We hebben 151 gasten online

2005 drs. K de Jong: Studenten weten te weinig

Gepost in Onderwijs

Invoering studiehuis heeft invloed op hoger onderwijs

drs.K. de Jong OZN in het Goede Leven 29 oktober 2005

In 1999 werd in de beide hoogste klassen van het havo en het vwo de inrichting van het onderwijs grondig gewijzigd. Ingevoerd werd een vernieuwde tweede fase, welbekend als het studiehuis. Het was een belangrijke vraag hoe het een en ander zou uitpakken en daarom werd een evaluatie beloofd. Die is er gekomen en de resultaten zijn door minister Van der Hoeven naar de Tweede Kamer gestuurd. Door drs. K. de Jong Ozn.

De leerlingen kregen meer vakken, veertien of vijftien, moesten zelfstandiger werken, kregen minder klassikaal les , en moesten in plaats daarvan in een zogeheten studiehuis aan het werk. Ze zouden meer moeten 'leren leren', vaardigheden werden belangrijker, parate kennis werd" dat minder. Het ging er meer om dat je wist waar bepaalde kennis te vinden was, die ook moest worden verwerkt in werkstukken.

Bij de evaluatie is met name nagegaan hoe de leerlingen die volgens het nieuwe systeem zijn opgeleid het doen in het hbo en op de universiteit. Een algemene condusie was dat de studenten die na de nieuwe tweede fase eindexamen deden minder weten dan zij die het oude havo of vwo volgden. Wel waren hun algemene vaardigheden (zoals presenteren en discussiëren) beter ontwikkeld. Ook was de aansluiting op het hbo en vwo beter, maar de studenten konden niet beter zelfstandig werken. Wel zakten er minder leerlingen voor hun eindexamen dan vroeger. Verder viel de soms zeer gebrekkige kennis op van het Nederlands bij nogal veel studenten.

Als voorbeelden van het gebrek aan kennis werd gemeld dat studenten het niet verschil zouden weten tussen de Balkan en de Baltische staten, of waar de Atlantische Oceaan ligt (bij Kroatië, mis- schien?). Wie de toneelschrijver Harold Pinter was die onlangs de Nobelprijs kreeg. Eerstejaars geschiedenis zouden nog nooit van de beroemde historicus Huizinga hebben gehoord.

Nu zullen sommigen misschien opperen dat studenten dit toch kunnen opzoeken via de internet-zoekmachine Google. Maar daar staat tegenover dat je om het dagelijkse nieuws te kunnen volgen en je als mondig (I) lid van de samenleving een oordeel over allerlei zaken te kunnen vormen, je toch een zekere basiskennis nodig hebt. Bovendien is bekend dat die burgers het makkelijkst te manipuleren zijn die weinig of niets weten. Het is daarom dat er tegenwoordig bijvoorbeeld gepleit wordt voor een Canon van de Vaderlandse geschiedenis - een opsomming van wat iedere volwassen Nederlander van zijn geschiedenis zou moeten weten. Iets dergelijks wordt ook bepleit voor vakken als aardrijkskunde, godsdienst en wereldpolitiek.

Bij een evaluatie als deze is het - ook gewenst je af te vragen wat ook weer het doel was van deze onderwijsontwikkeling. Die was dat de : aanstaande studenten qua niveau en qua aansluiting beter zouden zijn voorbereid op het hoger onderwijs. Dit nu, is na het voorgaande wel duidelijk, is maar zeer ten dele het geval.

Gebrek aan kennis

Het ernstigste negatieve punt is de achteruitgang van de kennis en de taalvaardigheid van de aankomende studenten. Daar zal iets aan moeten worden gedaan. Dat houdt niet in dat de overheid opnieuw wijzigingen zou moeten aanbrengen in de regelingen voor de tweede fase. Dat is nu al tweemaal gebeurd en men zou de (relatieve) rust op de scholen niet opnieuw moeten verstoren. Het is in de eerste plaats aan de scholen zelf om er iets aan te doen. En dat kunnen ze ook heel goed. Want bij de invoering van de nieuwe tweede fase was er met name op één punt een behoorlijke ruimte voor eigen invulling, voor eigen initiatieven. Dat betreft de organisatie van het studiehuis en ook de mate waarin men ervan gebruik maakt. Die verschilt per school heel sterk. De ene school laat nog veel klassikale lessen geven. de andere doet dat minder. Dat betekent ook een verschil in controle van de kennis door de leerlingen verworven. Hetzelfde geldt voor het schoolonderzoek. Ook daarin zou men meer de nadruk kunnen leggen op kennis. Waarbij niet alleen de leraren Nederlands scherp zouden moeten toezien op het schriftelijk taalgebruik van de leerlingen.

Wat er aan de hand is met het gebrek aan kennis bij leerlingen. studenten en ook bij volwassenen betreft in feite een algemeen maatschappelijk verschijnsel. Reeds in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw werd het standpunt verlaten dat kennis op zichzelf nuttig zou zijn. Nee, dat is zij niet, werd toen door met name de zogeheten progressieven verkondigd. slechts die kennis is nuttig die maatschappelijk relevant is.

Het waren ook dezelfden die het vak geschiedenis onder wilden brengen bij maatschappijleer. Daarna deed de opvatting opgeld dat het verwerven van kennis vrij nutteloos was, omdat veel kennis snel verouderde. Dat betrof misschien kennis van technische zaken, maar niet van vakken als talen, geschiedenis, aardrijkskunde, maatschappijleer, et cetera.En nu zijn we op het punt aangekomen dat volwassenen zelf in de praktijk gaan ondervinden hoe ze er last van kunnen krijgen wanneer ze zo weinig van allerlei zaken afweten. Daarom zie je buiten het onderwijs allerlei handige boekjes, bijvoorbeeld over geschiedenis, verschijnen, om mensen te helpen bij het 'bijspijkeren'.

In feite is de invoering van de nieuwe tweede fase een veel fundamentelere zaak geweest dan menigeen dacht. Was het onderwijs vroeger cultuuroverdracht, nu gaat het meer om de sociale vorming van de leerling en om zijn vaardigheden. Bovendien is de overheid veel meer gaan voorschrijven dan daarvóór.

Naast deze evaluatie is daarom

dringend een onderzoek nodig of deze twee ontwikkelingen wel gewenst waren. De overheid zou weer eens zijn hand in eigen boezem moeten steken.

drs.K. de Jong OZN in Het Goede Leven van 29 oktober 2005