We hebben 142 gasten online

2005 drs.R.Kraakman: Prick

Gepost in Onderwijs

reactie van de voorzitter Raad van Bestuur OMO in Omologie schooljaar 2004-2005 nummer 6

in persoonlijk gesproken

Prick

Het zat er natuurlijk dik in. Pieter Hendrikse becommentarieert de columnisten Prick en Van Haperen (zie vorige nummer OMOlogie) en Prick reageert onmiddellijk via zijn 'huisblad' NRC Handelsblad (26 & 27 maart 2005) en Van Haperen doet dat in dit nummer. Op de reactie van Prick wil ik van mijn kant ook weer reageren, met name omdat die reactie zo'n fraaie, maar ook onthutsende inkijk geeft in wat Prick stuurt. Om mijn reactie te kunnen plaatsen, wil ik voor u, als mogelijke niet-lezer van NRC Handelsblad, eerst de kern van de opvatting van Prick weergeven.

Prick stelt dat Hendrikse niet begrijpt wat de oorzaak is van -wat Hendrikse noemt- zijn cynisme. Het gaat volgens hem niet om de vraag of besturen al dan niet fatsoenlijk hun werk doen, maar om het probleem dat vele grote schoolbesturen de centralistische rol van het ministerie hebben overgenomen. Scholen gaan, zo stelt Prick, niet langer gebukt onder het juk van Zoetermeer, maar onder dat van hun bestuur.

Zo, dat is nogal een bewering. Wat Prick maar even (gemakshalve?) buiten beschouwing laat, is dat de regulering door het ministerie niet als vanzelfsprekend kan leiden tot een situatie waarin de besturen ook niks te doen of te regelen hebben. Deregulering vanuit de rijksoverheid is (tot nu toe) meestal synoniem met decentralisatie van taken en verantwoordelijkheden.

Het deregulerende overheidsbeleid heeft overduidelijk verantwoordelijkheden verlegd naar de besturen, die vervolgens gehouden zijn daar vorm en inhoud aan te geven. Lumpsum-financiering leidt tot allocatietaken bij het bestuur en eisen op het gebied van financiële organisatie en administratie. Decentralisatie van werkgeversverantwoordelijkheid leidt tot decentrale afspraken (bij OMO dus een eigen CAO), die uitgevoerd en bewaakt moeten worden. Verantwoording achteraf stelt hoge eisen aan controle en toezicht, eisen overigens die ook politiek, van incident naar voorval, steeds opnieuw en sterk worden onderstreept en vaak aangescherpt. Ook maatschappelijk krijgt controle en toezicht steeds meer aandacht, zie ook maar eens de veranderde posities vanuit de accountancy.

Anders dan Prick suggereert, schrijft het OMO-bestuur scholen op het gebied van het zogeheten primaire proces, onderwijs dus, niks voor, indachtig de slogan: "OMO doet in scholen. Scholen doen in onderwijs." In de feitelijke praktijk blijkt van een regelbehoefte van het schoolbestuur, vanuit zichzelf zogezegd, geen enkele sprake.

Waar baseert Prick zijn stellingname dán op? Een interessante, maar niet zo moeilijk te beantwoorden vraag. In mijn 12,5-jarig voorzitterschap van Ons Middelbaar Onderwijs heb ik Prick nog nooit ontmoet of gesproken. Hij heeft nooit enige merkbare belangstelling voor Ons Middelbaar Onderwijs getoond, nooit in formatie of documenten opgevraagd. Een representatieve steekproef onder de OMO-schoolleiders levert hetzelfde resultaat op: nooit gezien op mijn school! Alles bijeen leidt het tot een enkele conclusie: Prick is ten prooi gevallen aan een vooroordeel. Dat scoort publicitair natuurlijk wel goed, maar siert een criticus niet. Mijn voorstel aan Prick is dan ook: kom eens langs om je te laten informeren. Dat zal ik dan graag doen, met onverholen trots op wat de OMO-organisatie en haar scholen presteren! Niet álles gaat goed, maar het meeste wel. Misschien wel aardig nog te vermelden, dat in de Beleidskaders 2005-2006 (en die verscheen voor de column van Prick!) wordt aangekondigd, dat we nog eens nader gaan bezien (o.a. door benchmarking) hoe het met de bureaucratie bij OMO gesteld is.

Of we er ook alert op zijn!!!

Was getekend Rob Kraakman voorzitter Raad van Bestuur OMO