We hebben 189 gasten online

2005 gs Dappere docent

Gepost in Onderwijs

Dr. S.R.B. Klein is historicus/vakdidacticus aan de lerarenopleiding van de Universiteit Leiden.

NRC 23-02-2005

Mag ik u de geschiedenisdocent van de toekomst voorstellen? Hij (m/v) wordt op dit moment opgeleid. Met grote interesse volgt hij het maatschappelijke debat over het vak geschiedenis en leert het volgende. Omdat leerlingen voortdurend de Grote Karel en de Vijfde Karel door elkaar blijven halen en Napoleon in de verkeerde oorlogen laten deelnemen, moeten jaartallen uit het hoofd geleerd worden. Maar het oplepelen van jaartallen leidt niet tot historisch inzicht. Nee, leerlingen moeten tien tijdvakken met kenmerkende 'aspecten' leren hanteren, zodat zij in de wijde historische wereld de weg niet kwijtraken (Commissie Historische en Maatschappelijke Vorming/Commissie De Rooij). Helaas kent geen ander land ter wereld zulke tijdsindelingen en de afbakeningen in de tijd scheppen evenveel verwarring als opheldering.

De Tijd van Grieken en Romeinen begint quajaartelling bij de eenwording van het Oude Egypte en vele revoluties vinden niet plaats in de Tijd van Pruiken en Revoluties. Maar dat er iets moet gebeuren aan de chronologische dimensie van ons historisch besef, is hem wel duidelijk.

Zoals alle intreders in het beroep ervaart onze docent een kloof tussen zijn wetenschappelijke kennis en de kennis die nodig is om jongeren van 12 tot 18 jaar in zijn vak te introduceren. Die wetenschappelijke kennis vergt aanvulling en didactisering. De gemiddelde beginner kost dat een jaar of drie. Maar welke kennis? De tien tijdvakken geven aan in welke richting hij het moet zoeken, maar dan komt dezelfde De Rooij met collega Bank ineens met een gespecificeerde 'canon', vol Nederlandse geschiedenis. Een canon is maar een minimum, denkt onze docent, dus er kan nog wel wat naast.

Helaas is volgens inzichten uit de leerpsychologie al een tijd duidelijk dat het laten leren en begrijpen van ingewikkelde processen uit het verleden niet lukt door alles uit het hoofd te leren. Je moet als docent beginnen bij de bestaande kennis van leerlingen, bij hun misconcepties en hun gevoel bij bepaalde onderwerpen. Vervolgens dienen ze actief bezig te zijn met het herstructureren en verdiepen, zodat uiteindelijk een vorm van historisch besef ontstaat dat steunt op kennis én op het vermogen nieuwe kennis te genereren en daar historisch verantwoord mee om te gaan. Alleen dan zullen leerlingen in staat zijn het geleerde in de maatschappij te gebruiken. Dat zal allemaal wel veel tijd kosten, denkt onze docent.

Dan komt Van Aartsen. Er hoort ook nog emotie bij. De canon moet niet uitsluitend nationaal zijn, maar zelfs nationalistisch. De Nederlandse geschiedenis is immers een ode aan de liberale vrijheid en Van A. ziet er een "formidabele kans" in om het Nederlandse burgerschap te injecteren met trots. De docent van de toe- . komst staat even stil bij wat dit voor zijn onderwijspraktijk betekent. Zijn klas als laboratorium voor het patriottisch burgerschap?

De laatste keer dat mensen zich dat etiket toe-eigenden, leidde het tot een burgeroorlog (1787) en de oude patriot Van der Capellen, die toch een zeer actiefburgerschap vol emotie propageerde ("Wapent Ulieden allen"), vindt men niet terug in liberale heldengalerijen.

Een historische canon met bruggen naar de multiculturele realiteit?

Dat lijkt op lange termijn vanzelfsprekend en de Onderwijsraad spreekt in zijn laatste rapport ook over een historische canon met "ruimte voor bijdragen vanuit de Islam" (De Stand van EducatiefNederland). Maar of en hoe die bijdrage dan identiteitsvormend zal werken, is onduidelijk en de tijdgeest lijkt momenteel van een andere aard.

Vastbesloten toch een bijdrage te leveren aan de maatschappij, wil onze docent "leerlingen helpen zich de culturele bagage eigen te maken die iedereen nodig heeft in de samenleving" en wil hij "op een professionele manier over zijn be kwaamheid en beroepsopvattingen nadenken en zijn professionaliteit ontwikkelen en bijhouden" (Stichting Beroepskwaliteit Leraren). Hij maakt dus gretig gebruik van de deregulering en stelt zijn expertise beschikbaar. Hij weet leerlingen aan te spreken op hun niveau en hen te motiveren om dóór te denken, zich te verplaatsen in andere situaties en andere personen, geldige argumenten te gebruiken bij beweringen en te accepteren dat de waarheid over het verleden niet bestaat. Hij weet dat vakkennis en vakbenadering (het woord 'vaardigheden' vermijdt hij liever) niet met elkaar in tegenspraak zijn, maar in elkaars verlengde liggen. Hij improviseert moeiteloos, wanneer de actualiteit zijn klas in beroering brengt en verantwoordt zijn werkwijze tegenover ouders van verschillende pluimage. Hij is een kei in ICT-toepassingen en weet hoezeer de moderne beeldcultuur van invloed is op het denken van leerlingen. Hij trakteert hen niet op geestdriftige verhalen over Nederlandse helden (Grotius, Thorbecke, Van Basten) en is er ook niet op uit om lastige klippen te omzeilen (Van Heutsz, Seedorf). Hij inspireert door ook het unieke, het onverklaarbare en het ongelooflijke aan de orde te stellen en zorgt er voor dat leerlingen de discipline krijgen om regelmatig en soms zeer intensief te werken. Hij beseft ook dat hij met jongeren te maken heeft, met eigen problemen en verkerend in verschillende (sub-)culturen.

Knap is het hoe deze docent er in slaagt historische vorming inclusief chronologisch besef te bereiken, terwijl hij in de vernieuwde basisvorming van zijn school geen geschiedenis meer geeft (Commissie Meijerink). Hij is nu werkzaam in het leergebied 'mens en maatschappij' met de coIIega van aardrijkskunde. Zijn professionele opstelling wordt door de schoolleiding zeer geprezen, zodat een schaal11 nog steeds tot de mogelijkheden behoort. Ook in het Studiehuis voltrekt zich een klein wonder, want hij weet alle leerlingen tot volwaardige democratische burgers te vormen, terwijl driekwart van hen zijn vak niet volgt.

Deze docent - als hij al bestaat - heeft zich niets aangetrokken van politici die de maatschappelijke functie van zijn vak tegenwoordig zo serieus lijken te nemen maar de daad niet bij het woord voegen, of die geschiedenis als schoolvak misbruiken voor politieke doeleinden.

Hij is uitgegaan van zijn eigen professionaliteit en van de maatschappij zoals die zich in het klein vertoont in een Nederlandse school aan het begin van de 21ste eeuw. In 2015 krijgt deze docent de schuld van de teloorgang van 'de Nederlandse identiteit' en werkt hij niet meer in het onderwijs.

Dr. S.R.B. Klein is historicus/vakdidacticus aan de lerarenopleiding van de Universiteit Leiden.