We hebben 88 gasten online

1999 1 Het onderzoek dat verzwegen moest worden

Gepost in Onderwijs

Het studiehuis maakt van het onderwijs een pedagogische ruïne. Dat is de uitkomst van een onderzoeksrapport dat van de overheid niet in de openbaarheid mocht komen.

Door Ralf Bodelier

Het had niet mogen verschijnen, maar verscheen toch. Sinds deze week ligt een universitair onderzoeksrapport uit 1997 in de winkel met de titel ‘De overheid als bovenmeester’. Dat boek kraakt harde noten over het studiehuis, de nieuwe onderwijsvorm voor de hoogste klassen van Havo en VWO. Hetzelfde studiehuis waartegen afgelopen maandag nog over de tienduizend leerlingen en leraren demonstreerden. Hun bezwaar ligt bij de te hoge werkdruk in het studiehuis, maar daarom bekommeren de schrijvers van het rapport zich niet. Hun kritiek is van ernstiger aard: het studiehuis is gebouwd op zo’n zwak pedagogisch fundament, dat het gedoemd is te mislukken. Deze conclusie mocht van de overheid niet in de openbaarheid: het zou de vergevorderde invoering van het studiehuis te zeer dwarsbomen.

Voorjaar 1997 krijgt een groep van vier wetenschappers onder leiding van voormalige Utrechtse hoogleraar Theoretische en historische pedagogiek Jan Dirk Imelman opdracht onderzoek te doen naar vernieuwing van het middelbaar onderwijs, inclusief het studiehuis. Opdrachtgever is het PMVO, het Procesmanagement Voorgezet Onderwijs. Deze organisatie is in het leven geroepen door het Ministerie van Onderwijs en op dat moment bezig het nieuwe onderwijs uit te dokteren. Het is dezelfde organisatie die het studiehuis ook in zal voeren en uiteindelijk moet evalueren.

De onderzoeksgroep krijgt de opdracht anderhalf jaar voordat het studiehuis officieel zal worden ingevoerd. ‘Die onderzoeksopdracht was ruim geformuleerd’, zegt Imelman. ‘Mondeling heette het: “Jullie publiceren zoveel over onderwijs, jullie kijken er zo fris tegenaan, zoek eens uit hoe we onderwijs kunnen vernieuwen.” Vervolgens luidde de concrete vraagstelling: “Wat dienen we in verschillende soorten onderwijs aan leerlingen te leren, wanneer en hoe moeten we dat doen en waarom op dat moment?”

Blijkbaar weet het PMVO op dat moment nog niet hoe kritisch de onderzoekers rondom Imelman opereren. De procesmanagers zullen het rapport uiteindelijk niet in groeiende blijdschap tot zich nemen. Want volgens de onderzoekers zullen de studiehuisplannen van het PMVO desastreus uitpakken. De bedenkers van het studiehuis, zo schrijven zij, gebruiken ‘gemankeerde opvattingen’ en ‘ondeugdelijke notities’ die ‘een serieus risico vormen voor de praktijk van het onderwijs’.

Een greep uit de kritiek: volgens het PMVO moeten leerlingen in het studiehuis zelfstandig gaan werken. Volgens de onderzoekers kunnen dat alleen leerlingen uit hogere milieus. Allochtone leerlingen en leerlingen uit lagere milieus zijn in het studiehuis gedoemd te falen. Volgens het PMVO moeten leerlingen in het studiehuis minder concrete kennis leren en meer ‘algemene vaardigheden’ als samenvatten, presenteren en onderzoeken gaan leren. De onderzoekers constateren dat dergelijke vaardigheden niet zonder concrete kennis kunnen. Volgens het PMVO moet de rol van de docent in het studiehuis sterk worden teruggedrongen, volgens de onderzoekers bestaat goed onderwijs alleen bij de gratie van een sterke rol voor de docent. En zo zijn er nog wel meer punten waar de Imelmangroep zich frontaal tegenover de beleidsmakers opstelt. Om de belangrijkste kritiek niet te vergeten. Volgens het PMVO moet de overheid zich direct bemoeien met de manier waarop in de klas wordt onderwezen en geleerd. De onderzoekers stellen daar tegenover dat de vrijheid van onderwijs in het geding komt als de overheid zoveel invloed krijgt op de gang van zaken in de klas. Imelman: ‘Het studiehuis is gebouwd op fundamenten van eenzijdige leerpsychologie, goede bedoelingen en veel new speak. Daarop bouw je geen studiehuis. Daarop bouw je een pedagogische ruïne.’

