We hebben 104 gasten online

2003 Guus Valk: Opkomst en ondergang van een Nederlandse onderwijsvernieuwing

Gepost in Onderwijs

Door de bocht Guus Valk:in NRC 25 oktober 2003

Het mes gaat in de moloch

KIJK, DAT IS hem. Tweede-Kamerlid Ursie Lambrechts (D66) bladert door een stapel brieven en haalt er één tevoorschijn, van maart 1999. Een Helmondse scholier uit 4-vwo die een half jaar met het Studiehuis werkt, klaagt over de enorme werkdruk. ``Aan die verslagen maken komt nooit een eind'', schrijft ze. ``We moeten per vak gemiddeld drie verslagen maken. Dit zijn dus zo'n 48 verslagen. Er gaan leerlingen aan onderdoor.

Het dossier-Tweede Fase van Lambrechts is loodzwaar. Twee man zijn nodig om de verhuisdoos te dragen waarin alle brieven van lobby-organisaties, rapporten van ambtenaren en moties van collega-Kamerleden zitten

Als één van de weinige Kamerleden in de huidige Onderwijscommissie heeft Lambrechts al sinds het begin van de jaren negentig alles voorbij zien komen: de wilde plannen, de hoge verwachtingen, de bevlogen redevoeringen van de bedenkers van het Studiehuis. Maar ook de keerzijde: de woedende scholieren, de ijverige ambtenaar, de drammerige lobbyisten en de paniekerige staatssecretaris.

Volgende week (okt 2003)behandelt de Tweede Kamer de voorstellen van minister Van der Hoeven (Onderwijs, CDA) om het lesprogramma in de bovenbouw van het havo en vwo te verlichten. Als de voorstellen worden aangenomen, dan zullen vanaf 2007 de kleine deelvakken, zoals frans-leesvaardigheid, verdwijnen. Vooral de bèta-vakken verliezen terrein. Natuurkunde verdwijnt uit het profiel Natuur en gezondheid. Vwo-ers krijgen honderden uren wiskunde per jaar minder. En havo-leerlingen met het profiel Cultuur en maatschappij krijgen helemaal geen wiskunde meer. Verder verdwijnt algemene natuurwetenschappen uit de natuurprofielen.

De tijden zijn veranderd. Minister Van der Hoeven weet dat ook. De kans dat haar plannen in grote lijnen doorgaan, is groot. De hele Kamer vindt inmiddels dat het lesprogramma in de bovenbouw van het havo en vwo ``te overladen, te versnipperd'' is. Alleen over details worden godsdienst en maatschappijleer een examenvak, hoeveel uren levert wiskunde in moeten de fracties het nog eens worden met Van der Hoeven.

Zelfs de PvdA, de partij die destijds het hardst heeft gevochten voor de Tweede Fase en het Studiehuis, neemt er nu publiekelijk afstand van. Eind vorig jaar schreef partijleider Wouter Bos in deze krant: ``Het onderwijsveld is vernieuwingsmoe. (..) Zou bij de invoering van het Studiehuis niet veel ellende zijn voorkomen als dit gebeurd was op een beperktere schaal en op experimentele basis?'

De Tweede Kamer draait een onderwijsvernieuwing grotendeels terug, die diezelfde Kamer zes jaar geleden nog unaniem steunde. Wat is er gebeurd?

********************************************************
Het was april 1991 toen toenmalig staatssecretaris Wallage een plan presenteerde om de bovenbouw van het voortgezet onderwijs drastisch te reorganiseren. De problemen zijn er groot, schreef hij in een rapport. Leerlingen kozen door de vrije pakketkeuze voor `pretpakketten' zonder exacte vakken. Daardoor vielen veel studenten in het hoger onderwijs uit, in die tijd rond de 30 procent van de eerstejaars. Daarbij liepen er duizenden werkloze doctorandi rond, terwijl aan lager opgeleid personeel juist gebrek was. Een zwaar vwo-programma kon de havisten buiten de deur houden. Elk profiel zou moeten bestaan uit een algemeen, voor iedereen verplicht deel, een verplicht profieldeel en een vrije keuzedeel dat iedere leerling zelf zou mogen samenstellen.

