We hebben 576 gasten online

2009 gs Historisch bewustzijn mag nooit het slachtoffer worden van politieke opportuniteit

Gepost in Onderwijs

Hubert Smeets in NRC Handelsblad 6 juni 2009

Weinig is lastiger en ondankbaarder dan een verleden erkennen waarvoor je geen verantwoordelijkheid draagt, maar waarmee je wel bent belast. Toch moet het.

Langs de spoorlijn tussen Smolensk en Minsk bevindt zich, vlakbij het dorp Katyn, het allerlaatste oorlogsmonument van de twintigste eeuw. Het is een van de indrukwekkendste herdenkingsplekken in Europa, net als die in bijvoorbeeld Dachau. Maar er is één belangrijk verschil. De geschiedenis van Dachau wordt amper betwist. Over Katyn is een halve eeuw politieke strijd gevoerd. Dat historiografische conflict laait nog altijd op en belast zelfs geopolitieke verhoudingen.

Memorial Katyn werd in juli 2000 officieel geopend, vier jaar nadat president Boris Jeltsin van Rusland had besloten om de slachtoffers van de totalitaire repressie in Sovjet-Unie en Polen hier te gedenken. Het complex ligt verscholen in de licht glooiende bossen van Katyn.

Achter een roodbruin geërodeerde arcade ligt het massagraf met de vele duizenden Poolse militairen die door het stalinistische Volkscommissariaat voor Binnenlandse Zaken (NKVD) in 1940 zijn vermoord. Niet alleen in Katyn, maar ook in Charkov en Mednoje. Ze waren in 1939, na het duivelspact met Duitsland, krijgsgevangen gemaakt. Ze werden vermoord op bevel van het Centraal Comité in Moskou, dat zich in maart 1940 had geschaard achter besluit 18/144 van NKVD-chef Lavrenti Beria om ruim 25 duizend landheren, fabrikanten, voormalige officieren, ambtenaren en overlopers te fusilleren.

Vijftig jaar lang werd in de Sovjet-Unie ontkend dat het NKVD de hand had gehad in deze slachting. De schuld werd, nadat het massagraf in 1943 door de Wehrmacht was ontdekt, in de schoenen van de SS geschoven. Ander historisch onderzoek werd als lasterlijk en staatsvijandig afgedaan. Pas toen Michail Gorbatsjov in 1985 aan de macht kwam, begon het denken pas te schuiven. Voor het eerst kreeg de geschiedschrijving haar rechtmatige plaats. Uiteindelijk erkende de Sovjet-Unie de waarheid.

Memorial Katyn is daarmee een symbool van de overwinning van het historische bewustzijn over de politieke opportuniteit. In Katyn wordt herinnerd aan de gevolgen van het stalinisme: voor Russen en Polen. In 2003 was ik in Katyn, met collega Oleg Klimov, de (klein)zoon van (groot)ouders die in de jaren dertig uit Oekraïne en Wit-Rusland waren gedeporteerd naar hartje Siberië. Het was er doodstil.

Logisch. Katyn is een pijnlijk monument. Niet alleen voor de gerepresseerden. Ook voor de politici die de plek in de jaren negentig mogelijk hebben gemaakt. Staatslieden hebben er immers weinig baat bij om een nationale geschiedenis onder ogen te zien die hen heeft gevormd en toch geen reden tot trots is. Weinig is lastiger en ondankbaarder dan een verleden erkennen, waarvoor je geen verantwoordelijkheid draagt, maar waarmee je wel bent belast.

Michail Gorbatsjov en Boris Jeltsin hebben dat aangedurfd. Hun opvolgers Vladimir Poetin en Dmitri Medvedev zouden er vermoedelijk voor zijn weggedoken. Zij hebben de strijd aangebonden met iedereen die de geschiedenis anders interpreteert dan politiek van pas komt. Medio mei heeft het Kremlin met oekaze 549 zelfs een verbod uitgevaardigd op falsificatie van de geschiedenis ten koste van de belangen van Rusland. We moeten de ogen niet sluiten voor de gruwelijke waarheid van de oorlog. Maar anderzijds kunnen we niet toestaan dat er twijfel wordt gezaaid over de heldendaden van ons volk, aldus Medvedev.

