We hebben 128 gasten online

1999 De leerling zoekt het maar uit

Gepost in Onderwijs

Met revolutionair elan hervormen minister Ritzen en staatssecretaris Netelenbos het Nederlandse onderwijs. Het klassikale onderricht moet het veld ruimen voor zelfstandig leren. Maar deze revolutie mist elke wetenschappelijke onderbouwing. Het is een kwestie van geloof, een gevaarlijke ideologie, zeggen tegenstanders. Het weinige onderzoek dat inmiddels is verricht, is vernietigend voor de onderwijshervorming. Vernieuwing of vernieling, dat is de vraag.

Ralf Bodelier september 1999                                                                                                                                                 
Een bekend beeld voor iedere docent die in september ‘98 of ‘99 van vakantie terugkeert op school. De geur van verf en hout hangt nog in de gangen, een laatste container met puin wordt afgevoerd. Een aantal klaslokalen zijn afgebroken. De in het gelid opgestelde bankjes waarin leerlingen twee maanden geleden nog zweetten boven hun overgangsproefwerken zijn verdwenen. En de collega die zo meeslepend kon vertellen over de oorzaken van de Eerste Wereldoorlog, surft nu over het Internet, op zoek naar sites over historische onderwerpen.
Ook de leerlingen geloven hun ogen niet. Hun school is deels veranderd in een kantoortuin voor kinderen. Vol verbazing lopen ze rond in een ruimte vol vergadertafels, individuele werkplekken en meer computers dan ze ooit tevoren bij elkaar hebben gezien. Op deze plek zullen ze vanaf vandaag zelfstandig gaan leren, zichzelf gaan motiveren en de verantwoording voor hun studie op de eigen schouders gaan nemen.
Deze vernieuwing van het onderwijs heeft alle kenmerken van een revolutie. Een revolutie die tot leven is gewekt door minister Ritzen en staatssecretaris Netelenbos en wordt gevoed door een ware armada aan ambtenaren en onderwijskundigen. De revolutie heet ‘leren leren’ maar draagt per onderwijsniveau een andere jas. In het basisonderwijs verschijnt ze onder de naam 'onderwijs-op-maat', de eerste jaren van het voortgezet onderwijs heet ze 'basisvorming' en in de bovenbouw van het HAVO-VWO 'Studiehuis'.
Op HBO-scholen en universiteiten ontpopt ze zich als Student-Gericht-Onderwijs (SGO), Probleem-Gestuurd-Onderwijs (PGO) of Projectonderwijs.
Het is een merkwaardig stille revolutie. Ze wordt van bovenaf doorgevoerd met honderden miljoenen guldens uit de onderwijspot. Het is een revolutie zonder studentenprotesten en barricades, zonder spandoeken en comités van verontruste ouders. Maar met een reikwijdte waarvan de gevolgen nog maar amper zijn te overzien. Binnen het bestek van minder dan tien jaar zal in Nederland een eeuwenoude en vrijwel wereldwijd gehanteerde vorm van onderricht zijn afgeschaft: onderwijs waarin de docent centraal staat als overdrager van kennis.
 
In de nieuwe manier van onderwijzen zijn leerling en student zelf verantwoordelijk zijn voor wat zij leren. Docenten, zo luidt het revolutionaire parool, moeten niet meer doceren, maar begeleiden. En studenten moeten zich zelfstandig nieuwe stof eigen maken. Want kennis die de docent overbrengt, beklijft niet lang. Niet de kennisoverdracht moet centraal staan, maar de vaardigheid om zelfstandig kennis te verwerven.
Met name het klassikale onderwijs is demotiverend, zo menen de vernieuwers. Leerlingen en studenten liggen, voorzien van walkman en krant, lusteloos in hun bankjes. In gedachte verwijlen ze nog in de disco of vertoeven ze al aan het strand. ‘Leren leren’ maakt aan deze inertie een einde. Studenten komen weer overeind en schuiven de walkman aan de kant. Ze duiken, liefst in groepjes, enthousiast de boeken in en struinen Internet af, om zelfstandig uit te zoeken wat de oorzaken van de Tweede Wereldoorlog waren. De leraar blijft op de achtergrond, om het leerproces van afstand te sturen. De zo verworven kennis is van langere adem, menen voorstanders van de onderwijsvernieuwing.
