We hebben 177 gasten online

2006 gs Leer van het verleden - en zoek daarbij niet naar emotie, maar streef simpel naar kennis

Gepost in Onderwijs

Leer van het verleden - en zoek daarbij niet de emotie, maar streef simpel naar kennis

Hans Goedkoop Nacht van de Geschiedenis 21 oktober 2006(verkorte versie in NRC 28 oktober 2006)

 

 

Hans Goedkoop

 

We zijn de moderniteit ingerend als een stripfiguur die blindelings vooruit holt tot hij merkt dat hij luchtledig boven een ravijn hangt. Help! Aandacht voor de geschiedenis moet houvast bieden.

 

Bij aanvang van het academisch jaar 1982-83 werden eerstejaars geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam verwelkomd met een openingscollege. Dat ging ongeveer zo:

 

U bent hier met 300 eerstejaars, een absoluut record, en wij vragen ons af wat u hier komt doen. Wellicht hoopt u na uw studie op een baan aan onze faculteit of in het onderwijs. Maar die baan heb ik al, of een collega van mij die ook nog lang geen 65 is, en andere banen zullen er niet komen, want de samenleving hecht niet aan geschiedenis. Geschiedenis richt zich op het verleden en de samenleving richt zich op de toekomst.

 

Wellicht heeft u zich al verzoend met de werkloosheid die u wacht, maar denkt u dat u hoe dan ook van de geschiedenis zult leren. Dat de samenleving hoe dan ook van de geschiedenis kan leren. Dat is een misverstand. Het enige wat de geschiedenis ons leert, is dat men er geen fluit van leert.

 

Na drie kwartier mochten de propedeuten de zaal weer uit, met de ziel onder de arm. Het was natuurlijk leuk bedoeld, maar al met al gaf de spreker ons geen argument waarom je dan wél geschiedenis moest gaan studeren. Misschien wist hij dat zelf ook niet goed meer.

 

Dat was de sfeer, nog geen vijfentwintig jaar geleden. En pas als je die geest van toen oproept, besef je wat een wonder zich sindsdien aan de historische cultuur voltrokken heeft.

 

Het begon nog voor het einde van dat propedeusejaar, 1983. In ons land ging De naam van de roos van Umberto Eco, een verhaal dat in de hoge Middeleeuwen speelde, plotseling in tienduizenden exemplaren over de toonbank. Al snel volgden Montaillou van Emmanuel Le Roi Ladurie, een flink wetenschappelijk betoog in dezelfde sfeer, en Het parfum van Patrick Süskind, een roman die gesitueerd was aan de vooravond van de Franse Revolutie. Boek na boek liet ons een ver verleden zien als pittoresk, bizar, betoverend, en we kregen er geen genoeg van.

 

Gaandeweg verschoof de aandacht naar een meer nabij verleden. In de jaren negentig was er een golf aan biografieën, meest van negentiende- en twintigste-eeuwse helden, en een golf van alles wat zich laat omschrijven met de woorden Geert en Mak. Er kwamen ook historische Bouquetreeksuitgaven, een onderschat deel van de historische boekenmarkt. Mensen gingen ook zelf aan de slag en stapten archieven binnen om hun stamboom uit te zoeken. Verenigingen voor lokale geschiedenis bloeiden. Re-enactment kwam op, het heropvoeren van historische gebeurtenissen in kostuum.

 

Ook de overheid is inmiddels aangestoken. De Tweede Kamer voert debatten over ons historisch bewustzijn, of wij dat nog hebben, en zo niet hoe erg dat is. Ze debatteert zelfs over de manier waarop musea het kunnen verbeteren en slaat met de vuist op tafel als het kabinet daar niet genoeg mee doet. Geschiedenis zou moeten worden ingezet om nieuwkomers in te burgeren en oudkomers bij te spijkeren, om de cohesie van de samenleving te bevorderen en nog veel meer. Onder bijna algemene instemming ontving onderwijsminister Van der Hoeven deze maand de langverwachte Canon van Nederland, de vijftig elementen uit ons nationaal verleden die wij allen zouden moeten kennen.

