We hebben 161 gasten online

2004 Ton van Haperen: Roep onmiddelijk de noodtoestand uit

Gepost in Onderwijs

NRC 4-12-2004

Brief aan de minister van Onderwijs, mevrouw Van der Hoeven

 

Ongeschonden bent u een aantal aantijgingen te boven gekomen. De pompeuze inrichting van uw werkkamer, de zelfverrijking van uw ambtenaren, de fraude van een hbo-instelling met u als bestuurslid en de jamby affaire, deze klippen heeft u als een kundig bestuurder omzeild. Maar hoe zit het met uw eigenlijke missie? De verbetering van de kwaliteit van het onderwijs?

Een van uw recente persberichten suggereert dat u resultaat boekt. In een notendop schrijft uw voorlichter: meer jongeren zijn vorig jaar op school gebleven, het aantal voortijdige schoolverlaters is gedaald en na jaren van stijging lijkt er sprake van een trendbreuk.

Dat ziet er mooi uit, op het eerste gezicht dan. Want u weet net zo goed als ik dat deze mededeling een leugen is. Ik twijfel zelfs aan de juistheid van de meting. Uw ministerie heeft bepaald een slechte reputatie als het gaat om het bijhouden en controleren van gegevens. Maar vooruit, stel dat de getallen kloppen, dan nog is het aantal voortijdige schoolverlaters van dit jaar het dubbele van vijf jaar geleden. Bovendien is de daling onverklaarbaar, want serieuze beleidswijzigingen ontbreken. De door u en uw staatssecretaris geconstateerde trendbreuk is volstrekt misplaatst. Het is eerder een gelukje. Continu deelnemen aan de staatsloterij staat ook garant voor een kleine prijs, de kwaliteit van leven verandert daar niet door.

Toch koketteert u schaamteloos met een beleidsresultaat dat voor gewone mensen nergens concreet waarneembaar is. Het gaat namelijk helemaal niet goed met het voortgezet onderwijs. Erger is dat perspectief op verbetering ontbreekt. Ik zie alleen maar initiatieven die deze crisis bevestigen. Zo zoekt een pedagogisch centrum sponsors voor de stichting van een kostschool, speciaal voor drop-outs. De doelgroep bestaat niet uit halve criminelen die een gedragscorrectie behoeven, maar uit gewone kinderen, uitgekotst door het reguliere systeem. Zonder diploma komen ze nooit aan de slag.

 

Misschien moet ik het beter benoemen, want ik vraag me eerlijk gezegd af of u het drama wel ziet. Scholen hebben in deze tijd moeite jongeren te binden aan de samenleving. Voor de duidelijkheid, dat is een maatschappelijke ramp. Vergeet niet dat dankzij globalisering Nederland fel concurreert met verstand, kennis en sociale vaardigheid. Voortijdig schoolverlaten staat dan voor welvaartsverlies. Grote groepen vallen buiten de boot, vluchten in een subcultuur en regelen informeel hun inkomen. U moet de noodtoestand uitroepen, maar in plaats van daarvan poetst u de getallen op.

Deze cijfers leren dat vooral het vmbo faalt. Het aantal drop-outs is daar vijf maal zo groot als op het havo/vwo. In de beeldvorming krijgt dit drama meestal een maatschappelijke verklaring. Randstad, vmbo en allochtonen zijn dan de hoofdingrediënten. Scholen kunnen hier geen soep van maken, leraren staan machteloos, meer zit er niet in, het onderwijs is onschuldig.

Deze analyse geniet uw instemming. Daarom beschuldig ik u van defaitisme. Het onderwijs is wel degelijk medeverantwoordelijk en het tij is te keren. In het buitenland liggen de uitvalcijfers beduidend lager. Niet voor niks sturen bewoners in de grensstreek hun kinderen naar Belgische scholen. In de rest van het land schieten private instellingen als paddestoelen uit de grond. Het toenemend aantal doorverwijzingen naar speciaal onderwijs en de explosie van leerstoornissen ondersteunen de conclusie: de leeromgeving is gemiddeld genomen zwak. Alle onderwijstypen presteren daardoor onder hun capaciteit, de slachtoffers vallen vooral aan de onderkant.

