We hebben 216 gasten online

Instituut voor techniek en Ambacht St Jozef te Maastricht

Gepost in Over mijzelf

 

Instituut voor Techniek en Ambacht St. Jozef Tongerseweg 135 te Maastricht

door Jo Swaen, oud-leerling van het Instituut

drs.J.W.Swaen Historicus www.blikopdewereld.nl

 

instituut st jozef

instituut

Inhoudsopgave:

1) Korte inleiding:

2) Foto bij 25 jarig bestaan vakschool 2 februari 1962

3) Broeders die op de vakschool werkzaam waren

4) Zoektocht naar oud - juvenisten van de vakschool

5) Eigen levensloop op het juvenaat en in congregatie FIC

6) 'Die jaren blijven'

7) Aanvullende informatie over oud leerlingen en oud docenten

 

1) Korte inleiding:

Van september 1961 tot januari 1964 woonde en studeerde ik aan het juvenaat van de Broeders FIC te Maastricht, ook wel Broeders van Maastricht geheten. Achter het grote gebouw van de Kweekschool, tegenwoordig biedt het onderdak aan het Bonnefantencollege, lag verscholen het Instituut voor Techniek en Ambacht St.Jozef. De congregatie FIC is van origine een onderwijscongregatie maar om in de vraag naar vakbroeders te voorzien richtte men op 2 februari 1937 het Instituut op. Men leidde er jonge mensen op tot vakbekwame mensen die er hun Technische schooldiploma konden halen en via het leerlingstelsel de benodigde vakdiploma’s.

Naast het Instituut was er ook een opleiding tot leraar basisonderwijs. De toekomstige broeders in opleiding leefden intern en gingen alleen tijdens de Kerstvakantie, Paasvakantie en Grote Vakantie naar huis. Men leefde en studeerde met honderden juvenisten onder leiding van Broeders die in hetzelfde gebouw hun klooster hadden.

 

2 feb 1962

2) Foto bij 25 jarig bestaan Vakschool

Ter gelegenheid van het 25 jarig bestaan op 2 februari 1962 werd deze foto gemaakt. Er waren toen 45 leerlingen die er een opleiding kregen verdeeld over vijf afdelingen.

Links boven aan de trap staat broeder Leo die les gaf in AVO. Ik herken inmiddels de volgende broeders van rechts naar links: Broeder Leo, Broeder Eduardo, broeder Laurens, broeder Gerlach, broeder Sichus was smid en maakte geweldige roosjes, broeder Victor, Broeder Aldericus

 

toon

Toon van Rijbroek Geboren op 30-07-44, geprofest op 15-08-1964 en is overleden op 24 januari 2004. Op de foto staat Toon in het midden van het linker raam.

Na zijn intrede legde hij zich toe op de landbouwstudie, die hij van 1970 tot 1980 in Ghana in praktijk bracht. Hij gaf les aan landbouwers en bracht hun nieuwe technieken bij. Terug in Nederland was hij zeven jaar lang medewerker van onze missieprocuur en ging in 1987 bij het Church Service Centre in Baambrugge werken. Hij verzorgde hier samen met enkele collega's het goederenvervoer naar derde wereldlanden, een werk dat zijn missionaire hart goed deed

Zie voor toespraak tijdens begrafenis van Toon van Rijbroek In Memoriam In Memoriam during funeral (Dutch)

 

3) Broeders die op de vakschool werkzaam waren.

Om de gedachten te bepalen hier enkele namen van broeders die ons op dit Instituut o.a. het ambacht van schilder, timmerman, kleermaker, elektricien, kok, smid bij brachten.

Directeur was begin jaren '60 Broeder Aldericus.

kees van spanje

Deze werd opgevolgd door Broeder Tiberius van Spanje.

Cees van Spanje . 1929-04-10 + 2002-05-09 zie voor In Memoriam Memorial card (Dutch) In Memoriam at Funeral Celebration

br laurens

Br. Laurens Hoebergen Piet Hoebergen 1922-10-18 + 2002-03-23

In Memoriam Memorial card (Dutch) In Memoriam at Funeral Celebration In Memoriam in Berichten Broeders van Maastricht

Hij was meester kleermaker maar leerde ook het vak boekbinden.

Voor een eerder opgeschreven interview uit het voorjaar van 2000 van de hand van Wim Swüste met Br. Laurens Hoebergen zie : Weer terug bij af

boekbinderij

De boekbinderij van broeder Laurens lag naast het tekenlokaal van de schildersafdeling waar we o.a reclames moesten schilderen en ontwerpen. Br. Laurens is van links af te zien nummer 5

Br. Borgias Schrurs Hendricus, Renier Schrurs 1918-05-20 + 2000-02-28

br borgias

Hij was hoofd timmeropleiding. Zijn voorganger was dacht ik Br. Venerandus. Hij werkte 11 jaar op het instituut.

In Memoriam Toespraak tijdens Uitvaart

tekenlokaal

Broeder Eduardo Goets. Hier in het tekenvaklokaal schilderen in 1962.

Eduardo ontwikkelde in die tijd ook zijn hobby motorvoertuigentechniek.

br leo

Op bovenstaande afbeelding is Broeder Leo te zien. Hij gaf de algemeen vormende vakken op het Instituut.

timmerwerkplaats

Broeder Victor gaf les in timmeren. Hier staat hij helemaal rechts op de foto. Foto is genomen in de timmerwinkel zoals wij dat noemden

Goed is te zien hoe leerlingen druk doende zijn aan hun werkbanken te werken. Roel Ooms staat bovenaan in midden. Voor de deur van de schilderswinkel.

