam en niet langer doordringen in Cambodja en Laos.

 

45) Nixon probeerde op verschillende manieren een 'eervolle vrede' af te dwingen. Welke hoort er NIET bij?

a) Geheime onderhandelingen tussen de Amerikaanse en Noord-Vietnamese regering.

b) Het opvoeren van het aantal Amerikaanse soldaten op de grond in Zuid-Vietnam.

c) Driehoeksdiplomatie met de Sovjet-Unie en China om Noord-Vietnam onder druk te zetten.

d) Massale bombardementen op Noord-Vietnam, inclusief burgerdoelen.

 

46) Wat hield de driehoeksdiplomatie van Nixon en Kissinger in?

 a) Voortdurende onderhandelingen tussen Washington, Peking en Moskou.

 b) Onderhandelen met de Sovjet-Unie, China en Noord-Vietnam en deze tegen elkaar uitspelen.

 c) Het gelijktijdig aanvallen van Noord-Vietnam, Laos en Cambodja.

 d) Onderhandelen met Noord-Vietnam, Zuid-Vietnam en China en deze nader tot elkaar brengen.

 

47) Jarenlang onderhandelden de VS en Noord-Vietnam in het geheim over een vredesakkoord. Waarom kwam dat juist in oktober 1972 tot stand?

 a) In de zomer van 1972 hadden de Amerikanen grote militaire successen geboekt.

 b) De Zuid-Vietnamese president Thieu wilde de verkiezingen van december 1972 in met een vredesakkoord.

 c) Nixon wilde de presidentsverkiezingen van november 1972 in met een vredesakkoord.

 d) In de zomer van 1972 had Noord-Vietnam grote militaire successen geboekt.

 

48) Rond kerstmis 1972 vonden de zwaarste bombardementen uit de Vietnamoorlog plaats. Wat was het doel van die bombardementen?

 a) China laten zien dat het Amerikaanse leger nergens voor terugdeinsde.

 b) Noord-Vietnam zo verzwakken dat honderdduizenden Amerikaanse soldaten naar huis konden.

 c) Tegemoetkomen aan de wereldwijde kritiek op het Vietnambeleid van de VS.

 d) Noord-Vietnam terug naar de onderhandelingstafel krijgen.

 

49) Een Aziatische leider blikt terug op zijn bekering tot het communisme. Op de plaats XXX moet een naam worden ingevuld:
Direct na de Eerste Wereldoorlog werkte ik als loontrekker in Parijs, namelijk als tekenaar van Chinese antiquiteiten. In die tijd verspreidde ik vaak pamfletten om de misdaden van het kolonialisme bekend te maken. Ik stond aan de kant van de Oktoberrevolutie, gedreven door een spontane sympathie. De thesen van XXX veroorzaakten een grote beroering en geestdrift in mij. Ik kreeg een groot vertrouwen en ik begon de problemen duidelijk te zien. Mijn vreugde was zo groot, dat ik op mijn kamer de tranen niet kon bedwingen. Alleen in mijn kamer riep ik alsof ik tegenover een grote menigte stond: 'Landgenoten, onderdrukten, ongelukkigen, nu hebben we wat we nodig hadden, dit is de weg naar onze bevrijding.' Sindsdien had ik een onbegrensd vertrouwen in XXX en de Derde Internationale.

Wie was deze leider en over wie heeft hij het?

a) Gandhi die het over Marx heeft.

b) Mao die het over Lenin heeft.

c) Soekarno die het over Stalin heeft.

d) Ho Chi Minh die het over Lenin heeft.

 

50) In 1948 richtte Ho Chi Minh zich tot zijn volk met de volgende woorden:
Dankzij de op één doel gerichte eenheid van onze landgenoten en strijders hebben wij glorierijke overwinningen behaald. Strijders moeten wedijveren in het doden van vijanden, het buitmaken van geweren en kanonnen en in het vergaren van vele wapenfeiten. Landgenoten moeten wedijveren in het verhogen van de productie, in het bestrijden van honger en onwetendheid en in het helpen doden van buitenlandse indringers. Kaders moeten wedijveren in het beoefenen van vlijt, spaarzaamheid, integriteit en rechtschapenheid, hun zwakheden herzien en hun deugden ontwikkelen. Van dag tot dag wordt onze eenheid groter en wordt ons leger beter uitgerust en sterker; de vijand is ten ondergang gedoemd, wij zijn zeker van succes. Wij zullen deze langdurige verzetsstrijd winnen!

Hoe komt Ho Chi Minh in deze toespraak naar voren?

a) Vooral als een socialist.

b) Vooral als een communist.

c) Vooral als een militarist.

d) Vooral als een nationalist.

 

51) Aantallen Amerikaanse militairen in Vietnam, 1959-1969.


JAAR

AANTAL

1959

760

1960

900

1961

3205

1962

11300

1963

16300

1964

23300

1965

184300

1966

385300

1967

485600

1968

536100

1969

475200

Welke uitspraak wordt door deze gegevens bevestigd?

a)     Onder president Johnson was het aantal Amerikaanse militairen in Vietnam verhoudingsgewijs laag.

b)    Onder president Kennedy werd het aantal militairen in Vietnam meer dan verdrievoudigd.

c)     In 1969 was het aantal gesneuvelde Amerikaanse soldaten het hoogst.

d)    Vóór het presidentschap van Kennedy waren er geen Amerikaanse militairen in Vietnam.

52) Militairen die Ngo Dinh Diem ten val brachten, zonden tijdens de staatsgreep het volgende radiobericht uit:
Soldaten van het leger, van de veiligheidsdienst, van de burgerwacht en van de volksmilitie. De regering van Ngo Dinh Diem, die misbruik van haar macht maakte, is alleen op persoonlijk voordeel uit geweest en heeft de belangen van het vaderland verwaarloosd. Het leger is in actie gekomen. Het is nu de plicht van u allen om één te zijn. De revolutie zal zeker met succes worden bekroond.

De militairen rechtvaardigen de staatsgreep door te wijzen op het gedrag van de regering-Diem. Wie zou(den) zich in deze rechtvaardiging kunnen vinden?

 

a) Alleen de Amerikaanse regering.

b) Alleen Noord-Vietnamese burgers.

c) Noord-Vietnamese burgers, Zuid-Vietnamese burgers en de Amerikaanse regering.

d) Alleen Zuid-Vietnamese burgers.

 

53) Welke bewering is juist?
foto: fotocollectie Nationaal Archief

a) De monnikverbrandingen verzwakten de positie van de Vietcong.

b) De monnikverbrandingen waren een indirect gevolg van de Amerikaanse interventie in Vietnam.

c) De monnikverbrandingen waren zinloze acties.

d) De monnikverbrandingen hadden geen gevolgen voor Ngo Dinh Diem.

 

54) Een Amerikaanse journalist van het weekblad The Nation schreef in 1965:
Ik verkies de term 'maternalisme' voor het Amerikaanse beleid in landen als Vietnam, omdat het mij doet denken aan een verhaal over een olifant die in de jungle op een patrijs stapt en haar doodt. Wanneer ze de verweesde kuikens van de patrijs ziet, springen de tranen in haar lieve olifantenogen. 'Och, ik heb ook moederlijke instincten', zegt de olifant. Ze keert zich tot de kuikens en gaat op ze zitten.

Wat bedoelt de journalist met deze vergelijking?

a) De Amerikanen vernietigen willens en wetens Noord-Vietnam

b) De Amerikanen hebben niets te zoeken in Vietnam.

c) De Amerikanen voeren een hopeloze guerrillaoorlog in Vietnam.

d) De Amerikanen vechten tegen het communisme en vernietigen daarbij ook de Vietnamese bevolking zelf.

55) Parijs, 8 december 1972. Kissinger ontmoet in het geheim Le Duc Tho, onderhandelaar namens Noord-Vietnam.
foto: fotocollectie Nationaal Archief

Deze foto is in het geheim gemaakt. In het openbaar zou Kissinger zich waarschijnlijk minder hartelijk gedragen. Met welk aspect van Nixons Vietnambeleid heeft dat te maken?

a) 'Kerstbombardementen'.

b) 'Eervolle vrede'.

c) Het bombarderen van Cambodja.

d) 'Vietnamisering'.

 

56) Gesneuvelde soldaten tijdens het Tet-offensief, januari-februari 1968:


PARTIJ

AANTAL

Noord-Vietnam

45.000

Zuid-Vietnam

2.788

Verenigde Staten

1.536

TOTAAL

49.324


Vier uitspraken:
1 Het hoge aantal Noord-Vietnamese slachtoffers bewijst dat het Tet-offensief niets heeft opgeleverd.
2 De gegevens tonen aan dat de Amerikanen tijdens het Tet-offensief een klinkende overwinning behaalden.
3 De gegevens tonen aan dat de Amerikanen het Zuid-Vietnamese leger de eerste klappen lieten opvangen.
4 De gegevens bewijzen dat voor de Noord-Vietnamese legerleiding mensenlevens niet telden.

Welke uitspraken zijn juist?

a)     Geen van de vier

b)    Uitspraak 1 en 4.

c)     Alle vier.

d)    Uitspraak 2 en 3.

57) Op 12 november 1972 publiceerde het Amerikaanse weekblad Time voor het eerst in zijn vijftigjarig bestaan een hoofdartikel, waarin de redactie de president aanried om af te treden:
Richard Nixon en de natie zijn het tragische punt gepasseerd waarna een terug niet meer mogelijk is. Het ziet er thans naar uit dat de president zijn functie zal moeten opgeven; zijn morele gezag, het vertrouwen van het grootste deel van het land, en daardoor zijn vermogen om doelmatig te regeren hebben een onherstelbaar verlies geleden. Het Witte Huis is doortrokken van een atmosfeer van vijandige amoraliteit; een amoraliteit die bijna verheven is tot een geloofsbelijdenis. Een meedogenloze vastbeslotenheid om zoveel mogelijk hiervan voor het publiek en voor degenen die de zaak in onderzoek hebben, te verbergen.
Het Witte Huis wordt beschuldigd van zaken als misleiding en geheimhouding. Wat is daar GEEN voorbeeld van?

a) Watergate

b) Pentagon Papers.

c) Tet-offensief.

d) Tonkin-incident.

 

58) De historicus Van Rossem (1991) over de Vietnamoorlog:
Richard Nixon en zijn intelligente, publiciteitsbewuste adviseur in veiligheidszaken Henry Kissinger, hadden bij hun aantreden in januari 1969 het voornemen de Amerikaanse buitenlandse politiek te ontdoen van de tekortkomingen die tot het echec in Vietnam hadden geleid. Dat zij daar slechts zeer ten dele in geslaagd zijn, was het gevolg van het feit dat zijzelf, veel meer dan zij wilden doen geloven, gevangen zaten in de ideologische vooronderstellingen die ze wilden bestrijden.

Van Rossem spreekt over de 'ideologische vooronderstellingen' waarin Nixon en Kissinger gevangen zaten en die hebben geleid tot de Amerikaanse interventie in Vietnam. Welke vooronderstelling zou hij bedoelen?

a) Dat het communisme uit was op wereldheerschappij en elk teken van 'zwakte' van de VS verstrekkende gevolgen zou hebben.

b) Dat de Amerikaanse president alleen populair kon worden als hij als legeraanvoerder in de publiciteit trad.

c) Dat de Amerikaanse buitenlandse politiek te weinig voorstelde als zij zich beperkte tot Europa en de Sovjet-Unie.

d) Dat VS de wapenwedloop niet kon volhouden als zij het armoedeprobleem in eigen land wilden oplossen.

 

59) Amerikaanse marinier in actie, 2 februari 1968. Op de helm van deze Amerikaanse marinier staat: 'In God we trust' (Wij vertrouwen op God).
foto: fotocollectie Nationaal Archief

Welke uitspraak kun je met deze bron onderbouwen?

a) Het Amerikaanse leger drong zijn soldaten het christelijk geloof op.

b) De VS voerden de Vietnamoorlog uit naam van het christelijk geloof.

c) Voor deze soldaat was het doden van mensen en het geloof in God kennelijk verenigbaar.

d) Het Amerikaanse leger probeerde op deze manier het vertrouwen van de Vietnamese bevolking te winnen.

 

60) De historicus M. van Rossem over de Vietnamoorlog (1991):
Nadat de Amerikanen in de Mekongdelta eens een stadje met de grond gelijk hadden gemaakt omdat zich daar een Vietcong-eenheid zou bevinden, zei de bevelvoerende Amerikaanse officier tegen een geschokte journalist: 'It became necessary to destroy the town, to save it.' De Amerikanen hebben Zuid-Vietnam verwoest en het ten slotte niet eens weten te redden.