 

Zo heeft de slinger van de tijdgeest nu het andere uiterste bereikt, geschiedenis gaat over hier en nu en ons. Wat is er gebeurd, dat we nu schijnbaar vanzelfsprekend vinden wat we vijfentwintig jaar geleden even vanzelfsprekend afwezen?

 

Het eerste wat opvalt, is dat vakhistorici in die ontwikkelingen nauwelijks een rol hebben gespeeld. Ze zaten erbij en keken ernaar als kippen naar het onweer. In de jaren tachtig vormden historici een in zichzelf gekeerd gezelschap, dat met scepsis en vervreemding naar de buitenwereld keek. En naar zichzelf, want het was triest gesteld met hun vertrouwen in de mogelijkheden van het vak. Geschiedenissen van complete tijdperken en rijken schreven ze niet meer, dat was hoogmoed. Het verleden heette zo complex te zijn dat er geen grote lijn meer in te vinden was. Het enige waar nog over te schrijven leek waren de losse korrels - deelstudies voorzien van kanttekeningen over de onkenbaarheid van alles.

 

Ook van buiten de universitaire muren kwamen er signalen dat geschiedenis niet veel meer kon betekenen. Voor het publiek bestond er weliswaar een Tweede Wereldoorlog die het denken over goed en kwaad beheerste, maar daarvóór leek er nooit veel gebeurd te zijn. De samenleving zat al sinds de wederopbouw in een kringloop van geestdriftige moderniseringen, die veel van wat traditie en historie was verzwolgen had. Van de boerenstand en kleine middenstand tot aan de zuilen en de kerken en God zelf - de jaren zeventig en tachtig waren het moment waarop ze onherroepelijk werden verdoemd tot het museum.

 

Het voornaamste dat overbleef van de geschiedenis was een schoolvak. Maar het is merkwaardig om je kinderen te leren wat je zelf net hebt ontdaan van zijn betekenis, dus driemaal raden hoe het daarmee afliep. History is more or less bunk, had Henry Ford ooit al gezegd, als voorvechter van een Amerikaans soort moderniteit, en hij kreeg ook bij ons gelijk. We waren door en door modern geworden.

 

Maar misschien lag daarin juist wel het begin van de herrijzenis van de geschiedenis. In die jaren zeventig en tachtig brachten economische recessies het geloof in de moderniteit net een gevoelige slag toe. Premier Ruud Lubbers begon in 1982 als minister-president aan zijn sanering van de welvaartsstaat. Nederland heette ziek te zijn, onzekerheid greep om zich heen. We voelden aan dat we de moderniteit in waren gerend als een stripfiguur die blindelings vooruit holt tot hij merkt dat hij luchtledig boven een ravijn hangt, en ineens was er een dringende behoefte aan een terugweg.

 

Terwijl de vakhistorici nog tot de nek toe zaten ingegraven in hun scepsis, was het daarmee de gewone burger die in een soort wilde actie aan de basis het voortouw nam om de geschiedenis weer tot leven te roepen. Geschiedenis als volksbeweging.

 

Zo begon de slingerbeweging, maar die kreeg haar vaart vervolgens van iets anders. Deze nieuwe historische belangstelling betekende ook een nieuw soort belangstelling. Ze ging niet uit van kennis, inzicht, voeling met het verleden, want dat was het punt nou juist, dat was er allemaal steeds minder. Ze ging uit van het gebrek dat daaraan was ontstaan. Ze ontstond niet vanuit een historisch besef, maar vanuit een historisch gemis en een verlangen om daar iets aan te veranderen.

 

Dat vroeg vervolgens om een specifieke nieuwe vorm van geschiedbeoefening. Eentje die niet alleen vertelde over toen, maar ook over de lijnen tussen toen nu, zodat de breuk met het verleden overbrugd kon worden. Een geschiedschrijving die pendelde tussen de tijden - en die kwam er ook. Denk aan een boek als In Europa van Geert Mak, geschreven als een hedendaagse reis langs plekken waar ooit geschiedenis werd geschreven. Of aan Plaatsen van herinnering, de nieuwe reeks, naar Frans model, die iets soortgelijks doet door de ankerplaatsen te bezoeken van de vaderlandse geschiedenis.

