We hebben 246 gasten online

2009 gs De geschiedenis thematisch indelen is ambitieloos

Gepost in Onderwijs

Michaël Zeeman in Volkskrant 8 januari 2009

 

Rome, Juist voordat de autochtone bevolking van Nederland vrijaf nam om zich op het koken van kerstdiners, het misleiden van kinderen en het verdragen van schoonouders te concentreren, kwamen de beide pasbenoemde directeuren van het Nationaal Historisch Museum (NHM) naar buiten met hun goede voornemens voor 2009, 2010 en zelfs 2011. Zij leiden een museum dat nog gebouwd moet worden en de ervaring leert dat je in Nederland dan een stevige slag om de arm moet houden waar het om de opleverdatum gaat.

De heren vertelden dat zij hun missie inmiddels wat hadden bijgesteld. Onze minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschappen, Ronald Plasterk, die met tastbare tegenzin opdrachtgever tot stichting en bouw van het NHM is, had eerder verleden jaar verteld, dat het nieuwe museum de Canon van de Nederlandse Geschiedenis tot uitgangspunt ging nemen. Die canon van vijftig ‘vensters’ is immers opgesteld vanuit eenzelfde bezorgdheid als waar het NHM uit is voortgekomen: de Nederlanders weten te weinig van hun eigen geschiedenis – ik formuleer het vriendelijk. De nieuwkomers, die van elders in het koninkrijk beland zijn, is daar te weinig over verteld. En de nieuwe generaties worden tijdens hun schoolopleidingen weliswaar geconfronteerd met afwisselend ludieke en moralistische wetenswaardigheden omtrent het verleden, maar van de volgorde en samenhang der formatieve gebeurtenissen hebben zij geen kaas gegeten.

Dat is niet alleen spijtig, het is ook slecht. Alle pedagogische clichés zijn immers waar: wie niet weet waar hij vandaan komt, heeft ook weinig greep op zijn toekomst, wie van het verleden niet leert, wordt door de toekomst gestraft, enzovoort. Bovendien is door de ontzuiling, het wegvallen van de grenzen binnen Europa en de toevloed van vreemdelingen een zeker idee over Nederland geërodeerd tot een zandbak onbepaalde en willekeurige noties. De regering en sommige opiniemakers vinden het van belang duidelijke eisen te stellen aan het Nederlanderschap en een nadere bepaling van dat begrip kan het niet stellen zonder historisch inzicht. Ten slotte maakt de overheid zich ook nog zorgen over het burgerschap van de ingezetenen en een burger zonder historisch besef of beeld van de cultuur waarin hij leeft is geen serieuze burger.

Het NHM moet een van de instrumenten worden die kennis van het Nederlandse verleden bevordert, en daarmee inzicht daarin en op grond daarvan een vorm van betrokkenheid bij en verantwoordelijkheid voor de samenleving en haar cultuur. In grote trekken valt daar weinig op af te dingen, al is het rijkelijk optimistisch voor een land dat zijn onderwijs, het primaire instrument om van ingezetenen burgers te maken, zo verkloot heeft en waarvan de voornaamste musea alweer jaren dicht zijn.

Maar de beide nieuwe directeuren voelen niets voor een chronologische opstelling met inachtname van de canon. Daar staan zij niet alleen in: het idee van een canon alleen al is talrijke cultuurfilosofen een gruwel en er zijn nogal wat pedagogen die betogen dat het leren van jaartallen of het leggen van verbanden tussen verschillende historische gebeurtenissen nefast is voor de ontwikkeling van de kinderziel.

Wat er precies is misgegaan met de kinderen van eerdere generaties, die daarover wel overhoord mochten worden, is mij nooit helemaal duidelijk geworden. Evenmin wat de voordelen zijn van een ontspannen en dikwijls uiterst creatieve, zij het ook strikt individuele, omgang met chronologie en systematiek.

De directeuren hebben bedacht dat het NHM thematisch dient te worden ingericht. Hun selectie – zij noemen die ‘vijf werelden’ – spreekt voor zichzelf: ‘ik en wij’, ‘land en water’, ‘rijk en arm’, ‘oorlog en vrede’ en ‘’lichaam en geest’. Onthutst vraagt men zich af waar ‘huis en tuin’, ‘rooms en rood’, ‘kat en hond’, ‘hart en ziel’, ‘man en vrouw’, ja, ‘man en muis’ gebleven zijn.

Want dit is vlees noch vis, rooit kant noch wal, ja, raakt eg noch zoom, dijk noch binnenpad.

Blijkbaar gaat het de heren directeuren om de tegenstellingen – en waar sprake is van tegenstellingen, duikt vroeger of later (trouwens, ook een thematiek die ontbreekt, ‘vroeger en later’) het esthetisch naargeestige begrip ‘spannend’ op. Wie enigszins thuis is in de filosofie van de geschiedenis, stelt vast dat wij hier als uitgangspunt een vulgarisering van het gedachtegoed van de Duitse filosoof Georg Wilhelm Friedrich Hegel ontmoeten, de grootvader van het marxisme, de overgrootvader van het socialisme. De dynamiek van de geschiedenis bestaat in diens visie uit een these die op een anti-these botst, waarop die beide worden opgeheven naar een synthese.

Nu ja, moet men gedacht hebben, dat NHM komt bij ministeriële beschikking toch al zowat in Duitsland te staan, dus waarom dan geen Duitse geschiedfilosofie gekozen?

Omdat die in deze vorm tegelijkertijd te kinderachtig en te algemeen is. De bedoeling van het NHM was niet om de wanprestaties van het onderwijs nog eens dunnetjes over te doen, maar om die te corrigeren. Natuurlijk, in de Nederlandse geschiedenis zijn talloze substantiële tegenstellingen te vinden, interessante botsingen ook en vrolijke oplossingen daarvan. Maar die zijn in de geschiedenis van alle landen, elk instituut en ieder individueel mensenleven aan te wijzen. Reduceer je die tot nietszeggendheden, waar de joligheid en de meligheid vanaf walmen, dan geef je aan wat je ambitie is met de opdracht van het NHM: geen enkele.

Het merkwaardige is dit. Er wordt veel gepalaverd over de nare gevolgen van het ontbreken of het ontoereikend zijn van ons burgerschap. ‘Burgerschap’ en ‘Nederlanderschap’, het zijn codewoorden in een discussie die de nerven van de samenleving raakt. Maar zodra er, hoe tastend ook, instrumenten ontwikkeld moeten worden om daar een bijdrage aan te leveren, duiken de praatjesmakers uit dat debat weg.

Het zou hen sieren als ze gewoon toegaven er geen zin in te hebben.