En dat zijn geen conclusies waar het PMVO op zit te wachten. In juni ’97 levert de commissie Imelman haar onderzoeksrapport af. In september mag ze het in Den Haag gaan toelichten. Imelman: ‘Tenminste, dat dachten we. Maar het PMVO had haar conclusies al klaar. Voorzitter Rein Zunderdorp liet al snel weten dat de onderzoeksgegevens niet met hun ideeën over het studiehuis strookten. Daarom zou het rapport in een diepe la te ruste worden gelegd. Ons verhaal was te kritisch.’

Daar bleef het volgens Imelman niet bij. Zunderdorp zou hem vervolgens met klem hebben verzocht het rapport niet te publiceren. En als ze dat toch van plan waren, dan diende Imelman c.s. in elk geval te verzwijgen dat het hier om door het PMVO betaald onderzoek ging. ‘Ik begrijp wel waarom. Stel dat het studiehuis zou mislukken, dan wilden ze natuurlijk kunnen zeggen dat ze dat van tevoren onmogelijk hadden kunnen overzien.’ In de maanden rondom de invoering van het studiehuis is Imelman geregeld in discussie met voorstanders van de plannen. Ook de rol van het PMVO komt dan aan de orde. Imelman verzwijgt inderdaad dat het PMVO tot in detail op de hoogte is van het onderzoeksrapport.

Tot 19 september 1998. Dan publiceert Vrij Nederland een interview met PMVO-vicevoorzitter Clan Visser 't Hooft. Het studiehuis is dan net enkele weken oud en Visser 't Hooft verweert zich tegen een eerste golf van kritiek. In het interview heeft zij het over “al die professoren die nu opeens zeggen dat het allemaal verkeerd gaat”. Imelman: ‘Toen ik dat las, geloofde ik mijn ogen niet. Met kritische collega’s als Nan Dodde uit Rotterdam en Jaap Dronkers uit Amsterdam, behoorde ik natuurlijk tot ‘al die professoren’. Dat wij ‘nu opeens’ zouden zeggen dat het allemaal verkeerd gaat, schoot mij in het verkeerde keelgat. In ons boek vermelden we nu expliciet dat het PMVO zich met de onderzoeksresultaten geen raad wist en het onder in de la legde.’

Heeft de overheid willens en wetens een kritisch onderzoek over de invoering van het studiehuis uit de pers gehouden? Uiteraard vertelt PMVO-voorzitter Rein Zunderdorp een ander verhaal. Zo zou de opdracht aan de commissie Imelman helemaal niet zo open zijn geweest. Die was volgens Zunderdorp zelfs toegespitst op de basisvorming. Dat zijn de eerste jaren van Havo en VWO die vooraf gaan aan het studiehuis. Zunderdorp: ‘Bovendien vroegen we niet om kritiek op onze onderwijsopvattingen. We vroegen om concrete input. Om ideeën, overwegingen en visies op hoe we de onderwijsvernieuwingen moeten invoeren. Dat staat allemaal zwart op wit in het onderzoekscontract. We betaalden de commissie Imelman een ton voor haar rapport en voor dat bedrag kregen we te weinig terug. Het was te vaag, te algemeen en gaf ons veel te weinig aanknopingspunten. Kijk: je wordt betaald om een opdracht uit te voeren conform de wensen van de opdrachtgever. Anders moet je die opdracht niet aannemen.’