Voor achtergronden van deze broeders zie de volgende link:broeders fic

 

4) Zoektocht naar oud juvenisten van de vakschool

Naar aanleiding van een uitzending van de KRO tv over de vakschool in Zevenaar kwam het idee bij me op om een bijeenkomst te organiseren voor oud vakschoolleerlingen van het instituut in Maastricht. Op 2 februari 2007 is het 70 jaar gelden dat het Instituut werd opgericht.

Wat is er met deze mensen gebeurd nadat ze hun opleiding hadden voltooid? Waar werken ze, zijn ze van beroep veranderd enz.

1961

Zelf zag ik er in 1961 zo uit. De foto is genomen in de recreatiezaal.

recreatiezaal

Foto genomen in oktober 1962 in de kleine recreatiezaal. Op deze foto staan links Berry Hikspoors, in het midden ikzelf en rechts Jan Vink.

Roel Ooms, (foto recchts) opgeleid tot timmerman heeft later gestudeerd voor de N akte.

roel ooms

Woonde nog met mij tijdens het Junioraat in Wijck Maastricht. Kwam dacht ik oorspronkelijk uit Schiedam.

Jan Vink, al genoemd. Ik dacht dat Jan werd opgeleid tot elektriciën Berry Hikspoors tot metaalbewerker.

Door Eduardo Goets werden opgeleid: Eugene (Lou?) de Boer uit Ravenstein(?), Jan van Heumen uit Amsterdam, Kees van Herkhuizen uit ik dacht Nijmegen; Jos Bom, ik dacht nog steeds lid van de congregatie.

Een neef van Eduardo Jan Goets. Niet te vergeten meneer Hamers die Eduardo en ons hielp.

bezoek rijksconsulent

Foto genomen in 1965 bij bezoek consulent leerlingstelsel.

Broeder Eduardo Goets helemaal beneden en boven hem Ad of Ab. De achternaam weet ik niet meer. Wel dat hij naderhand op een ambulance is gaan werken. Helemaal bovenaan als ik het goed heb Jos Bom. Links naast Ab(Ad) Jan van Heumen en daarboven Kees van Herkhuizen. Rechts naast Ab(Ad)staand ikzelf.

Jos van Dinther werd opgeleid tot timmerman.

Theo Elfering werd opgeleid tot elektriciën

Leo Lampe, werd opgeleid tot timmerman

Leo van Beek, uit Helmond werd opgeleid tot timmerman. Later werkzaam bij de douane.

Bert Schinkel in opleiding tot kleermaker, Jan Tromp uit Nijmegen., Sjaak Muytjens. Leo Hagendoorn.

 

dtb band

Deze foto is genomen tijdens het optreden van de DTB show op maandag 26 februari 1963 Carnaval 1963. Jos van Dinther staat dacht ik helemaal rechts. Tweede van rechts Peter Becks, derde van rechts Berry Hikspoors, vierde van rechts ikzelf en vijfde van rechts Jan van Heumen. Achter Jan van Heumen is net nog Jan Vink te zien.

Foto is genomen op 30 juni 1964 tijdens de werkzaamheden bij de aanleg van het buitenzwembad aan de Tongerseweg. Br. Tiberius van Spanje (Cees) is de derde van rechts. Ikzelf tweede van links.

aanleg zwembad

 

jan van heumenkees van herkhuizenjan goets

Schildersleerlingen van links naar rechts Jan van Heumen, Kees van Herkhuizen, Jan Goets, neef van broeder Eduardo en Eugene de Boer.

 

5) Eigen levensloop op het juvenaat en in congregatie FIC

rapport leerjaar 1

Overgangsrapport van het eerste leerjaar van 20 juli 1962. Met de hantekeningen van Br Eduardo en Br. Aldericus.

Opvallend de 10 voor Kostprijsberekenen.

schildergetuigschrift

Op 5 juli 1963 behaalde ik het diploma LTS en Theoretisch Technisch Onderwijs

leerlingdiploma slvsgezeldiploma slvs

In juni 1964 het Leerlingdiploma Stichting Landelijke Vakopleiding Schildersbedrijf.

En op 7 juli 1965 het Gezeldiploma Stichting Landelijke Vakopleiding Schildersbedrijf.

 

Postulaat en Noviciaat Broeders FIC 1965-1966

Januari 1965 nam ik afscheid van het Juvenaat om een eerste stap te zetten in het postulaat van de congregatie FIC.

begin postulaat

Overhandiging habijt door Br. Remund, de toenmalige provincialevoorbouw de beyart overste, in de kapel van het juvenaat op de Tongerseweg januari 1965.

Dat betekende dat we als postulantengroep onze intrek namen op het Beyart-complex midden in de stad gelegen. Onze kamers waren gelegen in de toenmalige voorbouw. Zie afbeelding rechts

De religieuze vorming kwam nu meer op de voorgrond te staan, terwijl de verdere studie voor het gezeldiplomaachterzijde beyartcomplex voortgang vond. Het Beyart-complex was zeer groot en bood onderdak aan een communiteit van broeders, een eigen ziekenafdeling, noviciaat van de congregatie, het junioraat van de congregatie. Verder omvatte het een eigen drukkerij, schoenmakerij, kledingmakerij, timmerbedrijf, schildersbedrijf, bibliotheek , smederij, tuinderij, begrafenisonderneming, wasserij, keuken en talrijke andere zaken zoals b.v. een droogzolder. In de jaren zestig woonden en werkten er meer dan 200 mensen die allemaal hun werkzaamheden hadden intern of extern.

