We hebben 220 gasten online

2005 gs Anekdotes internetgebruik leerlingen bij het geschiedenisonderwijs

Gepost in Onderwijs

Ontleend aan ‘Getto’s op het net’ NRC 8 januari 2005 

Alfons Selie (42) en Peter Eijking (56), twee geschiedenisleraren op het Spinoza Lyceum in Amsterdam, kunnen mooie anekdotes vertellen over het internetgebruik van hun leerlingen.

,,Een jongen had eens een werkstuk gemaakt over Birmingham'', vertelt Peter Eijking. ,,De opdracht was om een reclamefoldertje te schrijven over een Engelse stad. Hij had er erg veel van geleerd, had hij er in zijn commentaar nog bij geschreven. Pas bij de mondelinge bespreking van zijn werkstuk kwam hij erachter dat het niet over het Engelse, maar over het Amerikaanse Birmingham ging.''

Voor het vak geschiedenis moeten leerlingen van havo en vwo tegenwoordig veel werkstukken maken. Hiervoor maken ze vaak gebruik van internet. ,,Ons vak is de moeder van alle vakken, zeggen we altijd'', zegt Peter Eijking. ,,Maar daardoor hebben we ook erg veel last van internet. Bij Engels en Frans speelt internet toch minder een rol dan bij geschiedenis.''

,,Internet is natuurlijk een prachtig medium dat niet meer weg te denken is'', zegt Selie. ,,Het is een rijke en gemakkelijke bron van informatie. Maar het werkt gemakzucht in de hand. Internet is een lui medium. Het maken van een werkstuk is een kwestie van `knippen' en `plakken' geworden. Dat zie je aan de grote stijlbreuken die vaak voorkomen in scripties. Of je leest ineens prachtige zinnen van een leerling van wie je weet dat die niet zo goed kan schrijven. Soms is zelfs `knippen' en `plakken' helemaal niet nodig, want er staan over veel onderwerpen kant-en-klare scripties op internet.'' 
Het `knippen' en `plakken' of kopiëren van werkstukken leidt tot oppervlakkigheid, vinden Eijking en Selie. ,,De werkstukken zien er meestal fantastisch uit'', legt Selie uit. ,,Prachtige plaatjes staan erbij, vaak nog in een mooie lay out ook. Daar ben ik als leraar toch niet ongevoelig voor. Maar het zijn regelmatig drollen in cadeaupapier. Soms krijg je het idee dat het letterlijk alleen maar om de vorm en de oppervlakte gaat. Knippen en plakken maakt het niet meer nodig dat je teksten ook echt leest. Lezen is voor sommigen trouwens sowieso een probleem: leerlingen lezen nauwelijks nog boeken. Internet is hun bron.''

Een ander probleem is dat leerlingen de bronnen op internet betrouwbaar achten. ,,Ze staan veelal onkritisch tegenover internet'', vertelt Eijking. ,,Als ze twee of drie keer hetzelfde lezen op internet, dan is het waar. Een meisje had eens een werkstuk gemaakt over Dwight Eisenhower. Maar dat liep maar tot 1945. Toen ik bij het mondeling vroeg waarom het latere presidentschap van Eisenhower er niet in voorkwam, riep ze dat dat niet waar kon zijn. Want het stond niet in de teksten die ze op internet had gevonden.''

Googlen leidt ook tot contextloosheid, voegt Selie toe: ,,Werkstukken zijn losse verhalen, het grote verband ontgaat de leerlingen vaak. Internet kent geen chronologie, het is een netwerk.'' 
Het gebruik van internet wordt in de hand gewerkt door het tweede-fase-onderwijs, vinden Eijking en Selie. ,,De intellectuele kant van het onderwijs is door het tweede-fase-onderwijs ondergesneeuwd'', aldus Eijking. ,,Het gaat niet meer om kennis, maar om kunnen: je moet iets kunnen opzoeken, liefst met ict-middelen. Zo onderwijzen we ze niet geschiedenis, maar hoe ze dingen moeten opzoeken en met bronnen moeten omgaan.''

De twee leraren bezinnen zich op middelen ter bestrijding van de oppervlakkigheid waartoe internet leidt. ,,Er is natuurlijk het aloude middel van de mondelinge bespreking'', legt Eijking uit. ,,Maar het wordt door de steeds groter wordende klassen steeds moeilijker om dat vol te houden. Ik laat leerlingen nu ook in de les kleine samenvattingen maken, in hun eigen woorden. Ook stel ik vragen over historische films, zoals: in hoeverre heeft de regisseur de werkelijkheid gemanipuleerd? Of: met welke bedoeling heeft hij de zaken zo voorgesteld? Vragen waarvan de antwoorden niet op internet zijn te vinden. Maar ik betwijfel of dit voldoende is. Uiteindelijk hebben we, vrees ik, geen goed antwoord op internet. Het enige afdoende antwoord is een individuele begeleiding, maar daar is geen tijd voor.''

Toch zijn Eijking en Selie geen cultuurpessimisten die vinden dat vroeger alles veel beter was. Uiteindelijk zijn ze toch vol lof over hun leerlingen. De cruciale vraag of leerlingen nu door internet minder weten dan voor het computertijdperk durven ze dan ook niet met ja of nee te beantwoorden. ,,Ze weten veel meer van hun eigen tijd'', vindt Peter Eijking. ,,Ze weten ook heel veel van muziek en films.''
,,Maar dat levert geen beter begrip van de wereld op'', vindt Selie. ,,Ik vind de huidige leerlingen opvallend a-politiek. Ideologie is helemaal verdwenen, morele vraagstukken spelen geen rol. Als ik uitleg wat socialisme was, beginnen ze bijna te lachen: dat er zulke rare mensen bestonden die zoiets wilden! Of waar maak je je druk over, is hun reactie als je een kwestie als dat interview van prins Bernhard in de Volkskrant aansnijdt.''
,,Maar over de islam weten ze wel weer veel'', reageert Eijking. ,,En ze spreken veel beter Engels dan ik vroeger. Als ze een spreekbeurt moeten houden, doen ze dat fantastisch. Geen enkele vrees hebben ze, ze doen het heel naturel. En wat wist ik nou als 18-jarige klein-seminarist? Ik kon bij mijn eindexamen Latijn zonder woordenboek een pagina Vergilius vertalen, maar toen het woord `vagina' daarin voorkwam, wist ik niet wat dat betekende.''