 

Met die benadering werden de gangbare verhoudingen omgekeerd. Het ging er niet meer om of wij betekenis aan het verleden konden meegeven maar, omgekeerd, of het verleden ons aan een betekenis kon helpen. Zoals romanschrijver Frans Kellendonk het in de jaren zeventig al zei, in een onovertroffen typering van de menselijke kwetsbaarheid uit zijn debuut Bouwval: Wij hebben de geschiedenis meer nodig dan de geschiedenis ons nodig heeft.

 

Vanuit dat inzicht werd het in de jaren negentig zowaar weer mogelijk te overwegen dat er van geschiedenis te leren valt. Wij mensen baseren ons gedrag nu eenmaal op een inschatting van onze situatie en die maken we op grond van intuïties en ervaringen en vooroordelen, dus op grond van inzichten uit ons verleden. Zo doen we het als individu, als groep, als maatschappij. Waar zouden we van leren als het niet van het verleden is?

 

Dat is de intuïtie die wij de afgelopen vijfentwintig jaar weer hebben terugveroverd op de hoogmoed van de moderniteit. We doen het ermee, met de geschiedenis, want we hebben niet anders, we beseffen het als nooit tevoren nu tot ons is doorgedrongen wat we allemaal al aan geschiedenis zijn kwijtgeraakt. We klauwen ons dus vast aan wat er nog te achterhalen valt. Het verleden dat we hadden afgedankt als dood gewicht, roepen we terug als een onmisbare bron van levenskracht.

 

Het hinderlijke van de lessen die we uit het verleden trekken is natuurlijk wel dat het soms de verkeerde blijken. Dat is het tragische van ieder heden en het ironische van iedere geschiedenis, en daarin schuilt een onontkoombare moraal, te weten dat de dingen altijd ingewikkelder en tegenstrijdiger zijn dan je denkt. Dat elk gelijk een achterkant heeft, elke blik een dode hoek vertoont, en dat je dus ook weer niet al te snel moet zijn met lessen trekken. Het is de hogere moraal van mensen die belangstellen in het verleden omdat ze met argwaan kijken naar de trotse overtuigingen van hun eigen tijd.

 

Toch zijn er onder deze mensen ook die nog een stap verder willen gaan in hun moraal. Ze hechten niet aan het vitale van gedachten en verbazing, ze willen lessen trekken waar je iets aan hebt, in die zin dat je er een plan van aanpak van kunt maken.

 

Die houding, op zichzelf van alle tijden, dook met onverhoedse kracht op in het jaar 2002. Europa raakte uit de gratie en de Nederlandse identiteit, of het gebrek eraan, kwam op de voorgrond. Pim Fortuyn pikte dat thema op en bracht daarbij ook de geschiedenis in het spel, op een manier waarop het in de naoorlogse Nederlandse politiek niet eerder was gedaan. Hij maakte die typisch hedendaagse pendelbeweging tussen heden en verleden. Aan de ene kant verwees hij naar de jaren vijftig, aan de andere kant bepleitte hij juist verdere modernisering van ons land, en dat zodanig dat het meer werd dan een tegenstrijdigheid. Hij koos de jaren vijftig als een sfeerschets voor het soort hervormingen waaraan hij dacht. Geschiedenis als instrument voor de vooruitgang van de natie.

 

Dat raakte de tijdgeest blijkbaar op een zenuw, want sindsdien is het een leidmotief geworden in het Nederlandse nieuws. Premier Balkenende claimt een VOC-mentaliteit, voormalig VVD-leider Van Aartsen riep op tot neopatriottisme, en ook andere opiniemakers historiseren mee. Vooral waar het gaat over de toekomst van de nieuwe Nederlanders. Die behoren in hun burgerschapsvorming de verzuiling mee te krijgen, de Verlichting door te maken, de geboorte- of juist sterfdag van Willem van Oranje uit het hoofd te leren en zo mogelijk nog verder terug te gaan, want volgens Paul Cliteur ligt bij de Grieken en Romeinen pas ons ware vormingsideaal. Bij de democratie van het Athene onder Pericles vooral, dat trots was op de superioriteit van zijn beschaving en daar toch humaan bij bleef.