Hier treedt een verbazingwekkend mechanisme in werking. Leren is een grondrecht, het onderwijs faalt en wat doet u? U verschuilt zich achter de beleidsvrijheid voor schoolbesturen. U wilt niet sturen, prikkelen en handelen. Directies en leraren lossen in uw visie de problemen zelf wel op. Zij kunnen dat ook het best, want zij zijn de experts. Zo luidt uw legitimatie tijdens de debatten in het parlement. Maar de waarheid is dat u wegloopt voor keuzes. Het vmbo is een door uw voorgangers opgelegde vernieuwing, deze beleidskeuze valt nu onder uw verantwoordelijkheid. Deze keuze en het bekostigingsstelsel vormen de randvoorwaarden waarbinnen leraren en directies opereren. Zeker, het is aandoenlijk te zien hoe sommige scholen initiatief nemen en hun best doen. Maar zonder centraal corrigeren van misconcepten blijft het watertrappelen in drijfzand.

Laten we nog eens goed kijken naar dat vmbo. Ongeveer zestig procent van de leerlingenpopulatie bezoekt dit schooltype. Dat is bepaald geen homogene groep. De bovenlaag wordt gevormd door ingedutte slimme kinderen, die als ze eenmaal door de puberteit heen zijn een diploma in het hoger beroepsonderwijs halen. Onderin bungelen types met een laag IQ en vreemd gedrag. Deze twee uitersten hebben niets gemeenschappelijk. Ze liggen verder uit elkaar dan de gymnasiast en de havist. Geef het toch gewoon toe! In werkelijkheid bestaat het vmbo niet. Het is een verhullende beleidsconstructie, met een structuur die bestaat uit een onbegrijpelijke wirwar van leerwegen, sectoren en exameneisen. Misschien dat u de achterliggende logica doorgrondt, ik krijg het niet uitgelegd aan ouders.

Waarom schept u geen helderheid? Ieder kind met uitzicht op een hbo onderscheidt zich van de rest. Nu volgen deze leerlingen een zogenaamde gemengde of theoretische leerweg binnen het vmbo. Die kan maar weer beter snel mavo gaan heten. Want dat is het: algemeen vormend onderwijs, gericht op verdere scholing. Ervaringen in de praktijk rechtvaardigen deze keuze: de enige succesvolle scholen binnen het vmbo zijn die paar overgebleven categorale mavo's. Hier sturen ouders hun kinderen graag naar toe. Maar in plaats van dat u deze oases van rust beschermt, stelt u ze bloot aan pesterijen van bestuurders en lokale politici. Deze managers hebben maar één drijfveer en dat is de status van de organisatie. Die stijgt door uitschakelen van concurrentie en toename van het leerlingenaantal. Vandaar dat zij deze laatste zelfstandige scholen willen onderbrengen bij grote vmbo's, waar ze vervolgens verzuipen in het geheel. U ziet dat toch ook? Waarom grijpt u als hoeder van het algemeen belang niet in?

Stel dat u dat doet, dan rest nog steeds die andere groep, voor wie verder studeren moeilijk is. Na een korte opleiding gaan deze jongeren aan het werk. Hier zitten de lastige gevallen. Leren in een klaslokaal met een boek, daar houden ze niet van. Maar ja, de arbeidsmarkt vraagt wel flexibele werknemers, die breed inzetbaar zijn. Een ambacht voor het leven, bij een baas, het bestaat bijna niet meer. Kortom, algemene vorming moet. Maar het kan wel wat minder. Een goede mondelinge en schriftelijke uitdrukking in de Engelse en Nederlandse taal, omgaan met getallen in verschillende contexten, kennis van de inrichting van de samenleving en de daarbij horende achtergronden volstaan. Alles wat ze verder leren, is meegenomen. Een cursus fietsen repareren, prima. Aan de hand van handleiding in het Engels, nog beter. Puntlassen op een werkstage, ook best. Maar niet meer in een volle klas een tweede vreemde taal of andere ver van het bed schoolvakken.

