We hebben 567 gasten online

2008 gs Iedereen vindt dat Nederlandse geschiedenis belangrijk is maar slechts weinigen weten ervan

Gepost in Onderwijs

Jan Bank en Piet de Rooy in NRC 4 oktober 2008

 

Plannen alom, ter versterking van de nationale identiteit. Maar het ontbreekt aan historisch besef

 

De Tachtigjarige Oorlog, de Gouden Eeuw, de Franse Tijd: saai was het zelden in de Lage Landen. Immers, het ging respectievelijk over een burgeroorlog, een fabelachtige rijkdom en een serie staatsgrepen ter wille van de democratie achter elkaar. Deze gebeurtenissen worden samengevat in het rustig klinkende vaderlandse geschiedenis.

 

Vaderlandse geschiedenis - een merkwaardige term, die geen adequate vertaling in het Engels, Frans of Duits kent - werd in 1878 een verplicht vak op de lagere school. De eigen natie gestalte geven en die in de geschiedenis verankeren, dat was de opzet.

 

De Memorie van Toelichting op het desbetreffende wetsartikel maakte duidelijk wat moest worden geleerd, met duidelijke eindtermen en verbonden met een kloeke visie op de didactiek (zie kader).

 

Dat historisch besef van belang werd geacht, was overigens niet louter het gevolg van het onderwijs.

 

Ook de verzuiling speelde een rol. De verschillende volksdelen zagen het verleden vanuit een uiteenlopend perspectief. In 1872 bijvoorbeeld werd een nationale herdenking van het innemen van Den Briel (1572) georganiseerd: dat was immers het begin van de onafhankelijkheid van de Republiek. Maar het katholieke volksdeel wenste vooral te herdenken dat de watergeuzen deze inname indertijd hadden gevierd met het ter dood brengen van negentien katholieke geestelijken: de martelaren van Gorkum.

 

Dergelijke verschillen in waardering leidden overigens niet tot relativering van de geschiedenis. Integendeel: alle zuilen verklaarden hun plaats in de samenleving in termen van emancipatie of herleving. Dat wil zeggen dat zij gewend waren te denken in een historische dimensie: terugkijken op het verleden gaf identiteit. Op hoogtijdagen werd doorgaans een historicus uit eigen gelederen geplukt om iets moois te zeggen. Die wist allerlei feiten tot een zinvol verhaal te verheffen en met een boodschap te eindigen. De katholieke historicus L.J. Rogier bijvoorbeeld vervulde die functie in 1953, bij de herdenking van het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie. En ter gelegenheid van het gouden jubileum van het sociaal-democratische Nederlands Verbond van Vakverenigingen, in 1956, schreef de linkse historicus Frits de Jong Edz. het gedenkboek Om de plaats van de arbeid. Aldus vloeiden past en history in elkaar over.

 

Met de ontzuiling en de secularisatie vanaf de jaren zestig is deze vanzelfsprekendheid weggevallen. De verzuilde geschiedenis werd toen zelfs een probleem, aangezien vooral het confessionele verleden tal van voorbeelden te zien had gegeven van grote sociale controle, met name op het gebied van seksualiteit. Meer in het algemeen bestond binnen de zuilen heel weinig geduld met afwijkende opvattingen. De emancipatie bleek in een aantal opzichten slechts schijn. De interne groepsdwang was vooral een zeer onaangename herinnering, die liefst werd verdrongen.

 

Bovendien, wie heeft er nog behoefte aan het verleden, als hij op de drempel staat van een totaal nieuwe samenleving? Dus: weg met de veel geciteerde strofe van Willem Bilderdijk: In het Verleden ligt Het Heden; in het Nu wat worden zal. Op de drempel van het nieuwe Babylon werden de rugzakken met het belaste verleden dan ook afgeworpen. Maar daarmee viel ook de bodem onder het geschiedenisonderwijs weg. Het werden de jaren waarin geschiedenis ongeveer door maatschappijleer werd vervangen, jaren waarin geschiedenis gewoon maatschappijleer werd. De vaderlandse geschiedenis legde het af tegen een breed gedragen kosmopolitisme - met inherent daaraan afkeer van machtspolitiek en een sterke waardering voor hooggestemd idealisme.