Bovendien zal de nieuwe leerling zó zelfstandig zijn, dat hij naadloos past in de arbeidsmarkt van de 21e eeuw. Die rekent immers op flexibele en leergierige werknemers.
Om deze zelfstandigheid te bereiken, moeten studenten van passieve consumenten veranderen in actieve onderzoekers. Ze zullen het zelfstandig verwerven van kennis eerst gaan leren: ‘leren leren’ dus. Docenten op hun beurt, moeten hun vak op de tweede plaats stellen. Zij gaan zich scholen in het stimuleren van hun pupillen, om hen tot ‘leren leren’ aan te zetten. Van vakleerkracht moeten ze omschakelen naar ‘onderwijsprocesbegeleider’.                                                                                                                                                                   
Doen of niet doen
Aan de bron van Deze ‘leren leren’-revolutie staat één man: prof. dr. Wynand Wijnen, hoogleraar onderwijskunde aan de Universiteit Maastricht. De medische faculteit van de UM beoefent het ‘leren leren’-procédé - via probleemgestuurd onderwijs - al meer dan vijfentwintig jaar. Met succes, want de Maastrichtse artsen doen niet onder voor de artsen die afstuderen aan klassieke faculteiten. In Maastricht is het overigens bij de medische faculteit gebleven. De andere disciplines hebben weliswaar elementen uit het PGO over genomen, maar zijn vooralsnog traditioneel georiënteerd. In 1992 publiceerde een commissie, met Wijnen als voorzitter, een spraakmakend rapport voor het hoger onderwijs. In dit rapport, met de titel 'Te doen of niet te doen', geeft de Commissie Wijnen 83 aanbevelingen waarin ook het zelfstandig leren sterk wordt aangezet.
 
'Te doen of niet te doen' was bestemd voor het HBO- en het wetenschappelijk onderwijs. Zes jaar na het verschijnen hebben met name de managers van het HBO Wijnens gedachtengoed omarmd. Ook een groeiend aantal universiteitsbestuurders ziet iets in ‘leren leren’. Bij critici overheerst echter argwaan over het feit dat Wijnen vooral in kringen van bewindvoerders zo populair is. Zij zien hierin een aanwijzing dat niet het onderwijsbelang voorop staat, maar kostenbeheersing. Zelfstandig leren van de student betekent immers minder onderwijs en hoe minder onderwijs hoe minder kosten
Het hoger onderwijs is formeel vrij in zijn keuze om met Wijnens ideeën in zee te gaan. Maar dat is een lastige vrijheid, omdat de overheid via zogenaamde ‘Kwaliteit en Studeerbaarheidsgelden’ een half miljard uitdeelt aan universiteiten en hogescholen die de onderwijsvernieuwingen hoog in hun vaandel zetten. Deze miljoenen zijn uiterst welkom na decennia lange bezuinigingen op het hoger onderwijs. Zó welkom, dat de vraag naar de onderwijskundige kwaliteit meestal niet op de eerste plaats komt. In tegenstelling tot het hoger onderwijs heeft het middelbaar onderwijs vrijwel geen keuzevrijheid. Hier wordt in september 1998 of 1999 het voor HAVO en VWO-scholen het wettelijk verplichte Studiehuis ingevoerd. In het Studiehuis is het aantal lesuren zo sterk afgenomen, dat geen enkele school nog aan het ‘leren leren’-principe kan ontkomen.
Behalve kostenbeheersing en het uitvoeren van een politiek besluit ligt er ook een onderwijskundige visie aan het zelfstandig leren ten grondslag. Voorstanders wijzen op de grote uitval en de demotiverende werking van het traditionele schoolsysteem. Wynand Wijnen: "Stelt u zich eens voor om dag in dag uit, acht uur lang monologen aan te horen van mensen voor wie u niet hebt gekozen en over kennis waarvan u weet dat ze morgen weer verouderd is? Die tijd kunt u toch beter besteden aan studeren?’ Docenten moeten hun studenten niet voortdurend van het werk houden, meent Wijnen. ‘Mensen zijn van nature leergierig. We hebben praten en lopen geleerd zonder dat er ook maar één onderwijzer aan te pas kwam. De demotivatie slaat pas toe, als het onderwijs leerlingen iets wil leren. Weet u dat in het middelbaar onderwijs veertig procent van de leerlingen zonder diploma school verlaat? Dát is wat mij zorgen baart.’