Foto: Achterzijde Beyartcomplex.

Op 15 augustus 1965 werd het postulaat afgesloten en begon het noviciaat ter voorbereiding op het tijdelijk lidmaatschap van de congregatie. In die tijd duurde dat een heel kalenderjaar. Doel ervan was vast te stellen of de kandidaat geschikt is om lid te worden van de congregatie. Tijdens het noviciaat, stond de geestelijke vorming centraal.

Noviciaat 1965-1966

noviciaat 1965 1966

Die geestelijke vorming uitte zich in dagelijkse onderrichtingen over alle aspecten van het broederleven, waarna verder gestudeerd en gemediteerd diende te worden. Aan de hand van te maken werkstukken werd door de novicen meester, via een persoonlijk gesprek aangegeven of de ontwikkeling tot medebroeder op schema lag. Van deze gesprekken herinner ik mij vooral de moeite die hij had om de ontwikkelingen die in die tijd plaatsvonden een plaats te geven. Een boek als: ‘Het verschijnsel Mens’ van Teillard de Jardin, was niet toegestaan, terwijl aan de andere kant de colleges van Professor van Rossum, over Antropologie, uiting waren van een bewustwording van andere culturen. Naast religieuze vorming werd door de novicen vooral gewerkt aan allerlei huishoudelijke zaken zoals werken in de afwaskeuken, in de eetzaal, op de droogzolder, het schoonmaken van het Beyartcomplex.

 

Tijdelijk Lidmaatschap Congregatie FIC

Inmiddels verhuisd van het Beyart – Complex naar het stadsdeel Wyck - Maastricht waar het Junioraat werd doorgebracht tot 1967. Vanaf 1967 weer wonend op de Beyart.

In die tijd studeerde ik verder voor het Vakbekwaamheidsdiploma Schildersbedrijf en werkte ik in de onderhoudssector voor het Beyart–complex

dakkapel schilderendakkkapel 2

Mei 1967 het afbranden en schilderen van de dakkapel boven de droogzolder van de Beyart. Brusselsestraat 38 te Maastricht. Op een hoogte van zo’n 20 meter.

Op 15 november 1968 werd ik benoemd als docent schilderen op de school voor ITO- onderwijs te Heerlen.

diploma vakbekwaamheid

Naast mijn werkzaamheden studeerde ik voor het Vakbekwaamheidsdiploma Schildersbedrijf.

Op 23 augustus 1969 behaalde ik het Vakbekwaamheidsdiploma in het Schildersbedrijf van de Stichting Landelijke Vakopleiding Schildersbedrijf.

Inmiddels was er door een aantal vakbroeders een discussie op gang gekomen m.b.t. de toekomst van vakbroeders binnen de congregatie FIC. Deze discussie mondde uit in een document van 15 april 1968 dat de jonge vakbroeders schreven aan het op dat moment gehouden Provinciaal Kapittel van de congregatie.

Schrijven van enkele jonge vakbroeders aan het provinciaal bestuur 15/04/1968

Hierin werd uitdrukking gegeven aan de zorg van de vakbroeders dat men de wijze waarop men actief was binnen de congregatie niet paste in het evangelisch ideaal zoals dat geschetst werd door de R.K.Kerk namelijk: ‘Wij vragen aan onze katholieke zonen hun kennis en energie ter beschikking te stellen van de openbare en kerkelijke organisaties van ontwikkelingshulp”. De jonge vakbroeders waren tot de overtuiging gekomen dat ze moesten worden ingezet daar waar geestelijke en materiële nood heerste. Dus niet alleen maar ten nutte van de eigen gemeenschap. Men deed een beroep op het Generaal Bestuur om het teken van de tijd te zien en de jonge vakbroeders daar in te zetten waar de nood het hoogst was. Als onderwijscongregatie zag men de vakbroeders enkel en alleen als medebroeders die werkzaamheden voor de eigen congregatie konden verrichten. Men begreep niet dat jonge vakmensen voor hun vak kozen, niet omdat men geen onderwijzer kon worden, maar omdat men actief vakmatig wilde werken in ontwikkelingslanden. Concreet vroeg men om een duidelijk antwoord. Kwam dat niet dat diende het Bestuur haar verantwoordelijkheid te nemen en geen jonge vakmensen meer op te nemen in de Congregatie. De jonge vakbroeders zullen daar dan hun conclusies uit trekken. Aldus gebeurde en alle ondertekenaars verlieten de congregatie FIC.

 

6) 'Die jaren Blijven'

huwelijk 30 juni 1979 kapel beyart

Op 30 juni 1979 trouwde ik in de kapel van de Beyart in Maastricht. Ter gelegenheid daarvan ontstond er een uitvoerig gesprek met de oud algemeen overste van de congregatie Avellinus Janssens.

De weergave van dat gesprek 'Die jaren blijven' werd als bijdrage opgenomen in Oriëntatie F.I.C.1979/7

'Die jaren blijven'

Op 30 juni trouwde in de kapel van de Beyart Jo Swaen met Els van Zijl. Jo Swaen is leerling geweest van onze vakschool en van '66 tot '69 tijdelijk lid van de congregatie.