Waar ik me nou over verbaas is dat ik u hier nooit over hoor in de media. U praat niet over wat kinderen moeten leren en waarom dat zo is. Heeft u daar eigenlijk een mening over? Dat zou wel fijn zijn, want ook hier is uw afwezigheid storend. Een breed gedragen beeld van wat leren op school behelst en wat de zin daarvan is, ontbreekt. En dan wordt het begrijpelijk dat ouders hun kinderen buiten reguliere vakanties mee op reis nemen of toestaan dat ze naar een personeelsfeest gaan, in plaats van naar de les.

Ik beschuldig u van nalatigheid. Het huidige voortgezet onderwijs is een misbaksel van compromissen. In het buitenland zitten kinderen tot hun zestiende levensjaar door elkaar. Hier wil de burger een scheiding vanaf twaalf jaar. Tegelijkertijd is het net alsof de verschillen niet zo groot zijn. Een vmbo-diploma suggereert dat zestig procent van de kinderen hetzelfde leert, maar toch ook weer niet. Zo wordt het ingewikkeld. Een definitieve schoolkeuze op twaalfjarige leeftijd betekent herkenbare stromingen: voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, een blok overig algemeen vormend onderwijs en inderdaad, terug naar de geborgenheid van de ambachtsschool.

Die geborgenheid is er nu niet, en dat vraagt om een inspanning, allereerst van u. Want ook met een haalbaar en samenhangend programma blijft het moeilijk kinderen van het type ambachtsschool om te vormen tot maatschappelijk weerbare krachten. Profeten van het nieuwe leren mogen beweren dat elk mens intrinsiek gemotiveerd is om te leren. Dat zal best, maar niet elke leerling gaat gebukt onder het verlangen voor zijn zestiende levensjaar een mooie brief in het Engels en het Nederlands te schrijven.

U heeft zelf lesgegeven in het lager beroepsonderwijs en u weet dus ook dat het kan. Maar dan is wel een omslag binnen de schoolcultuur noodzakelijk. De laatste jaren is de aandacht voor praten óver het werk buitenproportioneel toegenomen. Dit gaat ten koste van het werk zelf. Managers en middenkader zijn betaald uit schaalvergroting en vollere klassen. Met name voor drukke kinderen, met een hekel aan lezen, staat deze keuze elke succeservaring in de weg. Zij leren alleen als het affectief goed zit. Dus moeten ze de leraar spreken, hem kennen, het idee hebben dat de belangstelling wederzijds is. Geregeld contact in een veilige en overzichtelijke omgeving, is dan een noodzakelijke voorwaarde voor een goed verloop van het leerproces. Concreet betekent dat kleine klassen, in kleine scholen. Maar ook buiten de les gaat werken aan binding en cohesie door. Te denken valt aan verantwoordelijkheid voor leerlingen bij het beheer van de kantine, eten onder begeleiding, samen opruimen en handhaven van een stelsel van gebruikelijke regels. Iedereen is op tijd; heeft zijn leermateriaal bij zich; als de leraar praat, zijn de leerlingen stil. Klinkt logisch? Het is nergens zo!

Ik beschuldig u van laksheid. De sector ontbeert elke regie. Ingrijpen in het programma durft u niet, want dat ligt te gevoelig bij belangenverenigingen. Dus formuleert u de herziening van de basisvorming vaag. Scholen mogen grotendeels zelf de inhoud bepalen. Uw lamlendigheid gaat zover dat u niet eens probeert een bindende afspraak te maken over wat alle kinderen in Nederland moeten weten en kunnen.