Vier gebeurtenissen:
1) de 'kerstbombardementen' van 1972
2) 30 april 1975: de val van Saigon
3) februari 1965: Johnson geeft opdracht tot operatie Rolling Thunder
4) januari 1972: ondertekening Parijse Vredesakkoorden

Welke gebeurtenissen zou Van Rossem kunnen gebruiken om zijn laatste uitspraak te onderbouwen?
 a) 1, 2 en 3

 b) 3 en 4

 c) 2 en 3

 d) 1 en 3
 
 

Antwoorden ED 4 meerkeuze Dekolonisatie en Koude Oorlog in Vietnam

 

1)   A

2)   D

3)   D

4)   C

5)   C

6)   B

7)   A

8)   A

9)   C

10)              C

11)              A

12)              D

13)              C

14)              D

15)              D

16)              C

17)              C

18)              D

19)              D

20)              C

21)              C

22)              A

23)              B

24)              B

25)              B

26)              B

27)              C

28)              C

29)              A

30)              B

31)              D

32)              C

33)              B

34)              A

35)              D

36)              A

37)              A

38)              D

39)              B

40)              A

41)              C

42)              C

43)              C

44)              C

45)              B

46)              B

47)              C

48)              D

49)              D

50)              D

51)              B

52)              C

53)              B

54)              D

55)              B

56)              A

57)              C

58)              A

59)              C

60)              C
  

 

Meerkeuzevragen dynamiek en stagnatie in de Republiek

Gepost in Meerkeuze vragen

 

Meerkeuzevragen dynamiek en stagnatie in de Republiek

 

1)     Welke kenmerkende aspecten horen bij de tijd van ontdekkers en hervormers?

a)     handelskapitalisme, absolutisme, kerkhervorming

b)    absolutisme, Nederlandse opstand, opkomst van steden

c)     begin van de Europese expansie, handelskapitalisme, kerkhervorming

d)    opkomst van steden, groeiende macht van de koning, begin van de Europese expansie

2)     De Hollandse landbouw maakte in de 14e en 15e eeuw een crisis door. Wat was een gevolg van deze landbouwcrisis?

a)     De Hollandse boeren gingen massaal over op het ontginnen van veen

b)    Urbanisatie: veel boeren trokken naar de steden, op zoek naar werk.

c)     Desurbanisatie: veel stedelingen trokken naar het platteland, op zoek naar voedsel

d)    De Hollandse boeren gingen massaal over op het verbouwen van graan.

3)     De Hollandse landbouw maakte in de 14e en 15e eeuw een crisis door. Wat was een gevolg van deze landbouwcrisis?

a)     Veel Hollanders trokken naar het Duitse Rijngebied

b)    Veel Hollanders trokken naar Vlaanderen en Brabant.

c)     Veel Hollanders zochten een bestaan in handel, visserij en nijverheid.

d)    In veel Hollandse steden verdween de textielnijverheid.

4)     Wat zijn trafieken?

a)      Schepen met een bollende zijkant die extra veel lading kunnen vervoeren.

b)    Bedrijven die grondstoffen veredelen, zoals houtzagerijen en zeepziederijen.

c)     Trekvaarten met een jaagpad waarover paarden kunnen lopen.

d)    Heffingen (belastingen) die betaald moesten worden bij het passeren van de Sont.

5)     Wat wordt bedoeld met 'malthusiaanse spanningen'?

a)     De voedselproductie groeit sneller dan de bevolking en de prijzen storten in.

b)    De concurrentie tussen de noordelijke gewesten onderling.

c)     De voedselproductie houdt de bevolkingsgroei niet bij, met grote werkloosheid als gevolg.

d)    De concurrentie tussen de noordelijke en de zuidelijke Nederlanden.

6)     Waardoor 'ontsnapte' Holland aan de malthusiaanse spanningen die andere regio's in Europa teisterden?

 

a)     In Holland had commerciële landbouw de overhand, en daar deden dit soort spanningen zich niet voor.

b)    Hollands wist de bevolkingsgroei op te vangen door het droogleggen van grote meren tot vruchtbare polders.

c)     Hollandse kooplieden voerden op grote schaal graan in, vooral uit het Oostzeegebied.

d)    Holland dankte zijn bestaan aan de strijd tegen het water en had van dit soort spanningen nooit last.

7)     Welke factor speelde GEEN rol in de opkomst van commerciële landbouw in Holland?

a)     de bevolkingsgroei in Holland

b)    de oprichting van zogeheten partenrederijen in Holland

c)     de relatief zwakke positie van de adel in Holland

d)    de urbanisatie in Holland

8)     Waarom vochten de Hollanders vier Sontoorlogen uit?

a)     Ze wilden Engeland dwingen zijn mercantilistische politiek te staken.

b)    Ze probeerden een eind te maken aan de piraterij (kaapvaart) vanuit Duinkerken.

c)     Ze verzetten zich tegen de centralisatiepolitiek van de Bourgondische vorsten.

d)    Ze wilden de toegang tot de Sont en daarmee de handel in de Oostzee veilig stellen.

9)     Rond 1500 begon het zwaartepunt van de internationale handel te verschuiven van de Middellandse Zee naar de Atlantische Oceaan. Wat was daar een belangrijke oorzaak van?

a)     De ontdekking van een directe zeeroute naar Azië door de Portugezen.

b)    De kaapvaart van Barbarijse piraten voor de kusten van Zuid-Europa.

c)     De opkomst van Amsterdam als internationaal handelscentrum.

d)    De Spaanse verovering van grote gebieden in Amerika.

10)  Na 1550 kwam Antwerpen in de problemen. Wat was daar GEEN oorzaak van?

a)     Door het zilver dat de Spanjaarden uit Amerika haalde, verplaatsten de Portugezen hun specerijenhandel naar Sevilla.

b)    De Spaanse koning ging tweemaal failliet en kon zijn Antwerpse geldschieters niet terugbetalen.

c)     Door de verzanding van de Schelde weken steeds meer schepen uit naar Gent, Brugge en Amsterdam

d)    Door de Nederlandse Opstand kwam Antwerpen in een oorlogsgebied te liggen.

11)  Welke gebeurtenis wordt bedoeld met de 'Val van Antwerpen'?

 

a)     Het bankroet van de Spaanse koning in 1575, dat veel Antwerpse kooplieden ruïneerde

b)    De verovering van Antwerpen door het staatse leger (van de Republiek) in 1590.

c)     De verovering van Antwerpen door het Spaanse leger in 1585.

d)    De plundering van Antwerpen door muitende Spaanse soldaten in 1576.

12)  Waardoor kon Amsterdam de positie van Antwerpen als handelscentrum overnemen?

a)     De Vlaamse textielnijverheid werd op schepen geladen en in Amsterdam weer opgebouwd.

b)    Holland en Zeeland sloten de Schelde af, duizenden Antwerpse kooplieden en ambachtslieden vluchtten naar Amsterdam

c)     De Spanjaarden sloten de Schelde af, duizenden Antwerpse kooplieden en ambachtslieden vluchtten naar Amsterdam

d)    De Staten-Generaal verplaatsten hun zetel van Antwerpen naar Amsterdam.

13)  Wat was kenmerkend voor de economie van de Republiek omstreeks 1600?

a)     Handel was in alle gewesten de motor van de economische groei.

b)    Steden en gewesten waren economisch zo goed als zelfstandig.

c)     Door de grote aantallen immigranten waren de lonen in de steden veel lager dan elders in Europa.

d)    Commerciële landbouw was in alle gewesten de motor van de economische groei

14)  Waarin verschilden de landprovincies van de kustprovincies?

a)     minder landbouw, meer inwoners, meer nijverheid

b)    meer zelfvoorzienende landbouw, meer boeren, minder invloed voor adel

c)     overwegend zelfvoorzienende landbouw, minder steden, meer invloed voor adel

d)    meer textielnijverheid, minder inwoners, minder Hanzesteden

15)  Welke jaartallen horen bij de volgende gebeurtenissen? a Nederlandse gewesten bij Habsburgse rijk / b Antwerpen terug in Spaanse handen / c zeeroute naar India ontdekt / d Spaanse koning failliet / e oprichting Staten-Generaal

a)     a 1548 / b 1575 / c 1497 / d 1575 / e 1464

b)    a 1464 / b 1585 / c 1492 / d 1557 / e 1542

c)     a 1548 / b 1585 / c 1498 / d 1575 / e 1464

d)    a 1550 / b 1576 / c 1498 / d 1585 / e 1542

16)  Welke kenmerkende aspecten horen bij de tijd van regenten en vorsten (1600-1700)?

a)     begin Europese overzeese expansie, absolutisme, verlichting

b)    begin Europese overzeese expansie, handelskapitalisme, Nederlandse Opstand

c)     handelskapitalisme, verlichting, kerkhervorming

d)    handelskapitalisme, bloei van de Republiek, wetenschappelijke revolutie

17)  De Republiek haalde producten uit alle hoeken van Europa. Welke combinaties van producten en landen/gebieden is juist?

a)     graan uit Rusland, bont uit Zweden, citrusvruchten uit Italië, ijzer uit de Levant

b)    graan uit Rusland, marmer uit Zweden, hout uit Italië, zijde uit de Levant

c)     huiden uit Rusland, wapens uit Zweden, graan uit Italië, marmer uit de Levant

d)    bont uit Rusland, ijzer uit Zweden, olijfolie uit Italië, katoen uit de Levant

18)  De Republiek dreef in de 17e eeuw handel op alle continenten (behalve Australië: in Europa wist niemand van het bestaan daarvan). In welke periode kwam die 'intercontinentale handel' tot stand.

a)     1602-1628

b)    1602-1666

c)     1585-1595

d)    1595-1609

19)  Wat was kenmerkend voor de Nederlandse kooplieden-ondernemers die het handelskapitalisme domineerden?

a)     Zij waren actief in zowel de handel als de nijverheid.

b)    Zij behoorden bijna allemaal tot de families Trip en De Geer.

c)     Als ze voldoende kapitaal hadden verzameld, gingen ze de politiek in.

d)    Zij waren bijna allemaal actief in de wapenhandel.

20)  Welke financiële instituten werden in de 17e eeuw in Amsterdam gevormd?

a)     de wisselbank, de koopmansbeurs, de bank van lening

b)    de koopmansbeurs, de tolpoort, de Heren Zeventien

c)     de stapelmarkt, de wisselbank, de waag

d)    de bank van lening, de wisselbeurs, de contracten van correspondentie

21)  Waarom werden in 1602 alle bestaande compagnieën samengevoegd in de Verenigde Oostindische Compagnie?

a)     Het voeren van een driehoekshandel ging niet zonder samenwerking tussen alle partijen.

b)    De VOC was zo succesvol dat ze alle kleine compagnieën wegconcurreerde

c)     De kleine compagnieën concurreerden zo fel dat maar weinig winst werd gemaakt.

d)    Het voorbeeld van de West-Indische Compagnie had bewezen dat die samenvoeging de beste aanpak was.

22)  De VOC had 'soevereine rechten'. Wat hield dat in?

a)     De Staten-Generaal hadden over de VOC niets te zeggen.

b)    De bestuursfuncties in de VOC waren erfelijk: zonen volgden hun vader op (bekwaam of niet)

c)     Het recht om oorlog te voeren en verdragen te sluiten, net als een staat.

d)    Het recht om geld van investeerders te besteden zoals de VOC dat zelf wilde.

23)  Hoe kwam de VOC aan geld om haar activiteiten te financieren?

a)     Ze maakte vanaf het begin torenhoge winsten, die meteen weer in het bedrijf werden geïnvesteerd.

b)    De zwaarbewapende VOC-schepen behaalden flinke oorlogsbuiten op de Portugezen en de Engelsen

c)     De Staten-Generaal hief speciale accijnzen om de VOC van kapitaal te voorzien.

d)    Een groot aantal particuliere investeerder stak zijn geld in de VOC om later te kunnen delen in de winst.

24)   Waarin verschilde de WIC van de VOC?

a)     De WIC dreef geen handel, alles draaide om de kaapvaart, vooral tegen Spanje en zijn bondgenoten.

b)    De WIC dreef niet alleen handel maar ook kaapvaart.

c)     Op de WIC-schepen voeren soldaten mee.

d)    Het kreeg van de Staten-Generaal geen monopolie en moest concurreren met particuliere kooplieden-ondernemers uit Holland.

25)  Welke handelsstromen horen bij de driehoekshandel die de WIC tot stand bracht?

a)     wapens van de Republiek naar Amerika, slaven van Amerika naar Afrika, zilver van Afrika naar de Republiek.

b)    slaven van de Republiek naar Amerika, katoen van Amerika naar Afrika, zilver van Afrika naar de Republiek.

c)     graan de van Republiek naar Afrika, slaven van Afrika naar Amerika, specerijen van Amerika naar de Republiek.

d)    wapens van de Republiek naar Afrika, slaven van Afrika naar Amerika, suiker van Amerika naar de Republiek.

26)  Hieronder staan factoren die zorgden voor een gunstig investeringsklimaat in de Republiek vanaf pakweg 1590. Wat was GEEN factor die aan dat gunstige klimaat bijdroeg?

a)     Het stabiele politieke klimaat in de Republiek zorgde voor een lage rente.

b)    Dankzij de Val van Antwerpen kreeg de Republiek een enorme 'injectie' van kapitaal, kennis en netwerken.

c)     De gewesten concurreerden fel met elkaar, waardoor de kosten en prijzen steeds laag bleven.

d)    Dankzij de handelswinsten was er veel kapitaal om nieuwe bedrijvigheid te stimuleren.

