We hebben 416 gasten online

2006 Redactioneel commentaar NRC: Lieve Maria

Gepost in Onderwijs

Redactioneel commentaar NRC van 16 januari 2006

Het is bemoedigend dat studenten actie voeren voor beter wiskunde-onderwijs op de middelbare school. In het hoger onderwijs kwamen zij tot de ontdekking dat hun wiskunde-kennis ontoereikend is voor het volgen van een bètastudie, zodat ze vaak een bijspijkercursus moeten volgen. Vóór de invoering van het studiehuis in de Tweede Fase van het middelbaar onderwijs was deze bijspijkercursus niet nodig. Het ontbreekt ook aan rekenvaardigheid. Zelfs voor het optellen van eenvoudige breuken hebben studiehuisleerlingen een forse zakjapanner nodig. Maar in plaats van het wiskunde-onderwijs weer terug te brengen naar het niveau van voor het studiehuis wil minister Maria van der Hoeven (Onderwijs Cultuur en Wetenschap, CDA) het aantal uren voor de in de bètarichtingen gegeven wiskunde juist reduceren. Op hun site lievemaria.nl protesteren studieverenigingen van de exacte vakken uit het hele land daar terecht tegen.

Het grote aantal vakken in de Tweede Fase van de havo en het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs behoeft wel enige stroomlijning. Maar de studielast wordt ook veroorzaakt door de vele overbodige werkstukken die in het studiehuis moeten worden geproduceerd. Direct leren draagt meer bij aan kennisverwerving dan leren leren.

Ondanks de slechte ervaringen van universiteiten en hogescholen met de resultaten, gaat het studiehuis (leren leren, zelf opzoeken) in veel scholen gewoon door. Het studiehuis is weliswaar niet verplicht voor scholen, maar de opgelegde zelfwerkzaamheid van leerlingen spaart docenten, dus ook geld. Goede wiskundeleraren zijn steeds moeilijker te krijgen. Bij het beroepsonderwijs is het tekort aan wiskundeleraren nog ernstiger, maar een onbevoegde docent kan altijd nog namens een bevoegde docent tussen de lescomputers gaan staan.

De Tweede Kamer zou nota moeten nemen van de studentenprotesten als ze volgende week de voorstellen van Van der Hoeven behandelt. Het gaat hier om een kwestie die niet zomaar met een aanpassinkje is op te lossen. De crisis in het wiskunde-onderwijs begint al bij de basisschool, waar veel onderwijzers zelf niet meer goed kunnen rekenen, laat staan dat ze er goed onderwijs in kunnen geven. Goede wiskundeleraren zijn bij alle opleidingen nodig. De Tweede Kamer moet nadenken over maatregelen tegen het groeiende tekort aan wiskundeleraren in plaats van het onderwijsniveau verder te verlagen.

In haar nieuwe voorstel tot verlichting van het vak wiskunde schuift de minister taken van het middelbare onderwijs naar de universiteiten en de hogescholen, die dan minder toe komen aan hun eigenlijke onderwijstaak. Dat is niet de oplossing van dit onderwijs-deficiet. Gelukkig zijn de studenten daar ook achter. Zij pleiten terecht voor zodanige verbeteringen dat de studenten aan de universiteit en de hogeschool weer zonder bijspijkercursus aan de slag kunnen, zoals voorheen. Er zijn nog genoeg andere reden voor bezorgdheid van studenten, want ook aan het onderwijs op universiteiten en hogescholen schort nog veel, lieve Maria.

16 januari 2006

Reactie op bovenstaand redactioneel commentaar van Paul Ophey in NRC van 21 januari 2006

Ook zittende docenten gespaard door studiehuis

Terwijl universiteiten en hogescholen klagen over de resultaten van het studiehuis ("leren leren, zelf onderzoeken") gaan veel scholen er toch gewoon mee door, aldus het redactionele commentaar in NRC Handelsblad van 16 januari. Door al die "opgelegde zelfwerkzaamheid van leerlingen" kan met het studiehuis (dat niet verplicht is) blijkbaar bespaard worden op docenten, aldus het vernietigende, maar daarom niet minder terechte commentaar van de krant.