 

Het punt van die historiseringen is alleen wel dat je de feiten niet moet willen checken. Want dan vind je, om maar iets te noemen, dat de democratie van Athene onder Pericles zon veertigduizend burgers kende, die in al hun humaniteit zon driehonderdduizend buitenstaanders onder de plak hielden, voor wie het onmogelijk was door te dringen tot het burgerschap. Grootscheepse slavernij, als lichtend voorbeeld voor de multiculturele samenleving van vandaag.

 

Je kunt je daarom afvragen of dit nog wel met geschiedenis te maken heeft. Dit soort verwijzingen naar het verleden kan geweldig effectief zijn als retorische manoeuvre, zoals Fortuyn besefte, en je kunt dat desgewenst vitaal noemen. Maar een vitaliteit van het verleden is het niet. Er wordt daar niets ontdekt, er komt geen vonkje van verrassing of ontroering af, het dient uitsluitend om gezag te geven aan een wensdroom over onze samenleving. Het wordt als het ware ingezet ter heiliging, zoals dat ook wel met de Bijbel wordt gedaan. Het is het Laatste Woord, hier past geen tegenspraak, en daarmee slaat de slinger van de tijd definitief door. Geschiedenis wordt een geloof.

 

Het is verleidelijk om dat geloof te ironiseren. Ooit, toen we nog in tradities leefden, hadden we een God die orde aan de samenleving gaf en mensen met elkaar verbond - religie komt per slot van religare, wat Latijn is voor verbinden. Die God hebben we de bons gegeven, maar dat geeft niet, want nu hebben we iets anders dat misschien wel net zo goed werkt. Als dat geen ironie van de geschiedenis is.

 

Maar het zou te makkelijk zijn om dat geloof daarmee op afstand te houden. Want elementen ervan zijn ook te vinden bij minder vergaande vertegenwoordigers van de historische revival van de afgelopen vijfentwintig jaar - en eigenlijk bij iedere interessante omgang met geschiedenis. Without God only history remains, zoals de Amerikaanse theoreticus van de geschiedenis Hayden White ooit zei. Na God is de geschiedenis de enige vorm van religare die we over hebben, dus we moeten die ook weer niet integraal weggooien. Het gaat erom te achterhalen waar dat zinnig is en waar niet meer. Waar zit m de ontsporing?

 

Daar is over nagedacht door Pierre Nora, de grote Franse onderzoeker van moderne omgangsvormen met het verleden, tevens aartsvader van boekenreeksen als Plaatsen van herinnering. De kiem van de ontsporing ligt voor hem al aan het begin van die historische beweging van de laatste decennia. Doordat die uitging van verlangen en gemis, persoonlijke gevoelens, werd geschiedenis beleefd in steeds persoonlijker termen. Het ging erom er voor jezelf iets uit te halen. Het verleden moest als een herinnering worden, alsof je erbij was geweest. Meer dan om histoire gaat het hier om mémoire.

 

Die verschuiving bracht vervolgens ook een nieuw idee van waarheid met zich mee, aldus Nora. Want de historische waarheid is natuurlijk mooi, maar die van de persoonlijke ervaring voelt net even hoger. Het verleden dat je niet interesseert, negeer je. Het verleden dat je wel interesseert, laad je op met gevoelens en gedachten die nauw verbonden zijn met wat je als je identiteit beschouwt. In een losvaste verhouding tot de feiten, niet gehinderd door gevestigde interpretaties, schep je een geschiedenis die in de eerste plaats getuigt van je behoeften, in de tweede plaats pas van een mogelijke werkelijkheid van vroeger.

 

Ook in ons land zie je signalen voor dat schrikbeeld. Naast parlementariërs en andere opiniemakers zijn er meer sociale groepen die hun eigen, identiteitsbevestigende variant van de geschiedenis scheppen. Voor creolen staat daarin de slavernij centraal, voor Indische Nederlandse de kolonisatie, voor vrouwen weer een andere vorm van onderdrukking. Al die versies hebben het gelijk van de emotie en houden zich dus ongevoelig voor kritiek van buitenaf. Wat heeft een ander te vertellen over jouw herinneringen?

