We hebben 221 gasten online

Geschiedenis en Levensloop Deel 12D1 Overzicht werkzaamheden COO

Gepost in Over mijzelf

Schooljaar 1989-1990

Op deze laatste plenaire vergadering van het schooljaar 1989-1990 is het goed om even bij een aantal zaken stil te staan.

Het Centraal Overlegorgaan is op 6 september 1989 voor het eerst met de aspirant-leden bijeen geweest en heeft vervolgens nog 7 keer vergaderd. Het bestuur van het COO heeft dit jaar 11 keer vergaderd. Voorts hebben vertegenwoordigers van het COO de vergaderingen van het Hoofdbestuur bijgewoond, indien toegestaan! Verder hebben leden van het COO zitting in de commissie rechtspositie,emancipatie en BAVO.

We hebben ons dit jaar bezig gehouden met:

- deskundigheidsbevordering personeel

- wat gebeurt er binnen O.M.O. aan managementondersteuning

- Relatie COO - G.M.R. (nog niet uitgediscussieerd)

- Hoofdlijnen structuur COO voor de toekomst

- Zeer uitvoerig hebben we ons dit jaar beziggehouden met functioneringsgesprekken en hebben besloten om hierover een advies uit te brengen aan het H.B.

- De betrokkenheid van de leden van het COO hebben we proberen te vergroten door een ander systeem van vergaderen toe te passen. In de toekomst zal deze vorm meer worden toegepast.

- Het COO heeft zich via een motie uitgesproken over het Van der Putt Lyceum.

Intern is er binnen het COO-bestuur veel vergaderd over hoe dient het COO in de toekomst te functioneren en welke rol heeft het bestuur daarin.

- Waar houden we ons mee bezig

- Relatie COO- Hoofdbestuur

- Relatie COO - andere adviesorganen binnen O.M.O.

Binnen het bestuur heeft na deze discussie een wisseling van de wacht plaatsgevonden en in het nieuwe jaar zullen 3 nieuwe bestuursleden zitting nemen in het bestuur. Dat wil zeggen dat we van de 'oude' garde definitief afscheid nemen. Alleen Thijs en ondergetekende blijft deel uitmaken van het bestuur. Een en ander geeft ons de mogelijkheid met nieuw elan onze taak uit te voeren.

Relatie O.M.O. Hoofdbestuur - COO

De taak van het COO is nog steeds het geven van advies aan en het voeren van overleg met het bestuur van de vereniging O.M.O. vooral over zaken van algemeen beleid - in het bijzonder van aangelegenheden die de rechtspositie en de werkomstandigheden van de personeelsleden betreffen van de onder het O.M.O.-bestuur staande leden.

Waarom stel ik dit hier nog eens uitdrukkelijk omdat er binnen O.M.O. door b.v. het Bestuur en de Rectorenvergadering in de praktijk blijkbaar anders over wordt gedacht.

- Voorbeeld 1. Voor het H.B. cq haar voorzitter is blijkbaar niet zoveel behoefte aan het COO gezien de opmerking van de voorzitter:'U mag aleen meepraten over rechtspositionele zaken'.

2. Toehoorders die geweerd werden.

3. Er zijn te veel adviesorganen binnen O.M.O.

4. 'Moet ik deze vergadering van het COO echt wel bijwonen.'

Het kan toch niet zo zijn dat door wisselingen van b.v. het voorzitterschap van O.M.O.

ineens het hoge goed van de medezeggenschap d.m.v. adviesorganen ophoudt te bestaan.

Met andere woorden: keren we terug naar een situatie waarbij democratisch meedenken buiten de orde is ?

Op maandag 11 juni heeft het COB vergaderd met Het H.B.

Tijdens de vergadering hebbe we het H.B. proberen duidelijk te maken dat het bestuur van het COB cq. het COO van mening is dat we samen moeten werken om de veranderingen in het onderwijs die aanstaande zijn binnen het kader van O.M.O. op een goede perspectief gevende manier gestalte te geven. Naar onze mening zal er sprake zijn van een cultuurverandering waar we op tijd voor klaar dienen te zijn. Daarbinnen past een open sfeer en eeen democratische overlegstructuur die niet gebaat is bij vermeende belangentegenstellingen. Want belangentegenstellingen zijn er niet.

