We hebben 350 gasten online

2004 Hans Wolf: Terug naar school

Gepost in Onderwijs

Concurrentie zou het Onderwijs beter en goedkoper maken. Het resultaat is dat scholen nu vaak meer bedrijven dan onderwijsinstellingen zijn, managers belangrijker dan docenten en het meetbare nut de vorming van jongeren tot volwaardige burgers heeft verdrongen.

Door Hans Wolf Essay Onderwijs Volkskrant 8 mei 2004

Ach', verzucht de gewezen directeur van een mavo-school, 'natuurlijk wisten we in ons hart wel dat vergroting van de autonomie van scholen een fopspeen was. Er moest een overzichtelijke structuur komen, waarop gemakkelijker te bezuinigen viel. Er werd een pittig pedagogisch sausje overheen gegooid in de trant van: hoe groter de school, hoe beter de leerprestaties. En hoe meer concurrentie, hoe hoger de kwaliteit. Daarnaast moesten gezonde en gehandicapte kinderen naar één en dezelfde school. We kennen het resultaat. Zie het vmbo: een onderwijsfabriek met absurd hoog percentage probleem leerlingen.'

Hij is blij dat hij net vóór de fusiegolf van de vut gebruik kon maken. Want, redeneert hij, ik ben een onderwijsman en geen manager op afstand die geen naam van een leerling meer kent. Neen, hij wil niet met naam en toenaam in de krant. Ook de naam van zijn school moet buiten schot blijven.

Ik ben weg en wil geen openlijke rol spelen in het onderwijsdebat. Maar door de afstand krijg ik wel een scherpere blik op de realiteit. De overheid holt al jaren van de ene hype naar de andere. De onderwijswereld staat bol van ideeën en concepten. Het ene volgt het andere op: van frontaal naar probleem gestuurd naar vraag gestuurd onderwijs. Onderwijzers, didactici en pedagogen zijn doorgaans intelligente, goedgeschoolde luchtfietsers die te weinig oog hebben voor de praktische voorwaarden waaronder hun mooie idealen verwezenlijkt kunnen worden.'

Sinds de jaren tachtig is de vorming van grote scholengemeenschappen met succes gestimuleerd. Schaalvergroting was noodzakelijk om de zogenoemde lump sum-financiëring te kunnen invoeren. Er werd geen geheim van gemaakt dat kostenbesparing daarbij het hoofddoel was. Het onderwijs werd in de nonónsense -cultuur van eind vorige eeuw gezien als onderdeel van de uit de hand gelopen verzorgingsstaat waarvan de kosten teruggedrongen moeten worden. In 1987 besteedde ons land 7 procent van het Bruto Nationaal Product (BNP) aan onderwijs, 1 procent meer dan het OESO-gemiddelde. Tien jaar later was dat ruim 5 procent, 1,5 procent minder dan in de ons omringende landen. Het liep tot 2002 verder terug. Pas het kabinet -Balkenende 11 besloot de bezuinigingstrend te keren.

Onderwijsinstellingen worden tegenwoordig geacht met elkaar te concurreren. Net als een onderneming in de marktsector moet de gesubsidieerde school zichzelf verkopen. Een school wordt gedwongen het niveau permanent te kwantificeren. Output is maatgevend voor de kwaliteitsbeoordeling en het succes. Hoe hoger de slagingspercentages en hoe korter de leerweg van elke leerling, hoe hoger de inkomsten uit subsidie worden.Daarnaast kunnen de inkomsten worden verhoogd door secundaire, vaak buitenschoolse activiteiten van docenten en door het werven van sponsorgelden uit het bedrijfsleven.

Zo krijgt een school bijvoorbeeld geld voor het plaatsen van drank - en snoepautomaten terwijl tegelijkertijd op het personeelsbudget voor de kantine bezuinigd kan worden. Een schoolmanager die verantwoordelijk is voor het financiële beleid zal wel gek zijn als hij dit niet doet. Bezwaren uit oogpunt van gezondheid worden uit budgettaire overwegingen terzijde geschoven.

Er is door het nieuwe beleid een tweedeling ontstaan tussen management en docentenkorps. Hun belevingswereld, belangen, motivatie en doelstellingen lopen niet langer parallel, maar juist steeds verder uit elkaar.

Er is in veel onderwijsorganisaties sprake van een groeiende vervreemding tussen beide echelons. De manager maakt vanuit zijn verantwoordelijkheid voor het schoolbudget en de voortgang van de organisatie totaal andere afwegingen dan een docent. Die voelt zich in zijn steeds complexere onderwijskundige praktijk vaak door zijn eigen superieuren in de steek gelaten.