 

In die situatie blijft van religare weinig over. Iedereen verbindt zichzelf naar hartelust met een geschiedenis van eigen makelij, maar weinigen verbinden zich nog met elkaar. De visies bieden tegen elkaar op, het beeld verbrokkelt en verpulvert. Het verleden biedt ons heden geen houvast, het dreigt integendeel te worden meegesleurd in de verwarring van het heden en daar nog aan bij te dragen. Het ontpopt zich onbedoeld juist als modern, al te modern, en de conclusie lijkt dus gerechtvaardigd dat die ooit zo enthousiast begonnen burgerliefde voor geschiedenis een averechtse draai neemt. Er is weliswaar een groot verlangen naar geschiedenis en daaruit groeit ook een oprechte belangstelling voor geschiedenis, maar het is twijfelachtig of je ook kunt spreken van een groeiend inzicht in geschiedenis. Dat brengt ons aan de meest recente variant van de historische belangstelling van het moment, die voor een canon. In de jaren na Fortuyn ontstond die onder intellectuelen die ook in het onderwijs weer aandacht wilden voor geschiedenis. Zij streefden daarbij naar een herwaardering van wat gemeenschappelijk is aan de geschiedenis, de collectieve hoogte- en dieptepunten, en ze keerden zich daarmee tegen de groeiende verwildering van een historische belangstelling die vooral wordt ingezet om een identiteit te dienen. Doel was de terugkeer naar een bovenpersoonlijk perspectief, een hiërarchie van het belangrijke en onbelangrijke, een standaard voor, bijvoorbeeld, elke Nederlander.

 

Het idee sloeg aan. Er kwam een commissie van onpartijdige signatuur - en met een verrassende samenstelling. Voor het eerst in al die vijfentwintig jaar historische actie aan de basis ging het initiatief weer naar een groepje hooggeleerde academische historici. Met onder hen een medewerker van de Universiteit van Amsterdam die in 1982, jawel, een openingscollege gaf voor eerstejaars.

 

Die man moet in de afgelopen vijfentwintig jaar een tikje van de tijdgeest hebben meegekregen, want hij tekent in het eindrapport van de commissie voor de overtuiging dat er van geschiedenis wel degelijk te leren valt, ja dat een canon zelfs kan bijdragen tot burgerschap. Niet als vehikel voor nationale trots; wel als een canon die betrokkenheid oproept. Maar uiteindelijk blijft de commissie dicht bij haar academische huis. Doel van de canon is eenvoudig kennis.

 

En ziedaar, na vijfentwintig jaar. Ineens is dat weer een verfrissende gedachte. Kennis. Waarom? Daarom. Want je kunt van het verleden willen leren, maar dan zul je het eerst moeten kennen en op waarde schatten. Dat is het paradoxale. Als je het tot instrument wilt maken voor het heden, zul je het eerst recht moeten doen, ook in aspecten die zich niet helemaal instrumenteel laten maken. Het is het enige wat kan voorkomen dat het religare van de geschiedbeoefening de absurdistische trekken krijgt van een geloofsbeoefening.

 

De commissie laat daarbij alleen wel één vraag open. Zijn wij burgers nog over te halen om die kennis te verwerven, zomaar om de kennis zelf? We zijn eraan gewend geraakt ons eigen spoor te trekken en snel resultaat te zien van ons verlangen het verleden te benutten voor onszelf. Dat past ook bij ons onderwijs en bij het calculerende karakter van de samenleving, alles in en om ons heen neigt naar een hapklare bevrediging van onze hoogsteigen behoeften. Stappen wij daar straks gedwee van af?

 

Er is in elk geval een stok achter de deur, want without God only history remains. Als we ook die niet meer in ere houden, blijft er weinig houvast voor ons over.

 

Soms laat het historische beeld allereerst je eigen behoeftes zien
Bron hernieuwde aandacht is niet historisch besef, maar historisch gemis