Van '69 tot '71 was hij ass. bedrijfsleider-calculator van een groot schildersbedrijf te Sittard. Daarna vervulde hij zijn dienstplicht bij de Gravendienst om vervolgens bedrijfsleider te zijn van een Handelsonderneming. Vanaf '76, nadat hij zijn middelbareschooldiploma had behaald, studeert hij aan de Rijksuniversiteit te Utrecht geschiedenis, waar hij onlangs het kandidaatsexamen behaalde. Els van Zijl studeerde eind juni '79 af aan de Utrechtse universiteit en wel in de scheikunde.

Het voornemen om op de Beyart te trouwen leidde tot een openhartig gesprek waarin herinneringen aan noviciaat en tijdelijke professie de' hoofdmoot vormden, en waarin centraal stond waardoor het kwam dat Jo nu studeerde en dat binnen de structuur van de jaren '60 niet mogelijk was. Van dit gesprek volgt nu een weergave.

Ons noviciaat was nog heel orthodox. Het was duidelijk geënt op een kloosterleven en het maatschappelijk functioneren van de kloosterling binnen bepaalde strikt gelimiteerde grenzen. Tegelijkertijd waren er bepaalde lichtpuntjes - ik noem de' cursus antropologie van Pater van Rossum. Dat was iets dat in die structuur eigenlijk al niet meer paste. Hij gaf je inzicht in het verschil van culturen, hoe andere mensen leven, hoe je problemen verschillend kunt benaderen. Als je dat zet tegen de achtergrond van de onderrichtingen die we kregen over het geloof, over het functioneren van de kloosterling, nou, dan zag je al een hele wereld van verschil.

Neem de omgang tussen jongens en meisjes. Ik kan me nog herinneren dat ik in het noviciaat onder een stuk schreef: het lijkt me toch wel wenselijk dat iemand die kloosterling wordt, goed kan verkeren met de andere sexe; dat leidt tot een betere uitgroei van de persoonlijkheid dan dat je iemand sec opleidt in een bepaalde structuur. Het leek me beter om iemand open naar buiten toe op te laten groeien en zo zijn keuze te laten maken dan in een besloten omgeving te leven. Dat wil niet zeggen, dat het anders niet een weloverwogen keuze zou kunnen zijn. Maar ik dacht gewoon dat het beter was om het anders te doen. Laat hen dan maar eens een keer dansen gaan of wat dan ook. Het was bij die gelegenheid dat de novicemeester hoofdschuddend tegen me zei, dat ik toch maar eens moest komen praten, want dat kon toch niet. Dat weet ik nog heel goed.

Het was toch een turbulente periode. Ik herinner me, dat op het jaarlijks feest van de magister een van de oudere broeders tegen me zei: de jonge broeders zijn in opstand gekomen. Toen werd eigenlijk duidelijk dat wat overal elders speelde, ook binnen de muren van het noviciaat aanwezig was. Je kon niet zeggen: daar staat een muur, daar komt niets doorheen. De jonge mensen kwamen nu eenmaal uit die maatschappij, en in zo'n jaar van noviciaat waarin je je bezig kon houden met bepaalde zaken want dat is het voordeel van zo'n jaar - kwamen toch conflictsituaties naar boven, bijv. over het functioneren van een overste in een gemeenschap. Het was in die periode, dat er in de congregatie sprake was van een zekere decentralisatie op bestuursniveau. De redenen zullen wel een bestuurs-technische kant hebben gehad, maar voor mij had het ook een praktische zijde: het directer brengen van het bestuur bij de mensen zelf. Laat ik zeggen een onderdeel van een democratiserings-proces.

Aan mijn postulaat bewaar ik prettige herinneringen. Wij woonden toen op de voorbouw van de Beyart. Wij waren de eerste postulanten die naar de Beyart konden gaan om wat eerder kennis te kunnen maken met het kloosterleven. Ik had een kamer naast de lift en daar zat ik 's avonds te studeren, en dan hoorde je niets anders dan: tik, tik, tik.. tik, tik, tik. Dat weet ik nu nog. Zo was die sfeer helemaal beheerst door studie, door stilte en door rust. Vandaar dat ik nu als ik studeer nog altijd van rust houd.

Maar het studeren an sich, daar hebben we wel veel moeite voor moeten doen. Het was namelijk niet normaal dat de vakbroeders overdag de kans kregen om aan studie te doen. Daar hebben wij echt wel voor gevochten om overdag te kunnen studeren. Maar dat is eigenlijk nooit gelukt, tenminste in mijn tijd niet. Ik weet dat het naderhand beter is gegaan. Wij moesten altijd 's avonds studeren, voor de N-akte bijvoorbeeld. Men was niet gewend dat vakbroeders studeerden. Dat hield naar mijn mening verband met het feit dat ze niet goed wisten wat ze met ons aan moesten. Ik ben nagegaan waarom de vakschool indertijd gesticht is. Deze zou bedoeld zijn voor aspiranten die niet de capaciteiten hadden om een kweekschool te volgen maar die men toch de mogelijkheid wilde geven om kloosterling te worden teneinde te voorzien in behoeften in de verzorgingssector, zoals bijv. keuken, schilderswerk en al dat soort zaken. Dat was toen best een hele goede oplossing. Maar in de loop der jaren heeft zich dat geëvolueerd.