 

Maar inmiddels is het tij gekeerd en staat de vaderlandse geschiedenis weer in de belangstelling. Dat heeft voor een deel te maken met het verbleken van de idealen van de jaren 60. Ook spelen internationale ontwikkelingen een rol. Zo bleek het einde van de Koude Oorlog niet het begin te zijn van een totaal nieuwe wereld, maar zagen we terug wat we eerder, in de 19de/20ste eeuw, gezien hadden: eerst op de Balkan, daarna in de verhouding met Rusland. Bij nader inzien bleek de geschiedenis in het Midden-Oosten zelfs te zijn doorgegaan op de patronen, die tijdens de vredesconferenties in Parijs na de Eerste Wereldoorlog waren uitgetekend. Hierbij kwam nog het gevoel dat de samenleving onomkeerbaar en onherstelbaar aan het veranderen was. Sluipenderwijs leek het proces van Europese integratie te leiden tot een verlies van nationale zelfstandigheid. Belangrijker wellicht nog was de gedachte dat de migranten uit de jaren zestig - en hun kinderen - niet langer integreerden in de samenleving, maar een parallelle samenleving opbouwden, dan wel de autochtone gewoonten drastisch wensten te wijzigen.

 

Dit alles heeft geleid tot een herbezinning op het nationale verleden. De vraag naar de Nederlandse identiteit is niet langer een vraag waar een handjevol historici zich mee bezighouden, maar - althans zo lijkt het - de hele samenleving.

 

Dus kon de overheid niet achterblijven. Vanuit Den Haag werd verordonneerd dat het geschiedenisonderwijs versterking behoefde, een geschiedeniscanon werd verplicht gesteld, er komt een Nationaal Historisch Museum en veel erfgoed wordt niet langer verkwanseld, maar mét de aardgasbaten veiliggesteld.

 

Ook hier herhaalt zich de geschiedenis. Want net als in de jaren zestig, toen het vak vaderlandse geschiedenis aan de wilgen werd gehangen, slaat ook nu de balans door naar de keerzijde van wat nog niet lang geleden zo op prijs werd gesteld. De term multicultureel is niet langer een aanduiding van moderne tolerantie, maar wordt gebruikt om vaderlandsloze lieden te veroordelen. Prinses Máxima werd, na haar opmerking dat de Nederlander niet bestaat, het zwijgen opgelegd. De morele paniek over normoverschrijdend gedrag van jongeren wordt gebruikt om een beleid te voeren dat - zoals aan het eind van de negentiende eeuw - de anonieme Gesellschaft weer moet omsmeden tot een Gemeinschaft. De zuilen hadden eertijds aanvaard dat het emancipatieproces op verschillende manieren kon worden doorlopen, anno 2008 is die gedachte vervangen door een schier dwangmatig streven naar nationale homogeniteit. En het onderwijs moet dit alles verankeren: groote daden in een bevattelijk overzigt.

 

Deze terugkeer tot de vaderlandse geschiedenis kan het verwijt krijgen dat het hier gaat om een hernieuwd, enghartig nationalisme. Dit verwijt kan even gemakkelijk worden gepareerd door te wijzen op het ontbreken van kennis van het verleden, zoals telkens weer uit onderzoek blijkt. De stichting Anno en het Historisch Nieuwsblad ondervroegen in 2003 de bezoekers van een willekeurige markt, waarbij bleek dat er mensen zijn die denken dat Willem van Oranje tegen de Romeinen in opstand kwam en dat de Eerste Wereldoorlog in 1550 aanving.

 

De oorzaak van deze onwetendheid lijkt snel gevonden: het falend onderwijs. Sinds de Mammoetwet zou daar van alles fout zijn gegaan en dankzij de commissie-Dijsselbloem wordt de weg naar boven nu moeizaam hernomen. In die redenering schuilt wel een kern van waarheid, maar dit verklaart niet alles. Vandaar dat het verhelderend kan zijn te vernemen hoe het er in andere landen voorstaat: landen die niet hebben gezucht onder Mammoetwet, basisvorming en studiehuis, om een paar Nederlandse eigenaardigheden te noemen.

