We hebben 278 gasten online

2006 Pieter Hettema: Pricken, porren, paaien

Gepost in Onderwijs

Pieter Hettema; voorzitter Schoolmanagers VO in NRC 8 april 2006

Na studie van twintig jaar onderwijspolitiek concludeert Leo Prick in het interview over zijn nieuwe boek `Drammen, dreigen, draaien` net als Alexander Pechtold, dat de politiek vies en voos is. (W&O 11 maart). Hij gruwt van de stelselwijzigingen die scholen wordt opgelegd. Maar tot een echt alternatief leidt zijn betoog niet. Met een hooivork prikt en port hij in de onderwijsgeschiedenis. Soms prikt hij raak. Soms port hij er ook flink naast, als hij uitspraken doet over bureaucratie of over scholengemeenschappen. Raak of mis, hij weet zijn lezers wèl te paaien voor zijn betoog. `Ouders hebben altijd gelijk`, stelt hij. Klinkt sympathiek - maar is dat wel zo?

Prick wijst op de druk die Amsterdamse ouders hebben uitgeoefend, waardoor daar nu vijf `zelfstandige` gymnasia zijn. Tegelijk geeft hij scholengemeenschappen een veeg uit de pan `waar meer dan de helft van het geld opgaat aan besturen en overhead`. In beide gevallen heeft hij het aantoonbaar mis. De twee nieuwe gymnasia zijn onderdeel van een scholengemeenschap. En ook de andere drie maken deel uit van grotere schoolbesturen. Het geeft aandat scholen heel goed `zelfstandig` kunnen zijn, en toch profiteren van grotere besturen.

Met evenveel verve zet Prick zich af tegen de groeiende autonomie van schoolbesturen. In zijn ogen leidt dat alleen maar tot meer bureaucratie en minder marktwerking. De werkelijkheid is anders. De afgelopen tien jaar is de directieformatie in het vo gedaald van 5300 naar 4300 fte. Schooldirecties vormen op dit moment ca. 4,4% van de totale personeelsformatie in het voortgezet onderwijs. Op geen enkele school is sprake van `meer dan 50% overhead`, zoals Prick stelt. Verre van dat: er zijn juist weinig semi-overheidssectoren zo doelmatig als het voortgezet onderwijs.

Uiteindelijk lijkt Prick de voorkeur te geven aan `vraagsturing` door ouders. `Ouders hebben altijd gelijk` klinkt plausibel, maar onze ervaringen wijzen anders uit. Ouders willen het beste voor hun kind, maar of dat ook het beste is voor de rest van de klas of voor de school, is nog maar de vraag. Voor scholen ligt het alternatief voor de opgelegde stelselwijzigingen van de afgelopen decennia eerder in een goed samenspel tussen `Good governance` en Innovatie van onderop. Uit de resultaten van onze Innovatiemonitor blijkt dat een overweldigend aantal scholen bezig is met onderwijsvernieuwing - juist omdat de grote stelselwijzigingen verleden tijd zijn. Hoe sneller de gedetailleerde regels van het Ministerie van Onderwijs opgeruimd worden, des te eerder en beter lukt het schoolleiders en schoolbesturen om, samen met de docenten, ouders, leerlingen en maatschappelijke omgeving, een nieuwe eigentijdse invulling te geven aan vernieuwend en ondernemend onderwijs.