                                                                                                                                                Reformpedagogiek
De geschiedenis van ‘leren leren’ is ouder dan de vijfentwintig jaar waarin Wijnen als een ware zendeling zijn leer uitdraagt. De wortels liggen in de onderwijshervormingen uit het begin van deze eeuw, geleid door reformpedagogen als Peter Petersen, Maria Montessori en Helen Parkhurst. Deze erfgenamen van de romantiek verzetten zich tegen het kennisgerichte en op vakwetenschappen georienteerde onderwijs, dat de westerse wereld sinds de verlichting had gedomineerd. Volgens mensen als Petersen en Montessori leidde dit onderwijs louter tot koel intellectualisme en moreel relativisme. In reactie daarop stelden de reformpedagogen voor om uit te gaan van het kind zelf, Vom Kinde aus. Niet de leerstof zou in het onderwijs voorop moeten staan, maar de vragen, de behoeften en de geestelijke groei van de opvoedeling. Een school die al tientallen jaren vom Kinde aus werkt is de Roncalli-scholengemeenschap in Bergen op Zoom. ‘Kinderen zijn van nature nieuwsgierig’ zegt leraar Engels Adrie Hopstaken. ‘Maar elk mens verwerft kennis op zijn eigen wijze. Daarom wordt op het Roncalli niet meer dan dertig procent klassikaal les gegeven. In het reguliere onderwijs leren veel leerlingen voor het tentamen. Hier leren ze voor het leven. Het komt er op aan een krachtige leeromgeving te scheppen waarin die natuurlijke nieuwsgierigheid wordt geprikkeld’ meent Hopstaken. ‘Onze leerlingen vinden het prettig om te leren. Een vergelijkend onderzoek heeft uitgewezen dat we als school zeer hogen scoren op de ‘vriendelijkheidschaal.’
 
De theorie van het ‘leren leren’ vult de reformpedagogiek, zoals die op de Roncallischool wordt gepraktizeerd, aan met modellen uit de managementwereld. De voorstanders wijzen veelvuldig naar de eisen die het bedrijfsleven aan de moderne werknemer stelt. De student van vandaag die leert zelfstandig kennis te vergaren, is de nomadische werknemer van morgen, die overal waar nodig is kan worden ingezet. De mode van lifetime employability krijgt zo haar rechtstreekse pedant in lifetime education. De ideologie van ‘leren leren’ heeft, kortom twee vaders: het romantische idee dat de leerling van nature nieuwsgierig is én het verlangen om hem voortdurend aan te passen aan de snel veranderende arbeidsmarkt. Zelden sloten romantiek en business zo'n harmonieus huwelijk als in de onderwijsidealen van het ‘leren leren’                                                                                                                                       
Trouw-onderzoek
Tot voor kort zaten de scholen die op deze ideeNn zijn gebaseerd, het Montessorionderwijs, de Jenaplanscholen (Petersen) en de Daltonscholen (Parkhurst) in de marge van het Nederlandse schoolsysteem. En niet geheel ten onrechte, zo kan worden geconcludeerd uit het grote Trouw-scholenonderzoek van oktober 1997 en juni 1998. Want daarin krijgen de Dalton, Jenaplan en Montessorischolen de laagste rapportcijfers van alle onderzochte instellingen. De gemiddelde examencijfers van de kinderen op deze scholen die van oudsher via het procédé van ‘leren leren’ werken zijn niet veel lager dan die van reguliere schoolverlaters. Het is vooral het geringe aantal leerlingen dat de school binnen de normale tijd afmaakt dat het cijfer drukt. Bovendien kennen de vernieuwingsscholen een vele malen hoger aantal uitvallers en zittenblijvers. De Bergense Roncalli-school bungelt eveneens onderaan het Trouw-onderzoek. Mavo, Havo én VWO scoren allen onvoldoende. Ook hier zijn de voornaamste oorzaken het zeer lage slagingspercentage (op het Havo slaagt niet meer dan vijftig procent binnen de vijf jaar) en het zeer hoge aantal uitvallers. Het zijn daarentegen de reguliere onderwijsinstellingen, zoals de reformatorische en gereformeerde scholen, die hoog op de Trouw-lijst terecht komen. Dat zijn scholen die klassikaal werken, waar het onderwijs op kennis is gericht en via een docent verloopt. ‘Hoe orthodoxer de pedagogische aanpak van de scholen, hoe beter de prestaties’ luidt de conclusie van het rapport.