27)  Hieronder staan factoren die bijdroegen aan de groei en bloei van de nijverheid in de Republiek. Welke zin is GEEN factor die tot die groei bijdroeg?

a)     De groei van de internationale handel

b)    De mercantilistische politiek van de andere Europese landen.

c)     De groei van de bevolking en van de welvaart in de Republiek.

d)    De technische voorsprong en de aanwezigheid van natuurlijke hulpbronnen.

28)  Wat was uniek aan het vervoer in de Republiek?

a)     Door de lage lonen was zowel vervoer over land als over water erg goedkoop.

b)    Dankzij de vele steenbakkerijen waren de belangrijkste verbindingswegen verhard met klinkers.

c)     Het was het enige stukje van Europa waar je kon reizen zonder tol te betalen.

d)    Er bestond een fijn vertakt stelsel van vaarwegen.

29)   Hieronder staan factoren die bijdroegen aan de bloei van de landbouw in de Republiek in de 17e eeuw. Welke zin is voor die bloei GEEN factor van belang geweest?

a)     De groei van de handel, de nijverheid en de bevolking.

b)    De verstedelijking zorgde voor een grote aanvoer van mest die nodig was voor intensieve verbouw van gewassen.

c)     De Dertigjarige Oorlog, die grote delen van het Duitse platteland verwoestte.

d)    De inpoldering van grote meren als de Beemster, de Schermer en de Wormer.

30)  Waarom verplaatsten stedelijke ondernemers in de Gouden Eeuw een deel van de nijverheid naar het platteland?

a)     Zij wilden hun bedrijven mechaniseren; in de volle steden was daar te weinig ruimte voor.

b)    Zij woonden zelf in buitenhuizen en konden zo beter toezicht houden op het productieproces.

c)     Op het platteland hoefden zij geen accijnzen af te dragen, in de steden wel.

d)    In de steden hadden de gilden teveel macht en waren de lonen hoger.

31)  Welke jaartallen worden in dit  als begin- en eindpunt van de Gouden Eeuw gezien?

a)     1588 en 1672

b)    1585 en 1648

c)     1597 en 1688

d)    1568 en 1648

32)  Wat is 'particularisme'?

a)     Het maken van afspraken om belangrijkste bestuursposten bij toerbeurt aan elkaar te gunnen.

b)    De zelfstandigheid van gewesten en steden in het uitoefenen van de rechtspraak en het bestuur.

c)     Het investeren van kapitaal door het kopen van aandelen in een bedrijf (bijvoorbeeld de VOC).

d)    Het plaatselijk en gewestelijk belang en de eigen onafhankelijkheid stellen boven het gemeenschappelijk belang.

33)  Hieronder staan drie voorbeelden van het burgerlijke karakter van de Republiek. Welk antwoord is GEEN voorbeeld van dat burgerlijke karakter?

a)     Iedereen moest belasting betalen, ook adel en geestelijkheid.

b)    De regenten die steden en gewesten bestuurden, namen zelf deel aan handel en nijverheid.

c)     De bestuurders stelden de belangen van de handel en nijverheid voorop.

d)    De soevereine macht lag bij de gewesten, niet bij de Staten-Generaal.

34)  Hieronder staan drie besluiten waaruit blijkt dat de Staten-Generaal doortastend optrad om de handel van de Republiek te bevorderen. Welk antwoord is GEEN voorbeeld van doortastend optreden van de Staten-Generaal?

a)     De koopvaardijvloot werd beschermd door oorlogsschepen die betaald werden uit de in- en uitvoerrechten die de Staten-Generaal inde

b)    De VOC en WIC kregen alle middelen die nodig waren om de Spanjaarden te bestrijden en een handelsimperium op te bouwen.

c)     Door de heffing van accijnzen beschikte de Republiek over voldoende middelen om een groot leger op de been te brengen.

d)    Op grondstoffen die voor de Republiek van belang waren, werden lage of helemaal geen invoerrechten geheven.

35)  Welke uitspraken zijn juist, welke onjuist?

I Door de verdeeldheid tussen de gewesten wist de Republiek in de Gouden Eeuw geen sterk landleger op de been te brengen.
II Dankzij de hoge opbrengsten van de accijnzen was de overheid zo rijk dat zij geld kon lenen aan particuliere investeerders.
III Engeland en Frankrijk voerden een mercantilistische politiek, de Republiek niet.

a)     I en II zijn juist, III is onjuist.

b)    I, II en III zijn onjuist.

c)     I is juist, II en III zijn onjuist.

d)    II is juist, I en III is onjuist.

36)  Welke twee 'externe' factoren zorgden ervoor dat de Republiek in de beginfase van de Opstand standhield tegen Spanje?

a)     De ondergang van de Armada en de Dertigjarige Oorlog.

b)    De ondergang van de Armada en de Frans-Spaanse oorlog.

c)     De ontdekking van de zeeweg naar Azië en het Twaalfjarig Bestand.

d)    De ontdekking van de zeeweg naar Azië en de Slag bij Nieuwpoort.

37)  Hoe kwam de Vrede van Munster tot stand?

a)     Spanje vocht op teveel fronten om de Republiek te kunnen verslaan en bood vanaf 1640 vrede aan; de Republiek ging daar pas in 1648 mee akkoord.

b)    Door het optreden van fanatieke calvinisten in de noordelijke gewesten besloten de katholieke zuidelijke gewesten zich definitief af te scheiden; zij vroegen Spanje om vrede te sluiten.

c)     De Republiek was door de Tachtigjarige Oorlog economisch uitgeput en besloot in 1648 het verlies van de Zuidelijke Nederlanden te accepteren.

d)    Lodewijk XIV wilde vrede in Europa om zijn eigen macht te kunnen uitbreiden, daarom dwong hij Spanje en de Republiek in 1648 naar de onderhandelingstafel.

38)  De Tachtigjarige Oorlog bevorderde op verschillende manieren de economische bloei van de Republiek. Welk antwoord is daar GEEN voorbeeld van?

a)     Hollandse handelaars profiteerden van de schaarste die door de oorlog ontstond.

b)    De Val van Antwerpen maakte mogelijk dat Amsterdam tot grootste stapelmarkt uitgroeide.

c)     De Spaanse embargo's dwongen kooplieden om zelf te gaan varen op Azië, Afrika en Amerika.

d)    Volgens de Vrede van Munster moest Spanje de Republiek een groot bedrag aan herstelbetalingen geven.

39)  Wat hield de Acte van Navigatie uit 1651 in?

a)     Buitenlandse koopvaarders mochten alleen goederen naar Engeland brengen die in hun eigen land waren geproduceerd.

b)    Alleen Nederlandse koopvaarders mochten uitsluitend goederen naar Engeland brengen die in de Republiek waren geproduceerd.

c)     Nederlandse koopvaarders moesten over de goederen die zij naar Engeland brachten meer invoerrechten betalen dan andere koopvaarders.

d)    Nederlandse koopvaarders mochten geen handel meer drijven met Engelse onderdanen.

40)  Wat was de uitkomst van de Eerste en de Tweede Engelse Zeeoorlog?

a)     Engeland verloor beide oorlogen en reageerde met verscherpte handelsblokkades.

b)    De Republiek wist na beide oorlogen te bedingen dat Engeland de Acte van Navigatie introk.

c)     De Republiek won de eerste oorlog, maar raakte door de tweede oorlog alle gunstige handelsvoorwaarden kwijt.

d)    Engeland won beide oorlogen en bracht de economie van de Republiek zware schade toe

41)  Hoe zag de sociale samenstelling van de Republiek er uit in de Gouden Eeuw?

a)     Gegoede burgerij 8 procent, kleine burgerij 25 procent, volksklasse 67 procent.

b)    Gegoede burgerij 5 procent, kleine burgerij 10 procent, volksklasse 85 procent.

c)     Gegoede burgerij 2 procent, kleine burgerij 15 procent, volksklasse 85 procent.

d)    Gegoede burgerij 20 procent, kleine burgerij 50 procent, volksklasse 30 procent

42)  De volksklasse in de Republiek had het in de Gouden Eeuw gemiddeld beter dan de volksklasse in veel andere Europese landen. Wat is GEEN oorzaak van hun relatief minder slechte positie?

a)     Bijna iedereen kon lezen en schrijven en kwam vroeg of laat aan een redelijk goede baan.

b)    Voor mensen die geen inkomsten hadden was er een relatief goed stelsel van armenzorg.

c)     Door de aanvoer van graan uit de Oostzee waren de voedselprijzen laag.

d)    Door de economische groei was er meestal volop werk en waren de lonen hoog.

43)  Welke uitspraken zijn juist en welke onjuist?

I De Zaanse scheepswerven hadden veel last van tegenwerking door de gilden.
II In de Gouden Eeuw was er zoveel vraag naar arbeid dat de lonen relatief hoog waren.

a)     I is onjuist, II is juist.

b)    I en II zijn beide onjuist.

c)     I is juist, II is onjuist.

d)    I en II zijn beide juist.

44)  Welke uitspraken zijn juist en welke onjuist?

I Van de nieuwkomers in Amsterdam was in 1650 bijna de helft afkomstig uit het buitenland.
II Immigranten konden geen lid worden van een gilde en bleven ook op langere termijn 'vreemdelingen'.

a)     I en II zijn beide juist.

b)    I is juist, II is onjuist.

c)     I en II zijn beide onjuist.

d)    I is onjuist, II is juist.

45)  Welke uitspraken zijn juist en welke onjuist?

I In de Republiek hadden joden dezelfde rechten als andere immigranten.
II De overheid probeerde van alles om de immigratie te beperken, maar slaagde daar nauwelijks in.

a)     I en II zijn beide onjuist.

b)    I is onjuist, II is juist.

c)     I is juist, II is onjuist.

d)    I en II zijn beide juist.

46)  In welk(e) tijdvak(ken) moeten we de 'Zilveren Eeuw' plaatsen?

a)     De tijd van regenten en vorsten en de tijd van pruiken en revoluties

b)    De tijd van pruiken en revoluties en de tijd van burgers en stoommachines

c)     De tijd van regenten en vorsten

d)    De tijd van pruiken en revoluties

47)  Welke fasen kun je in de Zilveren Eeuw onderscheiden?

a)     Een fase van sterke economische groei (1670-1750) en een fase van stagnatie (1750-1780).

b)    Een fase van groeiende problemen (1670-1715) en een fase van stagnatie (1715-1780).

c)     Een fase van crisis (1670-1650) en een fase van krachtig herstel (1750-1780).

d)    Een fase van stagnatie (1670-1715) en een fase van ondergang (1715-1780).

48)  Hieronder staan oorzaken van de achteruitgang van de internationale handel van de Republiek in de 18e eeuw. Wat was GEEN oorzaak van de problemen in de handel?

a)     De verzanding van havens en rivieren.

b)    De crisis in de nijverheid.

c)     Het mercantilisme van andere Europese landen.

d)    De opkomst van de voorbijlandvaart.

49)  Wat was een oorzaak van de neergang van de 'moedernegotie'?

a)     Het herstel van de Europese landbouw na de vrede van 1648.

b)    De Engelse blokkade van de Sont, de enige doorgang naar de Oostzee.

c)     De Franse blokkade van de Sont, de enige doorgang naar de Oostzee.

d)    Het succes van de koloniale handel, die investeerders uit de graanhandel weglokte.

50)  Hieronder staan oorzaken van de problemen in de Nederlandse walvisvaart in de 18e eeuw. Wat was GEEN oorzaak van de problemen in de walvisvaart?

a)     Door het faillissement van de Noordse Compagnie werden de Nederlandse schepen niet langer beschermd.

b)    Engeland hief hoge invoertarieven op 'Nederlandse' traan

c)     Door overbevissing nam het aantal walvissen af en daarmee daalden uiteindelijk ook de vangsten.

d)    De concurrentie van Engelse walvisvaarders nam toe

51)  Ondanks de relatieve achteruitgang na 1670 bleef de Republiek ook in de 18e eeuw een belangrijke handelsnatie. Wat is daar GEEN oorzaak van?

a)     Het herstel van de nijverheid na 1750.

b)    De groei van de koloniale handel.

c)     De groei van de rivierhandel met het Duitse achterland.

d)    De deelname van Nederlandse schippers aan de voorbijlandvaart.

52)  Welke uitspraken zijn juist en welke onjuist?

I Tussen 1680 en 1780 groeide de omvang van de koloniale handel.
II Tussen 1680 en 1780 daalde de winst van de koloniale handel.

a)     I is juist, II is onjuist.

b)    I en II zijn beide juist.

c)     I is onjuist, II is juist.

d)    I en II zijn beide onjuist.

53)  Welke verschuiving in de koloniale handel van de Republiek vond in de 18e eeuw plaats?

a)     Handel in slaven werd de motor achter de groei van de driehoekshandel.

b)    Massaproducten als koffie, thee en suiker werd belangrijker dan peper en specerijen.

c)     De WIC werd overvleugeld door de VOC.

d)    De VOC werd overvleugeld door de WIC.