Of hij het monument in Katyn een falsificatie vindt, weet ik niet. Maar de oekaze spoort wel met de golf van patriottisme die de historiografie al jaren overspoelt en zich in 2007 voorlopig uitkristalliseerde in het pedagogische lesboek De nieuwste geschiedenis van Rusland, 1945-2006.

Een probleem van rare Russen? Nee. Het verlangen historiografie gelijk te schakelen, leeft breder. In meer, min of meer democratische, staten duikt de behoefte op om de geschiedschrijving in te kaderen of zelfs aan banden te leggen. Zo wilde in Israël de jonge regeringspartij Yisrael Beiteinu (Israël Ons Huis) een halt toeroepen aan het herdenken van de Nakba, de catastrofe zoals veel Arabieren de geboorte van Israël op 14 mei 1948 noemen. Volgens Yisrael Beiteinu zou een verbod op rouwbeklag tijdens Onafhankelijkheidsdag de eenheid van de staat Israël versterken. Eind mei heeft de regeringscoalitie het plan van de hand gewezen. Maar partijleider Avigdor Lieberman, als minister van Buitenlandse Zaken in de hogere regionen van de Israëlische hiërarchie doorgedrongen, zint op een tweede kans.

De Russische president en de tweede regeringspartij van Israël nemen een voorbeeld aan Turkije. Daar wordt de historische status en erfenis van staatsvader Atatürk strafrechterlijk eveneens beschermd, met artikel 301.

In Nederland wordt dat strafrechterlijk afgedwongen patriottisme als ondemocratisch ervaren. In democratische landen gebeurt intussen wel het omgekeerde: het verbod op het ontkennen van onloochenbare historische feiten. Dat soort verbodsbepalingen zijn minder omstreden dan artikel 301 in Turkije of oekaze 549 in Rusland. Ze zijn meestal ingebed in een maatschappelijke consensus, die door de gruwelijkheid van het verleden zelf is afgedwongen. De directe of indirecte strafbaarheid van het ontkennen van de Shoah in talloze landen is daarvan het meest overtuigende voorbeeld. Twijfel zaaien over gaskamers is vaak een alibi voor antisemitisme.

Maar daarmee is het laatste woord niet gezegd. In steeds meer landen is het ook niet toegestaan de Armeense genocide van 1915 tot 1922, de deportatie van en moord op Armeniërs in het huidige Turkije, een leugen te noemen of anderszins te bagatelliseren. In Nederland pleit de ChristenUnie voor zon wet. Als deze partij daarin zou slagen, dringt de vraag zich op of iemand die deze genocide ontkent zich in de Nederlandse maatschappelijke context ook schuldig maakt aan rassendiscriminatie. En of het geoorloofd is om de Nederlandse regering en militaire leiding met terugwerkende kracht oorlogsmisdadigers te noemen omdat ze zich tussen 1946 en 1949 in Indonesië hebben schuldig gemaakt aan criminele excessen.

Voor Armenië en de Armeense diaspora zijn zulke in wetten verankerde geschiedsopvattingen van belang, omdat ze politieke steun impliceren. Dat is ook een van de redenen waarom Oekraïne ijvert voor internationale erkenning dat de hongerdood van 6- tot 8 miljoen mensen in 1932/33 een doelbewuste volkerenmoord op de Oekraïense etniciteit was. In 2007 heeft president Viktor Joesjtsjenko getracht om ontkenning van de golodomor als genocide strafbaar te stellen. Ook zon verbod zou problematisch zijn. Ter discussie staat niet de vraag of die miljoenen zijn omgekomen, maar wél of Stalin op genocide uit was dan wel of de hongerdood een gevolg was van de collectivisatie van de landbouw. Als Joesjtsjenko gelijk krijgt kan het onderzoek naar de golodomor op slot. Dat is niet bevorderlijk voor het historisch bewustzijn.

Kijk naar Duitsland. Nieuwe bronnen werpen sinds vorige maand een curieus licht op 2 juni 1967, de conceptiedatum van het linkse terrorisme dat de BRD zou gaan teisteren. Op die 2de juni werd tijdens een demonstratie tegen de Sjah van Perzië de student Benno Ohnesorg door de West-Berlijnse politieagent Karl-Heinz Kurras van achteren doodgeschoten.