Het is dan ook meer dan opmerkelijk dat niet deze effectieve methode, met haar wortels in de reformatie en de verlichting, de onderwijsvernieuwers inspireert. Ritzen, Netelenbos en Wijnen geven volledig de voorkeur aan het romantische gedachtengoed dat Maria Montessori in haar casa dei bambini - kinderdagverblijf - in praktijk bracht en Helen Parkhurst in haar Children's University School.
 
Haaks op het optimisme van de revolutionairen zien veel leraren en docenten de toekomst van het onderwijs met argwaan tegemoet. Een van de meest prangende vragen die zij zich stellen is, of hun leerlingen en studenten wel zelfstandig kdnnen leren. Ze erkennen daarbij volmondig dat het gangbare onderwijs de passieve houding van leerlingen niet weet te doorbreken. Maar evenzeer betwijfelen ze of ‘leren leren’ de panacee wel is tegen deze kwaal.
Uit onderzoek blijkt dat maar liefst driekwart van de leraren grote twijfels heeft bij de mogelijkheden die het Studiehuis biedt om leerlingen te motiveren. ‘leren leren’ zou wel eens kunnen betekenen, zo vrezen zij, dat de scholieren hun vrijheid vooral benutten om bij te praten, een extra baantje buiten school te nemen of uit te rusten van het drukke weekend. Zo heeft ook Ameling Algra, docent wiskunde, grote reserves. Algra werkt op de oecumenische scholengemeenschap Het Baken in Almere, in het Trouw-onderzoek beoordeeld met een dikke voldoende. Algra: ‘Leerlingen willen nu eenmaal graag weten hoe de wereld in elkaar steekt. Ze willen geen leerstrategieen leren, ze willen hun tijd niet verdoen aan het plannen van hun studieactiviteiten. Ze willen niet ‘leren leren’. Ze willen kénnis vergaren.
In de jaren ‘70 werkte Algra bij een middenschool-experiment. Die periode staat hem nog helder voor ogen. ‘Toen werd er al eindeloos gepraat over zelfstandig leren zonder dat het iets opleverde. Wie herinnert zich niet de volledig mislukte studielessen uit die tijd? Vandaag lijken de vernieuwers de slag te winnen. Leerlingen moeten zich er maar bij neerleggen dat er af en toe een lesje wordt gedraaid en ze verder aan hun lot worden overgelaten.’ Algra is er dan ook van overtuigd dat ‘leren leren’ de passiviteit enkel doet toenemen’.
                                                                                                                                                Cijfers
De eerste onderzoeken naar de effecten van zelfstandig leren, bevestigen Algra’s bange vermoeden. Twee wetenschappers van de Rijksuniversiteit Groningen verwonderden zich over het feit dat er maar amper cijfers zijn die aantonen dat de gepredikte onderwijsvernieuwing ook daadwerkelijk zelfstandig leren aankweekt. Hun onderzoek 'Onderwijseffectiviteit en metacognitieve vaardigheden', levert wél cijfers op en die resultaten, gepubliceerd door het ‘Gronings Instituut voor Onderzoek van Onderwijs, Opvoeding en Ontwikkeling (GION), zijn niet bepaald vleiend voor de ‘leren leren’-ideologie. Onderzoeker drs. Bernadet de Jager van het GION: "We ontdekten dat leerlingen, bij wie veel aandacht aan ‘leren leren’ wordt besteed, niet zelfstandiger werken en ook niet beter presteren. Sterker nog: werken in groepjes, een van de speerpunten van de onderwijsvernieuwing, levert zelfs een negatief effect op." Volgens het Groningse onderzoek wordt eerder zelfstandigheid opgewekt door docenten die op een traditionelere manier lesgeven. Dat zijn leraren die klassikaal werken, goed orde kunnen houden en een flinke hoeveelheid leerstof behandelen. De Jager: "Ons onderzoek stelt inderdaad vraagtekens bij de uitgangspunten van zelfstandig leren, maar ook bij het weinige onderzoek dat is gepleegd. Dat onderzoek leverde soms wel gunstige resultaten op, maar het werd vooral in de setting van een laboratorium uitgevoerd. Wij hebben het laboratorium verlaten en zijn de klas binnengestapt, waar wij van die gunstige effecten maar weinig terugvonden."