Wallage had nog meer plannen. Kort na de presentatie van zijn nota kwam hij in contact met het Roland Holst College in Hilversum, waar de nu 69-jarige Clan Visser 't Hooft op dat moment rector was. De school was afgebrand en Visser 't Hooft benaderde Wallage om geld voor nieuwbouwplannen.

ZELFSTUDIE

Wallage, die de school wilde zien voordat hij geld zou geven, was onder de indruk van de manier waarop Visser 't Hooft haar school had hervormd. Leerlingen deden er aan zelfstudie, werkten in groepen en luisterden maximaal tien minuten per les naar de leraar. ``De deal was snel gemaakt'', zegt Visser 't Hooft. ``Ik kreeg geld voor de renovatie van het schoolgebouw, als hij mij naar Den Haag mocht halen om het onderwijs landelijk te vernieuwen.

Naast de profielen wilde Wallage namelijk ook dat de manier van lesgeven op school meer ging lijken op die in het hoger onderwijs. Leerlingen moesten, net als op het Roland Holst College, meer zelfstandig werken in aparte ruimten. Leraren moesten meer begeleiden in plaats van lesjes afdraaien en overhoren. Met behulp van dossiers zouden leerlingen hun eigen `leerproces' bijhouden..

Wallage nu: ``Ik wilde dat leerlingen echt zelfstandige studenten zouden worden. Nu denk ik: we hadden realistischer moeten zijn en moeten accepteren dat slechts ongeveer eenderde van de scholen het in zich heeft om enthousiast te veranderen.

Wallage liet rector Visser 't Hooft samen met consultant Leo Markensteijn als `wegbereiders' onderzoeken wat er moest gebeuren om beide vernieuwingen tegelijk in te voeren. De Tweede Kamer was op dat moment enthousiast over de voorlopige plannen van Wallage. Alleen de SGP mopperde op de naam `wegbereiders', omdat dat een verwijzing zou zijn naar het bijbelboek Jesaja, waar in hoofdstuk 40 staat: `Hoor, iemand roept: Bereidt in de woestijn de weg des Heren'.

Op aandringen van Visser 't Hooft stelde Wallage een commissie in, de Stuurgroep Tweede Fase. Hij vroeg zijn voorganger, Nel Ginjaar-Maas (VVD) om voorzitter van die groep te worden. ``Dat was een slimme zet'', zegt Visser 't Hooft. ``Op die manier dreef hij een partij die mogelijk dwars kon liggen in zijn eigen kamp.'' Wallage verzamelde in de stuurgroep progressieve hoogleraren, rectoren en onderzoekers. Visser 't Hooft werd vice-voorzitter.

Ambtenaren op het ministerie van Onderwijs waren minder blij met de commissie, die de invloed van de ambtenarij fors inperkte. Wallage: ``Maar ik wilde dat er een onafhankelijke commissie zou komen om de steun in het onderwijs zo groot mogelijk te maken.''

`Draagvlak' werd het sleutelwoord. Iedereen moest `meepraten' en `ideeën inbrengen'. Dit om te voorkomen dat scholen en leraren de indruk zouden krijgen dat zij de onderwijsvernieuwing opgelegd kregen. Al snel kwam er een groot en ingewikkeld overlegcircuit op gang. De commissie stelde werkgroepen in, voor ieder vak één, waarin hoogleraren en docenten voorstellen mochten doen over hoe het vak er straks moest uitzien.

Achteraf, zegt Visser 't Hooft, ``is het daar misgegaan''. ``Iedereen was helemaal gericht op zijn eigen vak. Daar moesten zoveel mogelijk uren bij.'' Wallage: ``Er ontstond een mushawarah van overleggen waarbij iedereen alleen zijn eigen vak promoot.''

Zo ook met het vak wiskunde. Hans van Lint, tussen 1988 en 1998 bestuurslid van de Nederlandse vereniging van wiskundeleraren, praatte uitgebreid mee. Op het verlanglijstje van de leraren stond de verzwaring van het vak bovenaan. ``We wilden meer harde en minder praktische wiskunde. Een praktijksituatie moesten leerlingen weer in een fatsoenlijk theoretisch model kunnen vertalen.''

LOBBY

Directeur Jan de Lange van het Freudenthal Instituut voor wiskundedidactiek begon intussen een lobby bij de Onderwijscommissie van de Tweede Kamer voor zijn vak. Hij hield gloedvolle betogen over het nut van wiskunde voor het hoger onderwijs. Ook de universitaire koepel VSNU pleitte in talloze brieven aan de Kamercommissie voor het verplichten van het vak wiskunde.

De meeste vakorganisaties werkten op dezelfde manier, zegt Rein Zunderdorp. Hij is voormalig voorzitter van het Procesmanagement voortgezet onderwijs (PMVO), de opvolger van de Stuurgroep Tweede Fase. ``Bij ambtenaren en leden van de Stuurgroep werkte het niet zo, maar bij de Tweede Kamer vonden de organisatie een gewillig oor. De tactiek was dan ook om hen zoveel mogelijk te vertellen dat juist hún vak essentieel was.''

En dat moest hard gemaakt worden, zegt Zunderdorp. Het ene na het andere onderzoek werd gepubliceerd. Over de historische kennis van Tweede-Kamerleden. Over het nut van vreemde talen in een verenigd Europa. Over de teloorgang van de economisch zo belangrijke bètastudies. Kamerlid Clemens Cornielje (VVD): ``Ik heb iedereen bij mij op mijn kamer uitgenodigd. Maar ik heb wel altijd gezegd: vertelt u mij dan wel wat er uit het pakket moet zodra we uw vak meer ruimte geven.''

Het aantreden van Wallages opvolger en partijgenoot Tineke Netelenbos in 1994 deed het proces verder escaleren. Want Netelenbos wilde de Tweede Fase nog veel verder verzwaren dan de commissie-Ginjaar. De stuurgroep pleitte intern voor een maximum aantal van 1.500 `studielasturen' het aantal klokuren dat een leerling per jaar aan schoolwerk besteedt. Maar Netelenbos veegde dit advies van tafel. ``Ik vond 1.600 uur echt het minimum'', zegt de oud-staatssecretaris. ``Ik ging ervan uit dat een scholier een werkweek van veertig uur heeft, en dat veertig weken lang.''

In een rapport van oktober 1995 adviseerde de Stuurgroep Tweede Fase om het vak wiskunde op het vwo te verplichten, zij het niet als examenvak. ``De universiteiten hebben daar een grote rol in gespeeld'', zegt Visser 't Hooft. ``Zij riepen constant dat wiskunde hét vak was.'' Netelenbos: ``Ik kreeg van de instellingen het signaal dat veel studenten geen kaas van statistiek gegeten hadden. Dat moest veranderen, zodat een gediplomeerde leerling in principe het hoger onderwijs met succes kon afronden.''

De Tweede Kamer hoefde op dat moment niet meer van het nut van de Tweede Fase overtuigd te worden. Veel fracties vonden zelfs dat het programma best nóg wat zwaarder mocht. De coalitiepartijen PvdA en VVD dienden voorstellen bij Netelenbos in om wiskunde in het alfaprofiel als volwaardig vak tot en met 6-vwo te verplichten. En dus werd wiskunde plotseling een verplicht examenvak voor alle vwo-leerlingen al zag de stuurgroep dat niet zitten.

Zunderdorp: ``Op mijn vraag of de typische alfaleerlingen dan moesten afvallen, antwoordde het ministerie onomwonden met `ja'. De hele operatie begon ooit vanuit de overtuiging dat er te veel studenten in het hoger onderwijs kwamen. Een ernstige vergissing in de kennismaatschappij. De mythe van het allesoverheersende belang van wiskunde voor alle studies leverde vervolgens het ideale selectiemiddel.''

Oud-bestuurslid Hans van Lint van de verenigde wiskundeleraren: ``Maar zó hebben wij het ook niet gewild. Wij zijn er nooit voor geweest dat iedere leerling, ongeacht zijn interesse, verplicht werd om examen in wiskunde te doen.'' Alleen de VSNU roemde het voorstel, dat nu eindelijk eens ``de puntjes op de i'' zette.

RUZIE

De Tweede Kamer maakte zich niet druk over de verzwaringen. Het slotdebat werd overheerst door een ruzie tussen de Kamerleden Dijksma (PvdA) en Van de Camp (CDA) over het vak maatschappijleer, dat volgens het CDA ook een verplicht vak moest worden. Een jaar uitstel van de invoering zou de rest van de problemen op moeten lossen.