54)  Wat verklaart dat Amsterdam uitgroeide tot de kapitaalmarkt van Europa?

a)     De rijkdom van de Gouden Eeuw was blijven groeien, maar kon in de 18e eeuw nauwelijks nog in de Republiek zelf worden geïnvesteerd.

b)    Als tolerant en vreedzaam land was de Republiek de veiligste plek om je geld te investeren

c)     De steeds hogere winsten van de VOC trokken steeds meer buitenlandse investeerders aan.

d)    Door de grote welvaart was nergens de rente zo hoog als in de Republiek.

55)  Welke uitspraken zijn juist en welke onjuist?

I Begin 18e eeuw hadden de Staten-Generaal zoveel schulden dat het aflossen van alleen al de rente meer kostte dan er aan belastingen binnenkwam.
II Door hun weelderige levensstijl gaven de regenten in de Republiek meer geld uit dat ze verdienden.

a)     I en II zijn beide juist.

b)    I en II zijn beide onjuist.

c)     I is juist, II is onjuist.

d)    I is onjuist, II is juist.

56)  Wat is een belangrijke oorzaak van de achteruitgang van de nijverheid in Holland in de 18e eeuw?

a)     De Republiek verloor haar technische voorsprong, terwijl de lonen in Holland de hoogste van Europa bleven.

b)    Veel buitenlandse afnemers haalden hun nijverheidsproducten liever uit de koloniën omdat daar de lonen lager waren.

c)     Terwijl andere landen hun nijverheid met mercantilistische maatregelen beschermden, deed Holland niets om zijn eigen nijverheid te steunen

d)    De VOC maakte steeds minder winst en bestelde dus steeds minder schepen.

57)  Welke industrieën wisten zich de gehele 18e eeuw goed te handhaven?

a)     Papierindustrie, glasblazerij, bierbrouwerij, suikerraffinaderij

b)    Suikerraffinaderij, pijpenmakerij, scheepsbouw, jeneverstokerij

c)     Papierindustrie, textielindustrie, bierbrouwerij, steenbakkerij

d)    Steenbakkerij, suikerraffinaderij, papierindustrie, jeneverstokerij

58)  Welke uitspraken zijn juist en welke onjuist?

I De jeneverindustrie kende in de hele 18e eeuw een enorme groei.
II Vooral het arme deel van de bevolking stapte massaal over van koffie en thee naar jenever.

a)     I en II zijn beide onjuist.  

b)    b) I is juist, II is onjuist.   

c)     c) I is onjuist, II is juist.

d) I en II zijn beide juist

.59)     Hieronder staan oorzaken van de crisis in de commerciële landbouw in Holland in de periode 1660-1750. Wat was GEEN oorzaak van die crisis?

a)     Het herstel van de landbouw in Duitsland en Vlaanderen

b)    De hoge lonen, de hoge prachtprijzen en de hoge belastingen.

c)     Natuurrampen als de paalworm en de veepest.

d)    De opkomst van plantagebouw in kolonies als Suriname.

60      Waardoor hadden boeren in het zuiden en oosten van de Republiek veel minder last van de crisis in de landbouw in de periode 1660-1750?

a)     Zij verbouwden vooral voor eigen gebruik en hadden van concurrentie weinig last.

b)    Zij hadden in de Gouden eeuw veel gespaard en hadden voldoende reserve om de crisis uit te zitten.

c)     Zij konden hun producten verkopen in Duitsland en Vlaanderen, waar na 1648 de welvaart snel toenam.

d)    Nederlandse renteniers verplaatsten hun kapitaal van de verliesgevende Hollandse landbouw naar de andere gewesten.

61     Welke kenmerkende aspecten kun je verbinden aan de Zilveren Eeuw van de Republiek?

a)     Opkomst van verlicht denken, voortbestaan ancien regime, democratische revoluties

b)    Handelskapitalisme, opkomst van verlicht denken, opkomst nationalisme en liberalisme

c)     Kolonialisme en slavernij, handelskapitalisme, wetenschappelijke revolutie

d)    Democratische revoluties, ondergang kolonialisme, emancipatiebewegingen

62)     Welke uitspraken zijn juist en welke onjuist?

I Stadhouder Willem III wilde in 1678 de oorlog tegen Frankrijk voortzetten, de Amsterdamse regenten wilden een oorlog tegen Engeland.
II De inval van Willem III in Engeland was onderdeel van zijn strijd tegen de Franse machtspolitiek.
 

a)     I en II zijn beide onjuist

b)    I en II zijn beide juist.

c)     I is juist, II is onjuist

d)    I is onjuist, II is juist.

63)     Waarom ging de Republiek in 1713 over op een politiek van neutraliteit?

a)     De Republiek kon de kosten van een groot leger niet meer dragen en hoopte dat neutraliteit de handel zou redden.

b)    De regenten vonden dat het leger van de stadhouder een te grote bedreiging vormde voor hun eigen machtspositie.

c)     Engeland dwong de republiek in de Vrede van Utrecht om zich buiten toekomstige conflicten te houden.

d)    Frankrijk dwong de Republiek in de Vrede van Utrecht om zich buiten toekomstige conflicten te houden.

64)     Welke twee groepen streden na 1750 over de koers van de buitenlandse politiek?

a)     De patriotten wilden neutraliteit, de Amsterdamse regenten wilden de Engelse hegemonie op zee doorbreken

b)    De patriotten wilden oorlog tegen de Franse overheersing, de orangisten wilden vrede

c)     De Doelisten wilden vrede, de orangisten wilden oorlog.

d)    De orangisten wilden oorlog tegen Frankrijk, de Amsterdamse regenten wilden een pro-Franse politiek.

65)     De opstand van de Amerikaanse koloniën tegen Engeland had in/voor de Republiek een aantal gevolgen. Wat was GEEN gevolg?

a)     De patriotten waren enthousiast over de democratische idealen van de Amerikaanse opstandelingen.

b)    De stadhouder zag zijn kans schoon de Engelsen nu de oorlog te verklaren.

c)     Toen Engeland ontdekte dat de Republiek de opstand steunde, verklaarde het haar de oorlog.

d)    De Amsterdamse regenten zagen in een onafhankelijk Amerika een aantrekkelijke handelspartner.

66)     Waarom was het particularisme in de 18e eeuw zo nadelig voor de Republiek?

a)     De verdeeldheid leidde tot een halve burgeroorlog tussen orangisten en Doelisten.

b)    De stadhouder gebruikte de verdeeldheid om steeds meer macht naar zich toe te trekken.

c)     De verdeeldheid maakte een krachtige reactie op het mercantilisme van andere staten onmogelijk.

d)    Rijke regenten investeerden hun particuliere kapitaal liever in het buitenland dan in een ander gewest.

67)     Waarom was de bereidheid van regenten om de overheidsschuld af te lossen (terug te betalen) niet zo groot?

a)     Zij waren kooplieden-ondernemers die het heel normaal vonden om schulden te hebben: de kost gaat voor de baat.

b)    Zij hadden de overheid zelf veel geld geleend en leefden van de rente van die leningen.

c)     Zij waren bang om met nog hogere belastingen de kleine burgerij tegen zich in het harnas te jagen.

d)    Zij waren zelf al zo verarmd dat ze verder bezuinigen onmogelijk achtten.

68)  Wat was de achtergrond van de Pachtersoproeren?

a)     Onvrede over de hoge huizenprijzen.

b)    Onvrede over de hoge belastingen.

c)     Onvrede over de aristocratisering van de regenten.

d)    Onvrede over de ondemocratische besluitvorming in de Republiek.

69)  Welk verband is er tussen de Pachtersoproeren en de Doelistenbeweging?

a)     De Doelisten gebruikten de onrust van de Pachtersoproeren om politieke eisen te stellen aan de regenten.

b)    De Doelisten vroegen de stadhouder hard op te treden tegen de plunderaars in de Pachtersoproeren.

c)     De oproerlingen en de Doelisten waren beide afkomstig uit de ontevreden volksklasse.

d)    Er was geen verband tussen deze twee bewegingen, ze deden zich toevallig kort na elkaar voor.

70)  Welke uitspraken zijn juist en welke onjuist?

I Adel en regenten vormden samen een gesloten klasse die zoveel mogelijk onder elkaar trouwde.
II Regenten verdeelden de beschikbare baantjes bij toerbeurt onder elkaar.

a)     I is onjuist, II is juist.

b)    I en II zijn beide juist.

c)     I is juist, II is onjuist.

d)    I en II zijn beide onjuist.

71)  Wat was voor de stedelijke regentenfamilies in de Republiek de belangrijkste inkomstenbron in de Zilveren Eeuw?

a)     De opbrengsten van hun pachtgronden.

b)    Hun aandelen in de VOC en WIC.

c)     Hun aandelen in buitenlandse bedrijven.

d)    Hun beleggingen en overheidsambten.

72)  Hoe probeerde de kleine burgerij in de Zilveren Eeuw zijn kwetsbare economische positie te beschermen?

a)     Zij belegden hun weinige spaargeld in VOC-aandelen en andere bedrijven.

b)    Zij gebruikten hun gilden om nieuwkomers te weren en zo hun inkomstenbron te beschermen.

c)     Zij trokken naar het platteland waar zij geen last hadden van de regels van de gilden.

d)    Zij protesteerden steeds luider tegen de grote bedragen die het stadsbestuur aan 'luie armen' weggaf.

73)  Welke uitspraak over de armenzorg in de tweede helft van de 18e eeuw is ONJUIST?

a)     In de steden wist men door armenzorg vaak verpaupering te voorkomen.

b)    Stedelijke en kerkelijke instellingen beperkten hun armenzorg tot hun 'eigen' armen.

c)     Ondanks de snelle verpaupering bleef de armenzorg functioneren.

d)    Armen moesten vaker dan vroeger gedwongen werk verrichten om hulp te krijgen.

74)  Verschillende factoren zorgden voor verslechtering van de positie van vrouwen op de arbeidsmarkt. Wat was GEEN factor die voor verslechtering zorgde?

a)     Veel vrouwen werkten in sectoren waar het slecht ging, zoals in winkels en textielnijverheid.

b)    Doordat de meeste immigranten vrouwen waren, ontstond een vrouwenoverschot.

c)     De burgerij ging steeds meer benadrukken dat vrouwen hun taak als moeder moesten laten voorgaan.

d)    Doordat meer vrouwen als moeder thuisbleven, moesten de niet getrouwde vrouwen dubbel zo hard werken.

75)  De Republiek was in 1780 nog altijd een rijk land en had dat misschien nog lang kunnen blijven. Wat zorgde ervoor dat dit toch vrij plotseling veranderde?

a)     De Vierde Engelse Oorlog gaf de handel en de schatkist een klap die men niet meer te boven kwam.

b)    De democratische opstand van de patriotten maakten de Republiek onbestuurbaar, zelfs de stadhouder moest vluchten.

c)     Door de verdeeldheid van de gewesten bleef een reactie op het mercantilisme van Engeland en Frankrijk uit.

d)    De Voc Ging failliet, tienduizenden aandeelhouders waren al hun geld kwijt.

1)     D;  2) B; 3) C 4) B 5) C 6) C 7) B 8) D 9) A 10) C 11) C 12) B 13) B 14) C 15) C 16) D 17) D 18) D 19) A 20) A 21) C 22) C 23) D  24) B 25) D 26) C 27) B 28) D 29) D 30) D 31) A 32) D 33) D 34) C 35) B 36) B 37) A 38) D 39) A 40) B 41) A 42) A 43) A 44) B  45) A 46) A 47) B 48) B 49) A 50) A 51) A 52) B 53) B 54) A 55) C 56) A 57) D 58) B 59) D 60) A 61) A 62) D 63) A 64) D 65) B 66) C 67) B  68) B 69) A 70) A 71) D 72) B 73) A 74) D 75)

 

Meerkeuzevragen hekserij en heksenvervolging

Gepost in Meerkeuze vragen

 

  1.       Witte magie is

a.       bedoeld als hekserij

b.      verering van de duivel

c.       godsdienstig bedoeld

d.      gericht op een positief resultaat

 

  2.     Op  bovenstaande afbeelding zie je een voorbeeld van

a.       zwarte magie

b.      witte magie

c.       een heksensabbat

d.      duivelsverering.

