We hebben 147 gasten online

2006 Harko van den Ende: Kennisoverdracht is meer dan lesgeven

Gepost in Onderwijs

Harko van den Hende in Volkskrant 22 december 2006

Berekenen hoeveel geld op een hogeschool echt naar onderwijs gaat, kun je op verschillende manieren berekenen. Harko van den Hende meent dat of de verhouding op 'dit moment nu een vijfde of een kwart is, meer geld voor docenten is zeer welkom.

Van het totale budget dat één hogeschool aan collegegeld en rijksbijdrage ontvangt, gaat 21 procent direct naar het onderwijs, stellen Jan Bouwens en Annemarie Oudemans (Forum, 7 december). Van het totale budget dat mijn hogeschool aan geld van studenten en overheid ontvangt, geven wij zeker het dubbele direct uit aan het onderwijs.

Zijn er zulke grote verschillen tussen de hogeschool waarop Bouwens en Oudemans hun cijfer baseren? Of gaat het over dezelfde hogeschool (Oudemans werkt aan de HES, ook mijn hogeschool) en tellen we zo anders dat er wel andere getallen moeten uitkomen?

Het laatste, vermoed ik. Bouwens en Oudemans baseren zich op het lesrooster van een hogeschool, nemen het aantal lesuren voor een opleiding en vermenigvuldigen het aantal lesuren met een bepaalde factor om uit te komen bij de totale tijdsbesteding. Die tijd vermenigvuldigen ze met een docenten-uurtarief, waardoor ze op die 21 procent uitkomen.

Mijn methode is iets directer. Ik neem alle directe salariskosten van het - in hogeschooltaal- Onderwijzend Personeel. Die salariskosten deel ik op de totale inkomsten die wij krijgen voor het geven van onderwijs met als resultaat: 44 procent. En nogmaals, daar zitten personeelskosten zoals opleiden en kinderopvang niet in. Heel normale zaken die geld kosten en die, lijkt me, ook bij de directe kosten van docenten horen en daarmee tot de directe kosten van onderwijs. Anders zouden deze kosten, volgens de definitie van Bouwens en Oudemans, tot de kosten van bureaucratie gerekend moeten worden, en dat lijkt mij net iets te ver gaan.

Het verschil in uitkomst tussen hun en mijn methode zit vooral in de definitie van onderwijs. Bouwens en Oudemans noemen onderwijs kennisoverdracht en vinden dat kennisoverdracht bestaat uit lesgeven in de klas. Dat is geen gekke opvatting van kennisoverdracht, wel een minimalistische. Een simpel voorbeeld: studenten lopen een half jaar stage. Dat is een gewaardeerde en logische vorm van kennisoverdracht in het beroepsonderwijs. Tijdens die stage leren ze veel. De hogeschool begeleidt deze studenten ook op hun stage. Dat zijn geen lesroosteruren volgens de definitie van Bouwens en Oudemans, wel wenselijke en noodzakelijk inzet van docenten. Zo zijn er meer onderwijsvormen waarbij studenten leren zonder dat dit zich (volledig) in de klas afspeelt.

Het verschil in uitkomst kent nog (minstens) één andere verklaring. Die zit in het verschil tussen alle lesuren die een docent maakt en de taken die daar volgens Bouwens en Oudemans - terecht - bijhoren en de contracturen van een docent. Dat klinkt en is technisch, maar is in de kern terug te brengen tot enkele simpele feiten. Een zo'n feit is dat op een hogeschool een lesuur maar 50 minuten telt. Een ander feit is dat docenten bij een volle baan een aanstelling hebben van 1659 uur per jaar waarvan standaard 59 uur scholing afgaat terwijl van de resterende 1600 uur nog eens 10 procent is bestemd voor overleg, coördinatie, ontwikkelwerk, bijwonen open dagen. Dus pas rond 1400 uur begint de klok voor de directe kennisoverdracht te tikken. Als van een uur nog 10 minuten afgaan, blijft voor ware kennisoverdracht nog minder over. Tijd die wel moet worden betaald en dus in mijn som is meegenomen en niet in de telling van Bouwens en Oudemans. Deden ze dat wel, dan kwamen ze nog lager dan 21 procent uit.

Het is Bouwens en Oudeinans erom te doen, zo zeggen zij in hun artikel, tot een eenduidige definitie te komen van 'de hoeveelheid geld besteed aan direct contact tussen student en docent'. Daarin zijn ze niet helemaal geslaagd. Hun suggestie dat ik als manager behoefte heb aan verfijning om te kunnen claimen dat andere uitgaven ook direct van nut zijn voor kennisoverdracht voel ik niet. Als ik ergens behoefte aan heb, is het aan meer geld voor onderwijs preciezer voor docenten, nog preciezer vooral voor meer docenten in plaats van meer salaris.

Dat Bouwens en Oudemans schrijven dat '21 procent niet per se goed of slecht is', lijkt een poging neutraal over te komen. 21 procent naar het onderwijs, dat vind ik veel te weinig. Op zo'n hogeschool zou ik niet willen werken.

 

Harko van den Hende is afdelingsmanager van de Hogeschool voor Economische Studies in Amsterdam.