Bij het beheer voert u hetzelfde treurspel op. Met dank aan uw afwezigheid kunnen megalomane managers zich als voorzitters van clubs in het betaald voetbal gedragen. Ze laten zich leiden door fata morgana's van enorme gebouwen, gelegen aan leerboulevards, met mooie kantoren, wapperende vlaggen met bestuurslogo's en prachtige roltrappen. Ondertussen zorgt deze nieuwe kaste goed voor zichzelf. Ik kan u zo honderd managers aanwijzen die in de schalen vijftien en zestien niks zitten te doen. Als ze verdwijnen, merkt niemand het, hun toegevoegde waarde is nul. De bekende econoom en Nobelprijswinnaar Tinbergen heeft dit lang geleden al eens geconstateerd. Overigens bevestigt de onderwijsraad de trend. Uit hun onderzoek blijkt dat uitbreiding van het onderwijsbudget niet naar leraren en leerlingen gaat, maar naar management. Graaien komt niet alleen op uw ministerie voor, het is de norm in de hele sector. Hierdoor zijn de kwaliteit van de leraar en het aantal leerlingen in een klas sluitposten.

Het laatste decennium viel het voortgezet onderwijs onder de politieke verantwoordelijkheid van de dames Netelenbos, Adelmund en u. Een kooklerares, een welzijnswerker en een onderwijzeres. Tomeloze ambitie, bestuurlijke hardheid en handig netwerken hebben u en uw collegae veel opgeleverd, het onderwijs weinig. Vindt u ook niet dat de sector is rijp voor een moedige intellectueel, die verder kijkt dan een politieke carrière lang is? Begrijpt u nou nog niet dat leerlingen, leraren en ouders heldere keuzes van een sterke overheid eisen? Denkt u nou echt zij zich laten foppen door cosmetisch gegoochel met cijfers over voortijdig schoolverlaten? Ik beschuldig u tot slot van naïviteit.

Massaliteit in onderwijs is voor niemand goed 1

 

Jan van der Schee, Lerarenopleider in Utrecht

 

Met instemming heb ik de open brief gelezen van Ton van Haperen aan de minister van Onderwijs (Opinie , Debat, 4 december).

 

Grote scholen, in het bijzonder grote vmbo's. zijn slecht voor leerlingen en leraren. Beiden gaan op in de massaliteit van het onderwijs en varen daar niet wel bij. Maar zoals Ton van Haperen schrijft: de leerlingen voor wie verder studeren moeilijk is, houden niet van leren in een klaslokaal met een boek. De algemene vorming kan voor hen best wel wat minder.

 

Een leerling die niet wil leren, die leert niets. Leren is alleen zinvol als de lerende gemotiveerd is. En het is voor de leraar ook niet leuk zacht uitgedrukt als hij zijn werk moet doen met een klas onwilligen. Laat deze leerlingen meer bezig zijn met dingen die hun aanspreken en/of zinvol voor hen zijn en dan in kleinere klassen. Misschien dat leerlingen die anders naar het speciaal onderwijs verwezen worden, dan mede door meer aandacht van de leraar nog binnenboord kunnen blijven

En dan nog het geld. Uitbreiding van het onderwijsbudget gaat niet naar de leraar en de leerlingen, maar naar het management. Tot in het hoger onderwijs is het management uitgegroeid tot een waterhoofd in de organisatie en staat het eigenlijke onderwijs op de tweede plaats

Massaliteit in onderwijs is voor niemand goed 2

 

Wim Jansen, Noordwijk

 

Veel van de schitterend geschreven open brief van Ton van Haperen aan de minister van Onderwijs is mij uit het hart gegrepen. Op één punt wil ik echter kritisch ingaan.