Bij deze kan ik U meedelen dat het H.B. en het COB na het overleg van 11 juni van mening zijn dat het alleszins goed is om samen aan deze toekomst te werken. Het H.B. zal er op toe zien dat de communicatie tussen het H.B. en COB wordt bevorderd en dat het COO een volwaardige rol kan vervullen binnen de cultuurveranderingen die de komende jaren binnen het onderwijs en dus binnen O.M.O. zich zullen gaan voordoen.

Wij als bestuur hebben daar alle vertrouwen in.

Relatie Rectoren-COO-O.M.O.

Is die er eigenlijk wel ? Hoe kijken rectoren tegen het COO aan ? Zonder generaliserend te worden kunnen we constateren dat het woord relatie in deze niet voorkomt.

Enkele feiten:

a. Elk jaar opnieuw zijn er problemen bij de toekenning van het taakuur aan COO vertegenwoordigers, hoewel het Hoofdbestuur uitdrukkelijk heeft uitgesproken dat dit dient te gebeuren.

b. De discussie over de enkele taakuren die het COO-bestuur heeft.

c. De rectorenvergadering brengt advies uit aan het Hoofdbestuur zonder het COO in relevante zaken te informeren.

d. Dhr Abbenhuis spreekt met zijn notitie 'Wat de rectoren voor ogen hebben' over het feit dat er sprake is van een cultuurbreuk als proces van vernieuwing en stelt daarbij dat er sprake is van 3 groepen binnen O.M.O.- de rectoren, de medewerkers van het bureau en de bestuursleden-, die volwaaen moeten gaan samenwerken. Geen woord over het COO als representant van al diegenen die bij O.M.O. werkzaam zijn.

e. a t/m f is zeker niet uitputtend; dit behoeft verandering.

Toekomstige Cultuurveranderingen binnen het onderwijs

In het formatiebudgetsysteem krijgen de scholen de beschikking over een aantal rekeneenheden waarmee zij de schoolformatie kunnen vaststellen. Zij hebben keuzevrijheid in de soorten en aantallen functies en declareren de daaruit voortvloeiende salariskosten achteraf bij het Rijk.

In het formatiebudgetsysteem wordt dus geen geld verdeeld,maar functies. De school kan de verdeling van de functies zelf bepalen; het Rijk vergoedt de salariskosten op basis van de huidige salarissystematiek.

Daarnaast krijgt iedere school nog extra eenheden, een opslag op de basisnorm, waarmee bepaalde extra kosten opgevangen kunnen worden; zoals kosten van vervanging bij ziekte en garantie.

Voor de vervanging bij ziekte zal een zg. vervangingsfonds opgezet worden, onder bestuur van werkgevers, werknemers. De scholen betalen dan, vanuit de opslag voor vervanging in het formatiebudget, een premie aan dat fonds; in ruil daarvoor krijgen zij de kosten van vervanging vergoed. Gewoon een verzekering dus.

De school mag een aantal eenheden ook verzilveren. Tot maximaal 15% d.w.z. 15% kan dan in geld worden uitbetaald en op de bank worden gezet !

De budgettaire aspecten van de invoering van het formatiebudgetsysteem betreffen vooral de garantie-uitgaven. Vanaf 1993 moet Onderwijs en Wetenschappen jaarlijks 113 miljoen bezuinigen.

Scholen krijgen door het Formatiebudgetsysteem meer beleidsruimte. Ze maken dan een formatieplan. Via zo'n formatieplan moet elke school duidelijk keuzes maken, het beleid formuleren, welke koers wil de school varen.

Via zo'n formatieplan kan men tot een andere opbouw van de personeelsformatie komen waardoor verschuivingen optreden in de personele bezetting. Sommige personeelsleden krijgen een ander fuctie, anderen zullen moeten afvloeien omdat hun functie wordt opgeheven. Het bevoegd gezag kan zich dan bij de afvloeiing beroepen op het formatieplan.