Als je kijkt naar de oprichting van de vakschool in de jaren dertig en je kijkt naar de tijd waarover wij het nu hebben, dat is de begin jaren zestig, dan is er in heel Nederland een verhoging van 'niveau te constateren' gewoon omdat er een beter gebruik werd gemaakt van talenten. Zo ontstond de figuur dat onder de mensen die een vak kozen en niet naar de kweekschool wilden er genoeg aanwezig waren met voldoende kwaliteiten om een gedegen studie aan te kunnen, maar daar werd eigenlijk niet op ingespeeld. Ik moet zeggen op een bepaalde manier: er is mij, toen ik in het noviciaat was, gevraagd of ik geen zin had om naar Ghana te gaan, toen er sprake was van het stichten van een technische school. Ik heb toen tegen de novicenmeester gezegd dat het mij beter leek eerst in Nederland mijn diploma's te halen voordat ik naar een ontwikkelingsland ging. Ik zou dan naar Dublin hebben moeten gaan om daar een Engelse onderwijsbevoegdheid te halen. Ik kan me ook herinneren dat er naderhand nog eens sprake is geweest van Indonesia. Kijk, voor die gebieden dus als je naar buiten wilde gaan, vond men het belangrijk dat je wél een bepaalde opleiding had, maar bleef je in Nederland dan zag men dat niet zo zitten.

Wij jonge vakbroeders hebben in de tijd van het Kapittel 1967 een stuk gestuurd aan het Provinciaal Bestuur waarin we de vraag stelden aan de hand van de nieuwe Regel: hoe zien jullie ons functioneren binnen het grote geheel, welke plaats hebben wij binnen onze congregatie, waarvoor werken wij: intern voor de gemeenschap of naar buiten in bepaalde werkzaamheden zoals de onderwijzers? Daar hadden we graag antwoord op gehad, maar het is toen niet gekomen en dat vind ik jammer.

Het was in die tijd nou ook wel een vreemde figuur dat we ons niet via een overste maar als groep rechtstreeks tot het bestuur wendden. Dat kan best gebrekkig zijn geweest, maar nu nog meen ik dat we juist gehandeld hebben. Voor het bestuur was dat toen natuurlijk ook moeilijk om in die nieuwe tijd naar andere wegen te zoeken. En het is achteraf uiteraard altijd gemakkelijker om over een bepaalde periode te praten dan wanneer je er middenin zit. Maar als er geen verandering zou komen, zagen wij binnen een aantal jaren voor velen van ons de congregatie niet de aangewezen weg om de doelstelling van je persoonlijk leven te verwezenlijken. Ik moet tot mijn leedwezen zeggen dat van die zes mensen niemand meer in de congregatie is. Van één weet ik dat hij nu leraar is op een technische school, een ander studeerde op de TH in de tijd dat ik hem nog ontmoette, ikzelf studeer geschiedenis.

Een tweede punt wat mijzelf erg veel gedaan heeft, is onze tweede professie. In 1969 hebben wij vernieuwing van geloften aangevraagd voor drie jaar. We hebben toen een gesprek gehad met het Provinciaal Bestuur, waarin men ons opnieuw liet formuleren waarom wij religieuzen wilden zijn. Het resultaat was dat wij toestemming kregen om voor één jaar vernieuwing van geloften te doen. Dat was volkomen tegen de normale gang van zaken in. Ik zei al, dat ik hier erg veel moeite mee heb gehad. Ik heb nu eenmaal een karakter dat ik zulk soort zaken maar moeilijk kan accepteren: na postulaat, noviciaat en drie jaar tijdelijke professie waarin we in de congregatie geleefd, gewerkt en gestudeerd hadden, opnieuw antwoord geven op de vraag: wat willen jullie eigenlijk. Dit is wel de voornaamste reden geweest dat ik niet gebleven ben.

Deze gang van zaken hing kennelijk nauw samen met de plaats van de vakbroeders in de congregatie. Ik vind het nog altijd doodjammer dat er toen niet duidelijk is gepraat. Het is niet zo, dat er geen élan was of zo iets. Het was duidelijk een communicatiestoornis. Als er goed gepraat was, was ik voor hetzelfde geld misschien nog wel hier geweest. Dat wil overigens niet zeggen, dat ik nu minder gelukkig ben. Maar zo zie ik het als ik op die periode terugkijk.

Het eerste dat mij opgevallen is toen ik weg was en assistent-bedrijfs leider werd van een schildersbedrijf in Sittard, was wat ik daar voor goeds kon doen voor de mensen, iets waarvoor ik hier geen gelegenheid had gehad. Er waren daar 100 man werkzaam. Na een half jaar stierf de bedrijfsleider en moest ik zijn taak overnemen. Jongen, wat kwam er toen op me af, want je werd maar voor de leeuwen gegooid. Alleen al met die mensen te helpen die problemen hadden, huwelijken die stuk liepen, kinderen die ziek waren, gezinsmoeilijkheden - wat dat betekent voor een man, iemand in bescherming nemen tegenover anderen die hem niet begrijpen... Ik kon me echt voor een zaak inzetten, en daarbij dan te bedenken dat zoveel mensen van je afhankelijk zijn. Dat soort dingen allemaal, daarmee stond je veel meer in de maatschappij. Je had ook veel meer het idee: hier kan ik doeltreffend werk doen. Dat was een heel groot verschil met het funktioneren dat wij binnen de congregatie deden. Niet dat dit op zich niet nuttig zou zijn, daar gaat het niet om. De laatste verbouwing die wij hier gedaan hebben, was de tussen bouw . Dat is alweer zoveel jaar geleden. Terwijl we wisten dat we weg zouden gaan, hebben we hiermee gewacht tot we het werk helemaal af hadden. Pas daarna zijn we vertrokken. Dat was ook goed werk, prima werk voor al die broeders die hun leven gegeven hadden voor de congregatie, dat die van een goéde oude dag konden genieten. Daar hebben ze recht op.