Ook een recent onderzoek in Brabantse scholen voor voortgezet- en HBO-onderwijs belooft weinig goeds voor de onderwijsvernieuwing. De onderzochte scholen experimenteren momenteel met zelfstandig leren binnen het zogeheten Scharnierproject. Een peiling in juli 1997 laat zien dat de belangrijkste doelstelling van het project vooralsnog niet wordt gehaald: leerlingen en studenten worden niet zelfstandiger. Op het eerste oog lijkt dit een organisatorisch probleem: de leerkrachten in met name het voortgezet onderwijs plannen het leertraject zó strak, dat er van zelfstandigheid niets terechtkomt. Sterker nog: de leerlingen hebben in praktijk zelfs minder vrijheid dan in het oude model. Maar de deelnemende HBO-instellingen tonen aan dat het om meer gaat dan een ‘Planningsprobleem’. De HBO-studenten krijgen wél de nodige vrijheid in hun leertraject. Bovendien steken hun docenten veel tijd en werk in het verbeteren van de studiehouding van hun studenten. Maar tot hun grote teleurstelling zien zij geen enkel resultaat van hun inspanningen. Veel docenten melden bovendien dat studenten nu simpelweg niet meer op komen dagen. Om nog iets van hun onderwijs te redden, keren de onderzochte HBO-scholen terug tot elementen uit het oude model. Ze verschoolsen de stof en voeren meer toetsen in. Het effect is verrassend: "Studenten reageren in het algemeen zeer positief op deze maatregelen", meldt het rapport. "Het zet hen aan tot een betere en constantere studie-inzet. Deze reactie van de studenten versterkt de verwarring in het hoger onderwijs over de juiste didactische koers."                                                                                                                                             
Te nieuw
Wie meent dat de hilarische uitkomsten van dit Scharnierproject en het GION- onderzoek de onderwijsvernieuwers op zijn minst aan het denken zet komt bedrogen uit. Zo brengen de bevindingen Wijnen tenminste niet van zijn stuk: ‘Ik kan niet anders dan toe te geven dat er nog weinig onderzoek aan ‘leren leren’ ten grondslag ligt. Maar wat kun je na een paar jaar zeggen? We moeten ons realiseren dat generaties lang via het oude model is gewerkt. De scholen waar dat onderzoek is verricht, zijn nog maar kort met de vernieuwingen bezig. Pas op lange termijn kunnen we de resultaten meten.’ Wijnen haalt zijn schouders op over de teleurstellende onderzoeksresultaten. ‘Het is gemakkelijk om vragen te stellen bij vernieuwingen en alles bij het oude te houden. Maar wat als het oude niet werkt? De critici van ‘leren leren’ nemen het bestaande als norm, terwijl daar nu net zoveel fout gaat. Het oude systeem heeft ook geen antwoord op de veertig procent uitval. Iedereen die vernieuwt, moet rekenen met weerstand.’ Wijnen meent dat docenten en studenten, die eenmaal stevig aan het ‘leren leren’zijn, steeds enthousiaster worden. ‘Dat enthousiasme zie je ook in het Dalton- en Montessori-onderwijs, waar op vergelijkbare wijze wordt gewerkt.’ Het slechte cijfer voor het reformonderwijs en de Roncalli-scholengemeenschap in het Trouw-onderzoek schrijft Wijnen toe aan het feit dat deze instellingen werden afgerekend op kennis, terwijl hun leerlingen beter zijn in vaardigheden. Aan dergelijke cijfers, meent Wijnen, moeten we dan ook niet al te veel belang hechten.
                                                                                                                                                Whole class teaching
Op hetzelfde moment dat in Nederland het zelfstandig leren wordt ingevoerd, is de klassikale les elders ter wereld alweer bezig aan een come back.