 

  3.      Onder volkscultuur verstaan we

a.       de manier waarop mensen vorm geven aan het dagelijks leven

b.      een verfijning van de elitecultuur

c.       het gevoel dat mensen bij elkaar horen                          

d.      de cultuur van de boeren en ambachtslieden

 

4.       Velen meenden dat de duivel zou winnen in de 15e – 17e eeuw.

 Welk antwoord omvat de meeste redenen waarom men dat dacht.

a.       revoluties, overstromingen, hongersnood

b.      epidemieën, godsdienststrijd en opvolgingskwesties

c.       godsdienstoorlogen, epidemieën en hongersnood

d.      hongersnood, revoluties, inflatie en overstromingen

 

  5          Voor het ontstaan van heksenwaan in Europa waren  voorwaarden nodig. Welke van de volgende hoort daar niet bij?

a.       de gedachten over duivelverering

b.      de invloed van het geloof

c.       de ideeën over witte en zwarte magie

d.      een nieuwe aanpak van het strafprocesrecht  

 

6            Volgens de kerkvaders waren duivels:

a.                  vooral boze geesten

b.                  goden van heidense godsdiensten

c.                  overspelige vrouwen

d.                 protestantse tegenstanders

 

  7            Alchemisten waren vooral op zoek naar:

a.       het ware geloof

b.      een manier om goud te maken

c.       een middel om de duivel te bestrijden

d.      medestanders in de strijd tegen ketters

 

 8            De rechters bij de inquisitie waren vooral:

a.       dominicanen

b.      augustijnen

c.       franciscanen

d.      katharen

  9        Kenmerkend voor de rol van de inquisitie t.a.v. de duivelverering was:

a.       ze pakten de duivelverering aan of het een georganiseerde godsdienst was

b.      ze beschouwden de duiververering als een straf van God

c.       ze brachten magie en duivelvering samen

d.      ze gaven vooral aandacht aan individuele verering van de duivel

 

  10    Het begin van de grootschalige heksenvervolging kwam vooral door

:a.       de ketterbestrijding

b.      de publicatie van handboeken

c.       de geschriften van de kerkvaders

d.      het geloof in zwarte magie

 

  11    Wat is een juiste bewering over de heksensabbata.    

 a. dit was een onderdeel van de elitecultuur

b.      het was een voorchristelijke vruchtbaarheidscultus

c.       het gewone volk geloofde er niet in

d.      de georganiseerde duivelcultus was een verzinsel

 

  12    Het accusitoire proces gaat uit van

 a.       een onderzoek

b.      een bewijs

c.       een aanklacht

d.      een overheidsactie

 

  13   Na 1550 vond vervolging van heksen vooral plaats

 a.       door de inquisitie

b.      door de rijksoverheid

c.       door wereldlijke rechtbanken

d.      door kerkelijke rechters    

 

14        Wat is fout: het humanisme

a.       Is onderdeel van de elitecultuur

b.      Ontstaat in de periode rond 1600

c.       Is een stroming in de wijsbegeerte en de letterkunde

d.      Grijpt terug op de klassieke oudheid

 

  15        De grootste  heksenvervolgingen in Duitsland vallen samen met de/het

a.       contrareformatie

b.      dertigjarige oorlog

c.       opkomst van het protestantisme

d.      humanisme

 

  16       Een van de economische oorzaken was de inflatie:Deze werd veroorzaakt door de:

a.       godsdienstoorlogen

b.      epidemieën

c.       ontdekkingsreizen

d.      industrialisatie

 

  17       De heksenvervolgingen kom je vooral tegen in:

a.       Duitsland

b.      Frankrijk

c.       Polen

d.      Spanje en Itali

 

  18         De volgende vraag gaat over de heksenprocessen in de Republiek            

Het aantal was bijna te verwaarlozen. Dit kwam door:

1.      oorlog met Spanje

2.      de geringe inflatie

3.      het rechtssysteem

4.      de handelscontacten 

Welke combinatie is goed

:a.                  1 en 3

b.                  2 en 4

c.                 1 en 4

d.                 1 en 2

 

  19         Hoeveel terechtstellingen van heksen waren er in Europa.

a.                  omstreeks 10.000

b.                  omstreeks 50.000

c.                  omstreeks 100.000

d.                 omstreeks 250.000       

 

20         Gegeven:1.   Vrouwen  werden dommer beschouwd   2.   Vrouwen waren minder geïnteresseerd in seks 3.  Vrouwen hadden meer verzorgende beroepen 4.   Vrouwen stierven vaker in het kraambed 

Welke oorzaak is er voor het grootschalige aantal vrouwen dat beschuldigd werd van hekserij?

a.                  1 en 2

b.                  1 en 3

c.                  2 en 3

d.                 3 en 4

  

21         Bij  empirisme gaat het vooral om

a.       waarnemingen

b.       verstand

c.       geloofsovertuiging

d.       logisch nadenken

  

22           Volgens Balthasar Bekker in ‘de betoverde wereld’ werden allerlei ziekten veroorzaakt door:      

         

a.       hekserij

b.      empirisme

c.       godsdienstige oorlogen

d.      natuurlijke oorzaken

 

  23.       Welke van de onderstaande stromingen droeg niet bij aan de afname van het geloof in heksen?

a.. empirisme           

 b.  occultisme                 

c.  rationalisme

d. verlichting

 

  24         1. Amerika         2. Rusland  3. Duitsland     4. Jaren 20       5. Jaren 30           

Wat past het best bij de Red Scare.

a.       1 en 4

b.      2 en 4

c.       2 en 5

d.      3 en 5      

 

25         In het toneelstuk “The Crucible” vergeleek Arthur Miller de heksenjachten in zijn tijd  met de heksenvervolgingen in Salem Massachusetts. Op welke heksenjacht doelde hij?  

a.       de Jodenvervolgingen in Duitsland

b.      de  Red Scare

c.       Het mcCarthyisme

d.      De zuiveringen door Stalin  

 

 26        Bij de verschijning van de Duitse vertaling van het boek Depraestigiis daemonum (1563) van Johannes Wierus, schreefFuglinus uit Bazel dit in het voorwoord.‘Mijn waarde, waar zijn we in onze tijd toe gekomen! Datmen oude, hard werkende, verkommerd rondscharrelendeslonsjes, ja hun bezems, potten en stinkende lorren – ik hadbijna iets anders gezegd – vreest. Foei, foei toch, wat eenschande! Tovenaars, gifmengers, enz. enz., die willens enwetens des duivels bondgenoten zijn, laat men vrijuit gaan,arme oude totebellen, heksen genaamd, … moeten op debrandstapel.’ Fuglinus was een:

a.       inquisiteur

b.      humanist

c.       spiritist

d.      wereldlijk rechter

Meerkeuzevragen totalitaire dictatuur in Rusland en Duitsland

Gepost in Meerkeuze vragen

Meerkeuzevragen totalitaire dictatuur in Rusland en Duitsland

Lenin ging uit van een revolutie geleid door:

  1. de grote massa van fabrieksarbeiders
  2. de boeren
  3. de bolsjewieken
  4. het leger
  1. Tijdens de februari-revolutie van 1917:
    1. werd de tsaar afgezet
    2. kwamen de communisten aan de macht
    3. werd de voorlopige regering afgezet
    4. ontstond de Sovjet-Unie

3. De democratie kwam definitief ten einde in de Sovjet-Unie:

  1. a.tijdens de februarirevolutie
  2. b.toen Lenin terugkeerde in Rusland
  3. c. tijdens de oktoberrevolutie.
  4. d.toen de grondwetgevende vergadering werd

4. Waarom waren de geallieerden vooral boos op Lenin ?

  1. a.omdat hij het communisme invoerde
  2. b.vanwege de Nieuwe Economische politiek
  3. c.vanwege de Vrede van Brest-Litowsk
  4. d.vanwege Lenins strijd tegen het Witte Leger.

5. De N.E.P kwam tot stand omdat Lenin:

a. het tijd vond voor een adempauze op weg naar de communistische

maatschappij

  1. b.eerst vrede met Duitsland wilde sluiten
  2. c.alle aandacht wilde schenken aan de overwinning van het Rode Leger in de burgeroorlog
  3. d.De boeren strenger wilde aanpakken omdat ze niet wilden meewerken.

6. Gegeven”

I de komst van Lenin naar Rusland

II Volksoproer in St. Petersburg

III Voorlopige regering van kerenski

IV Nicolaas II treedt af

Wat is de juiste chronologische volgorde van deze gebeurtenissen?

A I II III IV

B II III IV I

C II IV III I

D IV III II I

7. Gegeven:

I De NEP is een voorbeeld van invoering van een communistisch economisch stelsel

II De Planeconomie had als doel de SU voor te bereiden op een wereldrevolutie

III De NEP werd ingevoerd door Stalin, de Planeconomie door Lenin

IV Kolchozen horen bij de NEP, sovchozen bij de Planeconomie

Welke beweringen zijn juist?

A alle 4 beweringen

B geen van deze beweringen

C I en II

D II en IV

8. De collectivisatie was absolute noodzaak omdat:

  1. a.Stalin goedkoop graan nodig had voor de export
  2. b.Er op dat moment hongersnood was in de Sovjet-Unie
  3. c.Stalin graan nodig had voor het leger
  4. d.Om de Nieuwe Economische politiek te doen slagen

9. De aanleiding voor de grote terreur was :

a. De moord op Kirov

    1. de strijd met Trotski
    2. het verzet binnen het Centraal-comité
    3. het verzet van de generaals

10. Een koelak was:

  1. a.een bewoner van een kolchoze
  2. b.een lid van de communistische partij
  3. c.een kleine zelfstandige boer
  4. d.een rijke communistische boer

11. De destalinisatie past het best bij:

  1. a.Chroesjtjov
  2. b.Brezjnev
  3. c.Gorbatsjov
  4. d.Jeltsin

12. Perestrojka betekent:

  1. a.democratische openheid
  2. b.economische hervorming
  3. c.werkelijke democratie
  4. d.liberalisering

13. Gegeven:

I Rusland is tot 1991 nooit een democratie geweest

II Het tsaristische Rusland was veel democratischer dan het communistische Rusland

III De enige periode waarin er in Rusland sprake was van democratie was tussen februari en october 1917

IV De deStalinisatie is een aanzet tot democratisering geweest

Welke uitspraken zijn juist?

A I II III
B I III IV
C II III IV
D I II III IV

14. Gegeven:

I Stalin meende door het niet-aanvalsverdrag met Duitsland buiten WO II te kunnen blijven

II Stalin kon zijn machtspositie blijven behouden door zijn rol in WO II

III Stalins macht blijft groot door de Koude Oorlog

IV Zonder de KGB zou Stalin de macht ook hebben kunnen behouden

Welke uitspraken zijn juist?

A II en IV

B I en II

C I en III

D II en III

15. Het verschil tussen fascisme en nationaal-socialisme :

a. is het anti-communisme

  1. b.is de rassenleer
  2. c.is de positie van de leider
  3. d.is de visie op geweld

16. Wat is FOUT ? Tijdens de vrede van Versailles:

a. verloor Duitsland alle koloniën

  1. b.werd Duitsland lid van de Volkenbond
  2. c.moest Duitsland schadeloosstelling betalen
  3. d.moest het Duitse leger inkrimpen

17 De republiek van Weimar was van:

  1. a.1870 - 1919
  2. b.1914 - 1940
  3. c.1919 - 1933
  4. d.1933 - 1945

18 Er kwam een definitief einde aan de democratie in Duitsland in 1933:

a. toen Hitler rijkskanselier werd

  1. b.na de brand in de rijksdag

c. na afkondiging van de noodtoestand

d. na aanname van de machtigingswet

19 De brand in de Rijksdag had in Duitsland vooral negatieve gevolgen voor de:

a. nationaal-socialisten

b regering

c. sociaal-democraten

d. communisten

20 Gegeven:

I Hitler wordt Reichskanselier

II Ontstaan Republiek van Weimar

III Brand in de Rijksdag

IV Vrede van Versailles

Wat is de juiste chronologische volgorde van deze gebeurtenissen?

A I II III IV

B II IV III I

C IV II III I

D II IV I III

21. Gegeven:

I Fascisme is een anti-leer

II Fascisme is sterk nationalistisch

III Fascisme is sterk internationalistisch

IV Fascisme is identiek aan Nationaal-Socialisme

Welk van deze beweringen is juist?

A I II III
B I II

C I II IV

D II IV

21. Hitler streeft er naar van Duitsland een autarkie te maken. Bij dit streven wordt hij volledig gesteund door:

A Von Hindenburg

B Goebbels

C Schacht

D Goering

22. Welke partij stemde als enige tegen de machtigingswet:

  1. a.Katholieke Zentrumpartei
  2. b.Communisten
  3. c.Socialisten
  4. d.Nationaal-socialisten

23 De regering van Hitler jaagde de economie behoorlijk op. Hierdoor dreigde er een

tekort aan deviezen. Wat moest er toen volgens Hitler gebeuren ?

  1. a.er moesten autobahnen worden aangelegd
  2. b.de bewapening moest worden opgevoerd
  3. c.Duitsland moest een autarkie worden
  4. d.Er moest extra geld bij worden gedrukt.
  1. De Reichskulturkammer
  1. a.hield toezicht op alle Duitse kunstenaars
  2. b.zorgde voor verspreiding van Nazi-propaganda
  3. c.hield toezicht op de Hitlerjugend
  4. d.was de grondlegger en verspreider van de rassenleer

25. De kristallnacht kun je het best omschrijven als een:

  1. a.opstand
  2. b.verzetsdaad
  3. c.pogrom
  4. d.staatsgreep

 

Meerkeuzevragen Islam en Midden Oosten

Gepost in Meerkeuze vragen

Meerkeuzevragen Islam en Midden Oosten

De macht van de Koeraisj was gebaseerd op :

  1. a.de bescherming van de haram
  2. b.de overheersende rol in de handel
  3. c.de aanwezigheid van de Ka’ba in Mekka
  4. d.de afwijzing van polytheïsme

42 Onder ‘Salaat’verstaan de Islamieten:

  1. a.regels voor het menselijk handelen
  2. b.dankbaarheid in de vorm van een gebed
  3. c.zorg voor de armen
  4. d.overgave aan God

43 In de Koran staan opgeschreven:

  1. a.de regels die Allah heeft opgesteld voor het menselijk handelen
  2. b.de verzamelde openbaringen die Mohammed ontving
  3. c.Allah’s boodschap aan de profeten Mozes, Jezus en Mohammed
  4. d.De gebeden en gezangen over het leven van Mohammed

44 Mohammed werd uit Mekka verdreven vooral vanwege zijn ideeën over:

  1. a.bestuur
  2. b.wetgeving
  3. c.solidariteit
  4. d.polytheïsme

45 De Hidjra is hetzelfde als:

  1. a.de heilige oorlog
  2. b.het begin van de christelijke jaartelling
  3. c.de vorming van de eerste gemeenschap van Moslims
  4. d.het vertrek van Mohammed met volgelingen naar Medina

46 Een nieuwe politieke eenheid die de stammenstructuur doorbrak ontstond door:

  1. a.de Soenna
  2. b.de Hidjra
  3. c.de Oemma
  4. d.de Djihaad

47 Er zijn veel redenen voor de snelle verspreiding van de Islam.

Welke hoort daar NIET bij ?

a. het met rust laten van staatsbezittingen door de Arabieren

  1. b.onvrede over religie in het grensgebied van het Byzantijnse rijk
  2. c.verdraagzaamheid tegenover Joden en Christen
  3. d.de politieke verdeeldheid van de tegenstanders

48 De donkerste periode uit de Islamgeschiedenis is volgens de Moslims

  1. a.de periode na de nederlaag bij Poitiers
  2. b.de periode van de Mongoolse aanvallen
  3. c.de periode na de val van Constantinopel
  4. d.de periode na de Eerste Wereldoorlog

49 De sji’ietische stroming gaan vooral uit van:

a. de Koran

  1. b.de soenna
  2. c.de solidariteit
  3. d.de levenswijze van Mohammed

50 Bij de dhimmi-status past

  1. a.een speciale hoofdelijke belasting
  2. b.het recht om op te treden als getuige bij een Islamitische rechtbank
  3. c.het recht om paard te rijden
  4. d.wettelijke gelijkheid

51 Via welke vertalingen zijn veel wetenschappelijke werken uit de klassieke oudheid in

Europa gekomen ? Geef de juiste volgorde:

  1. a.® Grieks ® Hebreeuws ® Arabisch
  2. b.Grieks ® Arabisch ® Hebreeuws ® Latijn
  3. c.Latijn ® ® Arabisch ® Hebreeuws
  4. d.Grieks ® Arabisch ® Latijn ® Hebreeuws

52 Onder Zionisme verstaan we:

  1. a.het verzet van Joden tegen het antisemitisme
  2. b.het streven van Joden naar een eigen staat Israël
  3. c.het verzet van de Joden tegen de Arabische dreiging
  4. d.het harde optreden van Israël tegen Palestijnse vluchtelingen

53 In het Sykes-Picotverdrag:

  1. a.krijgt Hussein de belofte van een onafhankelijke Arabische staat
  2. b.wordt het Midden-Oosten verdeeld tussen Engeland en Frankrijk
  3. c.wordt medewerking toegezegd aan joodse emigratie
  4. d.wordt de grondslag gelegd voor de staat Israël

54 Het jaar 1920 heet in de Arabische wereld Am al Nakbha ( jaar der rampen) vanwege:

  1. a.het mislukken van de eerste Arabische topconferentie
  2. b.het afgeven van de Balfourdeclaration in dat jaart
  3. c.de mandatenregeling van de Volkenbond
  4. d.de verdelingsplannen van de Verenigde Naties

55. De Suezcrisis werd een mislukking voor de deelnemers vooral door de houding van:

  1. a.de Verenigde Staten
  2. b.Israël
  3. c.Hongarije
  4. d.Egypte

56. Israël krijgt de grootste gebiedsuitbreiding na:

  1. a.de Zesdaagse oorlog
  2. b.de onafhankelijkheidsoorlog
  3. c.de Suezcrisis
  4. d.de Yom Kippoeroorlog

57 Dankzij welke groep kon Nasser aan de macht komen:

  1. a.de arme bevolking van Egypte
  2. b.de ambtenaren
  3. c.de legerofficieren
  4. d.de stedelijke bourgeoisie

58 In welk land sloegen de ideeën van het arabische nationalisme NIET aan ?

  1. a.Saoedi-Arabië
  2. b.Irak
  3. c.Algerije
  4. d.Syrië

59 Wanneer bleek definitief dat het Arabisch nationalisme een illusie was:

  1. a.tijdens de oorlog tussen Irak en Iran.
  2. b.Tijdens de Yom Kippoeroorlog
  3. c.Tijdens de Suezcrisis
  4. d.Tijdens de Golfoorlog

60 Een enorme stimulans voor het Islamitisch fundamentalisme was:

  1. a.de Iraanse revolutie
  2. b.de oprichting van de PLO
  3. c.de golfoorlog
  4. d.het aan de macht komen van Saddam Hoessein

61 De Algerijnse burgeroorlog is vooral een gevolg van

  1. a.het aan de macht komen van fundamentalistische leiders
  2. b.spanningen over de steun aan de golfoorlog
  3. c.tegenstellingen binnen de de FIS-partij
  4. d.het niet uitvoeren van de verkiezingsuitslag

62 Onder de Hadj verstaan we;

  1. a.de religieuze belasting
  2. b.de bedevaart naar Mekka
  3. c.het Islamitisch gebed
  4. d.de geloofsgetuigenis

Einde

Meerkeuzevragen Tweede Wereldoorlog en Koude Oorlog

Gepost in Meerkeuze vragen

Meerkeuzevragen Tweede Wereldoorlog en Koude Oorlog

  1. 1.Waarom viel Frankrijk in september 1939 Duitsland niet aan ?
    1. a.Omdat het Duitsland niet de oorlog had verklaard.
    2. b.Omdat men zijn aandacht richtte op steun aan Polen
    3. c.Omdat men zich niet had voorbereid op een aanvalsoorlog
    4. d.Omdat men geen steun kreeg van Groot-Brittannië
  1. 2.Wat speelde een rol bij de Duitse aanval op Nederland ?
    1. a.De Nederlandse neutraliteitspolitiek.
    2. b.Het belang van de Rotterdamse haven
    3. c.De anti-Duitse houding van de Nederlandse regering
    4. d.Het feit dat Nederland een groot koloniaal rijk had.
  1. 3.Welk van de volgende landen was NIET neutraal tijdens de Tweede Wereldoorlog ?
    1. a.Zweden
    2. b.Spanje
    3. c.Noorwegen
    4. d.Portugal
  1. 4.Wie leidde Vichy-Frankrijk ?
    1. a.De Gaulle
    2. b.Mussolini
    3. c.Pétain
    4. d.Franco
  1. 5.Tijdens de Battle of Britain hield Engeland stand dankzij:
    1. a.de sterke vloot
    2. b.de regering Chamberlain
    3. c.het wonder van Duinkerken
    4. d.het beschikken over radar.

6. Welke factor speelde GEEN rol bij operatie Barbarossa ?

  1. e.Lebensraum
  2. f.Het niet-aanvalsverdrag
  3. g.De strijd tegen jodendom
  4. h.Het anti-communisme

7 Hitler kreeg in Rusland de grootste tegenstand van

  1. a.De Russische bevolking
  2. b.Het goed getrainde leger
  3. c.Het joodse verzet
  4. d.Het Russische klimaat
  1. 8Er kwam een einde aan de Nederlandse neutraliteitspolitiek
    1. a.toen Duitsland ons land aanviel
    2. b.toen Koningin Wilhelmina naar Londen vluchtte
    3. c.toen Nederland lid werd van de Grote Alliantie
    4. d.Toen Japan Nederlands-Indië bezette.

9 Het bondgenootschap tussen Duitsland, Italië en Japan heette :

  1. a.het anti-Kominternpact
  2. b.de As
  3. c.de internationale
  4. d.de Centralen

10 Toen Stalin een tweede front ging eisen in Europa deed hij dit omdat:

  1. a.hij ontevreden was over de hulp bij Stalingrad
  2. b.hij de militaire voortgang in Zuid-Italië te langzaam vond gaan
  3. c.hij zwaar teleurgesteld was over het effect van D-day
  4. d.hij ontevreden was over de afloop van de conferentie van Teheran

11 Het Ardennenoffensief was:

  1. a.een onderdeel van de bevrijding van Nederland
  2. b.een Amerikaanse doorbraak in de winter van 1944/45
  3. c.een Duits tegenoffensief
  4. d.een opstand van het Belgische verzet ter ondersteuning van de bevrijdingsactie na D-day

12 Wat was voor Nederland de hoofdreden om te capituleren in mei 1940:

  1. a. de vlucht van de koninklijke familie naar Engeland
  2. b. de dreiging om het bombardement van Rotterdam op andere steden toe te passen
  3. c. tegenstand bleek zinloos omdat hulp van de geallieerden uitbleef
  4. d. het aftreden van het kabinet

13 Duitsland had 3 doelstellingen met Nederland: welke hoorde daar niet bij ?

  1. a.gebruik maken van de Nederlandse economie
  2. b.een springplank voor een aanval op Engeland
  3. c.nazificatie van de Nederlanders
  4. d.deportatie van de Joden

14 Waarom werd de Nederlandse Unie opgericht ?

  1. a.om naar Nederlandse saamhorigheid te streven
  2. b.om de NSB te versterken
  3. c.om tegen de Duitsers te protesteren
  4. d.om met de Duitsers samen te werken.

15 Wat past niet bij gelijkschakeling ?

  1. oprichting van het Nederlands Arbeidsfront
  2. Oprichting van de Jeugdstorm
  3. Oprichting van de NSB
  4. Opschorting van het parlement

16 Wat was het gevolg van de februaristaking

  1. a.Instelling van de Joodse Raad
  2. b.Razzia onder Joden en wegvoering naar Mauthausen
  3. c.Besluit tot endlösung van Joden
  4. d.Executie van Joden door speciale Einsatzgroepen.

17 Wat was geen illegaal dagblad ?

  1. a.de Volkskrant
  2. b.het Parool
  3. c.c. Trouw
  4. d.d. Vrij Nederland

18 De oorzaak van de April – meistaking in 1943 was :

a. het besluit om Joden vanuit Westerbork naar Polen te deporteren.

  1. b.de invoering van een verplicht persoonsbewijs
  2. c.de verplichte tewerkstelling van krijgsgevangen in Duitsland.
  3. d.De oproep hiertoe van het oorlogskabinet in Londen.

19 Accommodatie is een ander woord voor

  1. a.passief verzet
  2. b.actief verzet
  3. c.actief meewerken met de Duitse doelstellingen
  4. d.het aanpassen aan de Duitse bezetter

20. Wat was geen onderdeel van de uitgangspunten van het Atlantisch Handvest ?

  1. a.het zelfbeschikkingsrecht van volkeren
  2. b.de vrije toegang tot de zeeën
  3. c.de oprichting van een militair samenwerkingsverband
  4. d.internationale geschillen zouden niet meer gewapenderhand uitgevochten moeten worden.

21. Tijdens de conferentie van Teheran werden ook afspraken gemaakt over de grenzen

van een bepaald land.

Het betrof:

  1. a.Polen
  2. b.Italië
  3. c.Japan
  4. d.Tsjechoslowakije

22 Bij de onderhandelingen tijdens de Tweede wereldoorlog was voor Churchill vooral

welk gebied van strategisch belang ?

  1. a.Polen
  2. b.Palestina
  3. c.De Middellandse zee
  4. d.De Noordzee

23 Truman was tijdens de conferentie van Potsdam zeer wantrouwend tegenover Stalin.

Dit kwam doordat Stalin :

  1. Het zelfbeschikkingsrecht toepaste in Polen
  2. Gebieden had ingelijfd
  3. Een cordon sanitaire aan het opbouwen was.
  4. Het had laten afweten bij de slag om Berlijn.

