We hebben 137 gasten online

2006 Claartje Bunnik en Jan den Hollander: Goed schoolbestuur vraagt om gedegen kennis van de werkvloer

Gepost in Onderwijs

Claartje Bunnik en Jan den Hollander in Volkskrant 19 januari 2006

Claartje Bunnik is zelfstandig adviseur en Jan den Hollander is organisatieadviseur bij Van de Bunt Amsterdam

De discussie over het ontvlechten van bestuur en toezicht op scholen vereist kennis van de praktijk, Binnenkort bespreekt de Tweede Kamer de bestuurlijke inrichting van het onderwijs. Scholen worden steeds grotere en professionelere organisaties, en daarom wil de minister dat bestuur en toezicht uit elkaar worden getrokken. Dat leidt tot tamelijk abstracte discussies, die het echte probleem in het onderwijs onbenoemd laten. Dat probleem laat zich het beste illustreren aan de hand van twee voorbeelden uit de praktijk.

Voorbeeld 1. Het management van een middelbare school besloot voor leerlingen die zelfstandig konden en wilden werken een afzonderlijke klas op te zetten. Enkele docenten pasten hun werkwijze aan. De meeste docenten bleven hun oude gang gaan. Ze vonden de vernieuwing geen verbetering. Resultaat: een halfslachtige praktijk. Ingrijpen bleef echter uit, want niemand wist hoe die uitvoeringspraktijk eruit zag.

Voorbeeld 2. Een adjunct-directeur op een locatie van een grote scholengemeenschap, die op haar beurt weer onderdeel is van een nog veel grotere bestuurlijke eenheid, functioneert in feite als integraal schoolleider. Hij vraagt zich af wat de toegevoegde waarde is van zijn directeur, die hij weinig ziet. De schoolleiding bemoeit zich nauwelijks met het onderwijs op zijn school. Overigens zou hij zich daarvan niets aantrekken.

Iedereen die bekend is met de praktijk van het onderwijs, kan hieraan voorbeelden toevoegen. De vraag hoe je bestuur en toezicht kunt scheiden, lijkt in dit verband academisch. De echte vraag is hoe je de complexe realiteit van het onderwijs effectief kunt beïnvloeden en toezicht kunt houden op de uitvoering van het beleid. Daarbij gaat het, niet over abstracte sturingsinformatie en kengetallen, maar om inzicht in wat zich werkelijk afspeelt op de werkvloer.

Goed bestuur kan niet zonder begrip van het onderwijsproces. Begrijpen dus wat het betekent met deze vaak lastige leeftijdsgroep te werken, begrijpen dat er sprake 'is van vele verschillende onderwijsvisies tussen docenten, begrijpen dat er veel uitvoeringspraktijken zijn, begrijpen dat het bereik van personeelsinstrumenten beperkt is, begrijpen dat je te maken hebt met een beroepsgroep met weinig carrière- en/of beloningsperspectief en durven te erkennen dat dit vaak leidt tot ondoorzichtige werksituaties.

Elke managementlaag, toezichthouder en bestuur heeft zijn eigen verantwoordelijkheden en moet kunnen beschikken over goede informatie en de juiste instrumenten om die verantwoordelijkheden waar te kunnen maken. Toezicht, bestuur en uitvoerders zouden in een vruchtbaar samenspel moeten bijdragen aan het best mogelijke onderwijs in een school. Docenten zouden moeten weten wat er van ze verwacht wordt en een professionele bijdrage moeten leveren aan de onderwijsvisie van de school. Het bestuur moet niet alleen weten wat er moet worden gedaan, maar ook of die dingen goed worden gedaan en hoe er wordt bijgestuurd.

Het is de vraag of de huidige, zogenoemde govemance-discussie bijdraagt aan het bereiken van die situatie, nu de klemtoon zozeer ligt op het verdelen en aanscherpen van formele verantwoordelijkheden. Te veel gaat het over mechanistisch beheersen. Te weinig geeft men zich rekenschap van het weerbarstige proces dat daarachter schuilgaat.

Zo streeft het ministerie van OCW naar transparantie door scholen te vragen met vaste kengetallen te komen. De negatieve aspecten daarvan zijn makkelijk te voorspellen. Onderwijs is in hoge mate een kwalitatief proces. Getallen zijn belangrijk - rendementscijfers over eindexamenresultaten of leerlingen uitval bijvoorbeeld , maar ze vertegenwoordigen maar een deel van de werkelijkheid. Te zeer sturen op getallen leidt tot verzelfstandiging daarvan en tot strategisch en risicomijdend gedrag bij scholen. Wat zegt een hoog schoolrendement voor een vwo-school die zijn leerlingen in een zo laag mogelijke schoolsoort indeelt, liever dan in ze te investeren, met het risico dat het niet lukt? Kengetallen moeten vooral een kwalitatief gesprek voeden. Daar ligt precies de verantwoordelijkheid van schoolbesturen en toezichthouders nieuwe stijl. Zij moeten in staat zijn de juiste vragen te stellen aan diegenen die voor de uitvoering verantwoordelijk zijn. Maar in de praktijk zien we dat door het 'besturen op afstand' die kritische dialoog niet wordt gevoerd; kengetallen blijven zo lege symbolen van een onbegrepen werkelijkheid. Scheiden van toezicht en bestuur is niet onbelangrijk, maar deels semantiek. Het helpt niet het probleem te verschuiven. Het ministerie legt terecht de nadruk op goed intern toezicht, maar de discussie moet zich concentreren op de vraag hoe je dat kunt bewerkstelligen. Naast een goede planning en controle zijn onafhankelijke kwalitatieve onderzoeken (audits) onder verantwoordelijkheid van besturen onontbeerlijk, omdat zij empirische informatie opleveren over de uitvoeringspraktijk.

Op dit moment levert vooraI de onderwijsinspectie die informatie. Het ministerie wil de inspectie meer op afstand plaatsen, met het risico dat straks niemand meer weet wat zich afspeelt in de school. De govemance-discussie gaat gebukt onder slechte timing. Praten over goed bestuur heeft weinig zin, zolang het echte sturingsprobleem niet onder ogen wordt gezien.

Claartje Bunnik is zelfstandig adviseur en Jan den Hollander is organisatieadviseur bij Van de Bunt Amsterdam.