Het formatieplan is besproken met alle partijen en heeft dus een breed draagvlak binnen de school en uiteindelijk vastgesteld door het bestuur.

Enkele consequenties:

a. Men heeft b.v. een jaarrooster en geen weekrooster, het aantal lessen blijft gelijk maar wordt anders verdeeld. Dit heeft consequenties voor het takenpakket, maar ook voor de wijze waarop de lessen worden gegeven.

b. Binnen grote secties meer ruimte om werkzaamheden te verdelen.

c. Taakuren zullen vervallen. Nu moet de directie bepalen welke taken extra faciliteiten krijgen binnen de school en welke niet. De ruimte naast de lestaak zal expliciet ingevuld moeten worden.

d. Bij een ongewijzigde rechtspositie, zal er bij de meeste scholen pas ruimte ontstaan ten gevolge van natuurlijk verloop - als er mensen met pensioen gaan krijg je ruimte

- bij daling leerlingenaantal moet de formatie worden teruggeschroefd. Onder invloed van het f.b. systeem bestaat het gevaar dat scholen nieuwe docenten geen vaste aanstelling geven, maar ze op jaarcontract binnen halen.Dan kunnen ze weer makkelijk ontslagen worden.

- een van de beperkingen bij het ontwikkelen van een nieuw personeelsbeleid is de afvloeïngsvolgorde.

e. Problematiek van de huidige garantielopers; zal de opslag bij het f.b. systeem daarvoor voldoende zijn ? Zo niet, wat te doen ?

g. De speelruimte van rectoren, directies wordt vergroot. Zijn ze daarop voorbereid ?

h. Toenemende concurrentie tussen scholen.

i. Wat blijft er over van de autonomie van de leerkracht nbinnen het f.b. systeem ?

j. Grote cultuurverandering binnen de scholen.

- School moet eigen beleid gaan ontwikkelen

- De schoolleider zal een beleidsvoorbereidende, onderhandelende en uitvoerende manager dienen te zijn.

- Als directietaken lesvrij worden (op grote scholen) betekent dat een verzwaring voor de lestaak van anderen. (want de formatie blijft gelijk)

- Er moet een directie komen die daadwerkelijk verstand heeft van organisatie en personeelsbeleid

- Er komt een weektaak van 40 uur

- Niet lesgebonden taken worden even belangrijk als lesgebonden taken

- Er moet een directiestatuut komen waarin de relatie wordt vastgelegd tussen schoolleiding en bestuur

Grootste punt blijft: de kwestie van taakbelasting, er komt geen uur formatie bij !!

In het Lump-Sum systeem worden de salaris-uitgaven gebudgetteerd. De scholen krijgen dan een grotere vrijheid een salarisbeleid te voeren.

Bericht aan collega's Peellandcollege betreffende werkzaamheden voor COO in schooljaar 1990-1991

Beste collega's,

Nu het Centraal Overlegorgaan het Rapport Bedrijfsgezondheidszorg en haar adviezen t.a.v. medisch-sociaal beleid heeft uitgebracht, leek het mij een goede zaak om alle collega's nog eens te verduidelijken wat jullie vertegenwoordiger van het Centraal Overlegorgaan in de praktijk zoal heeft gedaan en doet. Temeer omdat het Centraal Overlegorgaan mij opnieuw als voorzitter heeft benoemd voor de komende 2 jaar.

Het C.O.O. heeft het afgelopen jaar 1 keer per maand plenair vergaderd. Daarnaast heeft het bestuur van het C.O.O. 1 a 2 keer per maand vergaderd. Verder heeft het Bestuur van het C.O.O. vergaderd met Dhr. Jansen, directeur Onderwijsbureau en secretaris van het H.B. en op 4 maart met het Dagelijks Bestuur van O.M.O..