 

Om hiervan een indruk te krijgen, biedt de History News Network-website, waarop het wereldwijde debat over historische onwetendheid wordt bijgehouden, nuttige informatie. De eerste conclusie die daaruit getrokken kan worden is dat in ieder geval de kennis over de Tweede Wereldoorlog overal sterk afneemt. Neem de volgende voorbeelden. Rond 2000...

 

...schatte in Canada 16 procent van de bevolking het aantal joodse slachtoffers op minder dan een miljoen;

 

...beweerde bijna de helft van de Engelsen in een onderzoek van de BBC nog nooit van Auschwitz te hebben gehoord;

 

...en dacht een student bij het toelatingsexamen voor een universiteit in Griekenland dat de SS een van de grootste verzetsgroepen in Griekenland was.

 

In 1988 werden op een particuliere elite-universiteit in Texas tweehonderd studenten ondervraagd over hun kennis van het verleden door de socioloog Michael Kearl. Het niveau bleek bedroevend. Zo waren er studenten die dachten dat de Russische Revolutie in 1970 had plaatsgevonden, dat de eerste atoombom in 1915 was gevallen, dat de slaven in de Verenigde Staten in 1835 waren vrijgelaten, hoewel anderen dachten dat dit in 1910 was gebeurd. Ook waren er studenten die dachten dat de Volksrepubliek China in 1790 tot stand was gekomen, Israël in 1810 was opgericht, Napoleon vóór de Franse Revolutie aan het bewind was, maar misschien ook pas in 1880, dat Darwin een auteur was uit de achttiende eeuw, en dat vrouwen al in 1810 het kiesrecht hadden verworven.

 

Meer in het algemeen werd al enkele keren in federaal onderzoek (National Assessment of Educational Progress) vastgesteld dat aan het einde van de high school de helft van de leerlingen geen basiskennis bezat over de geschiedenis van de Verenigde Staten; het niveau in Engeland werd nog niet lang geleden een outright scandal genoemd.

 

Dit alles wijst er in de eerste plaats op dat de situatie in Nederland niet uniek is. Verder volgt hieruit de suggestie dat geschiedenis vooral een veel lastiger vak blijkt te zijn dan doorgaans wordt aangenomen, wat op zich weer dwingt tot een diepgaande bezinning op de didactiek ervan. Die zal aanzienlijk verder dienen te gaan dan simpele oplossingen als het mechanisch uit het hoofd laten leren van rijtjes, of de terugkeer van de leraar, die zo fijn kan vertellen. Dat mag een ideaal zijn, maar het is lang niet toereikend. Het geschiedenisonderwijs is de laatste tijd vernieuwd, mede langs de lijnen die in 2001 werden uitgezet in het advies van de Commissie historische en maatschappelijke vorming. De campagne Verleden van Nederland heeft als bedoeling dat proces te ondersteunen.

 

Maar een belangrijke rem op het verwerven én beklijven van de geschiedenislessen is het gevoel dat geschiedenis in het gewone leven er niet erg toe doet. Geschiedenis is voor veel leerlingen een schoolvak, dat men na het verlaten van de school kan deleten. Deze opvatting wordt bevestigd door het vrijwel ontbreken van een historische dimensie in het openbare debat. Aan het Binnenhof wordt dagelijks slag geleverd over van alles en nog wat, maar een historisch argument valt daar in geen velden of wegen te bekennen. Al was het maar, bijvoorbeeld, een opmerking waaruit het besef blijkt dat Nederland ooit in de gordel van smaragd over een omvangrijke islamitische bevolking heerste.