Scboolmanagers (1) Pieter Hettema, voorzitter vanSchooImanagers VO, reageert nogal gepikeerd op het boekje van en interview met Leo Prick (W&O, 8 april). Maar in zijn haast om Prick van repliek te dienen, neemt hij een loopje met de waarheid. Ten eerste bestrijdt hij dat de gymnasia in Amsterdam zelfstandig zijn. Inderdaad zijn er twee nieuwe gymnasia, waarvan er één onder het Pieter Nieuwland College valt; de beide openbare gymnasia echter zijn halverwege de jaren 90 vrijwillig opgegaan in de Vereniging van Zelfstandige Gymnasia, omdat de politiek met opheffing dreigde. Het bestuur van deze vereniging bestaat beslist niet uit duur betaalde managers. In plaats van onder het gezag van de gemeente te vallen en dus overgeleverd te zijn aan de luimen van politici, kunnen de gymnasia nu vrij zelfstandig opereren - wat de heer Hettema waarschijnlijk best weet. Ten tweede stelt hij, dat schooldirecties slechts ca. 4,4 procent van de totale personeelsformatie in het vo uitmaken. Dat zal best waar zijn. Hij gaat echter voorbij aan het feit, dat er, sinds Andrée van Es met haar onzalige plan 'carrière maken in het onderwijs' kwam, er een grote klont 'middenmanagers' op scholen is aangesteld; mensen die inderdaad niet tot de schoolleiding behoren, maar die wel voor de klas vandaan gehaald worden en allerlei bureaucratische klussen moeten bedenken om hun aanwezigheid te rechtvaardigen. Meestal de enige manier om aan de laagste salarisschaal te ontsnappen. Het lesgeven zelf, meneer Hettema, wordt in uw kringen beschouwd als het laagste, minst belangrijke en minst gekwalificeerde werk dat op scholen gedaan wordt. En dan de laatste alinea. Een schoolvoorbeeld van het wollig en nietszeggend taalgebruik dat door Managers zo gaarne gebezigd wordt. 'Good governance', 'Innovatiemonitor', (..) een nieuwe, eigentijdse invulling geven aan vernieuwend en ondernemend onderwijs'. Nou, ik zie het al. Het Paradijs is bijna aangebroken. A.M. Rappange Amsterdam

Schoolmanagers (2) Als leraar scheikunde van een tweede klas vmbo geef ik les aan 29 leerlingen. Ik ben werknemer van een scholengroep die onderwijs verzorgt voor ongeveer vierduizend leerlingen. Vier lagen van managers en kaderfunctionarissen opereren boven mijn werkvloer en ik word ondersteund door een team van orthopedagogische medewerkers, remedial-teachers, schoolmaatschappelijk werkers, counselors, intervisie-coördinatoren en ga zo maar door. Toen ik in 1987 als leraar begon op een school voor ivbo, werd ik aangestuurd door een directeur die samen met 19 leraren, een conciërge en een interieurmedewerker het onde..-wijs verzorgde voor ongeveer 200 leerlingen. We werden ondersteund door een orthopedagoog. De grootste groep waaraan ik in die tijd les gafbestond uit 12 leerlingen. Behalve de groepsgrootte veranderde sinds 1987 ook het niveau van mijn professionaliteit, althans zo beweert men. De werkzaamheden die voor mij sinds twintig jaar heel vanzelfsprekend zijn, worden tegenwoordig in een concept gegoten, in de jaarplanner opgenomen en digitaal geëvalueerd. Wat vroeger gewoon practicum was, noem ik nu mediërend leren. De middenkaderfunctionaris orgániseert geen excursie, nee de leerlingen gaan op maatschappelijke stage en ik praat nu over competenties. Ik heb last van bureaucratische aangelegenheden die worden gegenereerd door bet management. Er wordt voortdurend gedacht over mijn functioneren en te pas en te onpas komt men met beleidsaangelegenheden die mijn dagelijks werk in de klàs moeten optimaliseren. Maar als hbo-plusser met 20 jaar ervaring ben ik heel goed in staat mijn onderwijs vorm en inhoud te geven. Van mij mag verwacht worden dat ik plan, uitvoer en evalueer. Als ik het nodig vind, dan verander ik mijn werkvorm en anders niet. Karlijn en Kamal krijgen van mij te weinig aandacht en de 27 andere leerlingen ook. Een groep van 29 vmbo-Ieerlingen van 13 jaar is namelijk te groot. De ondersteuning en de aansturing die men mij biedt, verandert daar niet zo veel aan. In de interactie tussen mij en mijn leerlingen, daar ontstaat immers onderwijs en niet op de vergadertafels van de managementlagen. Mijn leerlingen hebben behoefte aan een leraar die aandacht kan geven, die rust uitstraalt en die werkt aan affectieve en vakinhoudelijke leer doelen. Ik ben bang dat het optuigen van het management en de onderwijsondersteuning ten koste is gegaan van het primaire proces in mijn klas. Pierre Diederen Roermond