 

,,Algemene vorming moet [...] een goede mondelinge en schriftelijke uitdrukking in de Engelse en Nederlandse taal'', schrijft Van Haperen. En even later: ,,Een cursus fietsen repararen, prima. Aan de hand van een handleiding in het Engels, nog beter.'' Een houding die ik om verschillende redenen verschrikkelijk wil noemen. Alsof er aan de vorming van onze fietsenmakers (en timmerlieden, verpleegsters, automonteurs, hoveniers, enz.) iets zou schorten, indien zij zich niet van het Engels kunnen bedienen. Alsof al die handvaardige, potentieel vakbekwame kinderen, maar met een afkeer van boeken, geen gelukkige burgers zouden kunnen worden zonder kennis van het Engels. Heeft de leerling-fietsenmaker die jaar in jaar uit aan Duitse toeristen fietsen gaat verhuren, niet meer baat bij een woordje Duits? Of al die aankomende handelaren in vis of bloemen, die tussen Nederland en Duitsland pendelen? En wat bieden we al die jongens en meisjes die graag de zaak van hun vader willen overnemen, met zijn traditionele klantenkring in Frankrijk, of Spanje, of Italië?

 

Het volstrekt elitaire en belerende standpunt van beleidsmakers die denken uit te mogen maken wat, naast de fundamentele eisen die de maatschappij aan ons allen stelt, er verder nodig zou zijn om een volwaardig burger te worden. Kennis van het Nederlands, ja, zonder enige twijfel en zonder enige restrictie. Maar kennis van het Engels of van andere vreemde talen? Als het even kan, ja, maar dan met veel meer keuzemogelijkheden, ook bij één vreemde taal. En als uit het profiel van de leerling of uit zijn of haar toekomstperspectieven duidelijk blijkt dat dit verspilde energie zou zijn, laten we dan toch liever alle tijd en moeite in een goed vak steken.

Massaliteit in onderwijs is voor niemand goed 3

René Mens, Roosendaal

 

Wat een eenzijdige aanklacht tegen het vmbo. Wat moeten al die duizenden leerlingen, docenten, besturen hiervan denken?

 

Mijn dochter is een uitstekende, zelfstandige verzorgende van dementerende ouderen in een experimentele woongroep. Opleiding: vmbo (basis), mbo-bol3. Zij dankt haar positie in de maatschappij aan uitstekende opleiding en begeleiding. Zo zijn er duizenden!

 

Vele bedrijven en instellingen zitten op deze goed gemotiveerde, goed opgeleide vakmensen te wachten.

Massaliteit in onderwijs is voor niemand goed 4

 

J.W. Visser, Sneek

 

Zelden heb ik zoveel zure onzin bij elkaar gezien als in het artikel van Ton van Haperen. ,,Het gaat helemaal niet goed met het voortgezet onderwijs'', ,,watertrappelen in drijfzand'', ,,een misbaksel van compromissen'', toe maar. Van Haperen vertoont irritante trekken van alwetendheid: nergens in de lessen is sprake van orde en regels, alleen categorale mavo's zijn nog succesvol en managers doen per definitie niets behalve graaien. Als klap op de vuurpijl vindt hij de tijd nu rijp voor een moedige intellectueel als minister van Onderwijs, want de dames Netelenbos, Adelmund en Van der Hoeven hebben er een potje van gemaakt, maar ja, dat waren dan ook een kooklerares, een welzijnswerker en een onderwijzeres. Ik heb het drie keer gelezen, maar het stond er echt.

 

Maar waar het onderwijs echt last van heeft zijn niet de ministers of de falende schoolbestuurders. Het grootste probleem is de minderheid van gefrustreerde docenten zoals Van Haperen, die de slag gemist hebben. Die geen verbinding meer kunnen maken met hun leerlingen en die niet inspelen op de veranderende maatschappij. Natuurlijk is het niet altijd makkelijk en natuurlijk zijn er steeds meer lastige leerlingen en kan een schoolmanagement je soms in de weg zitten, maar hoe daarmee om te gaan is een persoonlijke keuze.