Niet de scholen zijn autonomer geworden, maar de leiding, die bovendien met een bovenschoolse bestuurslaag is uitgebreid.

Voorheen zelfstandige scholen vallen nu vaak onder één bestuurlijk -financieel conglomeraat, waar ver van de alledaagse praktijk besluiten worden genomen die voor alle aangesloten scholen gelden. Marktwerking gaat hier paradoxaal genoeg hand in hand met een oprukkende,'sovjetcultuur'.

Het aantal stafleden groeit steeds dichter naar het aantal docenten toe, zodat de organisatie eerder duurder dan goedkoper wordt. in zoverre de overheid niet bijspringt, gaat deze bureaucratisering ten koste van andere uitgaven. De budgetten voor pr, externe advisering en ondersteunende diensten moeten worden ontzien om de school naar buiten toe optimaal te kunnen profileren. Dat betekent dat er moet worden bezuinigd op personeel, leermiddelen, schoonmaak, onderhoud, verbouwing en veiligheid.

Het is een sprookje dat ouders door de concurrentie tussen scholen beter kunnen kiezen. De markt werkt prima als er door de consument gekozen kan worden tussen tastbare producten waarbij de verhouding tussen prijs èn kwaliteit concreet is vast te stellen, zoals bij een koelkast en een auto.

Voor de beoordeling van een school zijn ouders en leerlingen aangewezen op de informatie die de school zelf naar buiten brengen op officieel geregistreerde kwantitatieve gegevens. Kwaliteit wordt in de concurrentiestrijd eenzijdig bepaald door uitstroomresultaten, beeldvorming en een effectieve pr, terwijl de school een subtiel en afgewogen geheel van culturele, opvoedkundige, didactisch -methodische, remediale en onderwijsinhoudelijke ingrediënten is.

Door de marktwerking worden scholen gedwongen met goede cijfers te scoren en bij de presentatie gelikt en kindvriendelijk over te komen. Op zichzelf zegt dat niets van de onderwijskwaliteit. Sterker, die kwaliteit dreigt onder het dictaat van de markt eerder af te nemen.

Het is in dit verband interessant om uit de mond van onderwijsminister Maria van der Hoeven (CDA) op te tekenen wat zij onder 'goed onderwijs' verstaat:

'Een klimaat scheppen waarin kinderen zich thuis voelen en ze leren vertrouwen op eigen kunnen. En waarin het onderwijs is toegesneden op de individuele mogelijkheden en talenten van elke leerling.'

Hoe verhouden haar uitspraken zich tot het huidige beleid?

Kinderen en jongeren voelen zich vooral thuis in kleine en overzichtelijke, scholen waarin de eersteklassers ook de vijfde klassers kennen. Waar de docent goed op de hoogte is van leefwereld, kwaliteiten, vorderingen en problemen van de individuele leerling. En waar een cultuur van onderlinge verbondenheid heerst.

Onderwijs dat is toegesneden op individuele mogelijkheden en talenten, geef je bovendien niet in een groep van dertig leerlingen of meer, waar één docent voor staat die - met incidentele hulp van een klassenassistente - in niveau -groepen moet werken zoals in het basisonderwijs.

Een dwingende voorwaarde voor goed onderwijs is bovendien dat alle betrokkenen zich op de verwezenlijking van de hoge standaard toeleggen. Daarin past geen tweedelingtussen leiding en leraren.

Minister Van der Hoeven stelde eind vorig jaar in dezelfde toespraak vast:

'Lang heeft de gedachte overheerst dat een gelijk aanbod juist de zwakkere leerling zou bevoordelen: zij zouden zich aan de sterkere leerling optrekken. Nu weten we dat dat niet zo werkt.'

Dat klopt, het gelijkheidsideaal van de jaren zeventig negeerde ten onrechte de aangeboren verschillen tussen typen kinderen, want dat beeld paste niet in het heersende nurture -dogma. De middenschool -gedachte van de PvdA ging van deze misvatting uit. Maar intussen werd het beleid van autonomie, marktwerking en schaalvergroting inhoudelijk grotendeels op deze foutieve veronderstelling gebaseerd.En ook de integratie van probleemkinderen in het reguliere onderwijs ('Weer-Samen-Naar-School') vond haar legitimatie gedeeltelijk in dit idee.Ook speelde de wens kinderen niet te stigmatisering een rol bij de opheffing van het speciaal onderwijs. Steekhoudend gebleken bezwaren uit de hoek van kinderpsychiaters, orthopedagogen en ethici mochten niet baten. En ook toen al nam het aantal probleemjongeren hand over hand toe.