En dan was er in die tijd ook nog sprake van de pensioenvoorziening in de congregatie. Het feit dat naar men zei voor ons misschien niet een pensioenvoorziening gefinancierd kon worden, dat is ook een onderdeel van ons gesprek geweest: je hele leven hier te werken, en dan niet zeker weten of er voor je gezorgd was...

Ik heb me in die tijd ook wel eens afgevraagd, of oudere vakbroeders wel helemaal gelukkig waren met hun lot. Of dezen zich ook niet afvroegen: welke rol vervul ik binnen het grote geheel van de congregatie? Laten we eerlijk zijn: in het leven zonder vrouw, het leven in een kloostergemeenschap moet hét bindend element op de allereerste plaats zijn: dat je jezelf kunt zijn, en dat je er met elkaar kunt zijn, en dat je er voor elkaar bent. En dat was juist in die tijd van ontzettend belang, toen veel broeders - je kunt wel zeggen iedereen - zich de vraag moest stellen: wat doe ik hier, wat doe ik als religieus in deze veranderende tijd, wat is mijn rol hier, hoe zie ik mijn kloosterleven? Dit geeft toch wel aan, dat er eigenlijk van alles aan de hand was; alles was in beweging. Het was voor iedereen een moeilijke tijd.

Het punt, alléén door het leven gaan, dat is naast de religieuze dimensie het zwaarste criterium. Het lijkt heel gek dat ik dat zeg, maar als ik met religieuzen omga, denk ik altijd: je kunt het alleen maar doen als je a) een evenwichtige persoonlijkheid bent, al moeten andere mensen dat ook zijn natuurlijk, en b) je zuIt voor het leven-alléén een oplossing moeten vinden, want daar kun je niet omheen, we zijn niet geboren om alleen te blijven.

Ik heb er veel over gedacht welke voorwaarden er aanwezig moeten zijn wil je heel je leven als religieus werkzaam kunnen blijven. Dat zijn de dingen die ik daarnet al genoemd heb: het je kunnen invoelen, het je lid kunnen voelen van een gemeenschap, je op elkaar betrokken voelen, samen ergens voor in kunnen staan, met elkaar het leven maken. Dit kunnen holle kreten lijken, maar dat zijn ze beslist niet; ze hebben te maken met dat hele proces van gevoelsmatigheid: het belangeloos voor elkaar daar zijn als dat nodig is. Je bent natuurlijk ook mens met je eigen gebreken, je eigen achtergrond en je eigen structuur, maar in het hele kloosterlijk functioneren zijn deze zaken toch erg be!angrijk.

Ook als je getrouwd bent of als je verkering hebt is dit van belang, het punt van met elkaar kunnen communiceren, praten over allerhande dingen: wat stel je je van het leven voor, hoe kijk je tegen je werk aan, hoe ga je met je medemensen om, wat voor zicht heb je op je medemensen, wat kun je doen aan bepaalde situaties om die te veranderen, hoe kun je andere mensen duidelijk maken dat iets niet kan, of dat je iets verkeerd hebt gedaan: dat praten, dat zó met elkaar verkeren, dat is van enorm belang. Als je trouwt ben je met zijn tweeën. Dat betekent dat je ten opzichte van de ander een aantal dingen laat die je zelf zou willen, die wissel je in. In dat proces gaat dat natuurlijker dan dat een aantal mensen zo maar bij elkaar komt, daar gaat dat niet zo vanzelfsprékend, maar het is beslist ook een leven in gemeenschap.

Neem nou eens het simpele voorbeeld dat iemand verliefd wordt, dat kan iedereen overkomen. Hij zal daar met zijn medebroeders over moeten kunnen praten, wat voor moeite het dat kost, en wat te doen in zo'n situatie. Iedereen kan verliefd worden, ook iemand die getrouwd is, dat is geen probleem, maar je moet erover kunnen pràten. En als je binnen zo'n kloostergemeenschap een bepaalde opvang hebt, moet het mogelijk zijn dat je daar overheen groeit, dat je dan zegt: nou, omdat ik eenmaal besloten heb om hier bij deze mensen te blijven en ik er met hen over kan praten, dan moet dat lukken. En je ontdekt ook dat je niet de enigste bent.

Ook luisteren, iemand eens uit laten vertellen wat hem nou zo bezeert, en wat er aan de hand is, daarvoor een willig oor hebben, dat zijn ontzettend belangrijke dingen. Voor degene die moet besturen, maakt al dit praten en luisteren het besturen er niet gemakkelijker op, zeker niet. Maar als ik dan een uitzending op de TV zie over de religieuzen in Nederland, die misschien een kwartiertje duurt, waarin wel op zó'n knullige wijze het religieuze leven wordt verkocht, op zo'n manier dat ik zeg: mijn lieve god nog aan toe, had men dit niet op een andere manier kunnen brengen? Dan vraag je je toch af... Ik heb me er werkelijk aan geërgerd: een klein stukje met een provinciaal waarbij alsmaar gesproken werd over: het kloosterleven is dood, het kloosterleven is dood..... En dan laat men een zuster zien die in Den Haag in de Schildersbuurt werkt, daar hebben ze dan een klooster. En als dat dan alles is wat men laat zien en men laat dan even de mededeling erop volgen dat er binnenkort een Open Dag is in de kloosters... Als je het zó doet, denk je dan werkelijk dat er zoveel mensen komen? De mensen die komen, hebben toch belangstelling voor de broeders die er leven en werken. Dacht je nou werkelijk, dat je daar zoveel mensen mee aansprak, met zo'n uitzending, waar je nog steeds van hoort: het kloosterleven is dood ...?

Ik kan me voorstellen dat mensen die al langer lid zijn van de congregatie, soms denken dat hun leven voor niets is geweest. Er zijn mensen die denken: er komen geen jongeren meer, het spreekt hen niet meer aan; wat wij vroeger gedaan hebben, dat leven sterft af. En dit zien kan de vraag oproepen: heb ik het wel goed gedaan? Nou, dat leven heeft zeker zin gehad! Alleen al het feit - al klinkt het misschien een beetje raar dat ik dat zeg - dat zoveel mensen op het juvenaat gestudeerd hebben die nu overal elders in Nederland werken, dat is niet zomaar wat. De jaren dat ik hier geweest ben en op het juvenaat heb gezeten, die hebben mijn leven bepaald.

Hoe je het ook wendt of keert, die zijn niet meer weg te denken. Ik studeer nu nog, omdat ik hier zoveel jaar geweest ben. Dat is één. En uit het één volgt het ander: het vooruitgangsidee in het christendom, het optimistische naar de toekomst werken, dat is dacht ik ook iets dat vooral ouderen niet uit het oog moeten verliezen. En dat gebeurt jammer genoeg toch wel eens. Het is niet voor niets geweest wat zij voor het goede doel gedaan hebben. Dat het functioneren van kloosterlingen in deze tijd anders is geworden dan in de tijd toen zij intraden en een groot gedeelte van hun leven hebben doorgebracht, wil echt nog niet zeggen dat hun leven zinloos was. Er zijn nu eenmaal veranderingen in de maatschappij die ook hun doorwerking hebben in het kloosterleven. Dit leven zal heus wel blijven bestaan, daar twijfel ik geen moment aan, maar waarschijnlijk wel op een andere manier, op een andere manier van tastbaar maken, via weet ik wat voor mogelijkheden.

Neem de eenzaamheid in de maatschappij, het niet meer weten waar je staat en waar je naar toe moet, dat gevoel is veel en veel groter dan het vroeger was. Dat is een punt waar veel religieuzen alleen al door hun aanwezig zijn, het betrokken zijn in hun werk, heel wat aan kunnen doen. Zolang je nog voor andere mensen iets betekent, is het leven niet voorbij of zinloos of zit er geen toekomst meer in.

Er zit altijd toekomst in, al ben je nog maar met zijn tweeën. Al blijf je maar met zijn tweeën over, dan nog kun je voor die andere wat betekenen, en dat is iets wat we niet uit het oog mogen verliezen. Het is niet de massaliteit die nog een rol gaat spelen in de toekomst. Nee, in de toekomst is het veel meer het onopvallend aanwezig zijn waar je aanwezig moet zijn. Ik heb daar veel over nagedacht, gemediteerd over dit punt; het heeft mij getroffen toen Aurelianus begraven werd, de toespraak die Thomas hield .... Ik heb Aurelianus heel goed gekend, hoe hij zich met de ideeën van Gabriël Marcel bezig hield, dat soort zaken allemaal, dat stijgt bij mij veel meer boven alles uit dan zo maar een boek uitlenen of zo. Aurelianus had een leven 'naast' een ander leven: hij hield zich bezig met de dingen over God, over samenleven, wat doe ik hier op deze aarde, van dat soort dingen waar een ander niets van ziet.

En als je dan een begrafenis meemaakt ... Wij waren in onze tijd jonge mensen, ik was 'begrafenisondernemer' hier op de Beyart, ik heb toen veel broeders begraven. Als je nu ziet dat wij met jonge mensen waren en de ouderen begroeven, en dat nu de ouderen de oudsten begraven, dan denk je toch wel eens: wat is er in die jaren ontzettend veel veranderd; en dat vind ik geweldig jammer. Ik kan me voorstellen als je hier zoveel jaren hebt geleefd en gewerkt, dat het je wel wat doet als je ziet dat er geen jonge mensen meer komen. En vandaar ook tegen die achtergrond van het verhaal over die vakbroeders dat ik zeggen kan: het had misschien wel anders gekund. Maar zonder rancune, je moet het zelf verwerken... Die jaren blijven. Men noemt mij wel eens ernstig, en dan zeg ik altijd: je moet niet vergeten dat ik jaren van mijn leven ook andere dingen gedaan heb als wat ik nu doe, en me met mezelf heb bezig gehouden. En ook diep hoor... je plaats in het leven, de betekenis van wat je doet en waarom het allemaal zo gelopen is, het aanvaarden van bepaalde dingen....

Ik trouw op de Beyart - gelukkig kan dat nog - omdat ik vind dat ik vanuit hieruit, het klinkt zeer theatraal, naar de 'wereld' ben gegaan. Ik trouw hier in de kapel omdat ik vind dat de richting die mijn leven genomen heeft, vanuit deze gemeenschap voortkomt. Ik heb er al op gewezen dat als het anders was gelopen, ik hier misschien nog gezeten had. Daar ben ik vast van overtuigd, dat geloof ik ook. Maar het is anders gelopen.

Ik ben niet vanuit een gezin de maatschappij ingegaan, nee, ik ben vanuit deze gemeenschap de maatschappij in gegaan. Daarom voel ik me eigenlijk ook nog deel hebben aan deze gemeenschap, ik voel me nog lid ervan, hoe gek dat ook klinkt want juridisch ben ik het niet meer. Maar ik voel me daar nog een gedeelte van, en ik denk dat dat wel altijd zal blijven.

Enerzijds natuurlijk doordat er een aantal mensen zijn die op deze aardbol rondlopen in diverse landen waarmee je persoonlijk contact hebt gehad, anderzijds omdat je hier een gedeelte van je jonge leven hebt doorgebracht, wat je een bepaalde vorming heeft meegegeven, een bepaalde manier van denken die er nog steeds in zit, en tot in lengte van jaren zal blijven. Het is een onderdeel, in mijn geval, van een volwassenheidsproces dat zich hier heeft afgespeeld, en dat er niet uitgesneden hoeft te worden, het heeft alleen een andere plaats gekregen.

Maastricht juni 1979 voor Oriëntatie F.I.C.. 1979/7 Avellinus Janssens

 

Foto's zijn afkomstig uit eigen bezit en uit de jubileumuitgave bij het 25 jarig bestaan van het Instituut voor Techniek en Ambacht St. Jozef op 2 febr.1962

Aanvullende informatie over oud leerlingen en oud docenten:

Wat heeft die broeder Kees van de Wiel toch met die pieren ?!!

 

Met behulp van pieren probeert Kees van de Wiel samen met een aantal arme vissers in het verre Chili voor hen een beter bestaan op te bouwen.

Wij zijn toch broeders om iets te doen? Bro. Jos van Dinther (4 languages)

In de vijfendertig jaar dat hij in Ghana werkt, heeft broeder Jos van Dinther veel van de grond gekregen. Hij bouwde mee aan een middelbare school en heeft daarna een technische school opgezet en stond aan de wieg van de opvang van straatkinderen in Accra. Maar hij maakt zich ook zorgen over de inzet van de FIC-congregatie. ‘Er is nog zoveel te doen. Soms mis ik een sense of urgency.’

Br. Henk Munnich Our man ... is leaving Malawi (Henk Munnich)

Afscheid van Malawi

Na meer dan 42 jaar verlaat broeder Henk Munnich Malawi voorgoed, om naar Nederland terug te keren. Het is een rare tijd om te gaan, vanwege de wanhopige voedselsituatie in Malawi. En de vooruitzichten zijn niet veel beter, zoals broeder Henk uitlegt.

 

Nog enkele foto's die ik toegestuurd heb gekregen

vakschool zevenaar

Toegestuurd door broeder Jos van Dinther.

Foto is van de vakschool in Zevenaar.

Jos is op dit moment werkzaam in Ghana en doet daar ongelooflijk goed werk.

smederij

Toegestuurd door Broeder Jos van Dinther

Foto is van de werkplaats metaalbewerken van Broeder Cichus Vakschool Tongerseweg. (

Foto staat ook in jubileumboek.

bordes maastricht

Een foto van de vakschoolleerlingen op het bordes.

(Tongerseweg 135)

Ik (Carol Putters) sta schuin voor Henk Munnich, die jongen met een trui aan.

juvenaat 1963 1964 zevenaar

Toegestuurd door Henk Janssen

Foto juvenaatsklas schooljaar 1963/1964 Zevenaar.

Destijds eerste voorbereidende leerjaar in Zevenaar, tweede leerjaar in Maastricht op de vakschool "st. Jozef", derde leerjaar weer in Zevenaar wegens verhuizing van Maastricht naar Zevenaar.

Zittend van links naar rechts, Theo van de Meij, Henrico Heezels, Henk van Vuuren, Marcel Centen, staand van links naar rechts, John Wolters, Willie Gommans Tom Meder,Gerard van de laan, Coen van de list, Ton Neecke, daarachter van links naar rechts, Theo Snoeren, broeder Marinus Toebosch, Frans van leeuwen, Sjef Voermans (achter H.J.), Henk Janssen, Jan van der Sanden, Jos Louwers.

Toegestuurd door Nico Wacker

Voorbereidende klas Zevenaar foto 1960-1961

klassenfoto 1960-1961

Achterste rij: Bert Schinkel, Wiel Bremen, Kees van Herkhuizen, Nico Wacker, Leo Lampe, Jan Vink, Tiberius van Spanje, Berry Hikspoors, ??, ??

Voor Leo lampe: ??

Onderste rij: ??, Hans Noordstrand, ??, ??, Karel Gerits

circus 1

circus 2

sneeuwpret 1

sneeuwpret 2

slaapzaal Zevenaar

 

Pagina bijgewerkt op 27 maart 2006/opnieuw op 2 juni 2007/ 24 september 2009

bouw de beyart

Mother house The Beyart during construction in 1898

 

02-06-07 drs.J.W.Swaen Historicus