We hebben 91 gasten online

2005 gsEen problematisch begrip

Gepost in Onderwijs

Olivier Hekster in de NRC 25-02-2005

Olivier Hekster is Van der Leeuw hoogleraar oude geschiedenis aan de Radboud Universiteit Nijmegen

Geschiedenis heeft de toekomst. Zelden is er zoveel aandacht geweest voor de manier waarop ons verleden bestudeerd moet worden, en welke minimumkennis verwacht wordt. Ook politici mengen zich in het debat, met als bekendste voorbeeld de hoop van Jozias van Aarsten dat geschiedenis zou fungeren om een vorm van `neopatriottisme' aan te wakkeren.
 
De discussie over geschiedenisonderwijs wordt volop gevoerd, ook op de opiniepagina's van deze krant. Vooral het `historisch canon' staat centraal. Welke feiten uit de geschiedenis moeten voor iedereen bekend zijn? Om welke geschiedenis gaat het eigenlijk? Nederlandse, Europese, of wereldgeschiedenis? Verdeeld in tijd of thema's? En wie is iedereen?
 
Geschiedenis krijgt in deze vorm een ongeschreven taakomschrijving. Kennis van het verleden moet vormend zijn identiteit uitdrukken of zelfs bepalen. Alleen met een dergelijk idee van geschiedenis kan gesuggereerd worden dat de historie met vaderlandsliefde beleden zou moeten worden. Mensen moeten `hun' geschiedenis kennen, omdat vanuit deze geschiedenis een samenleving ontstaan is.
 
In alle zinnige en onzinnige reacties die het door Bank en De Rooy opgestelde canon heeft uitgelokt, wordt deze functie nauwelijks in twijfel getrokken. Natuurlijk vallen velen de keuze van opgenomen `feiten' aan. Te veel grote-mannengeschiedenis, te weinig militaire geschiedenis, en is Pim Fortuyn eigenlijk wel geschiedenis? Ook blijft `canon' een problematisch begrip. Te bindend en beperkend volgens sommigen, te inflexibel volgens anderen, en derden vinden het een zo verouderde term dat elk `canon' zonder verdere discussie afgewezen moet worden. Maar de idee dat de juiste kennis van het verleden wezenlijk is voor de identiteit van een samenleving, wordt impliciet geaccepteerd. Het veel geciteerde (maar veel minder vaak bekeken) historisch proefwerk van het Historisch Nieuwsblad waarin Kamerleden zo slecht scoorden, wordt niet alleen als pijnlijk en hilarisch ervaren, maar als problematisch. Dat leerlingen, studenten of politici Karel de Grote en Karel de Vijfde niet uit elkaar kunnen houden is niet alleen onacceptabel omdat ze daarmee het verleden niet kunnen begrijpen, maar ook omdat ze de hedendaagse samenleving niet goed zouden kunnen vatten.
 
Er zitten grote risico's aan een dergelijke `identiteitsvormende' geschiedenis. Ten eerste wordt, zoals al vaker opgemerkt, de keuze van het canon sterk politiek geladen. Het canon wordt de gemeenschappelijk kern van de Nederlandse identiteit datgene wat niet alleen op scholen onderwezen moet worden, maar wat immigranten bij hun inburgering ook moet leren. Een dergelijke kern is per definitie beperkend. Alle geschiedenissen moeten binnen de `samenlevingsgeschiedenis' vallen. Het risico van staatsmythologie, van een geschiedbeeld dat misschien politiek geaccepteerd is, maar groepen buiten het nieuwe gemeenschappelijke verleden sluit, is al te duidelijk. Evenzeer het risico van een al te nationalistische geschiedschrijving, waarin de eigenheid van Nederland te veel benadrukt wordt.
 
De vraag is ook wie dat gemeenschappelijke verleden mag bepalen. Professionele historici zijn nog steeds overwegend autochtone mannen. Datzelfde geldt voor politici (die sinds het hierboven genoemde historische proefwerk hoe dan ook niet de meest aangewezen personen lijken om een bindend verleden op te stellen).
 
De meest voor de hand liggende manier om een breed gedragen canon te krijgen, een algemeen debat en publieke verkiezingen, kent een ander probleem. Juist die mensen wier gebrek aan historisch besef beklaagd wordt, zijn hierin verantwoordelijk voor het canon waarmee historisch besef versterkt zou moeten worden.
 
Het tweede probleem van `identiteitsvormende' geschiedenis is het risico voor de geschiedenis als wetenschapsgebied. Zelfs als op briljante wijze een ideaal collectief verleden gecreëerd kan worden, zal deze nog steeds beperkend zijn voor onze opvatting van `geschiedenis'. Het primaire doel van de geschiedenis zoals tot nu toe besproken is immers het begrijpen van de hedendaagse samenleving. Men moet vanuit het verleden inzicht krijgen in het hier en nu, en de hedendaagse normen en waarden beter leren waarderen.
 
Maar is geschiedenis wel zo lineair? Is kennis van 19de-eeuws Nederland nuttiger dan van 11de-eeuws Japan? Is het nuttiger de historische ontwikkeling van `democratie' te kennen dan die van de boekdrukkunst? Natuurlijk helpt kennis van het verleden om bepaalde zaken in het
heden beter te waarderen maar dat zal eerder leiden tot een beter begrip van verwijzingen in literatuur en schilderkunst dan tot acceptatie van het huidige politieke stelsel. De kern van het verleden is dat zij anders is. Vanuit aandacht voor het verleden welk verleden dan ook komen vragen naar voren. Over de tijdelijkheid van zaken en de vreemdheid van verleden samenlevingen. Juist in deze tijd, waarin een onderverdeling in `wij' en `de anderen' zo sterk wordt aangewakkerd, zijn dit relevante problemen om over na te denken. Geschiedenis zou niet moeten worden ingezet om een identiteit te bepalen of patriottisme aan te moedigen. Geschiedenis zou juist de relativiteit van deze begrippen kunnen verhelderen.
 
Ik juich kennis van het verleden toe. Maar centraal bepaalde `essentiële' geschiedenis doet het verleden tekort. Meer aandacht voor een kleiner stuk van onze historie is een mogelijke toekomst voor geschiedenis. Maar meer aandacht voor meer geschiedenissen zou de samenleving op de lange termijn meer goed doen.

Olivier Hekster is Van der Leeuw hoogleraar oude geschiedenis aan de Radboud Universiteit Nijmegen