24 Hieronder staan twee stellingen t.a.v. de processen in Neurenberg en Tokyo

I Internationaal recht ging boven Nationaal recht

II Internationaal recht gold ook voor personen

  1. a.I en II zijn juist
  2. b.I en II zijn onjuist
  3. c.I = juist ; II = onjuist
  4. d.I = onjuist; II = juist

25 De uitdrukking IJzeren Gordijn was afkomstig van

  1. Churchill
  2. Stalin
  3. Attlee
  4. Truman

26 De Trumandoctrine werd afgekondigd n.a.v. de situatie in:

  1. a.Berlijn
  2. b.Korea
  3. c.Griekenland
  4. d.Oost-Europa

27 Als Stalin het heeft over economisch imperialisme van de VS, dan bedoelt hij vooral :

  1. a.de Trumandoctrine
  2. b.de containmentpolicy
  3. c.het Marshallplan
  4. d.de Amerikaanse luchtbrug

28 Aanleiding voor de blokkade van Berlijn was:

  1. a.de westelijke bezettingszones kregen gezamenlijk een nieuwe munt
  2. b.West-Duitsland sloot de toegangswegen naar Berlijn af
  3. c.Stalin kwam met een boycot van het Marshallplan
  4. d.De oprichting van de NAVO

29 Het belangrijkste gevolg van de blokkade van Berlijn was:

  1. a.de Koreaoorlog
  2. b.de westelijke bezettingzones kregen gezamenlijk een nieuwe munt
  3. c.de oprichting van de NAVO
  4. d.de heksenjacht tegen communisten door senator McCarthy

30 Welk land heeft geen vetorecht in de Verenigde Naties ?

  1. a.Duitsland
  2. b.Frankrijk
  3. c.De USSR
  4. d.China

31 Het McCarthyisme was vooral het gevolg van:

  1. a.de Russische atoombom
  2. b.de machtsovername van Mao
  3. c.de blokkade van Berlijn
  4. d.de oprichting van het Warschaupact

32 Wat was GEEN gevolg van de Koreaoorlog ?

  1. a.versterking van de NAVO
  2. b.overgang naar de Rollback-policy
  3. c.Russische boycot van de Verenigde
  4. d.Herbewapening van West-Duitsland

33 Een bewijs voor de Russische vreedzame coëxistentiepolitiek was de

politiek ten opzichte van:

  1. a.Hongarije
  2. b.de Suez-crisis
  3. c.Oostenrijk
  4. d.Oost-Duitsland

34 Wat was de aanleiding voor Castro om in 1961 militaire steun aan Rusland te vragen:

  1. a.het Amerikaanse U2-vliegtuig dat foto’s had gemaakt
  2. b.de mislukte invasie in Varkenbaai
  3. c.de omsingeling door de Amerikaanse marine
  4. d.de Amerikaanse boycot

35 Welke concessie deed de VS na afloop van de Cubacrisis

  1. a.zij accepteerden de raketbases op Cuba
  2. b.zij trokken raketten terug uit Turkije
  3. c.zij hieven de blokkade van Cuba op
  4. d.zij accepteerden de Berlijnse muur

36 Het verdrag tegen verspreiding van kernwapens heet:

  1. a.het non-proliferatieverdrag
  2. b.het kernstopakkoord
  3. c.het Salt-I verdrag
  4. d.het Helsinki-akkoord

37 Hoe probeerden de VS in de jaren ’70 de USSR onder druk te zetten ?

  1. a.door Zuid-Vietnam te steunen.
  2. b.door toenadering te zoeken met China
  3. c.door te gaan samenwerken met Oost-Europa
  4. d.door middel van het SDI-programma

38 De Verenigde Staten gingen hulp geven aan Vietnam op grond van :

  1. a.de Trumandocrtine
  2. b.de Roll-backpolicy
  3. c.de dominotheorie
  4. d.het non-proliferatieverdrag

39 Van betekenis voor de terugtrekking van de VS uit Vietnam was/ waren vooral:

  1. a.de invloed van de televisiebeelden
  2. b.het verloren Tet-offensief
  3. c.de enorme kosten
  4. d.de VS werd niet gesteund door de Verenigde Naties

40 Oost-Europa kwam in 1989 in opstand tegen het communisme.

Van invloed hierbij was vooral de mening van Gorbatsjov over de/het :

  1. a.perestrojka
  2. b.glasnost
  3. c.Breznjewdoctrine
  4. d.Warschaupact

Meerkeuzevragen 19e en 20e eeuw

Gepost in Meerkeuze vragen

Meerkeuzevragen 19e en 20e eeuw

  1. .Waarom wilden veel Europeanen begin 19eeeuw naar de VS?
    1. a.om handel te drijven
    2. b.om een boerderij te starten
    3. c.om in de industrie te gaan werken
    4. d.om cowboy te worden
  1. 2.Trusts zijn bedoeld om
    1. a.concurrentie te beperken
    2. b.een grotere productie te behalen
    3. c.meer uitvindingen te krijgen
    4. d.arbeidsvoorwaarden te verbeteren
  1. 3.“Meer democratie, een betere overheid, minder corruptie”…

Dit slaat op de:

  1. a. AFL
  2. b. republikeinse partij
  3. c. slogan van Jane Adams
  4. d. progressive movement
  1. 4.Het socialisme had in de VS weinig aanhang
    1. a.Vanwege de late industrialisatie
    2. b.Omdat het een land van zelfstandige boeren was
    3. c.Omdat men armoede en uitbuiting als iets tijdelijks zag
    4. d.Omdat men niets met Europa te maken wilde hebben
  1. 5.Wie hadden de meeste invloed op de centrale overheid in de VS aan het begin van de 20eeeuw?
    1. a.de progressive movement
    2. b.de zelfstandige boeren
    3. c.de bosses in de steden
    4. d.de zelfstandige ondernemers
  1. 6.De problemen in de Amerikaanse landbouw aan het begin van de jaren ’20 kwamen vooral door:
    1. a.de overproductie en de enorme schulden
    2. b.de concurrentie uit Azië
    3. c.de enorme droogte
    4. d.het gebrek aan overheidssteun
  1. 7.De presidenten in de jaren twintig: Harding en Coolidge
    1. a.wilden de overheid meer invloed geven
    2. b.wilden de omstandigheden voor het bedrijfsleven optimaal maken
    3. c.waren aanhangers van de progressive movement
    4. d.wilden de invloed van speculanten beperken
  1. 8.Samenvattend kun je zeggen dat het gebrek aan vertrouwen in de Amerikaanse economie in oktober 1929 ( begin econ. crisis) kwam door:
    1. a.de overproductie
    2. b.de problemen in de landbouw
    3. c.de speculatie
    4. d.de lage rente
  1. 9.De “works progress administration” regelde:
    1. a.minimumlonen
    2. b.sociale uitkeringen
    3. c.werkverschaffingsprojecten
    4. d.maximum werktijden
  1. 10.Roosevelt kreeg vooral verzet van :
    1. a.grote ondernemingen
    2. b.boeren
    3. c.arbeiders
    4. d.het congres
  1. 11.De Fair Deal kwam als nieuw beleid niet van de grond door:
    1. a.het democratisch congres en de rassenkwestie
    2. b.de wereldoorlog en het republikeinse congres
    3. c.de babyboom en de rassenkwestie
    4. d.het republikeinse congres en de koude oorlog
  1. 12Veel kritiek op de consumptiecultuur kwam in de jaren ’60 van de:
    1. a.jongeren
    2. b.negers
    3. c.democraten
    4. d.dienstplichtigen
  1. 13Wat is de goede volgorde:
    1. a.Eisenhower – Kennedy – Johnson – Nixon
    2. b.Truman – Eisenhower – Johnson – Kennedy
    3. c.Eisenhower – Kennedy – Reagan – Nixon
    4. d.Truman – Kennedy – Nixon – Johnson
  1. 14Stagflatie is een combinatie van
    1. a.inkomensdaling en werkloosheidgroei
    2. b.werkloosheidsgroei en deflatie
    3. c.inflatie en neergang van de economie
    4. d.oliecrisis en devaluatie

15In 1870 waren de meeste Nederlanders werkzaam in

  1. a.landbouw en industrie
  2. b.dienstensector en landbouw
  3. c.handel en landbouw
  4. d.handel en industrie
  1. 16Waarom ontwikkelde de textielindustrie zich met name in Twente en Brabant?
    1. a.door de ligging van kolenmijnen in de buurt
    2. b.vanwege de goedkope arbeid
    3. c.dit werd beïnvloed uit België waar de industriële revolutie eerder was begonnen.
    4. d.Door de goede exportverbindingen met Duitsland
  1. 17Speciaal voor de Nederlandse vakbeweging was
    1. a.de heftige stakingen
    2. b.de oprichting van confessionele vakbonden
    3. c.de samenwerking met socialistische partijen
    4. d.het afwijzen van cao ’s
  1. 18Na de spoorwegstaking van 1903 kwam(en) er
    1. a.een betere samenwerking tussen de vakbonden
    2. b.noodzakelijke loonsverhogingen bij de spoorwegen
    3. c.de oprichting van de SDAP
    4. d.kleine gerichte acties en onderhandelingen voor een cao.
  1. 19De eerste sociale wetten in Nederland werden gemaakt door regeringen bestaande uit:
    1. a.liberalen
    2. b.socialisten
    3. c.katholieken
    4. d.confessionelen
  1. 20Welke gevolgen had de mislukte revolutiepoging van Troelstra ?
    1. a.de achturige werkdag en de leerplicht
    2. b.leerplicht en het verbod op kinderarbeid
    3. c.de achturige werkdag, een ouderdoms- en invaliditeitswet
    4. d.een ouderdomswet en het verbod op kinderarbeid
  1. 21De Nederlandse massamedia waren vanaf het begin veel minder commercieel dan de Amerikaanse door:
    1. a.de verzuiling
    2. b.het conservatisme
    3. c.de overheidscontrole
    4. d.het socialisme
  1. 22De economische crisis in Nederland in de jaren dertig:
    1. a.kwam door een verkeerd overheidsbeleid
    2. b.was de schuld van de fabrieken die de kosten probeerden te verlagen
    3. c.was een geïmporteerde crisis
    4. d.kwam door de ineenstorting van de Amsterdamse beurs
  1. 23De “sterke man” in de jaren dertig in Nederland was:
    1. a.Ruijs de Beerenbrouck
    2. b.Troelstra
    3. c.Colijn
    4. d.Drees
  1. 24Nederland werd te duur voor het buitenland door:
    1. a.vast te houden aan de gouden standaard
    2. b.de hoge werkloosheidsuitkeringen
    3. c.de loonsverhogingen om de koopkracht op peil te houden
    4. d.de hulp aan de landbouw
  1. 25 Het “Plan van de Arbeid” past bij:

a. de ARP b. de regering c. de SDAP d. de RKSP

  1. 26Welke factor droeg niet bij tot het herstel van de Nederlandse economie na WO II ?
    1. a.Bezuinigingen
    2. b.De Marshallhulp
    3. c.De inzet van de Nederlandse bevolking
    4. d.Het overheidsbeleid
  1. 27Door de gespannen arbeidsmarkt in de jaren ’60 kwam er een einde aan:
    1. a.de verhoging van de arbeidsproductiviteit
    2. b.de samenwerking tussen KVP en VVD
    3. c.de geleide loonpolitiek
    4. d.het poldermodel
  1. 28Door welke oorzaken kon Nederland in de jaren ’70 slechter concurreren met het buitenland?
    1. 1.hoge3. hoge werkloosheid
    2. 2.hoge4. hoge loonkosten
  1. a.1 en 3
  2. b.2 en 3
  3. c.2 en 4
  4. d.1 en 4
  1. 29Welk kabinet zorgde voor de eerste grootschalige bezuinigingen?
    1. a.Drees
    2. b.Den Uyl
    3. c.Lubbers
    4. d.Kok
  1. 30Het woord Poldermodel slaat vooral op:
    1. a.overlegeconomie
    2. b.bezuinigingen
    3. c.samenwerking tussen regering en parlement
    4. d.groei van schiphol

31 Intendanten hielden zich vooral bezig met

a. het leger

b. de belasting

c. het hof van de koning

d. het onderwijs

32 I Lodewijk XIV versterkte de macht van de regionale parlementen

II In het edict van Nantes kregen de hugenoten het recht op hun eigen geloof

a. I en II zijn juist

b. I en II zijn onjuist

c. I is juist, II is onjuist

d. I is onjuist, II is juist

33 Het grootste probleem voor het ancien régime was:

a. het leger

b. de adel

c. de oorlogen

d. de staatsschuld

34 1. belastingen 2. geloof 3. centralisatie

Het conflict tussen Filips II en de Nederlanden ging over :

a. 1 en 2

b. 2 en 3

c. 1 en 3

d. 1, 2, 3

35 "De gewesten spraken af dat zij voortaan eigen baas waren in een statenbond".

