We hebben 201 gasten online

2005 Hans Wansink: Studiehuistragedie

Gepost in Onderwijs

 in Haagse berichten Volkskrant 22 november 2005

Als Nederland, zoals vroeger, een grote mogendheid in de kenniseconomie wil zijn, dan zal de onderwijspolitiek weer een zaak van de politieke leiders moeten worden. De treurige gang van zaken rond het studiehuis, de inrichting van de bovenbouw van de havo en het vwo, lijkt in alles op een Griekse tragedie. Het noodlot voltrok zich zonder dat een sterveling de gebeurtenissen naar zijn hand kon zetten.

De Volkskrant kreeg in het treurspel de rol van Cassandra toebedeeld, van de waarzegster naar wie niemand luistert. Aan de vooravond van de invoering van het studiehuis in 1998 organiseerden Xandra van Gelder, Pieter Hilhorst, Michaël Zeeman en ik een fuIl dress debate over de zin en onzin van deze onderwijsvernieuwing. De nieuwe studieboeken werden per vak gerecenseerd, argumenten gewisseld.

Uit het Volkskrant-debat bleek dat driekwart van de docenten tegen het studiehuis was en dat onwelkome informatie over het studiehuis door het ministerie werd achtergehouden.

Met de titel van het project, 'Heimwee naar de hbs', raakten we een open zenuw in het onderwijsveld. We werden overstelpt met ongevraagde bijdragen van verontruste leerkrachten, wetenschappers en ouders.

:Ach, was de hbs er nog maar', verzuchtte een oudere commentator van deze krant toen wij de zoveelste onderwijsvernieuwing van een hoofdredactionele kanttekening moesten voorzien. De hbs, opgericht in 1863 door niemand minder dan de liberale staatsman Thorbecke, is zonder twijfel de meest succesvolle onderneming op onderwijsgebied aller tijden. Met een diploma hbs was je klaar voor het grote-mensenleven. Meer had je eigenlijk niet nodig, al kon je natuurlijk nog naar het hoger onderwijs.

De hbs was een praktische opleiding voor de burgerij, die toegang gaf tot de Polytechnische School in Delft, tot de officiersopleiding en tot de de ambtenarij in Indië.. Maar je kon er ook meteen mee aan de slag: op kantoor, bij het spoor, in de fabriek, als landmeter, onderwijzer of apotheker. Met het kernprogramma van de hbs was niks mis: Nederlands, Frans, Duits, Engels, wiskunde, natuurkunde, biologie, geschiedenis, aardrijkskunde en tekenen. In de examenfase werden ook nog vakken als handelswetenschappen, staatsinrichting, kosmografie en mechanica onderwezen.

In de leraarskamers werd nog tientallen jaren na de invoering van de hbs geklaagd over het overladen programma en het hoge niveau. Maar de hoge eisen werden afgedwongen door de leerlingen en hun ouders zelf. Want de overgrote meerderheid van de hbs'ers ging niet werken, zoals de bedoeling van Thorbecke was, maar studeerde verder. Toen in 1905 de faculteiten wis- en natuurkunde en geneeskunde rechtstreeks toegankelijk werden voor hbs'ers, verviervoudigde het aantal studenten in de exacte wetenschappen in één klap.

Nederland was honderd jaar geleden, dankzij de hbs, een grote mogendheid op het gebied van de natuurwetenschappen. Een milde regen van Nobelprijzen daalde over ons land neer: Van 't Hoff, Lorentz, Zeeman, Van der Waals, Kamerlingh Gnnes.

De manier waarop de onderwijspolitiek door Thorbecke en zijn opvolgers werd gemaakt, verschilt in alles van de praktijk van de laatste dertig jaar.

In de eerste plaats was de onderwijspolitiek een zaak van de politieke. leiders, niet van backbenchers.

In de tweede plaats stond de onderwijspolitiek in het teken van de vooruitgang van de natie. Het ontwikkelen van talenten stond niet in het teken van de individuele ontplooiing, maar in dienst van Hollands welvaren.

In de derde plaats maakte niemand zich druk over gelijke kansen. Elke sociale laag kende z'n eigen onderwijs: het gymnasium voor de geleerde stand, de ambachtsschool voor de arbeider, de huishoudschool voor zijn vrouw en de handelsschool voor de middenstander.

Als Nederland zijn positie als grote mogendheid in de kenniseconomie wil heroveren, dan zal de onderwijspolitiek weer een zaak van de politieke leiders moeten worden. Dan zal het economische, staatkundige en culturele belang van het onderwijs moeten prevaleren boven de individuele ontplooiing van het individu.

En dan moeten we afscheid nemen van onze fatale obsessie met 'gelijke kansen'. Sinds de slager in een Mercedes rijdt, de schilder in een four wheel drive en de doctorandus op z'n fiets naar het werk gaat, hoeven we ons over het onderwijs als reproducent van de standenmaatschappij geen zorgen meer te maken.

Dertig jaar lang zijn de onderwijsmakers gebiologeerd door de 'achterstandsleerlingen' - zonder veel resultaat overigens. Het toptalent is verwaarloosd. Kennisoverdracht en discipline, juist van belang voor leerlingen die minder goed kunnen meekomen, staan niet langer centraal in de klas. De aansluiting tussen het onderwijs en de arbeidsmarkt is ver te zoeken. Inmiddels moeten we onze vakmensen uit Oost-Europa laten komen en onze techneuten uit India.

In de 'tijd van de hbs vormden de leraren een zelfbewuste stand met een groot maatschappelijk aanzien. Nu is van die eigenwaarde niet veel meer over. De kwaliteit van de lerarenopleidingen heeft enorm geleden onder het volstrekt misplaatste dogma dat didactische vaardigheden belangrijker zouden zijn dan vakkennis.

Ik vind het niet overdreven dat de Tweede Kamer een parlementaire enquête houdt naar de wijze waarop een gesloten 'educatiefpolitiek complex' van bureaucraten en specialisten (de term is van Bart Tromp) er met het Nederlandse onderwijs vandoor is gegaan. Die zelfreiniging lijkt mij een voorwaarde om het vertrouwen van de samenleving in de (onderwijs- )politiek te herstellen.