Kurras werd indertijd begripvol bejegend door Springer, wiens kranten de studentenbeweging van SA methodes beschuldigden en vaststelden dat wie terreur produceert, hardheid op de koop toe moet nemen. Aan gene zijde van de Berlijnse Muur schreef Neues Deutschland, partijorgaan van de SED, over de agent die later voor de rechtbank stond, maar niet werd veroordeeld: Tevreden grijnst de moordenaar.

Ruim veertig jaar na dato blijkt dat Kurras werkte voor de geheime dienst Stasi, lid was van de SED en dus juist aartsvijand van Bild moest zijn. Onduidelijk is of hij de moord pleegde in opdracht van de Stasi of, wapenfanaat als hij was, zelfstandig opereerde. Maar toch. Zou de studentenbeweging zonder de 2de juni 1967 zich milder hebben ontwikkeld? Is de latere RAF via deze provocatie door de Stasi op de kaart gezet? Of zegt de de daad van Kurras ook iets over onverhoedse raakvlakken tussen de toen nog autoritaire cultuur in West en de communistisch dictatuur in Oost? Maar op een aantal feiten valt hoe dan ook niets af te dingen. Kurras leeft nog. Ohnesorg is nu al 42 jaar dood, net als de tientallen slachtoffers van de RAF en de verwante Bewegung 2 Juni.

In Nederland weet men zich met dit soort processen nog steeds weinig raad. Sinds een tiental jaar wordt geschiedenis niet alleen gezien als cruciaal voor het onderwijs - die functie was door de overheid verwaarloosd - maar ook als instrument om de maatschappij te binden. Mede daarom gaf de regering opdracht tot het opstellen van een historische canon en het openen van een historisch museum.

De canon werd toevertrouwd aan een groep wetenschappers onder leiding van professor Frits van Oostrom. Hij kwam met een opzet, die zo ruim met vensters is opgetuigd dat een goede leraar de canon prima kan gebruiken om de leerlingen zowel feitenkennis bij te brengen als de notie dat feiten niet per definitie tot één visie leiden. Toch heeft de regering besloten de canon niet tot verplicht kerndoel op school te promoveren. Dat zou in strijd zijn met de vrijheid van onderwijs. De verzuiling neemt zo wraak omdat ze geen venster is in de canon.

Het museum wordt namens de regering gecontroleerd door een politicus, door Atzo Nicolaï, die zowel Tweede Kamerlid als voorzitter van de raad van toezicht is. Dat lijkt een vermenging van functies. Maar daarover winden alleen puristen zich op. Nederland denkt kennelijk dat er zo weinig historiografische meningsverschillen zijn dat we zon voorname toezichttaak aan een actief politicus kunnen toevertrouwen.

In Duitsland hebben ze ook een historisch museum. Het staat in Berlijn. Uiteraard. Maar de inhoud van het museum is pas tot stand gekomen na een Historikerstreit. In Nederland maken we ruzie over de plaats, maar wachten we verder af wat de museumdirectie in petto heeft.

Nederland laveert maar wat. Sinds begin deze eeuw leeft er een politiek gedragen verlangen om de geschiedenis voor (nobele) maatschappelijke doelen, zoals integratie, in te zetten. Maar het historiografische debat wordt tegelijkertijd gesmoord door de notie dat er rotzooi van komt als je één geschiedsbeeld najaagt. Alle burgers van jong tot oud moeten op 4 mei twee minuten stil zijn. Formeel is er geen canon. Maar informeel is de wereld te klein als de consensus van 4 mei wordt doorkruist. Terecht.

Dat laveren staat niettemin wel een scherper bewustzijn in de weg. Historiografie verandert niets aan de loop der geschiedenis - gebeurtenissen laten zich niet terugdraaien -, maar kan stimuleren tot een nieuwe kijk op het verleden en zo tot een andere interpretatie ervan.

Soms is dat pijnlijk. Daarom is Memorial Katyn zon belangrijk monument.

Niet alleen in Rusland, ook in democratische staten wordt geschiedschrijving ingekaderd Historisch bewustzijn wordt geschaad als onderzoek naar wat gebeurd is op slot moet.