Het is wrang om een vmbo -directeur als Gerard van Miltenburg van het Haagse Terra College zes jaar na de samenvoeging van mavo en vbo te horen pleiten voor een terugkeer naar het kleinschalige speciaal onderwijs. Ook hij weet dat er vier voorwaarden zijn voor een geslaagde Weer-Samen-Naar-School operatie zijn:

de vorming van kleinschalige scholen, een ingrijpende verkleining van klassen, de aanstelling van extra leerkrachten en een intensieve sociaal-pedagogische begeleiding van leerlingen met problemen.

Van Miltenburg heeft een medestander in de Utrechtse wethouder René Verhulst. Terug naar mavo, huishoudschool en ambachtschool, is diens onverbloemde boodschap.

Toenmalig staatssecretaris Tineke Netelenbos (PvdA) pleitte op 18, oktober 1996 tijdens een congres in Amsterdam voor character education in het onderwijs. De school moet meer dan een kennisinstituut zijn, zo was haar analyse na een werkbezoek aan de Verenigde Staten. Ze moet de leerling ook respect, moed, zelfdiscipline en beleefdheid bijbrengen. Ze dacht hierbij aan een vakmatige aanpak: lessen als geschiedenis en maatschappijleer moesten meer op deze opvoedingstaak worden toegesneden.

Er komt echter heel wat meer bij kijken, wil een dergelijke vorming succes hebben, stelt Cees Klaassen, hoogleraar onderwijskunde aan de Katholieke Universiteit Nijmegen, in zijn essay ‘Op weg naar pedagogisch meesterschap’:

'De pedagogische professionaliteit van de docent, het morele schoolklimaat en het pedagogisch leiderschap van het management, de inhoud van het curriculum, het serieus nemen van de sociale vakken in verband met het burgerschap, het leren samenwerken en leren leren, het leren discussiëren over morele dilemma's, het betrekken van de leerlingen bij de vormgeving van de school als morele gemeenschap, de relaties met ouders.' Een meeromvattende aanpak is dus gewenst en niet slechts een extra vak erbij of de omvorming van een al bestaand vak.

En daarmee zitten we op het spoor van de Bildung , waarin twee vormingsdoelen samenkomen: onderwijs en opvoeding. Ontplooiing van het individu wordt hier niet versmald tot de verwerving van kennis en competenties die de economie vraagt.

Het overheidsbeleid heeft zich sinds 1980 vooral op 'leren leren' gericht. Het accent is verlegd van het 'wat' naar het 'hoe'. Meer vorm, minder inhoud. Meer associatief denken, minder parate kennis.

Meer technische en instrumentele vaardigden, minder overdracht van cultus bepaalde waarden en normen. Meer spelen op individuele leerwensen, minder oog voor brede vorming en algemene ontwikkeling.

Het meetbare nut verdringt de vorming tot een volwaardig lid van de democratische rechtsstaat. Vooral kinderen met psychische stoornissen, sociale problemen en meervoudige handicaps vallen daarbij uit de boot. Waarna de overheid vervolgens miljoenen euro’s gemeenschapsgeld stopt in pogingen deze uitvallers weer op te vangen.

De school moet terug naar zijn onderwijzende, pedagogische en cultus functie.

Zijn publieke taak is meer dan ooit van belang. De school is dé proeftuin voor integratie en socialisatie van álle jonge Nederlanders, van welke huidskleur of welk geloof dan ook. Ze moet dus naar menselijke maat worden ingericht.

Marktwerking wordt in het onderwijs verkeerd toegepast. De school moet niet gedwongen worden zijn eigen broek op te houden, want dat leidt de aandacht af naar zaken die er niet toe doen.

Het wordt weer tijd voor geoormerkte onderwijsbudgetten en centraal vastgestelde rechtsposities en salarissen. De besteding van de doelsubsidies vraagt een intensieve periodieke overheidscontrole met scherpe sancties bij oneigenlijk gebruik en misbruik. Scholen zouden daarentegen meer vrijheid moeten krijgen het onderwijs naar eigen goeddunken in te vullen.

Juist op dit op dit terrein zou de overheid zich vergaand moeten terugtrekken.,Kennis en expertise zitten immers bij de onderwijsgevenden, niet bij ambtenaren in en hun door het ministerie betaalde academische adviseurs.

Creativiteit, betrokkenheid en professionaliteit floreren het best als ze dicht bij de werkvloer ontwikkeld worden.

Een marktgerichte aanpak werkt hier precies tegenin en versluiert slechts de verarming van het onderwijs.

Hans Wolf is publicist en werkzaam bij de hogeschool Windesheim te Zwolle.

Essay Onderwijs Volkskrant 8 mei 2004