We hebben 248 gasten online

2005 gs Wie bepaalt wat in de geschiedeniscanon komt?

Gepost in Onderwijs

Door Pieter Anko de Vries

februari 2005 Fries dagblad

Het goede leven laat in een serie de belangrijkste feiten uit de Nederlandse geschiedenis zien, chronologisch, per jaartal. Een antwoord op het voorstel van de Onderwijsraad dat er een officiële lijst (canon) moet komen waarin de belangrijkste elementen uit cultuur en geschiedenis zijn opgenomen. Lezers mogen zelf suggesties doen: mail of bel een favoriet historisch jaartal door en vertel waarom juist dít in de canon moet worden openomen.
Scholen moeten hun leerlingen meer historische kennis bijbrengen, stelde de Onderwijsraad vorige week. Volgens het onderwijsadviesorgaan van de regering moet er een canon (richtsnoer, wet, regel) komen van elementen uit de Nederlandse cultuur en geschiedenis die iedereen moet weten. Dat zou de eenheid in een verdeeld land bevorderen. Minister Van der Hoeven van Onderwijs ziet veel in het voorstel. Ze heeft al een aantal eerbiedwaardige adviesraden aan het werk gezet. Zij moeten met een canonvoorstel komen.
Er zit wel iets in het plan van de Onderwijsraad om Nederlanders meer historische feitenkennis bij te brengen. De oproep van de raad is overigens onderdeel van discussie die al zo oud is als het geschiedenisonderwijs zelf: hoe kun je (cultuur)historische kennis het best overbrengen? Tot zo’n vijftig jaar geleden stond feitenkennis hoog aangeschreven in het geschiedenisonderwijs. Een van de onderdelen hiervan was het opdreunen van een rij jaartallen waarin de geschiedenis van Nederland werd samengevat. Scholieren konden zo een doorlopend beeld van de geschiedenis krijgen. Zo’n lange rij had niet alleen een vaktechnisch doel. De presentatie van de Nederlandse geschiedenis als een eenheid moest ook dienen ter bevordering van de natievorming. Halverwege de vorige eeuw was het Koninkrijk der Nederlanden nog maar een relatief jonge natie. De staat had in het kader van de natievorming belang bij de weergave van een doorlopende tweeduizend jaar oude geschiedenis, beginnend bij de komst van de Batavieren en Friezen ‘in ons land’.
In de jaren zestig van de vorige eeuw werd door de maatschappijhervormers afgerekend met het opdreunen van jaartallen. Historisch onderwijs moest thematisch worden opgezet, waarbij leerlingen volgens de geldende didactische inzichten ‘lengtedoorsneden’ van de geschiedenis kregen voorgeschoteld, zoals ‘de weg naar de welvaart’ of ‘dwarsdoorsneden’ zoals ‘slavenhandel in de zeventiende eeuw’. De kritiek op het leren van jaartallen was niet onterecht. Scholieren leerden wel dat graaf Dirk III in 1015 een tol stichtte bij Vlaardingen, maar waarom dit zo bijzonder of belangrijk was, bleef vaak duister. Veel onderwijzers boden hun leerlingen niet het hoe en waarom, maar lieten het bij het opdreunen van feiten. Dat had natuurlijk weinig te maken met geschiedkundige kennis of het ontwikkelen van historisch besef.
Er is een kentering als het gaat over de vraag hoe historische kennis het best kan worden overgedragen aan nieuwe generaties. Het thematische geschiedenisonderwijs is ook niet alles, zo hoor je nu overal. Het blijkt versnipperd en vaak politiek correct (smalend ‘lesbische indianengeschiedenis’ genoemd). De losse thema’s worden soms gekozen vanuit de huidige realiteit, zijn vaak modieus, hebben het gevaar van subjectiviteit in zich en doen de essentie van geschiedenis tekort. Bij een chronologische aanpak met jaartallen is het gevaar van subjectiviteit veel minder groot. Daar komt bij: als mensen bronnen moeten interpreteren (wat nu veel gebeurt in het geschiedenisonderwijs) is een flinke dosis feitenkennis hard nodig. Jaartallen en concrete namen zijn handige kapstokken. Ze kunnen bovendien, mits goed gekozen en uitgelegd, kinderen (maar ook ouderen) het besef doen geven dat ze deel uitmaken van het ‘verhaal Nederland’, zoals de Onderwijsraad het graag wil. Je staat zelf in een rij van gebeurtenissen en personen in ons woongebied en wordt zo aan elkaar en met voorgaande generaties verbonden. Hier komt dezelfde redenering van vroeger terug: geschiedenisonderwijs in dienst van de natievorming.
Gemarginaliseerd
Het is goed dat de onderwijsraad hamert op het belang van geschiedenisonderwijs. Te lang is het vak door de beleidsmakers op het ministerie gemarginaliseerd. Maar is het formuleren van een canon wel zo’n goed idee? Welke leden van de adviesraden met welke politieke achtergrond stellen uiteindelijk de canon op en op basis van welke criteria gebeurt dat? En hoe worden belangrijke feiten beschreven? Wat is de invalshoek? En hoe dwingend kan de canon precies worden opgelegd? De Onderwijsraad zegt dat scholen genoeg eigen ruimte moeten houden. Maar in de praktijk worden met het bepalen van de feiten ‘die iedereen moet weten’, andere feiten uitgesloten. Moet bijvoorbeeld het eerste Christelijk Sociaal Congres (1891) worden opgenomen? En waarom dan (niet)? In afwachting van de officiële canon over het ‘verhaal Nederland’, komt Het goede leven in een serie alvast met zijn eigen lijst onmiskenbare hoogtepunten, geordend per jaartal en in vijfhonderd woorden per keer toegelicht.