 

Het is een cliché, maar daarom helaas niet minder waar, dat het historisch aanbod van de publieke omroepen niet in de schaduw kan staan van wat de BBC, Canvas of ZDF bieden, ook al zijn er soms Andere Tijden. Alleen daardoor al lijkt de belangstelling voor de geschiedenis een kwestie van persoonlijke smaak, een hobby voor vitale senioren. Voor de elite is historische kennis eerder een distinctiemiddel - men kan er zo prettig mee laten merken niet van de straat te zijn - dan de achtergrond van eigen handelen. En zolang dat het overheersende beeld is, zolang de politieke belangstelling voor de geschiedenis beperkt blijft tot het bestellen van een canon en het haken naar een identiteit - in feite de terugkeer van die opwekking van warme vaderlandschliefde - zal daar niet veel verandering in komen.

 

Voor veel leerlingen is geschiedenis een schoolvak dat men na school kan deleten Ten onzent heerst een schrijnend gebrek aan een historische dimensie in het publieke debat De geschiedenis als leervak is tot de vaderlandsche geschiedenis beperkt. Men moet toch van de jeugdige hersenen niet te veel vergen, noch aan den onderwijzers te zwaren last opleggen. Volledige behandeling ook der vaderlandschen geschiedenis behoort derhalve op de lagere school niet te huis. Het is genoeg, als het kind leert in welk land het woont en tot welk volk het behoort. De batavieren en Julius Ceasar, het Frankische rijk en zelfs de grafelijke tijden kunnen stof voor leerrijke en onderhoudende vertellingen leveren, maar het inprenten van jaartallen en namen, die aanstonds na het verlaten der school weer vergeten worden, heeft geen nut. Alleen dat deel des vaderlandschen geschiedenis, dat den leerling een bevattelijk overzigt schenkt van de wording der Nederlandschen Staat en hem de groote daden leert kennen van het voorgeslacht, door welks volharding, onder de leiding van Oranje, ons onafhankelijke volksbestaan werd gegrondvest, verdient de breedere ontwikkeling die, als het middel tot opwekking van warme vaderlandschliefde, in de volksschool bestanddeel der nationale opvoeding behoort te zijn. Zondag 12 oktober begint de tv-serie Nederland in twaalf moorden van Jan Blokker sr., Jan Blokker jr. en Bas Blokker (Teleac, Nederland 2, 19.15 uur). Het gelijknamige boek is onlangs verschenen. Ook vanaf zondag 12 oktober de achtdelige tv-serie Verleden van Nederland, waarin Charles Groenhuijsen een reis maakt door de Nederlandse geschiedenis (NPS, VPRO, Nederland 2, 20.15 uur). Eindredactie: Ireen van Ditshuyzen en Ad van Liempt. De tv-serie Verleden van Nederland is onderdeel van een landelijke geschiedeniscampagne die is opgezet door Ireen van Ditshuyzen. Volgende week verschijnen onder meer het boek Verleden van Nederland, door Geert Mak, Jan Bank, Gijsbert van Es, Piet de Rooy en René van Stipriaan, evenals het kinderboek Verhalen van Nederland van Gijsbert van Es. Dinsdag 7 oktober opent een tentoonstelling met Nederlands-historische topstukken in Nationaal Archief/Koninklijke Bibliotheek in Den Haag. Donderdag 9 oktober worden driemaal vijftig canon-filmpjes (educlips ) gepresenteerd, voor het geschiedenisonderwijs op 10.000 scholen en pabos. Op vrijdag 10 oktober openen de (ex-)premiers Balkenende, Lubbers en Kok de campagne Verleden van Nederland met toespraken in de Nieuwe Kerk in Amsterdam. De jaarlijkse Week van de Geschiedenis begint op vrijdag 10 oktober, met als thema: Verhalen van Nederland. Onderdeel hiervan is de Nacht van de Geschiedenis op zaterdag 18 oktober in Krasnapolski in Amsterdam. De tv-serie In Europa, naar het boek van Geert Mak, wordt hervat op zondag 23 november. Op dit moment wordt gewerkt aan de tv-serie De oorlog, een nieuwe versie van L. de Jongs serie De bezetting uit 1960-1965, gepresenteerd door Rob Trip. Uitzending: najaar 2009.

Jan Bank is emeritus-hoogleraar vaderlandse geschiedenis aan de Universiteit Leiden. Piet de Rooy is hoogleraar Nederlandse geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam.