We hebben 137 gasten online

2005 De vernieuwde Basisvorming

Gepost in Onderwijs

Minder verplichte vakken voor VO leerlingen

Leerlingen in de onderbouw van het voortgezet onderwijs krijgen tijdens de 'basisvorming nieuwe stijl' minder uren verplichte lesstof. Daarnaast wordt het niveau van de vakken aangepast aan de capaciteiten van individuele leerlingen en krijgen scholen meer ruimte een eigen gezicht aan de onderbouw te geven.
Afgelopen donderdag is het rapport 'Beweging in de onderbouw' aangeboden aan minister Van der Hoeven van Onderwijs.

Het rapport pleit voor vernieuwing in de basisvorming. Dat systeem werd in 1993 op alle middelbare scholen ingevoerd, maar zorgde direct al voor veel problemen. Alle leerlingen in het vmbo, havo en vwo krijgen de eerste twee jaar dezelfde vakken. Voor het vmbo bleek dit veel te zwaar, vwo-leerlingen misten juist de diepgang in de stof.

In de 'basisvorming nieuwe stijl' worden geen vakken geschrapt, maar wordt het aanbod toegespitst op het type school en het niveau van de leerling. De leergebieden blijven bestaan, maar leraren bepalen straks zelf hoeveel uren ze hierin lesgeven. Dit wordt nu nog voorgeschreven door het Ministerie van Onderwijs.

De voorstellen die in het rapport worden genoemd, zijn opgesteld na talloze gesprekken met schoolmedewerkers. Minister Van der Hoeven vindt dat een groot pluspunt. "Je moet de scholen erbij betrekken, anders wordt het niets. Het is belangrijk dat scholen er achter staan."

de organisaties voor bestuur en management in het voortgezet onderwijs laten in een gezamenlijke verklaring weten dat scholen met deze vernieuwing meer ruimte krijgen voor samenhang in het leren, voor maatwerk en eigen keuzes, en vooral voor onderwijs dat beter is toegesneden op de leerling.
Scholen in het voortgezet onderwijs hebben meer ruimte nodig om in de onderbouw onderwijsprogramma's aan te bieden die passen bij de school en haar leerlingen. Leraren hebben tijd nodig om samen met collega's te overleggen en lessen te ontwikkelen. Beperkende voorschriften en regels kunnen worden afgeschaft, het aantal kerndoelen kan aanzienlijk worden beperkt en ze kunnen globaler worden geformuleerd. De overheid moet stimuleren dat scholen daadwerkelijk onderwijs ontwikkelen dat past bij jongeren van 12 tot 14 jaar. Dat is de kern van het advies dat de Taakgroep Vernieuwing Basisvorming vandaag aan onderwijsminister Van der Hoeven presenteert. Zeker voor de scholen komt het advies niet uit de lucht vallen. In gesprekken met de Taakgroep geven scholen aan graag meer in te spelen op de behoeften van individuele leerlingen. Zij noemen het tijdgebrek van leraren als belemmering.

De Taakgroep is in 2002 ingesteld door de minister van onderwijs om een advies uit te brengen dat tegemoet komt aan de kritiek op de basisvorming, zoals die in 1993 is ingevoerd: een programma waarin samenhang ontbreekt en dat geen recht doet aan verschillen tussen leerlingen. Aan een deel van de leerlingen biedt de basisvorming te weinig diepgang, voor anderen is het programma te zwaar en overladen. In het eindrapport 'Beweging in de onderbouw' stelt de Taakgroep dat leraren en schoolleiders in het voortgezet onderwijs wel de ambitie hebben om 'individuele en groepen leerlingen als maat te nemen', maar dat de mogelijkheden daar op dit moment voor ontbreken. Tijd voor leraren om te overleggen over het programma en over leerlingen is daarbij een belangrijke factor. De Taakgroep stelt daarom voor dat scholen in staat gesteld worden om leraren in de onderbouw ongeveer een dagdeel per week in te zetten voor schoolontwikkeling.

Andere condities die de ontwikkeling van de onderbouw ten goede komen, zijn het ruimer omgaan met de inzetbaarheid van leraren, het ontwikkelen van leerlingvolgsystemen en de ontwikkeling van flexibel inzetbare leermiddelen. De Taakgroep stelt verder een vervolgproject 'Onderbouw' voor, dat scholen de komende vier jaren kan ondersteunen bij schoolontwikkeling en dat een verbindende positie krijgt tussen de overheid, de scholen, de uitgevers en de onderwijsondersteuners.

Karakteristiek en kerndoelen
De Taakgroep wil scholen de mogelijkheden geven om onderwijs aan te bieden dat recht doet aan de grote verschillen tussen leerlingen in deze leeftijdsfase. De huidige 280 (soms zeer specifieke) kerndoelen die gelden voor alle leerlingen en de gedetailleerde regelgeving maken dat voor scholen een lastige opgave. De Taakgroep heeft daarom een algemene karakteristiek opgesteld die het perspectief van de leerling benadrukt. Deze geldt als richtsnoer voor het onderwijs in de onderbouw. De hoofdlijnen daarin zijn: meer samenhang in het programma, een actieve rol van de leerling, een doorlopende leerlijn. Verder stelt de Taakgroep voor om de huidige kerndoelen te vervangen door een set van 58 richtinggevende doelen voor het kernprogramma. Het uitgangspunt daarbij is dat de overheid de kaders stelt en de scholen zelf bepalen hoe ze het onderwijsprogramma organiseren: ze mogen die kerndoelen aanbieden in vakken, in bredere leergebieden of bijvoorbeeld in projecten.
Voor dit kernprogramma geldt als voorwaarde dat scholen hier tenminste tweederde van de leertijd in de eerste twee leerjaren aan besteden. In de overige leertijd plaatsen scholen programma-onderdelen die ervoor zorgen dat onder- en bovenbouw goed op elkaar aansluiten (de moderne vreemde talen, bijvoorbeeld) of die passen bij het profiel van de school en de leerling.

Variëteit en kwaliteit
De Taakgroep voorziet dat het afschaffen van gedetailleerde regels en voorschriften en het bieden van meer ruimte voor het maken van eigen keuzes leiden tot meer verschillen tussen scholen. In de voorstellen van de Taakgroep is en blijft de overheid verantwoordelijk voor de kwaliteit van het onderwijs, maar verschuift het accent. Het gaat er vooral om dat scholen kwaliteit aantonen in de ontwikkeling van de school. De scholen zullen zich over hun keuzes moeten verantwoorden; naar de leerlingen, de ouders, de leraren, het vervolgonderwijs en uiteraard naar de overheid. De Taakgroep legt daarom veel nadruk op het versterken van de interne kwaliteitszorg.

Specifieke adviezen
De Taakgroep vindt dat voor leerlingen in de onderbouw van het Vmbo naast Engels een tweede moderne vreemde taal verplicht moet zijn, met uitzondering van leerlingen die doorstromen naar de basisberoepsgerichte leerweg en leerlingen in het leerwegondersteunend onderwijs. Deze tweede taal kan, zoals nu vaak het geval is, Frans of Duits zijn, maar ook een andere moderne taal, mits daar een examenprogramma voor is vastgesteld. In Friesland blijft onderwijs in de Friese taal en cultuur verplicht. De Taakgroep heeft daarvoor nieuwe kerndoelen opgesteld. Over 'maatschappelijke oriëntatie' (actief burgerschap, sociale cohesie en integratie) stelt de Taakgroep dat dit een aspect is dat in allerlei activiteiten in de school zit verweven: in het programma, in de schoolcultuur, de school als gemeenschap en de relaties van de school met de omgeving. Het is niet gewenst en niet zinvol daar een apart vak van te maken.

Werkwijze Taakgroep
Het advies van de Taakgroep is volgens de opdracht in nauw contact met de scholen tot stand gekomen. Uit de interactieve aanpak (met onder andere conferenties, raadplegingen, schoolbezoeken en enquêtes) valt af te leiden dat er onder schoolleiders en leraren brede steun is te vinden voor de beweging die de Taakgroep in de onderbouw beoogt: minder gedetailleerde regels en scholen faciliteren om zelf meer samenhang in het programma te brengen, passend bij de eigen leerlingen en omstandigheden. Veel scholen hebben al een stap in deze richting gezet.