Dit gebeurde bij:

a. Unie van Utrecht (1579)

b. Acte van Verlatinghe (1581)

c. Republiek der zeven verenigde Nederlanden (1588)

d. Vrede van Münster (1648)

36 Bij een natie is belangrijk:

a. een gemeenschappelijk grondgebied

b. onderlinge verbondenheid

c. gemeenschappelijke wetgeving

d. een groep mensen met gemeenschappelijk bestuur

37 Natievorming werd in de 19e eeuw in Nederland bevorderd door:

a. het onderwijs

b. wetgeving

c. het samengaan met België

d. de afschaffing van dienstplicht

38 Johann Godfried Herder wordt wel de grondlegger van het nationalisme genoemd:

Wat vindt hij belangrijk voor nationalisme ?

a. oude volksverhalen

b. taal en klimatologische omstandigheden

c. politieke eenwording

d. strijd tegen een gemeenschappelijke vijand

39 Het nationalistisch streven van het Professorenparlement mislukte door:

a. de oorlog tegen Frankrijk

b. de oorlog tegen Pruisen

c. de tegenwerking van Oostenrijk

d. onderlinge onenigheid

40 De Duitse eenheid kwam tot stand:

a. Na de bijeenkomst van het parlement in Frankfurt

b. Door het optreden van Garibaldi

c. Tijdens het revolutiejaar 1848

d. Na de oorlog met Frankrijk

41. Een overeenkomst tussen het Duits en het Italiaanse nationalisme was:

a. In beide landen werd de eenwording achteraf door de bevolking goedgekeurd

b. Beide landen werden een koninkrijk met een autoritaire grondwet.

c. In beide landen werd de eenwording gekoppeld aan idealen zoals een liberale grondwet en deze idealen gingen uiteindelijk verloren.

d. In beide landen spelen revolutionairen een grote rol bij de uiteindelijke eenwording.

42 Griekenland werd onafhankelijk in

a. 1815

b. 1830

c. 1848

d. 1918

43 I De Ausgleich verbeterde de situatie van minderheden in het Hongaarse gebied

II De Dubbelmonarchie viel uiteen in 1918

a. I en II zijn juist

b. I en II zijn onjuist

c. I = juist ; II = onjuist

d. I = onjuist ; II = juist

44. Tijdens de conferentie van Berlijn in 1875 werden beslissingen genomen over:

a. het behoud van Afrikaanse koninkrijken

b. het veroveren van handelsposten door Europeze mogendheden

c. het verdelen van Afrikaanse gebieden

d. de ontwikkeling van Afrika volgens een modernistisch model

45) De Europese Unie:

  1. a)Is een economisch samenwerkingsverband van alle Europese landen
  2. b)heeft een interne markt
  3. c)gebruikt de euro als betaalmiddel
  4. d)is helemaal geïntegreerd

46 Met het verdrag van Maastricht werd:

  1. a)het integratieproces verder doorgevoerd
  2. b)werd de Unie uitgebreid
  3. c)een Unie leger niet meer mogelijk
  4. d)het integratieproces stopgezet
  1. 47De Europese commissie is:
  1. a)de raad van ministers
  2. b)het Europese parlement
  3. c)het dagelijks bestuur van de Unie
  4. d)het ambtenarenapparaat van de Unie
  1. 48)Met subsidiariteit wordt bedoeld
  1. a)het verkrijgen van Europese subsidies
  2. b)men zich niet moet bemoeien met dingen die beter nationaal kunnen worden geregeld
  3. c)men zich wel moet bemoeien met dingen die op nationaal niveau niet kunnen worden geregeld
  4. d)het verder tegengaan van uitbreiding van de Unie
  1. 49)Het Europese Parlement heeft niet:
  1. a)een wetgevende functie
  2. b)een controlerende functie
  3. c)een vragenrecht
  4. d)een enquêterecht
  1. 50)De Europese Raad bestaat uit:
  1. a)de ministers van de lidstaten
  2. b)de vakministers van de lidstaten
  3. c)de regeringsleiders van de lidstaten
  4. d)de vakministers en de regeringsleiders van de lidstaten
  1. 51)Zet in de juiste volgorde:
  1. a) EEG, de Unie, EGKS, Euratom
  2. b)EGKS, EEG, Euratom en de Unie
  3. c)EGKS, de Unie, EEG , Euratom
  4. d)Euratom, EGKS, Unie, EEG
  1. 52)Zet in de juiste volgorde van ontstaan:
  1. a)SDAP, KVP, RKSP, VVD
  2. b)VVD, KVP, RKSP, SDAP
  3. c)SDAP, RKSP, KVP, VVD
  4. d)VVD, SDAP, KVP, RKSP
  1. 53)Zet in de juiste volgorde:
  1. a)Willem II, Troelstra, Den Uyl, Lubbers
  2. b)Lubbers, Den Uyl, Troelstra, Willem II
  3. c)WillemII, Den Uyl, Lubbers, Troelstra
  4. d)Troelstra, Willem II, Den Uyl, Lubbers
  1. 54)Zet in de juiste volgorde:
  1. a)Evenredige vertegenwoordiging, districtenstelsel, harmoniemodel, conflictmodel
  2. b)Districtenstelsel, harmoniemodel, evenredige vertegenwoordiging, conflictmodel
  3. c)Harmoniemodel, districtenstelsel, evenredige vertegenwoordiging, conflictmodel
  4. d)Districtenstelsel, evenredige vertegenwoordiging, harmoniemodel, conflictmodel.
  1. 55)De Eerste Kamer is een onderdeel van:
  1. a)Parlement
  2. b)Departement
  3. c)Koningshuis
  4. d)Ministerie
  1. 56)De Tweede Kamer heeft:
  1. a)100 leden
  2. b)150 leden
  3. c)175 leden
  4. d)225 leden
  1. 57)Een coalitie is:
  1. a)een samenwerkingsverband van partijen in een regering
  2. b)de oppositie in het parlement
  3. c)alle partijen die samenwerken in het parlement
  4. d)de samenwerking binnen een regering

Meerkeuzevragen historisch overzicht van de 20e eeuw

Gepost in Meerkeuze vragen

Meerkeuzevragen historisch overzicht van de 20e eeuw

historisch Overzicht van de 20e eeuw

Deze deeltoets bestaat uit 30 vragen:

  1. 1Tijdens de 2eindustriële revolutie ging het vooral om
    1. a.Elektrotechnische en metaalindustrie
    2. b.automatisering
    3. c.ontwikkeling van de lopende band
    4. d.Chemische en elektrotechnische industrie
  1. 2.Onder ‘fin-de-siècle’-stemming verstaan we;
    1. a.een groot optimisme vanwege de materiële vooruitgang.
    2. b.Een groot optimisme vanwege het toenemend internationaal overleg
    3. c.Een groot pessimisme vanwege de tegenstelling tussen arm en rijk
    4. d.Een mengeling van gevoelens tussen optimisme en onzekerheid
  1. 3.Welke groep hoort niet bij de nieuwe middenklasse?
    1. a.rijke bankiers en industriëlen
    2. b.vrije beroepen zoals professoren, artsen en specialisten
    3. c.het witteboordenproletariaat
    4. d.het hogere technische personeel
  1. 4Rond de eeuwwisseling streefden de liberalen in Nederland naar
    1. a.sociale wetten
    2. b.onbeperkte concurrentie
    3. c.vergaande staatsbemoeienis
    4. d.invoerrechten
  1. 5Wat pas niet bij het kabinet Pierson
    1. a.ouderdomspensioen
    2. b.leerplichtwet
    3. c.ongevallenverzekeringswet
    4. d.woningwet
  1. 6Eduard Bernstein geloofde vooral in:
    1. a.de revolutie
    2. b.liberalisme
    3. c.marxisme
    4. d.geleidelijke verbeteringen
  1. 7.Het machtsevenwicht in Europa werd in de periode tussen 1870 en 1914 het meest verstoord door de ontwikkelingen in:
    1. a.Frankrijk
    2. b.Engeland
    3. c.Rusland
    4. d.Duitsland
  1. 8.Het ontstaan van machtsblokken aan het begin van de 20eeeuw was vooral in tegenspraak met:
    1. a.de vlootpolitiek
    2. b.het Wener Congres
    3. c.de afspraken na de Frans-Duitse oorlog
    4. d.de Triple Entente
  1. 9.De titel: ‘ van foxtrot tot gaarkeuken’ slaat op de ontwikkelingen in de jaren:
    1. a.1914-1918
    2. b.1924-1929
    3. c.1933-1939
    4. d.1939-1945
  1. 10.Welke politieke stroming profiteerde het minst van de ‘overwinning van de democratie’ na de eerste wereldoorlog:
    1. a.de christelijke partijen
    2. b.de liberale partijen
    3. c.de socialistische partijen
    4. d.de linkse partijen

11 Het krachtig nationalisme in de VS tijdens het interbellum kwam vooral van de kant van de Amerikaanse:

  1. a.protestanten
  2. b.katholieken
  3. c.joden
  4. d.kapitalisten

12 Welk kenmerk past niet bij de New Deal:

  1. a.sociale wetten
  2. b.bezuinigingen
  3. c.terugbrengen van agrarische productie
  4. d.scherpere controle van de banken

13 De februarirevolutie in 1917 ging tussen

  1. a.Lenin en de voorlopige regering
  2. b.De tsaar en Lenin
  3. c.De communisten en de democraten
  4. d.De doema en de tsaar

14: De vijfjarenplannen in de USSR gingen vooral ten koste van de

  1. a.industrie
  2. b.industrie en handel
  3. c.landbouw
  4. d.export

15: De angst voor het fascisme leidde in Frankrijk tot een politieke overwinning van:

  1. a.de sociaal-democraten
  2. b.de nationaal-socialisten
  3. c.de verenigde christelijke partijen
  4. d.het volksfront

16: Mussolini kwam aan de macht dankzij:

  1. a.verkiezingen
  2. b.de koning
  3. c.de eerste wereldoorlog
  4. d.samenwerking

17: Duitsland mocht lid worden van de Volkenbond door:

  1. a.de conferentie van München
  2. b.het verdrag van Locarno
  3. c.het Briand-Kelloggpact
  4. d.de As

18: Door de Duitse bezetting van Tsjecho-Slowakije bleek de onbetrouwbaarheid van de afspraken in:

  1. a.Wenen
  2. b.Berlijn
  3. c.München
  4. d.Versailles

19: Keerpunten in de Tweede wereldoorlog zijn:

  1. a.Sicilië en El Alamein
  2. b.Hirosjima en Stalingrad
  3. c.D-day en Hirosjima
  4. d.Stalingrad en El Alamein
  1. 20
    1. a.Berlijn
    2. b.Vietnam
    3. c.Cuba
    4. d.Korea

21 Welk land wilde gebruik maken van de destalinisatie en kwam in opstand;

  1. a.Hongarije
  2. b.Polen
  3. c.Tsjecho-Slowakije
  4. d.Joegoslavië

22 De uitdrukking "fluwelen aanpak" om het optreden van de Duitsers in Nederland in de bezettingstijd aan te geven past het best bij de periode van

a de beginperiode van de bezetting

b de eerste jodenvervolging

c de spoorwegstaking in 1944

d de winter van 1944/45

23 Gegeven:

I De Verenigde Staten beschouwen de Sovjet Unie als een gevaar

II De Verenigde Staten dwingen de Sovjet Unie tot de oprichting van de Duitse Democratische Republiek

III De reactie op de oprichting van het Warschaupact is de oprichting van de NAVO

Welke van bovenstaande uitspraken is waar

a I

b II

c III

d alle drie

24 Als redenen voor de moeizame samenwerking tussen China en de Sovjet Unie worden genoemd:

I de grensconflicten over Mongolië

II het streven naar een wereldrevolutie door de Sovjet Unie en naar Socialisme in een land door China.

Welk van deze uitspraken is waar?

a I

b II

c beiden zijn waar

d beiden zijn onwaar

25 Gegeven:

I Iedere lidstaat heeft een vetorecht

II Leden van de Veiligheidsraad hebben een vetorecht

III De Koude Oorlog

IV Geen eigen leger

Welke van de genoemde zaken zijn redenen voor het moeizaam functioneren van de Volkenbond (VB) en van de Verenigde Naties (VN)?

a. VB I en II VN III en IV

b. VB I en III VN II en IV

c. VB I en IV VN II en III

d. VB II en III VN I en IV

  1. 26

I jongeren

II studenten

III arbeiders

IV vrouwen

Wat is juist?

a. alle 4

b. I II en III

c. I III en IV

d. I II en IV

27 Een uitspraak van de Gaulle:"Jullie zullen stap voor stap wegzinken in een bodemloos politiek en militair moeras".

Deze uitspraak slaat op de bemoeienis van

a. de VN met Korea

b. de SU met Afghanistan

c. de VS met Vietnam

d. de SU met Cuba

28 In de jaren 70 zien we in de westerse economieën een recessie optreden. Oorzaken daarvan waren:

I de oliecrisis

II de dekolonisatie

III de concurrentie uit Azië

Welke oorzaken zijn juist?

a. I en II

b. II en III

c. alle 3 genoemde oorzaken

d. geen van genoemde oorzaken

29 Gegeven:

I De macht van de zelfstandig geworden kolonies is na 1960 sterk toegenomen

II De term neokolonialisme slaat op de economische afhankelijkheid van de voormalige kolonies

III De groep 77 wil hogere grondstofprijzen en een open vrije markt

Welke van genoemde uitspraken is waar?

a. alle drie

b. I en II

c. II en III

d. I en III

30 Gegeven:

I Val van de Berlijnse Muur

II Gorbatsjov komt aan de Macht in de SU

III Val van de communistische regering in de SU

IV Val van communistische regeringen in Oost-Europa

Welke chronologische volgorde is juist?

a. I II III IV

b. II III IV I

c. III I II IV

d. II I IV III