Onderwerpen die dit jaar binnen het C.O.O. en het bestuur van het C.O.O. aan de orde zijn gekomen zijn:

1. Formatiebudgetsysteem (een aantal keren)

2. Professionalisering van werving en selectie in het onderwijs

3. Privacyreglement O.M.O.

4. Wachtgeldregeling

5. Beroepseisen leraar VWO/HAVO/MAVO school.

6. Relatie C.O.O.- Hoofdbestuur

7. Relatie C.O.O. en ander adviesorganen binnen O.M.O.

8. Als rode draad heeft het C.O.O. zich het afgelopen jaar vooral bezig gehouden met Bedrijfsgezondheidszorg. In een 7-tal vergaderingen hebben we ons zeer diepgaand laten voorlichten en stukken bestudeerd aan de hand waarvan we een aantal adviezen t.a.v. medisch-sociaal beleid hebben geformuleerd. U kunt deze vinden op de laatste bladzijde van ons rapport.

Namens het Centraal Overlegorgaan ben ik nog waarnemer bij de vergaderingen van het Hoofdbestuur. Deze worden altijd 1 keer per maand gehouden op de laatste maandag van elke maand.

Daarnaast heb ik zitting in de Rechtspositiecommissie van O.M.O. en in de Plaatsingscommissie. In de Rechtspositie commissie komen alle zaken aan de orde die actueel zijn, denk bijvoorbeeld aan:

1. F.B.S.

2. Ouderschapsverlof

3. Nieuwe A.D.V.-regeling

4. Opfrisverlof

5. Verzoeken om afwijking van de wachtgeldregeling

6. Basisvorming

7. De lopende wachtgeldprocedure

8. Tijdelijk Wet Arbeidsbemiddeling Onderwijs

9. Toepassing rechtspositiebesluit Adjunct-Directie i.v.m. Adjunct-Directeuren die in aanmerking komen voor wachtgeld.

10.Hoe te handelen bij A.D.V. verlof en ziekte.

Dit jaar stond vooral de problematiek t.a.v. het Van der Putt-lyceum centraal. De definitieve sluiting, door de staatssecretaris begin januari, leidde tot een extra wachtgeldprocedure voor de personeelsleden van het Van der Putt-lyceum. Dit resulteerde in een extra tussentijdse plaatsing door de plaatsingscommissie, waaraan ook de voorzitter van het C.O.O. deelneemt. Degenen die niet geplaatst zijn, om wat voor reden dan ook, worden alsnog meegenomen in de wachtgeldprocedure 1991.

Voorts heb ik als voorzitter van het C.O.O. nog correspondentie gevoerd en een gesprek gehad met de voorzitter van de rectorenvergadering.

Ik hoop hiermee enigszins iets te hebben verduidelijkt over mijn werkzaamheden binnen het Centraal Overlegorgaan dat ik namens het Peellandcollege mede vertegenwoordig.

Jo Swaen. Voorzitter COO afgevaardigde van het Peellandcollege

Van Jo Swaen voorzitter Centraal Overlegorgaan

5 mei 1991

Bericht van het Centraal Overlegorgaan

Het Centraal Overlegorgaan heeft aan het Hoofdbestuur een advies uitgebracht ter zake het oprichten van een Gemeenschappelijke Medezeggenschapsraad.

Het concept advies zag er als volgt uit:

Het Dagelijks Bestuur heeft zich over het voorstel beraden.

In een vergadering met het Dagelijks Bestuur van OMO en het Presidium van het Centraal Overlegorgaan op 5-11-'92 heeft het Dagelijks Bestuur gereageerd op ons adviesvoorstel.

1) Het D.B. is van mening dat de Vereniging behoefte heeft aan een adekwate medezeggenschapsstructuur(denk aan de WMO)

2) Dit is vooral belangrijk omdat de Vereniging streeft naar een Uniformering van het arbeidsvoorwaardenbeleid,gelijke behandeling etc.(denk aan de raamovereenkomst F.B.S.)

3) Het D.B. onderschrijft de overwegingen en uitgangspunten die het Centraal Overlegorgaan voor ogen staan bij de realisering van de Gemeenschappelijke Medezeggenschapsraad.

4) Het D.B. is van mening dat een Gemeenschappelijke Medezeggenschapsraad in het schooljaar 1993-1994 operationeel kan zijn binnen wettelijke structuren.

5) Het COO en het COCO zullen gaan functioneren als geledingenraden.