Met het studiehuis kan niet alleen bespaard worden op het aantal docenten, ook de zittende docenten kunnen ermee gespaard worden -althans dat is mijn waarneming op meerdere scholen. Precies op tijd voor al die babyboomers in het docentenbestand, inmiddels de vijftig gepasseerd, ontwikkelden pedagogen en didactici (waarschijnlijk ook babyboomers), de onderwijskundige visie omtrent de zelfwerkzame leerling. Juist, u raadt het al: om daarmee die docenten op leeftijd een argument te verschaffen, waarmee zij het op hun gevorderde leeftijd wat rustiger aan kunnen doen in het vak.

En wat hebben schooldirecties van grote scholen (meestal van dezelfde leeftijd!) op hun beurt liever dan docenten die zich rustig houden ('als we niets van hen of over hen horen zal het wel goed zijn'). Waar de macht van de meerderheid in een samenleving al toe kan leiden! Maar het blijft wrang dat we daardoor wellicht nooit echt zullen weten wat werkelijk de onderwijskundige mogelijkheden van het studiehuis waren, ware het ingevoerd in een tijd met ambitieuzere docenten.

PAUL OPHEY Arnhem

Lesgeven wel intensiever, maar ook interessanter

 

1

Paul Ophey schrijft dat het studiehuis docenten op leeftijd het argument verschaft het wat rustiger aan te doen (Opinie & Debat. 21 januari).

Wat een onzin. De ellende die-we nu in het onderwijs meemaken heeft niet zozeer te maken met het studiehuis (een didactisch concept) als wel met de 'tweede fase' (èen verplicht leerplan met vier overladen. slecht doordachte profielen). Scholen met een écht studiehuis komen niet zo veel voor; leraren en directies zijn niet echt gek. Aan de profielen valt echter niet te ontkomen. Als universiteiten en studenten terecht klagen over gebrek aan bijvoorbeeld wiskundige kennis komt dat niet door het studiehuis en de zelfwerkzaamheid maar door ademnood en allerlei verplichte activiteiten die leerlingen uit hun ritme halen.

In 1968 praatte ik 51 minuten per lesuur vol over de wet van Ohm en deden de leerlingen in de les daarna alle 30 tegelijk hetzelfde practicum - zeer inefficiënt. Nu zit ik niet voor de klas maar lóóp ik rond om aan kleine groepjes uitleg te geven - als zij er aan toe zijn - en om te assisteren bij practica of projecten.

Begeleiden wordt dat denigrerend genoemd door mensen die niet weten waar ze het over hebben. Ik zou dan niet meer met mijn vak bezig zijn; het tegendeel is waar. Mijn leven is door die manier van werken niet rustiger geworden maar door de meer persoonlijke contacten wel veel plezieriger.

HUBERT BIEZEVELD NatuurkundeleraarZwaag

2

Als Paul Ophey echt verstand heeft van de tweede fase weet hij dat docenten veel harder moesten werken aan steeds vervelender taken als correctie van 'het schrijfdossier, controle van het leesdossier, de steeds maar herkansbare toetsen, de administratie enz. De echte leraar had al vrij snel in de gaten, datje met 32 leerlingen in de klas, die allerlei niet-schoolse zaken veel belangrijker vinden dan Nederlandse taaIvaardigheid en of letterkunde, geen studiehuisje kunt spelen met individuele begeleiding. De les is al voorbij, vóór je de helft van de leerlingen hebt gesproken.

Dus ik, als bijna zestiger, nog steeds zeer enthousiast werkend met aardige kinderen, heb het verschrikkelijk druk met het verzinnen van uitdagende opdrachten. Na 35 jaar voor de klas bereid ik me nog steeds voor op een literatuurles waarin ik nog eens een verbaal vertel, probeer aan te tonen hoe mooi een paar willekeurige woorden bij elkaar ' gezet zijn door een dichter.

Ik geef aan dat ik een hekel heb aan werkwoorden die verkeerd gespeld zijn, terwijl de regels eigenlijk zo eenvoudig zijn. Ik haal artikelen uit deze krant over het hufterige gedrag van de Nederlander en verzin daar opdrachten bij. Ik organiseer een debat met leerlingen over het nut van de nieuwe spellingsregels. Hoezo ingedut!

C.A.M. KORTMANN-GRAAFSMA Docent NederIands, Appingedam