Een van de landen die terugkomt van het zelfstandig leren is Groot-Brittannie dat in de jaren ‘60 het docentgerichte en klassikale onderwijs terzijde schoof. ‘Uit internationaal onderzoek naar rekenen en wiskunde blijkt dat kinderen die zelfstandig rekenvaardigheden leren lager scoren dan andere kinderen’, zegt wiskundige prof. dr. Adri Treffers, verbonden aan het Freudenthalinstituut voor reken- en wiskundeonderwijs in Utrecht. ‘Sinds begin jaren negentig uit dit onderzoek bleek dat de rekenprestaties van Engelse kinderen ver achterbleven, keren de Britten op hun schreden terug.’ Zo scoort premier Tony Blair vandaag hoog door te pleiten voor Whole class teaching. En dan gaat het niet om de karikatuur die vandaag in Nederland wordt gemaakt van klassikaal onderwijs als ‘frontaal’ onderwijs. Bij fatsoenlijk klassikaal onderwijs betrekt de leraar de hele groep in zijn les. Daarbij zijn groepswerk of het individueel maken van sommen absoluut niet uitgesloten, maar de setting is en blijft de klas onder leiding van een docent.’
De Nederlandse ontwikkeling staat inderdaad haaks op die in het buitenland, zegt ook de onderwijshistoricus prof. dr. Nan Dodde, emeritus hoogleraar aan onder andere de Rotterdamse Erasmusuniversiteit. ‘Op internationaal terrein loopt Nederland volstrekt achter de feiten aan. Duitsland en Frankrijk hebben altijd al het verwerven van kennis voorop gesteld. En landen met een progressieve traditie op onderwijsgebied, zoals Noorwegen, Groot-BrittanniN en zelfs de Verenigde Staten, doen op dit moment het tegenovergestelde van Nederland. Zij voeren 'Nationale Curricula' in waarin precies beschreven staat wat leerlingen inhoudelijk moeten kennen. Hier is geen sprake meer van ‘leren leren’maar draait het weer om kennis.’
In tegenstelling tot de onderwijsvernieuwers nemen hun critici het ontbreken van onderzoek of het relativeren van negatieve resultaten hoog op. ‘Het is onvoorstelbaar’ zegt Treffers, ‘dat iets als het Studiehuis wordt ingevoerd, terwijl internationaal onderzoek volledig wordt genegeerd. Het is toch te gek om los te lopen dat de leraar moet verdwijnen om begeleider te worden, terwijl buitenlands onderzoek een heel andere kant op wijst. Hoe is het mogelijk om zoiets in te voeren zonder er van te voren zelfs maar mee te experimenteren? 
"De ideologen van het ‘leren leren’ lijken niet eens te beseffen hoe ongefundeerd hun uitgangspunt wel is", meent ook prof. dr. Jan Dirk Imelman, hoogleraar pedagogiek aan de Rijksuniversiteit Utrecht. ‘Leren leren’ is een kwestie van geloof, net zoals de reformpedagogiek op geloof berust.
De vernieuwers kunnen zich niet op onderzoek beroepen, terwijl iedere pedagoog wéét dat je enkel kunt leren onder de bezielende leiding van een leraar die je vanuit een grote vakkennis in de leerstof binnenleidt. Pas als een student basiskennis heeft, kan hij ook de eventuele problemen op dat terrein waarnemen. In het ‘leren leren’-model moeten leerlingen en studenten allerlei problemen definieren en oplossingen zoeken, maar weten ze door gebrek aan kennis niet eens dat er knelpunten zijn of waar die zich bevinden.’
                                                                                                                                                Onthutsende demotivatie
De invoering van ‘leren leren’ daar zijn voor- en tegenstanders het in elk geval over eens,  vertoont alle kenmerken van een revolutie. Volgens de vernieuwers leven we in een even apocalyptische als heilszwangere tijd. Het gaat zo slecht nu, dat het na de omwenteling alleen maar beter kan worden. De werdegang van het oude systeem blijkt uit de grote uitval, de onthutsende demotivatie onder leerlingen en de snel verouderende kennis. Het grote kwaad vormt het klassikale systeem dat cirkelt om de leerstof die wordt gekanaliseerd door de leraar. Een systeem dat plots wordt omschreven met de oorlogszuchtige term ’frontaal’ onderwijs.  Het verdwijnen van dit systeem is onafwendbaar. Het roer moet om - en wel radicaal.
De tegenstanders van ‘leren leren’ worden even revolutionair verguisd: de docent die hartstochtelijk vasthoudt aan zijn vak, heet plots ‘lesboer’. Of een ‘verteller-van-mooie-verhalen’ die geen 'zendtijd' af wil staan. Hij is 'vastgeroest' in zijn rol, onwillig om te veranderen en bovenal een egoVst die zichzelf zo graag hoort praten maar geen oog heeft voor de noden van de leerling, de arbeidsmarkt en de samenleving.
Het revolutionaire elan van de onderwijsvernieuwing uit zich ook in het gebrek aan historische bedding. Hoewel het vergelijkingsmateriaal sinds de reformpedagogiek voor de hand ligt - mislukte Middenschoolprobeersels, mislukte experimenten met studielessen en het slecht scorende Dalton- Jenaplan- en Montessorionderwijs – wordt ‘leren leren’ gepresenteerd als een noviteit. Voor wie niet beter weet is het een ontwikkeling zonder precedent, die elk voordeel van de twijfel moet krijgen.
Al even kenmerkend voor het revolutionaire denkkader zijn de hemelse toekomstperspectieven die het ‘leren leren’ wordt toegedicht. Het onderwijs van morgen heeft de charme van een Perpetuum Mobile: je geeft de leerling een klein duwtje door hem te ‘leren leren’ en zonder verdere inspanning blijft de activiteit levenslang op peil.
Het meest revolutionaire aspect van het ‘leren leren’ is echter dat de theorie niet vertrekt vanuit de concrete werkelijkheid. In tegendeel: de werkelijkheid van alledag zal moeten veranderen, om het ideaal te verwezenlijken. Leerlingen, die nú passieve consumenten zijn, en leraren, die zich nú nog met hun vak identificeren, moeten in hun grondvesten veranderen. Pas als deze fundamentele ommezwaai lukt, kan ook het daarop gebouwde onderwijsmodel functioneren.
De werkelijkheid is echter weerspannig. Het is dan ook de vraag wat zal gebeuren met die duizenden ‘lesboeren’ die uit enthousiasme voor hun vak het onderwijs ingingen en die niet willen veranderen in ‘procesbegeleider’. En wat gebeurt er met die honderdduizenden leerlingen die, gespeend van elke feitenkennis en zonder enige geestdrift, aan de slag gaan om problemen te definiNren en op te lossen? De resultaten van het huidige systeem zijn bedroevend, maar wat als blijkt dat het nieuwe systeem tot nóg meer uitval, nóg grotere demotivatie en nóg minder opname van kennis leidt?
Wynand Wijnen wil graag erkennen dat ‘leren leren’ revolutionaire aspecten bevat, ‘maar wel met de aantekening dat ons onderwijs al decennia lang op revolutionaire wijze wordt hervormd. Hoe verschillend gaan docenten en studenten vandaag met elkaar om in vergelijk met de jaren vijftig? Wat een immense verandering was de Mammoetwet wel niet? En hoe ingrijpend was de schaalvergroting van het onderwijs? Omdat de samenleving zo ontzettend snel verandert, moet het onderwijs wel mee veranderen.”
Stille dood
“Ergerlijk”, noemt Jan Dirk Imelman het verweer van Wijnen. “Er is in Nederland geen ministerie dat zo zwalkt als het ministerie van onderwijs. Sinds de jaren zestig kwam en ging de Mammoet om plaats te maken voor het straffere vakkenpakket, de Middenschool werd met veel aplomb afgekondigd om vervolgens volledig te mislukken, en nu staat ons een pedagogische ruïne te wachten waarvan de contouren maar amper zijn te overzien.”     
Bij Imelman en de vele andere critici overheerst de ontzetting. Hoewel zij verwachten dat ‘leren leren’ een stille dood zal sterven, zien ze de nabije toekomst met afgrijzen tegemoet. "Ritzen en Netelenbos kunnen de toekomst van ‘leren leren’ wel voorspellen", meent de onderwijshistoricus Nan Dodde. "Alle experimenten in Nederland die niet op het vergaren van kennis waren gericht, zijn ten onder gegaan. Behalve de experimenten rond de Middenschool moeten we ook het eindeloze geklets in het Projectonderwijs van de Sociale Academies in die tijd niet vergeten. Daar werd gekeuveld dat het een aard had, maar enige substantiële kennis vergaarden de studenten niet.’
Wijnen reageert geprikkeld: ‘We moeten ons afvragen hoeveel substantiële kennis in het gangbare onderwijs wordt verworven. Hoeveel weet een leerling zich na acht uur les nog te herinneren van wat er in die tijd is verteld? Leg me eens uit hoe het dan komt dat we zoveel kennis vergaren buiten de school. Iedereen haalt zijn rijbewijs en kan zijn belastingbiljet invullen, terwijl dat niet op school is onderwezen.’
Behalve de angst voor kennisverlies vrezen de critici ook dat in het nieuwe systeem een grote groep leerlingen en studenten buiten de boot zal vallen. Nan Dodde noemt dit zelfs een ‘rampzalige’ ontwikkeling. ‘Kinderen uit hogere milieus hebben al geleerd om kennis te structureren, om zelfstandig iets uit te zoeken. Zij hebben al meer basiskennis dan de gemiddelde leerling. Bij hen heeft ‘leren leren’ wellicht kans van slagen. Maar de school van vandaag wordt veelal bezocht door kinderen die het vergaren en structureren van kennis absoluut niet zijn gewend. Het merendeel van de kinderen heeft een docent nodig die een lijn, model en structuur aanbrengt in de feitenmassa. Nu dit niet meer gebeurt, worden deze kinderen onder het mom van zelfstandig leren volledig aan hun lot overgelaten." Ook deze aantijging brengt prof. Wijnen niet van zijn stuk. Hij meent dat juist in het huidige klassikale onderwijssysteem, dat zich noodgedwongen richt op de middelmatige leerling, de zwakkeren buiten de boot vallen - net als de goede leerlingen. ‘Ín het individuele of groepsgerichte ‘leren leren’ kan iedereen op zijn eigen tempo aan de slag gaan.’                                                                                                                                                  
                                                                                                                                                Democratisch tekort
Wat de tegenstanders misschien wel de grootste zorgen baart, is wat zij noemen ‘het democratisch tekort’ in het systeem van zelfstandig leren. "Kennisoverdracht heeft altijd de mondigheid van mensen bevorderd", zegt Dodde. "Ik vrees dat ‘leren leren’ jongeren de broodnodige kennis onthoudt om op behoorlijk niveau te kunnen functioneren in een democratie."
De politieke consequenties van het ‘leren leren’ meent ook de pedagoog Imelman, zouden ons wel eens koud op het dak kunnen vallen. ‘De volwassene die via de basisvorming, het Studiehuis en Projectonderwijs is gevormd, zal enorm gevoelig zijn voor de waan van de dag. Hij zal snel in enthousiasme ontsteken voor allerlei modes, omdat hij simpelweg geen weet heeft van eventuele politieke en ideologische valkuilen. Het is dit historisch besef, het streven naar een erudiete levenshouding, dat op de helling wordt gezet." Wat blijft is de verbijstering bij de critici dat het ‘leren leren’ zo geruisloos in het hart van het onderwijs is doorgedrongen. "Hoe is het in Godsnaam mogelijk, vroegen we ons vroeger af, dat mensen vallen voor de ideeNn van Parkhurst of Montessori", zegt Jan Dirk Imelman. "Nu vragen we ons hetzelfde af, maar dan voor de ‘leren leren’-ideologie in het hart van ons onderwijs.’ Imelman troost zich met de gedacht dat ook het Middenschoolexperiment niet langer dan vijftien jaar heeft bestaan. ‘Het weghalen van de docenten is desastreus en de desinteresse van de ‘leren leren’-theoretici voor de leerstof is meer dan schrijnend. Ook dit nieuwe ideaal van de middenschoolfreaks zal het niet lang uithouden. Maar eerst zullen we met een verschrikkelijke kater komen te zitten, als we merken dat de leerlingen en studenten nog minder weten dan ze nu al doen." Onderwijshistoricus Nan Dodde relativeert dat de ‘leren leren-hype’ weer zal worden gevolgd door een streven naar het vergaren van kennis. "De geschiedenis kent golfbewegingen. Vandaag draven we achter de romantische reformpedagogen aan, morgen zien we wellicht weer iets in de idealen van de Verlichting. De geschiedenis van het onderwijs ligt niet vast".