Dat het PMVO Imelman zou hebben verzocht om het rapport niet te publiceren, kan Zunderdorp zich niet herinneren, maar wel voorstellen. Zunderdorp: ‘Als je door derden voor een onderzoek wordt gevraagd, ligt het niet voor de hand om het vervolgens zelf nog eens uit te geven.’ Dat hij Imelman en de zijnen zou hebben verboden om te vermelden dat het onderzoek in opdracht van het PMVO is gedaan, noemt hij ‘te bizar voor woorden’. Alhoewel: ‘Als je bij zo’n onderzoek toestaat te vermelden dat het in opdracht van het PMVO is gedaan, suggereer je dat wij er ook achter staan. Ik denk eerlijk gezegd dat Imelman zo uitpakt, omdat hij gepikeerd is. Want vervolgonderzoek is nu aan zijn neus voorbij gegaan.’

Imelman reageert korzelig op het antwoord van Rein Zunderdorp: ‘Het PMVO was gewoon onaangenaam verrast door het feit dat wij hun idealen niet ondersteunen. Blijkbaar is dat het verwachtingspatroon op het ministerie: eerst ventileer je een idee. Dan neem je voor veel geld een onderzoeksinstituut in de arm en dat verschaft je de wetenschappelijke legitimatie voor je idee. Het is bij dit soort onderzoek toch vaak “u vraagt, wij draaien”. Ik heb me er wel eens over verbaasd dat wij deze opdracht überhaupt kregen. Het ministerie heeft een adresboekje met de namen van een half dozijn wetenschappers die precies dátgene vertellen wat het ministerie wil horen. Alleen zij voeren onderzoek uit en geven adviezen. Voor onafhankelijk oordelen is in Zoetermeer geen plaats.’

Imelmans beschuldigingen zijn niet nieuw. Feiten en wetenschappelijk onderbouwde argumenten genieten in Haagse kantoortuinen weinig populariteit. Dat constateerde begin dit jaar ook de Leidse emeritushoogleraar André Köbben in zijn boek “De onwelkome boodschap”. Daarin beschrijft Köbben hoe ambivalent overheidsinstanties omgaan met wetenschappelijk onderzoek. Het is allerminst uitzonderlijk dat ministeries lastig onderzoeksmateriaal onder tafel werken. Köbben: ‘Al wordt het meestal vriendelijk gespeeld. Op aimabele toon zegt een ambtenaar dan: “gut, we dachten nog wel dat u méér onderzoek voor ons wilde doen”.’ Soms gaat het er venijniger aan toe. Dan stelt de opdrachtgever dat het onderzoek onder de maat is en om die reden niet gepubliceerd zal worden.

Köbben noemt de controverse PMVO-Imelman “zeer interessante stof”. Al acht hij het niet onmogelijk dat het PMVO juridisch gezien sterk staat. Köbben: ‘Als Imelman zich inderdaad niet aan de onderzoeksopdracht heeft gehouden, dan zit hij gewoon fout. Het zou de eerste keer niet zijn dat wetenschappers gaande de rit hun onderzoek in een andere richting sturen dan de opdrachtgever vraagt.’ Ook het PMVO heeft een probleem: ‘Een overheidsinstantie mag dergelijke publicaties niet verbieden of tegenwerken. Dat is absoluut not done’, zegt Köbben. Bovendien kun je via de Wet Openbaarheid van Bestuur publicatie afdwingen van onderzoeksresultaten die met overheidsgeld zijn gefinancierd.’

Daarin heeft Köbben ongetwijfeld gelijk. Wat niet wegneemt dat het werkelijk probleem niet op juridisch vlak ligt, maar bij het ontbreken van een open discussie waar het zulke belangrijke zaken betreft als het invoeren van het studiehuis. Een discussie waarin wetenschappers de eersten moeten zijn om onafhankelijke oordelen te kunnen vellen. Köbben signaleert in zijn boek dat teveel wetenschappers inmiddels beseffen dat je de overheid als belangrijkste opdrachtgever te vriend moet houden. En dat doe je niet door onkreukbaar en onafhankelijk te opereren. Het gebruik van de wetenschap door de overheid vertoont nogal opvallende overeenkomsten met het gebruik van een lantarenpaal door de dronkelap. De overheid noch de dronkelap zoekt het licht. Beiden zoeken maar één ding. En dat is houvast.

Dr. P. v.d. Ploeg (red), Prof. dr. J.D. Imelman, dr. W. Meijer en dr. H. Wagenaar: ‘De overheid als bovenmeester’. Intro Baarn. f. 29,90