De Kamer ging akkoord in de euforie van het moment, herinnert zich Lambrechts. ``Iedereen dacht er toen hetzelfde over: hoe zwaarder, hoe beter. De Tweede Fase was een mammoettanker die op stoom was gekomen. Die houd je niet zomaar tegen.''

De Stuurgroep Tweede Fase kon evenmin de steun aan de vernieuwing opzeggen, ondanks de twijfels. ``Daarvoor was het te laat'', zegt Clan Visser 't Hooft. ``Er waren al scholen heel enthousiast aan het experimenteren met het Studiehuis. Dat konden we niet zomaar negeren.''

Maar de Kamer is ook een paar keer ``op het verkeerde been gezet'', zo verdedigt Cornielje het Kameroptreden. Een paar dagen nadat de Kamer in juni 1997 akkoord ging met de Tweede Fase, verscheen er bijvoorbeeld een kritisch rapport van de Onderwijsinspectie over experimenten van scholen met het Studiehuis. Goede leerlingen redden zich prima, maar de zwakkeren hadden veel moeite met het zelfstandig leren. Cornielje: ``Die informatie is ons onthouden door het ministerie. Dat kan niet anders.'' Bovendien, zegt hij, was het niet de Tweede Kamer maar de Stuurgroep Tweede Fase die had moeten zien dat het programma in de jaren ervoor langzaam overladen werd. ``Wij hebben ons niet met de inhoud van de vakken bemoeid.''

Al snel na die invoering, vanaf september 1998, bleek hoe lastig scholen het kregen met de onderwijsvernieuwingen. Lesmateriaal was niet klaar, leerlingen moesten niet langer examen doen in zes of zeven maar in veertien of vijftien vakken. Al na tien weken schreef de nieuwe staatssecretaris van Onderwijs, Karin Adelmund (PvdA), een nota om de werkdruk te verlichten. Zo mochten scholen van haar de praktijkuren voor vakken als scheikunde, biologie en natuurkunde inkorten om de vrijgekomen tijd aan klassikale theorielessen te kunnen besteden.

Een volledig uit de hand gelopen scholierendemonstratie, op 6 december 1999, deed de rest. Tienduizenden scholieren gooiden hekken om en jouwden staatssecretaris Adelmund uit. Deze trok, geschrokken, alle verloven in op het ministerie en kondigde verlichtingen aan. Zo beperkte zij het aantal profielwerkstukken tot één. Examenregelingen werden versoepeld. Ook wilde zij het vak algemene natuurwetenschappen en een tweede vreemde taal schrappen, maar na woedende reacties van scholen die net hun lesprogramma op orde hadden trok de staatssecretaris dat weer in.

ARMOEDIG

Maar de kritiek op de Tweede Fase verstomde niet. De Onderwijsinspectie volgde wat er van het `nieuwe leren' terechtkwam. De conclusie: veel leraren gaven `armoedig' les. Praktische opdrachten maken, werkstukken nakijken en computers toepassen: het bleek niet eenvoudig. Meer dan 35 procent van de docenten zei dat het plezier in het lesgeven sinds de invoering van het Studiehuis was afgenomen.

En de Tweede Kamer? Die steunde de plannen van Adelmund om de Tweede Fase te verlichten en is het ook nu eens met minister Van der Hoeven dat de overladenheid en versnippering teruggebracht moet worden, al willen sommige partijen slechts kleine aanpassingen. Met het ideaal loopt niemand meer te koop. Rein Zunderdorp is wijzer geworden, zegt hij. ``Alle idealen tegelijk invoeren, dat was achteraf vragen om complicaties.'' Kamerlid Lambrechts: ``We hebben ons collectief druk gemaakt over wat er allemaal in examenprogramma's moest. Hoe de leraren en leerlingen dat allemaal moesten uitvoeren bleef al die tijd onderbelicht.''

Maar bij de bedenkers overheerst het onbehagen over de plannen van Van der Hoeven. ``Een grote onderwijsvernieuwing heeft jaren tijd nodig'', zegt Netelenbos. ``In de politiek heerst de cultuur van het snelle scoren, terwijl de scholen net op gang zijn.'' Nooit, zegt zij met klem, zou zij gezwicht zijn voor de protesten van scholieren en leraren.