In de dagelijkse praktijk zal dit betekenen dat het Bevoegd Gezag alleen te maken zal hebben met de GMR en niet meer met het COO en het COCO.

De lijnen die U in ons advies ziet van beide organen naar het Bevoegd Gezag zullen dus wegvallen.

Zowel het COO als het COCO zullen dus geen adviesorganen meer zijn naar het Hoofdbestuur maar enkel als geledingenraden functioneren.

6) De GMR zal zich vooral gaan bezighouden met schooloverstijgende zaken(zie ook punt 2)

7) De M.R.'s van de afzonderlijke scholen zullen zich alleen bezighouden met schooleigen zaken.

8) De verkiezing van een GMR zal plaatsvinden via getrapte verkiezingen uit de beide Geledingenraden.

9) Ten aanzien van het OOP is het Dagelijks Bestuur van mening dat men daar geen voorschriften voor kan geven aangezien de WMO daar ook niet in voorziet.

Wel is het mogelijk en het Presidium van het COO hecht daar ook zeer aan, dat in de Personeelsgeleding van de GMR de belangen van het OOP voldoende gewaarborgd zijn. Dit kan nader in een regelement voor een GMR worden geregeld

10) Het Dagelijks Bestuur van de Vereniging en het Presidium van het COO hebben afgesproken dat men nog nader van gedachten zal wisselen m.b.t.

a) Vaststelling regelement GMR

b) De omvang van de GMR

c) De zittingsduur van de GMR

d) De Informatievoorziening

Zolang de GMR er nog niet is zal het COO de belangen van het Personeel blijven behartigen in de geest van de WMO.

Enkele kanttekeningen bij het bovenstaande:

Omdat een aantal zaken nog niet duidelijk zijn is er binnen OMO sprake van enige onvrede m.b.t. wie,waar,hoe en wat regelt bij het totstandkomen van een GMR.

Medezeggenschapsraden van afzonderlijke scholen voelen zich terecht of ten onrechte op een zijspoor gezet.Zij hebben het idee dat alles over hun hoofden heen zal worden geregeld.

Niets is minder waar. De afzonderlijke Medezeggenschapsraden kunnen zich ter zijner tijd daarover uitspreken. In een regelement van een Gemeenschappelijke Medezeggenschapsraad zal een en ander nader worden geregeld.

Punt van discussie zal natuurlijk vooral zijn wat behoort tot schooleigen zaken en wat zijn schooloverstijgende zaken?

De dagelijkse praktijk zal in de regel hier vaak uitkomst bieden.Voorop staat in ieder geval dat het gestelde in punt 2 gewaarborgd dient te zijn.

Een ander punt van nader overleg zal de financiering van een en ander zijn.Het kostenplaatje dient budgetair neutraal te zijn,indien mogelijk.Het presidium van het COO zal hierover nog een advies uitbrengen aan het Hoofdbestuur.

Ten slotte wordt er nog al eens krtiek geuit op het feit dat het COO voor zichzelf een centrale rol opeist.

Het is de taak van het COO gevraagd en ongevraagd het Hoofdbestuur advies te geven. Door de invoering van het FBS en de daaraan gekoppelde wet WMO was het niet meer dan vanzelfsprekend dat het COO, nu er in zin van de wet sprake is van instemmingsrecht bij een groot aantal zaken,via een zeer zorgvuldige bestudering tot het bovenstaande advies kwam. Men kan het COO niet verwijten dat men nu de medezeggenschap echt handen en voeten krijgt, men alleen maar aan zichzelf denkt. Integendeel.

Het COO houdt in zijn huidige vorm op te bestaan en zal alleen als geledingenraad functioneren.

Het huidige Presidium van het COO ziet haar taak als beëindigd wanneer er binnen de vereniging OMO een GMR tot stand komt die binnen de wettelijke kaders de belangen van allen die werknemer van OMO zijn waarborgt.

Anderen zullen dan de toekomst van de GMR binnen OMO nader gestalte dienen te geven.

Een GMR waar alle geledingen binnen OMO zich wel bij zullen kunnen bevinden.

J.W.Swaen. Voorzitter Centraal Overlegorgaan Ons Middelbaar Onderwijs